'Met de verkoop van het nieuwe type wilde het niet erg vlotten, omdat er
maar 3 verkocht werden.'
Zin a. is correct, omdat "want" alleen een nadere verklaring van de schrijver toevoegt, waarom hij zegt dat het met de verkoop niet erg wilde vlotten.
Zin b. is raar, omdat er een intrinsiek gevolg uitgedrukt wordt van het feit dat "er slechts drie verkocht werden". Wel goed is bijvoorbeeld:
c. Ef fabriyk tasso fes dÿfosmurfiy, janof blul ne'âma 3 tiyns rifo ef kleter
frenvu póbarelije.
'De fabriek ging failliet omdat er maar drie stuks van het nieuwe type
verkocht werden.'
Dus: "want" geeft een reden aan waarom de spreker een bepaalde bewering doet; "omdat" geeft een reden aan waarom een bepaalde SvZ zo is.
In veel gevallen is dit onderscheid nauwelijks aanwezig, zoals in:
a. Gress tinde fesért, janof ef bidale.
'Ik blijf thuis, omdat het regent.'
b. Gress tinde fesért, brâ ef bidale.
'Ik blijf thuis, want het regent.'
Hier vallen de reden waarom de spreker iets beweert ('Ik blijf thuis') en de reden waarom hij thuisblijft, samen. Merk op dat er in het Nederlands een onderscheid is tussen een ondergeschikte bijzin in a. en een nevenschikking in b. Zin a. kan ook omgekeerd worden, maar b. niet:
c. Omdat het regent, blijf ik thuis.
d. *Want het regent, blijf ik thuis.
Dat d. fout is, ligt aan het nevenschikkende karakter. In het Spokaans zijn beide constructies een onderschikking, maar tóch geldt ook hier dat omkering van de brâ-constructie fout is:
e. Janof ef bidale, gress tinde fesért.
f. *Brâ ef bidale, gress tinde fesért.
Zin f. is fout omdat semantische redenen: omdat de spreker na brâ verklaart waarom hij een taaluiting heeft gedaan, kan die taaluiting nooit ná die verklaring staan.
AT.55 ////
AT.56
Genitief en -lira
Omdat een relatieve -lira-constructie altijd refereert aan het znw of het vnw dat onmiddellijk ervóór staat, kan leidt een genitief tot een andere interpretatie leiden dan een rifo-omschrijving.
Let op betekenisverschil:
(1) Blul ef mâst rifo ef karé, do lorerdalira lâst mink, kuntiyrelije ral.
'De mast van de boot die hij verleden week gekocht heeft, is nu gestolen.'
(de boot heeft hij gekocht)
(2) Blul ef karéecÿr mâst, do lorerdalira lâst mink, kuntiyrelije ral.
'De mast van de boot, die hij verleden week gekocht heeft, is nu gestolen.'
(de mast heeft hij gekocht)
AT.57
Onderschikking: geen pauze/komma
Korte ondergeschikte bijzinnetjes kunnen zonder komma's tussen grotere eenheden gevoegd worden, mits ze met een voegw. (dus géén determinant) beginnen:
Ef bugos beri kaflaanše ef xatjesmé fara mittof quefe tâx-kafpainos melde
hupster oiba dus ef quiyrdas zjoffe.
'De neiging om de maatregel door te voeren als dit leidt tot belasting-
verhoging is minder groot dan de kranten beweren.'
AT.58 ////
AT.59
AT.60
AT.61
AT.62
Promotie: den
Den wordt bij de matrixzin getrokken als den direct gevolgd wordt door een ondergeschikte bijzin. Vergelijk:
a. Do rafane, den do tupplipe riyfain tjâg ef MT, fara do vende 'kara Hirdo.
b. Do rafane den, fara do vende 'kara Hirdo, dus do tupplipe riyfain tjâg ef MT.
'Hij vertelt dat, als hij naar Hirdo gaat, hij altijd met de Intercity reist.'
Merk op dat de den-bijzin nu met dus begint, en den in de matrixzin is opgenomen. We hebben hier met een vorm van promotie te doen.
[MATRIXZIN] [den BIJZIN] >> [MATRIXZIN den] [..] [dus BIJZIN]
Het is niet duidelijk wat de status van den in b. is. Sommigen noemen het een object, maar in dat geval zou een def.tijd als c. of een passsief als d. mogelijk moeten zijn:
c. * Do den rafane, ..., dus do ...
d. * Den rafanelije pai do, ...
Het lijkt logischer om aan te nemen dat den als echt voegw. promotie heeft ondergaan en als een soort indringer in de matrixzin terecht is gekomen, zonder dat het hier een echte functie vervult.
AT.63
Morfologie: -iy achter taalnamen
Het suffix -iy kan achter taalnamen geplaatst worden om er een additief van te maken (taalnamen zij substantieven):
eft spokândaiy wufmip 'een Spokaans woordenboek'
Echter, -iy wordt niet gebruikt bij taalnamen op -ise, omdat deze uitgang tevens als add.-suffix begrepen kan worden. Dus:
eft bretânise wufmip 'een Bretons wordenboek'
niet: * bretâniseiy
AT.64
Ideoantoniemen
Bij neutrale betekenis van een positief add. gebruikt het Spokaans een ideoantoniem (indien voorhanden), samen met den of aftel, en niet met kol, âl ed.:
Gress nert tiffe den ef kibâ melde pot.
'Ik weet niet hoe lang de paal is.'
(lett. "ik weet niet dat de paal lang?|kort? is")
Gress linne aftel ef nregtâ meltât pot.
'Ik vraag hoe lang de plank moet zijn.'
>> ot is archaïsch! <<
AT.65 ////
AT.66
-Lira-zin zonder kern
In archaïsch/dialectisch Spokaans (en in Pegrevisch) kunnen in een -lira-bijzin alle basiselementen (subject, object en/of echo) aanwezig zijn zonder dat een ervan als kern optreedt (kern-toekenning blijft dus achterwege). Dit is in b. het geval:
a. kette pai Jân enn ef mimpit ón Mariy (onderliggend)
b. kettelira pai Jân enn ef mimpit ón Mariy (geen kern)
c. kette Jân [enn] ef mimpit ón Mariy (subj=kern)
d. kettelije pai Jân ef mimpit ón Mariy (obj=kern)
e. kettelitâ pai Jân enn ef mimpit Mariy (echo=kern)
In het Spokaans komt vorm b. (dus nalaten van kern-toekenning) alleen in ondergeschikte -lira-zinnen voor (we kunnen ons dus afvragen of -lira niet een markering is voor afwezigheid van kern-toekenning?). Type b. blijft beperkt tot archaïsch/dialectisch/pegrevisch taalgebruik. In modern Spokaans is -lira alleen een ondergeschiktheidsmarkeerder en wordt de kernfunctie aan het subject toegekend. Vergelijk:
g. Petriy reppe, Jân kettelira [enn] ef mimpit ón Mariy. (standaard)
h. Petriy reppe, pai Jân enn ef mimpit ón Mariy kettelira. (arch/dial/Pegr)
In g. is de -lira-zin ook voor tempus gemarkeerd, we kunnen ook zeggen:
Petriy reppe, Jân [enn] ef mimpit kettelira ón Mariy. (def.tijd)
Petriy reppe, kettelira Jân enn ef mimpit ón Mariy. (toek.tijd)
maar in h. is de -lira-zin geheel ongemarkeerd. Er bestaan ook geen inversies om een andere tijd uit te drukken!
AT.67
Naamvallen in Spokaans
De resultatief wordt vaak als "naamval" beschouwd, terwijl de genitief dat juist niet is.
Traditioneel gezien zou het andersom moeten zijn.
* Hoe definiëren we "naamval"?
* Wat is de status van de "resultatief" (algemeen, indien die bestaat, of anders alleen in Spokaans)
* Wat is de status van de "genitief" (algemeen/in SPokaans)
* Conclusie ....
Vergelijk genitief met rifo-constructies en Zweedse onmogelijkheid om genitief door één (synoniem) voorz. te vervangen (zelfde tendens als deftig Spokaans en dialecten), vgl.: ef armâtat mip ef litalu 'ljuset från lampan', etc.
AT.68 ////
AT.69
AT.70
Dialecten
Fonetische ontwikkeling van de Tjempse uitdrukking tsnänepÿ (waarbij ä is Nederl. "au"):
gress nert lelperre >> s-nert-elpÿ >> snettelpÿ >> tsenelpÿ >> tsnenepÿ >> tsnänepÿ
De uitdrukking tsnennepÿ of tsnänepÿ wordt ook elders op Berref gebruikt in vlotte spreektaal (dialectische infiltratie in de standaardtaal):
Tsnennepÿ et-oto. (= Gress nert lelperre eft oto.)
'Ik heb geen auto.'
Evenzo:
gress nert melde >> s-nert-mÿ >> snemÿ >> snÿme
Snÿme kinu. (= Gress nert melde kinur.)
'Ik ben niet ziek.'
Eveneens in Tjemp is sprake van de volgende fonetische ontwikkeling
kluft >> keluft >> keluft >> keluf >> kelû >> quli
Ook het woord quli i.p.v. kluft wordt elders op Berref gebruikt, met name als het geïsoleerd voorkomt: Quli? 'Wat?'.
AT.71 ////
AT.72
AT.73
AT.74
Etymologie: kerte
Bijzonder werkw.; wellicht korte aantekening in Lângâr+Tibân:
Ef knurfel kerte.
'Het water gaat trager stromen omdat het op het punt staat te bevriezen.'
(vgl. Zweeds dialect in West-Närke: 'krätta').
>>waar in Spok. wordt dit ww gebruikt. Is het een leenwoord uit het Zweedse dialect, en zo ja, hoe komt het dan in het Spokaans terecht. Is het klimaat (ergens) in Spok. zodanig dat zo'n werkw. relevant is?<<
AT.75
Antropologische linguïstiek; dialecten
In sommige pegr. dialecten (en wellicht ook in het Spokaans dat in die gebieden wordt gesproken) bestaat een interessante reeks werkw.n die alle 'aandoen, aantrekken, omdoen, opzetten' betekenen, dit alles met betrekking tot kleding, schoenen, sjaals en hoeden. De basis van deze werkw.n is het Pegr. werkw. tel, vergelijk Oudspok. tecel = modern Spok. tece 'doen', dat alleen nog voorkomt is bârtece 'boterham smeren' (lett. "met boter doen").
Het Pegr. tel is in de Spokaanse varianten van deze typerende werkw.n gereduceerd tot te.
aandoen/aantrekken/omdoen/opzetten:
(@ = Pegrevisch. Achter = staat het Spokaanse equivalent)
aan je voeten: schoenen/sokken @tiëvetel = tiffugte
aan hand/arm: handschoenen/werkmouwen @cridel = criate
aan onderlijf: broek/rok/ondergoed @môlfitel = molâfitte
aan bovenlijf:
wat van voren gesloten moet worden: korte jas @temptel = tempte
wat geheel dicht is: trui/hemd/shirt @bjescel = bascte
bedekking van gehele lijf:
met mouwen: lange jas @frotel = frote
wijd, zonder mouwen: lang gewaad, cape @baëredel = birriyte
specifieke uitrusting met losse onderdelen: harnas/uniform/rijkostuum
@druäfedel = drâfte
bedekking van hoofd:
los hoofddeksel: hoed/pet @cewndel = nurpte
als deel van kleding: capuchon/vastgestikte sjaal/sluier @eöcdel = ÿrkte
Al deze werkw.n zijn opgebouwd uit een specifiek lichaamsdeel, gevolgd door tel. De begin-t van dit werkw. wordt in het Pegr. een stemhebbende d indien direct voorafgegaan door een andere stemhebbende consonant (een vorm van "consonantharmonie"). In het Spokaans is alleen de vorm -te mogelijk.
Al deze werkw.n zijn intransitief, dus een zin als @ Gârs tiëvetel. betekent zowel 'Ik trek mijn schoenen aan.' als 'Ik trek mijn sokken aan.'. Eventueel kan dit gecombineerd worden: 'Ik trek mijn sokken en schoenen aan.'
Vergelijk ook: @ Ger my cewndetât, i martlilileüm. = Tu ma nurptât, ef martelilóme. 'Je moet je muts/hoed/pet opzetten want het is koud.
AT.76
Quandro als additief cat.III en als persoonlijk voornaamwoord
Quandro heeft het karakter van een additief cat.III in emfatische zinnen als:
(1) Gress paine quandro ef. 'Ik doe het zelf.'
(2) Do pittât quandro helkara ef pôstsért.
'Hij moet zelf naar het postkantoor fietsen.'
Quandro kan hier niet gemarkeerd worden met lo, wat een indicatie is dat we hier niet met een subj.add. te doen hebben, maar met een pred.add. Daarentegen kan quandro gemakkelijk aan het einde van de zin geplaatst worden:
(1') Gress paine ef quandro. '(idem)'
(2') Do pittât helkara ef pôstsért quandro. '(idem)'
Zie ook § $$.
132.x51
Quandro heeft het karakter van een pers.vnw. bij een reflexieve betekenis:
(1) Do sen lukte quandro. 'Hij wast zichzelf.'
(2) Do sen quandro lukte. 'Hij heeft zichzelf gewassen.'
(3) Óps sena ustjâge quandro ur Elsa.
'Ze bedriegen zichzelf en Elsa.'
(4) Mariy sen lukte quandro lo clenn. 'Mariy wast zichzelf schoon.'
(5) Quandro prap luktelije pai Petriy. 'Petriy wast zichzelf.'
(lett. "Petriy wordt door zichzelf gewassen")
(6) Do pjôle piti quandro. 'Hij praat in zichzelf.'
(7) Do senne šote quandroe. 'Hij schiet zichzelf morsdood.'
Dat quandro in (1)..(4) een object (in de vorm van een pers.vnw.) is, blijkt uit het volgende: in (2) wordt de def.tijd met inversie uitgedrukt (object vóór predikaat); in (3) is quandro nevengeschikt met Elsa, ze vormen samen een volobject;1 in (4) wordt quandro als object bepaald door een obj.add. dat verplicht met lo is gemarkeerd; in (5) is zelfs een passivisering mogelijk, waarbij quandro als kern optreedt. In deze constructie wordt het wassen voorgesteld als een automatische handeling, buiten de wil van Petriy om (zie hiervoor ook § $$); in (6) vormt quandro het fundament in een voorz.bep. (dit is de enige keer dat quandro als pers.vnw. zónder sen[a] of prap optreedt); in (7) heeft quandro de resultatieve vorm.
132.x51a
Aan de andere kant is quandro ook weer geen "echt" pers.vnw. Dit blijkt onder meer uit:
a. Het kan nooit nader bepaald worden door een add., vergelijk:
Eup zerre rovret do. 'Hij streelt hem die lief is.'
* Eup sen zerre rovret quandro.
'Ze streelt zichzelf die lief is.'
b. Het kan nooit vervangen worden door een lexicaal element, vergelijk:
a. Eup ustjâge do. >> 'Ze bedriegt hem.'
>> Eup ustjâge Petriy. 'Ze bedriegt Petriy.'
>> Eup ustjâge sener frint. 'Ze bedriegt haar vriend.'
b. Eup sen ustjâge quandro. >> 'Ze bedriegt zichzelf.'
>> * Eup sen ustjâge Elsa. * 'Ze bedriegt zich Elsa.'
>> * Eup sen ustjâge sener frinta. * 'Ze bedriegt zich haar vriend.'
...........
AT.77
Nevenschikking
Vergelijk:
(1) a. Ef medikiy ur ef otÿ reppe graviym, ef kinet fartelira albam.
'De dokter en de verpleegster zeggen ernstig dat het met de patiënt
slechter gaat.'
b. Ef medikiy, én ef otÿ, reppe graviy, ef kinet fartelira albam.
'De dokter, en [ook] de verpleegster, zegt ernstig dat het met de patiënt
slechter gaat.'
In (1a) is er sprake van een "zuivere" nevenschiking van (i) ef medikiy en (ii) ef otÿ. De volkern ef medikiy ur ef otÿ refereert aan 2 personen, er is dus sprake van een extern meervoud, en daarom heeft ook het predikaat reppe een meervoudige vorm. Dit is aan reppe als zodanig niet te zien, maar het pred.add. graviym onthult dit meervoud door het suffix -m.
In (1b) daarentegen is sprake van de gewone enkelvoudige kern ef medikiy, wat blijkt uit het eveneens enkelvoudige pred.add. graviy. Het element én ef otÿ 'en [ook] de verpleegster' wordt in de Spokanistiek niet beschouwd als een nevenschikking bij ef medikiy, maar als een "bijstelling" die ingeleid wordt met het bijwoord én 'benevens; en ook'. Omdat én ook als voegwoord ka fungeren, noemen verscheidene grammatici (o.m. ........, 19..) én ef otÿ liever een onderschikking op zinsdeelniveau. Aan welke omschrijving ook de voorkeur gegeven wordt, een nevenschikking mag (1b) niet genoemd worden. De definitie dat een ondergeschikte zin als zinsdeel van de hoofdzin opereert, leidt tot de conclusie dat een ondergeschikt zinsdeel als woordgroep-bepaling van het hoofdzinsdeel opereert, zoals in (1b).
AT.78
Voltooide deelwoorden
(1) a. Gress prucce ef hurons. 'Ik pluk de bloemen.'
b. ef pruccor hurons. 'de geplukte bloemen'
(2) a. Gress lorgisse knurfel luft ef hurons. 'Ik giet water bij de bloemen.'
b. Gress lâlorgisse ef hurons. 'Ik begiet de bloemen.'
c. ef lorgissor knurfel 'het gegoten water'
d. ef lorgissor hurons 'de begoten bloemen'
In (1b) is te zien hoe een volt.dw. een bepaling vormt bij het oorspronkelijke object dat bij het werkwoord behoort. Hetzelfde is te zien in (2c). Maar als een werkw. een afleiding met lâ- kent, zodanig dat een niet-object tot object verheven wordt (zoals in (2a/b), kan het volt.dw. van het basiswerkw. soms optreden als bepaling bij het object van de lâ-afleiding. Zie (2d). Om de een of andere reden is ?ef lâlorgissor hurons 'de begoten bloemen' vreemd. Waarom?
AT.79
Voltooide deelwoorden
Nelatiyca SA zâlbinase-tÿrt kost perdor Bš-s.
'De attente SA stuurt mijn verloren bankcheques terug.'
Perdor is een bepaling bij Bš-s, en kost bepaalt de combinatie perdor Bš-s.
De bankcheques zijn dus verloren, én ze zijn van mij.
Vergelijk: ef Bš-s, pertâx pai gress 'de door mij verloren bankcheques'
Het gaat nu om bankcheques die ik verloren heb, maar deze constructie drukt niet uit dat die cheques ook van mij zijn.
AT.80
Voltooide deelwoorden
Soms is een volt.dw. van een geverbaliseerd pers.vnw. mogelijk. Gianpaolo Canarozzo heeft in zijn "Verbalisere ur côncludere" (1979) de stelling verdedigd dat een geverbaliseerd pers.vnw. in feite een "defectief" werkwoord is, dat géén deelwoorden kent.
Wat betreft de volt.dw.n beperkt het gebruik zich tot de attributieve functie ervan (en zelfs dit wordt door diverse grammatici, o.a. J. Canarozzo) afgekeurd. Een predikatief volt.dw. komt in het geheel niet voor. Vergelijk de a-zinnen met de b-zinnen:
(1) a. Ef hóc lytanor menuiy quistâse oras.
'Het kunstig bereide voedsel smaakt voortreffelijk.'
b. Ef menuiy, lytan tjâg ðerunt pégen, quistâse oras.
'Het voedsel, bereid met zeldzame kruiden, smaakt voortreffelijk.'
(2) a. ? ef gresseror spâklân rifo ef lurfel
'ik, de vroegere eigenaar van het restaurant'
b. * ef lurfelecÿr spâklân, gresser lóf ef fort, den eft pjanomerr merro
velk fes ef ...
'de eigenaar van het restaurant, die IK was gedurende de tijd dat er
nog een pianist speelde ...'
AT.81
Objectief additief met voltooid deelwoord
Let op de constructie:
ef ufiror mirra lo tirdus 'de kapotgereden weg'
want deze constructie kan beschouwd worden als afgeleid van:
Stus ufire ef mirra lo tirdus. 'Men rijdt de weg kapot.'
Vergelijk:
Stus trempe ef mimpit. >> ef trempor mimpit
'Men leest het boek.' >> 'het gelezen boek'
AT.82
Meervoudssuffixen
Vergelijk:
a. Óps manne kariym ef opera. 'Ze voeren de opera lelijk uit.'
b. ef kariy mannor opera 'de lelijk uitgevoerde opera'
c. ef kariym mannor operas 'de lelijk uitgevoerde opera's'
d. ef kariyn, mannor operas = ef kariyn én mannor operas
'de lelijke, [en] uitgevoerde opera's'
In a. krijgt kariy een meervouds-m omdat het predikaat manne meervoudig is (wat valt op te maken uit het meervoudige óps 'zij'). In b. vormt mannor een bepaling bij het enkelvoudige opera, en daarom is kariy niet gemarkeerd. In c. daarentegen is mannor een bepaling bij het meervoudige operas, en omdat kariy op zijn beurt een bepaling bij mannor vormt, is krijgt kariy een meervouds-m (hoewel mannor zelf geen meervoudsmarkering draagt).
In d. zijn kariy en mannor nevengeschikt. Nu krijgt kariy een meervouds-n.
AT.83
Voltooid deelwoord is altijd voltooide tijd
Het voltooide aspect van een volt.dw. in het Spokaans maakt een constructie als (1) ongrammaticaal:
(1) * Kirro quardere mas ef opera, megg fes Jabârt Flipflor.
'We gaan morgen naar de opera, opgevoerd in de Koninklijke Schouwburg.'
Megg in (1) kan alleen betekenen dat de opera reeds opgevoerd is in de K.S. Het is dan onmogelijk om er morgen heen te gaan. Het Nederlandse equivalent betekent dat de opera in de K.S. opgevoerd wordt. "Opgevoerd" is de elliptische variant van "die opgevoerd wordt". Maar megg is géén elliptische variant van een Spokaanse passiefconstructie (want die wordt met -lije gevormd). Het grammaticale alternatief van (1) is:
Kirro quardere mas ki ef opera, té meggelije blul fes J.F.
Minder goed lijkt:
Kirro quardere mas ef opera, stus meggelira fes J.F.
omdat de bijzin "die in de K.S. opgevoerd wordt, als uitbreidende bijzin beschouwd wordt (zie § 122.$$).
Nog een voorbeeld: ef mimpits, trempâx kura ef pijâ claba kan alleen betekenen: 'de boeken die over de hele wereld gelezen zijn', en niet '... gelezen worden'.
AT.84
Geen resultatief bij voltooid deelwoord
Werkwoorden die een object in de resultatief eisen, hebben een volt.dw. waarbij géén resultatief gebruikt wordt:
Do baxeske ef paine-vrôkke. 'Hij keurt de handelswijze af.'
ef baxeskor paine-vrôk 'de afgekeurde handelswijze'
AT.85
"Gewicht" van elementen
LIPOC (>.deze term wordt in Spok.Gram. niet gebruikt!<< blijkt uit de noodzaak tot achteraanplaatsing van een volt.dw. dat de basis is van een grotere constituent. Vgl:
ef 'jan lef ef cyor mirs
* ef 'jan lef ef mirs, cytâx
'de jongen met de gekamde haren'
? ef 'jan lef ef bleftess cyor mirs
ef 'jan lef ef mirs, cytâx lo bleftess
'de jongen met de achterover gekamde haren'
* ef 'jan lef ef roit bleftess cyor mirs
ef 'jan lef ef mirs, cytâx lo roit bleftess
'de jongen met de strak achterover gekamde haren'
>> OPM: MOET lo BIJ DERGELIJKE ZINNEN OF NIET??? <<
AT.86
Woordvolgorde
Ook de complexheid van predikaten beïnvloedt de onderlinge volgorde van predikaat en pred.add.
Normaliter verschijnt een pred.add. achter het predikaat,1 zoals in:
Eup ef mimpit lâzerfare ne'âma.
'Ze heeft het boek slechts doorgekeken.' (en niet gelezen)
Als het predikaat complexer en langer wordt, heeft een pred.add. de neiging om voor het predikaat te verschijnen:
Eup ef mimpit ne'âma tóte beri lâzerfare.
'Ze schijnt het boek slechts doorgekeken te hebben.'
AT.87 ////
AT.88
AT.89
AT.90
AT.91
AT.92
AT.93
Passief
Soms wordt blul met een actief werkw. gebruikt, waarbij een soort onpersoonlijk pseudopassief ontstaat. Blul vervangt dan het subject als dit zojuist al is genoemd; dit gebeurt vooral in levendige verteltrant, meestal in de spreektaal:
a. Petriy ur Elsa méto wâlkân furt ef garrent ur blul rafane jazy pert tiyns!
'Petriy en Elsa kwamen elkaar voor het station tegen en ze hadden elkaar heel
wat te vertellen!' (lett: en er wordt echt veel verteld)
b. Lerdu levero luft slapelira armâtat ur blul gaffa ef lilt-terat tof.
'Lerdu was voor dag en dauw opgestaan en hij liep de godganselijke dag te
gapen.' (lett: en er werd de godganselijke dag gegaapt)
Zulke blul-constructies drukken uit dat het subject niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de handeling: in a. lijkt het of het "vertellen" een spontane reactie naar aanleiding van de ontmoeting is; in b. is het "gapen" een onbeheersbaar gevolg van het vroege opstaan.
AT.94
Passief
Vals passief bij intrans. werkw.
Restricties: neutrale tijd
werkw. = intrans. (dus geen Obj en Echo)
Subj = Kern
Subj = 3e pers.
[ef uokke pert gy] >> Blul uokkelije ófe pert gy.
[do uokke pert gy] >> Blul uokkelije dôe pert gy.
algemeen: ófe
referentie aan één of meerder entiteiten die
impliciet voor het gebeuren aansprakelijk
gesteld worden: dôe, épe, ÿpse, biylte
personen: indirect verzoek
concrete zaken: algemene opmerking n.a.v. enk.zaak/mv.zaak
abstracte zaken: Ø
>>?<<
AT.95
Passief
Ef mimpit kettelije blul. >> Blul kettelije ef mimpit.
Elsa kettelitâ blul. >> Blul kettelitâ Elsa.
Gress/gróse zerfelije blul. >> Blul zerfelije gróse/*gress.
>> IS DIT ZO?? <<
AT.96
Extralocatie: topic en afterthought
>>ook AT.97<<
>>zie ook § 133.x18-x21 (linkse en rechtse extralocatie)<<
Onder extralocatie verstaan we het buiten de feitelijke zinsstructuur plaatsen van een element. Staat zo'n element vóór de zin, dan spreken we van een topic, staat het element erachter, dan noemen we het een afterthought. Extralocatie is niet hetzelfde als dislocatie, want in het laatste geval blijft een element binnen de zinsstructuur aanwezig. Vergelijk:
(1) a. Kirro vende ef pirmink helkara zirrot.
'We gaan volgende week met vakantie.'
b. Ef pirmink kirro vende helkara zirrot.
'Volgende week gaan we met vakantie.'
c. Ef pirmink, dus kirro vende helkara zirrot.
'Volgende week, dan gaan we met vakantie.'
(2) a. Trempe vita Petriy ef mimpit. (vgl. § 93.78)
'Petriy zal het boek snel lezen.'
b. Trempe Petriy ef mimpit vita.
'Petriy zal het boek snel lezen.'
c. Trempe Petriy ef mimpit, ur vita.
'Petriy zal het boek lezen, en snel [ook].'
In (a) wordt de basis-woordvolgorde gebruikt. In (b) is sprake van dislocatie, in (c) van extralocatie. Extralocatie heeft tot gevolg dat er een element uit de matrixzin is verdwenen (dat element is immers buiten de matrixzin geplaatst). Dikwijls wordt de nu onbezette positie gevuld met een "dummy", zoals dus in (1c).
Als een basiselement (subject, object, echo, predikaat) buiten de matrixzin geplaatst wordt, moet de lege positie gevuld worden. Dit gebeurt meestal met een pers.vnw. of het spoor-werkw. paine, zoals:
........
AT.97
Topic en focus
>>ook AT.96<<
>>focus en cleft zijn zelf niet relevant m.b.t. determinanten, maar ki kan erin voorkomen. Vandaar de materie hieronder:
focus; cleft
>>moeten Focus en Thema in de afdeling vd vrag.zinnen behandeld worden?<<
>>zie ook onder voorz.s vanwege de uitgebroken vz-bepalingen<<
a. Jân melde, do axe ef ÿc.
b. Jân melde, té axe ef ÿc.
'JAN hakt de eik om.' (en niet Piet)
a. Ef ÿc melde, Jân axe ef.
b. Ef ÿc melde, Jân axe té.
'Jân hakt DE EIK om.' (en niet de beuk)
In a. zit een pronominaal spoor. Zin b. is een gewone relatieve bijzinsconstructie met een betr.vnw.
Zin c. is een gewone relatieve bijzinsconstructie met -lira. Deze wordt niet als cleft beschouwd:
c. ? Jân melde, axelira ef ÿc.
c. ? Ef ÿc melde, Jân axelira.
De grammaticaliteit van c. is twijfelachtig omdat de bijzin (met -lira) in feite niet aan een volwaardige hoofdzin verbonden is:
Jân melde Ø en ef ÿc melde Ø zijn niet "af".
Op de plaats van Ø zou een "equivalent" van Jân resp. de eik moeten staan. Dit kan eventueel een genominaliseerde zin zijn:
Jân melde ef axarater rifo ef vildul.
>>wat is hier "genominaliseerd" aan??<<
focus/thema/afterthought
Thema's worden in het Spokaans onderverdeeld in
a. relatieve uitbrekingen (vgl. "extraction analysis")
b. uitgebroken voorz.bepalingen
ad a.
Aftel dena 'jan melde eft frint rifo tu? >>
>> Dena 'jan, aftel té melde eft frint rifo tu?
Gress hatre Jân. >> Jân, gress hatre té.
Gress nert farto kura ef kles. >> Tem kles, gress nert farto kura mit.
ad b.
Ef Eiffel-taris okreche jazy frópjÿ Paris. >>
>> Frópjÿ Paris, ef Eiffel-taris okreche jazy.
'In Parijs, die Eiffeltoren is werkelijk spectaculair.'
(zie Dik 1978:132f)
Sest veldurs fitfara njoratjens perke beri vlofjelije blul nurpel. >>
>> Fitfara njoratjens, sest veldurs perke beri vlofjelije blul nurpel.
'Moordenaars, zulke mensen moeten direct opgesloten worden.'
Een van de kenmerken van rechtse extralocatie is, dat de basis-taaluiting op het laatste moment voorzien wordt van een nadere specificatie, nadat de taaluiting al als syntactische constructie is voltooid. Daarom hangt de rechtse extralocatie er een beetje bij, en kan er in de reeds gedane taaluiting nooit gerefereerd worden aan een rechtse extralocatie die "nog volgen moet". Dit impliceert dat het bij rechtse extralocaties nooit vereist kan zijn dat een bepaald element middels passivisering tot zinskern gepromoveerd wordt, zoals dat het geval is bij de linkse extralocatie in § 133.x19 (1c). Vergelijk:
(2) a. Gress do méte jazy hols, do [ki] Leon.
'Ik heb hem gisteren nog gezien, Leon.'
b. ?? Do pai gress mételije jazy hols, do [ki] Leon.
"Hij is gisteren nog door mij gezien, Leon"
Zin (2b) is heel onnatuurlijk, omdat de keuze om do als zinskern te laten optreden, bepaald lijkt te worden door de aanwezigheid van de rechtse extralocatie, analoog aan wat er in § 133.x19 is gezegd. Maar als de spreker van (2b) al bij het eerste woord (do) voor een passief kiest, en dus kennelijk van plan is om de referent van dit pers.vnw. nader te specificeren als "Leon", dan had hij net zo goed direct al de eigennaam Leon kunnen gebruiken in plaats van do.
AT.98
Persoonlijk voornaamwoord 2e niveau
Kirnem wordt ook als extra beleefde vorm gebruikt in brieven ed.:
Kirro misse kirnem frópjÿ gert letra. 'We danken u voor uw brief.'
AT.99
Bezittelijk voornaamwoord
Ook als het bez.vnw. refereert aan de persoon die een ondergeschikte positie in de kern inneemt, kan het reflexieve sener gebruikt worden:
Elsaexi ef korsta nert zrempje seneri ocÿrma.
'Elsa's woede blijkt niet uit haar gedrag.'
Het hoofd in de kern is korsta, maar sener refereert aan de hieraan ondergeschikte gen.bep. Elsaex.
AT.100 ////
AT.101
AT.102
AT.103
AT.104
AT.105
AT.106
AT.107
AT.108
Geverbaliseerd additief vs. koppelwerkwoord; generische uitingen
Bij generische uitingen wordt de voorkeur aan een geverbaliseerd add. boven een koppelwerkw. + add. gegeven:
Goe tildâ toðérÿs ÿkatelye. 'Een slecht tuig is pijnlijk.' (voor paarden)
? Goe tildâ toðérÿs melde ÿkately.
Het generische aspect komt verder tot uitdrukking in het gebruik van goe.
AT.109
Morfologie: leenwoorden op -ise
Leenwoorden op -ise kunnen niet geverbaliseerd worden:
ef melde tegnise >/> * ef tegnisee 'het is technisch'
AT.110
Tijâ, tÿrt aan predikaat
De additieven tijâ 'weg' en tÿrt 'terug' worden altijd aan het predikaat gehecht. Dee scheid.samst.n zijn dus productief te noemen:
(1) Gress farte-tijâ. 'Ik loop weg.'
(2) Do nert kettavy-tÿrt ef mimpit. 'Hij wil het boek niet teruggeven.'
Merk op dat in semantisch opzicht deze additieven feitelijk een bepaling bij het subject of bij het object vormen: in (1) zegt tijâ meer van het subject (namelijk dat aan gress de eigenschap van "weg; verdwenen" toegekend wordt), en in (2) zegt tÿrt meer van het object (namelijk dat aan mimpits de eigenschap van "teruggekeerd; weer aanwezig" toegekend wordt), dan dat deze additieven iets zeggen over de wijze waarop de handelingen "lopen" en "geven" plaatsvinden.
Toch leidt het gebruik van tijâ als subj.add. en het gebruik van tÿrt als obj.add. tot ongrammaticale constructies:
* Gress farte lo tijâ.
* Do nert kettavy ef mimpit lo tÿrt.
Kennelijk bestaat hier een conflict tussen enerzijds de semantische intuïtie die zegt dat tijâ en tÿrt een nadere bepaling bij het subject of object vormen, en anderzijds de syntactische raliteit die aantoont dat deze additieven een bepaling bij het predikaat vormen. Dit conflict wordt opgelost door tijâ en tÿrt aan het predikaat te hechten, zodat zij noch als subj./obj.add., noch als pred.add. beschouwd hoeven te worden.1
>>vooral bij tÿrt lijkt het ook zo te kunnen zijn dat het een nadere specificatie v.h. werkw. geeft! Het geeft een richting aan waarin dehandeling v.h. werkw. plaatsvindt, en dat staat los van een specificatie van het object! <<
AT.111
Namen; etymologie
Geografische namen:
Tan- (Tun-) = voorvoegsel dat duidt op een kustplaats. Alleen de noordkusten!
Manes-- = stadsrechten vóór 1668. D.w.z. vrije stad.
Vyl-- = dorp dat vóór 1820 tot een šarkdomenn behoorde.
Fôrt-- = oud fort, verdedigingswerk, ontstaan tussen 1520 en 1600 (met
name om de grote steden).
-hille = oude commune.
AT.112 ////
AT.113
Etymologie: cÿry
a. cÿry = determinant met toekomstig/intentioneel aspect
b. cÿry = verkleinende trap van plâks 'minder ver'
Beide woorden zijn afkomstig van †cÿrye 'naderbij komen' (vgl. modern Spokaans cÿrane 'naderen') waarvan het additief †cÿry 'naderbijkomend'.
Do zâre cÿry dus gress.
hij woont (naderbijkomend) dan ik
'Hij woont dichterbij dan ik.'
Ef oto luktelije cÿry.
de auto wordt-gewassen (naderbijkomend)
(= de actie van het auto-wassen komt naderbij)
'De auto zal gewassen worden.'
Hier vult cÿry dus de open subject-positie op, zoals ook mogelijk is met andere locale of temporele additieven:
Ef bidale kusami. >> Kusami bidale. 'Hier regent het.'
Ef plurre ral. >> Ral plurre. 'Nu sneeuwt het.'
AT.114
Etymologie: blul
Blul is variant van het oude werkw. †bluel 'wijzen' dat ook als additief in de betekenis van 'hier' werd gebruikt. Direct verwant aan †bluel is bloe 'tonen' (u>>o, en l>>Ø).
AT.115
Etymologie: hyg
Hyg is (met emfatische h-) afkomstig van †yg 'hier; op deze plaats'.
Vergelijk †yge 'op zijn plaats zetten; zo [rang]schikken als het hoort'. Tegenwoordig betekent yge 'bijstellen, afstellen' (v. machine ed.) of 'ijken' (v. gewichten).
Sommigen menen dat yge (evenals ijken) van het Latijnse aequare 'gelijk maken' afstamt.
AT.116 ////
AT.117
AT.118
Soorten bijzinnen
>>hieronder alleen een terminologische kwestie, of ook iets nieuws?<<
COMPLEMENTAIRE BIJZINNEN vormen een deel (constituent) van een hoofdzin:
Do rafane ef storâs. >> Do rafane, den do enn eft moplariy lelperre.
DECLARATIEVE BIJZINNEN vormen een nadere bepaling bij een hoofdzin die reeds compleet is:
Do rafane ef storâs, taufen gress tiffe pip ef.
Gress nert hozâve groft storâs, tur do zjoffe, den ef melde trufô.
Compl. bijzinnen worden ingeleid met een van de volgende (ondergeschikte) voegwoorden:
den âl kluft lomp ......
(hierbij kan den meestal vervangen worden door een -lira-constructie.)
OF: met een genominaliseerde bijzin:
Do rafane doex ef ÿlelperros enn ef moplariy.
Do rafane ef moplariyex ef ÿlelperrelijos pai do.
Decl. bijzinnen worden ingeleid met een van de volgende (onderschikkende) voegwoorden:
taufen brâ lest janof futtof .....
OF: worden gevormd met -ilóme/-ilomije/-ilomitâ + determinant in de hoofdzin.
>>wat moet ik met bovenstaand?<<
Een bijzin die met den, âl, kluft begint kan in zijn geheel als zinsdeel bij de hoofdzin optreden. In het volgende voorbeeld is de onderstreepte bijzin de kern van de hoofdzin:
Âl ef trenos fes ef kettor treno-forts lelperre eft real cônekšos lef ef trenos rifo ef lÿnt-hors fes ef nôt, perke beri xnebrelije fes ef lelpiru fort-ramâs.
"Of de treinen in de gegeven tabel een daadwerkelijke aansluiting hebben op de treinen met de lijnnummers in de voetnoot, moet in de andere tabellen nagegaan worden."
Eventueel met blul:
Blul perke beri xnebrelije fes ef lelpiru fort-ramâs[,] âl ef trenos fes ef kettor treno-forts lelperre eft real cônekšos lef ef trenos rifo ef lÿnt-hors fes ef nôt.
Maar het is de vraag of het onderstreepte deel nu wel een "echte" zinskern van de passieve zin is; het lijkt erop dat blul een soort dummy-kern is en de âl-zin een echte bijzin. >>>uitzoeken!<<<
Het onderstreepte deel kan vervangen worden door het pers.vnw. mittof:
Mittof perke beri xnebrelije fes ef lelpiru fort-ramâs.
of
Blul perke beri xnebrelije mittof fes ef lelpiru fort-ramâs.
"Dat moet in de andere tabellen nagegaan worden."
AT.119
Uitbreidende bepaling ~ beperkende bepaling
Gress tiffe ki do, té melde ef cjestovler.
als té ... cjestovler een uitbreidende bepaling is, of
Gress tiffe selm, ef cjestovler melde.
als ef ... melde een beperkende bepaling is.
>> ?? <<
AT.120
Nevenschikking
Een echte nevenschikking van twee pred.comp.s kan verkregen worden door toevoeging van het nevensch.voegw. én. Nu is er geen onderlinge hiërarchie:
Ef 'jan melde rofonos én helkara koles.
of: Ef 'jan melde helkara koles én rofonos.
Vergelijk dergelijke nevenschikkingen met die van add.n, zoals besproken in § $$ (ef rofonos én šym 'jan).
Petriy pónze jola tentef. 'Petriy wordt blij de tweede.'
= Petriy pónze jola + Petriy pónze tentef
>>is jola tentef nu een nevenschikking (zonder voegw.) of een hiërarchische structuur waarbij jola een bepaling bij tentef is geworden ?? <<
AT.121
Nevenschikking
Tijds- en plaatsbepalingen die geheel vooraan een volzin geplaatst worden, worden in principe zo geïnterpreteerd dat zij een bepaling vormen bij beide nevengeschikte leden. In het Nederlands wordt zoiets uitgedrukt met inversie in beide nevengeschikte zinnen (de inversie is onderstreept):
(1) Hols ef melda har ef tork kjupt ur kirro felda calyje dalotoje.
'Gisteren was het tamelijk warm en hebben we zelfs buiten gezeten.'
Geldt de tijds- of plaatsbepaling alleen voor de linker zin, dan moet deze bepaling ook binnen het domein van deze zin opgenomen worden: hetzij onmiddellijk achter het predikaat (de reguliere plaats voor pred.add.n), hetzij aan het einde van de zin (rechtse dislocatie, zie § $$). In het Nederlands kan zo'n bepaling geheel rechts staan (zoals in (1)), maar dan moet de inversie in het rechter lid achterwege blijven. Vergelijk (1) met:
(2) Ef melda hols har ef tork kjupt, ur kirro felda calyje dalotoje.
of:
Ef melda har ef tork kjupt hols, ur kirro felda calyje dalotoje.
'Het was gisteren tamelijk warm en we hebben zelfs buiten gezeten.'
of:
'Gisteren was het tamelijk warm, en we hebben zelfs buiten gezeten.'
Merk op dat in (2) de beide leden liever door een komma gescheiden worden omdat er semantisch gezien geen verband tussen "het warme weer dat gisteren heerste" en "het buiten zitten dat ooit eens plaatsvond" bestaat: in tegenstelling tot in (1), drukt (2) niet uit dat we tijdens en vanwege het warme weer buiten zaten (dus gisteren). In (1) is een komma (dus een pauze) ongrammaticaal. Zie ook § 40.37 (??).
In (3) is duidelijk dat mas 'morgen' alleen bij het eerste lid hoort; het rechterlid drukt een eigescha uit die over een veel langere periode dan alleen "morgen" waarneembaar is:
(3) Tiffe do ef njamos mas, ur sen cente do pert gulder.
'Morgen zal hij de uitslag weten, en hij zal zich veel prettiger voelen.'
Vergelijk:
(4) Mas tiffe do ef njamos ur sen cente do pert gulder.
'Morgen zal hij de uitslag weten, en zal hij zich veel prettiger voelen.'
In (4) wordt expliciet uitgedrukt dat ook de SvZ HIJ VOELT ZICH VEEL PRETTIGER alleen "morgen" zal gelden, terwijl deze SvZ in (3) zodanig voorgesteld wordt dat deze nog geruimte tijd na "morgen" zal gelden.
>>zijn er geen duidelijkere voorbeelden ? <<
AT.122
Nevenschikking
Zodra niet alleen links van de linker zin, maar ook links van de rechter zin een tijds- of plaatsbepaling aanwezig is, zal de meest linker bepaling niet geïnterpreteerd worden als ook behorende bij het rechter lid. Vergelijk (1) uit § AT.121 met:
(5) Hols ef melda har ef tork kjupt[,] ur lelmo tof kirro felda calyje dalotoje.
'Gisteren was het tamelijk warm, en vandaag hebben we zelfs buiten gezeten.'
Vergelijk de structuurschema's voor (1) en (5) (de zin ef melda ... kjupt wordt voorgesteld als "ZIN 1" en kirro ... dalotoje is "ZIN 2"; tussen { } staat de volzin):
(1') hols {[ZIN 1] UR [ZIN 2]
(5') {[hols ZIN 1] UR [lelmo tof ZIN 2]}
Dat een links geplaatste bepaling geïnterpreteerd moet worden als een bepaling bij een totale volzin (zie (1')), tenzij ook de rechter zin een bepaling bevat (zie (5')) is een regel die geheel parallel loopt met de regel die op zinsdeelniveau geldt en besproken is in § AT.76
We hebben in (1') te maken met een vorm van "buitenplaatsing bij nevenschikking", maar nu op zinsniveau en niet op woordgroepniveau zoals in (1'a) van § AT.76.
AT.123
Tegenwoordig deelwoord; bijzin ~ bijstelling
Let op het verschil tussen een bijzin en een bijstelling:
(1) Ef 'jan, fartelira lango ef klarbÿr, melde kost frera.
(2) Ef 'jan, fart lango ef klarbÿr, melde kost frera.
In (1) is fartelira een verbaal predikaat, waarbij de subjectskern gedeleerd is, omdat dit corefereert met de matrixkern ef 'jan.
In (2) staat het volt.dw. fart dat als een bepaling bij de zinskern ef 'jan fungeert.
In (1) drukt -lira slechts de relativiteit van de bijzin uit, en niet een Progressief aspect.1
In (2) drukt het volt.dw. een "Voltooid" aspect uit.
Omdat een -lira-constructie een "echt" predikaat is, kan het samengaan met een basiselement (subj, obj, echo):
Ef 'nins, do zaarelira, melde kost sours.
'De meisjes, die hij uitscheldt, zijn mijn zusters.'
Ef 'nins, zaarelira do, melde kost sours.
'De meisjes, die hem uitschelden, zijn mijn zusters.'
Ef 'nins, chaquindelira ón do, melde kost sours.
'De meisjes, die tegen hem spreken, zijn mijn zusters.'
Omdat een bijstelling met een volt.dw. niet als predikaat fungeert, kan zij niet samengaan met een basiselement:
(3) * Ef 'nins, zaarâx do, melde kost sours.
'De meisjes, die hem uitgescholden hebben, zijn mijn zusters.'
* Ef 'nins, do zaar[âx], melde kost sours.
'De meisjes, die hij uitgescholden heeft, zijn mijn zusters.'
Een twijfelgeval is de grammaticaliteit als een agens (subj) toegevoegd wordt die géén kernfunctie heeft:
(4) ? Ef 'nins, zaarâx pai do, melde kost sours.
'De meisjes, uitgescholden door hem, zijn mijn zusters.'
Beschouwen we pai do als een voorz.bep., zoals bijvoorbeeld lango ef klarbÿr in (2), dan kan (4) goedgekeurd worden. Zie ook § $$ voor de discussie over de status van pai-bepalingen.
In plaats van (3) moeten we passieve bijzinnen gekozen worden:
(3') Ef 'nins, mit zaaralije pai do, melde kost sours.
'De meisjes, die door hem uitgescholden worden/zijn, zijn mijn zusters.'
Ef 'nins, do zaaralije pai mit, melde kost sours.
'De meisjes, door wie/welke hij uitgescholden wordt/is, zijn mijn zusters.'
Als het Nederlands 'zijn' als hulpwerkw. gebruikt. kan een volt.dw. ook elliptisch zijn:
vallen >> is gevallen:
(1) de jongen, in de put gevallen, ...
de in de put gevallen jongen ...
Bij werkw.n met hebben' gaat dit niet:
lopen >> heeft gelopen:
(2) * de jongen, op straat gelopen, ...
* de op straat gelopen jongen ...
In het Spokaans bestaat dit onderscheid niet. Beide gevallen zijn goed:
(3) tasse: ef 'jan, tass fesdu ef kupân, ...
(4) farte: ef 'jan, fart kura ef gÿrt, ...
De vraag rijst of het betekenisverschil tussen (1) en (2) (waardoor (2) ongrammaticaal is) ook tussen (3) en (4) bestaat, of met andere woorden: drukt (3), evenals (1), een telische (?), voltooide handeling met een duidelijk resultaat uit. En zo ja, wordt dit dan ook in (4) uitgedrukt (maar niet in (2)).
Of hebben Spokaanse volt.dw.n gewoon een andere betekenis dan de Nederlandse?
Bij abstracte werkw.n wordt het nog ingewikkelder:
* de (zich) vergiste jongen = ef error 'jan
* de gebibberde katjes = ef tseror pûps
* de katjes, gebibberd in de vrieskou = ef pûps, tserâx fes ef cryre-marteltiy
Bij werkw.n die een verandering (?) uitdrukken, is de betekenis van het volt.dw. duidelijk: het volt.dw. drukt het uiteindelijke resultaat van de verandering uit:
do stinde ef letra >> ef stindas letra
>> ef letra, stindas tjâg eft flappa
>>moet in alle gevallen het onregelm. vdw gebruikt worden, of kan stint hier ook?<<
ef 'jan tasse >> ef tassor 'jan
a. >> ef 'jan, tass fesdu ef kupân
Maar bij statische (?) of telische/imperfectieve werkw.n (>>hoe moet ik ze noemen?<<) is het moeilijker:
ef 'jan farte >> ef fartor 'jan
b. >> ef 'jan, fart kusamat ef klarbÿr
Bij a. is er sprake van de volgende voltooide gebeurtenis: de jongen ligt in de put; uit de wijze waarop hij daar ligt kan geconcludeerd worden dat de handeling "vallen" heeft plaatsgevonden.
Bij b. geldt analoog: de jongen zit/staat aan het eind van de kade en omdat hij tekenen van vermoeidheid vertoont of omdat het eind van de kade alleen te voet te bereiken is, kan geconcludeerd worden dat de handeling "lopen" heeft plaatsgevonden.
Bij a. is er sprake van een directe of impliciete relatie tussen de handeling en de uiteindelijke SvZ. Bij b. is deze relatie indirect of expliciet.
Bijstellingen kunnen liever niet met een add.:
ef 'jans, tassâx fesdu ef kupân
?* ef 'jans, baniyl fes ef kupân (poëtisch/archaïsch)
liever: ef 'jans, baniylelira fes ef kupân
ef 'jans, mit melde baniyl fes ef kupân
ef 'jans, meldelira baniyl fes ef kupân
AT.124
Vragende zin (zie ook bij ontkenningen/negatie)
Een negatieve vraag is feitelijk geen ja/nee-vraag, maar een uitnodiging om de SvZ te beamen. Vergelijk:
a. Is Elsa knap? antwoord: "Ja" of "Nee"
b. Is Elsa niet knap?
vraagsteller bedoelt: "ik vind Elsa knap, en ik hoop dat jij dat óók vindt"
Vgl. b. met:
c. Elsa is knap, hè?
d. Vind je Elsa niet knap?
>>wat zijn de verschillen?<<
AT.125
Samengestelde zin
Dubbel verband tussen matrix- en bijzin (een "lus"):
Cupp ki ef blerrs goe qurrediyn belt-kroffs revelije pai eft
uit DT de blaasjes LW giftige pijltjes geschoten-worden door een
svimelira-minkÿr belt-belpex ÿtušos enn mit.
zwemmende-voorbij klein-dier-GEN aanraken-NOM DT die
'Uit de blaasjes wordt een giftig pijltje geschoten door het aanraken
door voorbijzwemmende diertjes hiervan.'
Ef belps woiystecos ki ôrganise rûsi, wÿrtâlacc temexj ÿflÿlsos
de diertjes kunnen-benutten organisch stof door dit-GEN opslurpen-NOM
enn téi vja senerj jakarsz.
OBJ dit via hun oppervlaktes
'De diertjes kunnen organische stof benutten, door dit via hun
oppervlakte op te slurpen.'
>>verder uitwerken hoe al die syntactische verbanden interacteren <<
AT.126
Persoonlijk voornaamwoord: resultatief en passief tegelijk
Als een object in de resultatief noodzakelijk of gewenst is, en dit object moet tegelijkerijd een passieve vorm hebben (bijv. in een spoorpassief), dan wordt wel de res.vorm maar niet de pass.vorm gebruikt; vgl:
Ef paine-vrôkke baxeskelije pai do. >> (zie ook § AT.84)
'De handelswijze wordt door hem afgekeurd.'
>> IyffeRes baxeskelije pai do. 'Deze wordt door hem afgekeurd.'
>> Blul baxeskelije iyffeRes/*ófePass. 'Deze wordt afgekeurd.'
De res.vorm iyffe verdringt dus de pass.vorm ófe (dat de pass.vorm in zulke constructies niet "echt" nodig is blijkt wel uit het feit dat alleen pers.vnw.n zo'n pass.vorm kennen. Bij subst.n bestaat die niet, dus daar in het gebruikt van een resultatief geen probleem: Blul baxeskelije ef paine-vrôkke. 'De handelswijze wordt afgekeurd.').
Ook bij res.vormen met lexicale betekenis:
Blul bytelije ziyrle. 'Hij wordt doodgeslagen.'
(vgl. Blul bytelije dôe. 'Hij wordt geslagen.')
(vgl. * Blul bytelije do.)
Blul bytelije ef efantye. 'Het kind wordt doodgeslagen.'
Dus de res.vorm verdringt de pass.vorm!
AT.127
Tegenwoordig deelwoord
Niet twee keer -lira achter elkaar, dus:
? Do zjoffe, gress meldelira blaffelira k'mi. >>
>> Do zjoffe, den gress melde blaffelira k'mi.
'Hij beweert dat ik hier onmisbaar ben.'
ef melde blaffelira 'onmisbaar zijn' (>>idioom!<<)
AT.128 ////
AT.129
AT.130
AT.131
AT.132
Promotie; nominaliteit ~ verbaliteit
Gress probaren do beri arfine.
Gress zerfe do arfinelira.
>>zijn dit voorbeelden van promotie?<<
toenemende "nominaliteit" en afnemende "verbaliteit":
Gress zerfe, den do arfine.
Gress zerfe, do arfinelira.
Gress zerfe do arfinelira.
Gress zerfe doex larfinos.
Gress zerfe groft arfinos.
AT.133
Nominalisatie en voorzetsel
Gress vende helkara Spooksoliy, cÿrs méte sener sour. =
= Gress vende helkara Spooksoliy, tsazi gressex ef ÿmétos enn sener sour.
'Ik ga naar Spokanië om/teneinde mijn zuster te ontmoeten.' (doel)
Gress vende helkara Spooksoliy gâšâ gressex ef ÿmétos enn sener sour.
'Ik ga naar Spokanië vanwege mijn ontmoeting met mijn zuster.'
(ik had éérst een ontmoeting met mijn zuster, en dit heeft tot gevolg dat ik
vervolgens naar Spokanië ga)
AT.134
Idioom in voetnoot
bij § 83.28 (?)
Kirroex ef xny lÿrômos šâmsÿrte mas.
ons het huidige werken sluit.uit morgen
'We werken vandaag wel, maar morgen niet.'
bij § 93.18 (?)
subj.add., marginaal want archaïsch:
... Jezusex ÿmirros kaf ef rutôs én larfinos luft ef karé zerfelije
pai óps lo variyn.
'... zagen zij Jezus wandelende op de zee en komende bij het schip, en zij
werden bevreesd.'
(Joh. 6:19)
AT.135
Modaliteit
overzicht van suffixen
-avy/-aves 'willen/wensen te'
-ecû/-ecos 'kunnen/in staat zijn tot'
-ecûte/-ecose (variant van -ecû/-ecos) Potentialis
Do arfinecû[te] curmel.
'Misschien komt hij wel; Misschien wil/kan hij wel komen.'
-en elliptisch gerundium. Imperatief bij korte notities, opschriften,
telegrammen, ed.
Ufiren lôftquar! 'Langzaam rijden!'
Lorerten kleter flappa. 'Nieuwe vulpen kopen.' (aantekening in agenda)
-eny verheven/deftige/bijbelse taal
Diô, gÿrs tiffeny pipar. 'God, gij zijt alwetend.'
Kindis kjônteny eft kleter lacs. 'De Koning kondigt een nieuwe wet af.'
-ine achter add/vdw: vermoeden/bwering/gerucht
eft ielbaine mosjeus 'een vrouw die rijk schijnt te zijn'
ef froðiycynorine 'jan 'de jongen die mishandeld schijnt te zijn'
-arât (dial: West-Liftka) habitueel aspect (vgl. ra)
Do obezjerarât. 'Hij heeft de gewoonte om te lachen.'
-ât/-ûs 'moeten' (opdracht, verplichting, regel); 'behoeven' (na ontkenning)
Gress nert kaftât tâx. 'Ik behoef geen belasting te betalen.'
-ât[e]/-ûs[e] conjunctief
wens/aansporing/twijfel (vrnl lange vorm):
Diô meltât[e] hôskâf. 'God zij met ons.'
Gress meltât[e] fes fort. 'Laat ik op tijd zijn.'
Óps arfinûs[e]! 'Kwamen ze maar!'
indirecte rede (vrnl korte vorm, lange = archaïsch):
Lerdu reppe, dena ardekir meltât[e] qurrediy.
'Lerdu zegt dat deze plant giftig is.'
Peoll linne, aftel tu arfinât[e]. 'Peoll vraagt of je komt.'
-âtije/-ûsije indirecte rede, obj-passief:
Den Lerdu tjelfâtije pai Moffain, eup zjoffe.
'Lerdu wordt door Moffain gestraft,' beweert ze.
>>>is dit correct?<<
-âitâ/-ûsitâ indirecte rede, echo-passief:
Do linne, lomp kettâitâ blul enn ef rist.
'Hij vraagt, aan wie (enk) het zwaard wordt gegeven.'
-irt/-irets (arch) instrument:
Ef ké gyrirt ef argerat. 'De sleutel opent de deur.'
Ef tesmriys bytirets ef slaviys. 'De zwepen slaan de slaven.'
Tem pentja nert stintirets quista. 'Deze pennen schrijven niet goed.'
-iyst/-iyses irrealis. veronderstellen van iets dat niet waar is.
Kirro leltiyses ef eksâm, dus sener stûðos dÿfe.
'Als we voor het examen geslaagd zouden zijn, zouden we nu met de
studie klaar zijn.'
Do kinuriyst, dus do tinde fesért.
'Als hij ziek [geweest] zou zijn, zou hij thuisblijven/thuisgebleven zijn.'
-n achter modaal hulpww. als hoofdww en hulpww verschillende subjecten hebben:
Do probare[n] gress beri trempe ef mimpit.
'Hij wil dat ik het boek lees.'
Gress nert kurre[n] tu beri prate.
'Ik kan jou niet laten vertrekken.'
(>>dit gaat op een causatief lijken<<, zie § 152.$$)
-og/-ÿt 'mogen, toestemming hebben om'
-ui irrealis (zónder det. di)
Do reppa, den do trempui ef mimpt.
'Hij zei dat hij het boek gelezen zou hebben.' (maar deed 't niet)
Kirro pratui mas helkara Hirdo.
'We zouden morgen naar Hirdo vertrekken/vertrokken zijn.'
Gress eft mirre-lofa lorerdui hôs ef roiysért.
'Ik had een wandelkaartje bij de boswachterij moeten kopen.'
AT.136
Modaliteit
Jan moet vertrekken.
deontisch: Jan heeft de verplichting....
epistemisch: Het is nodig voor Jan om te......
Jan kan in die boom klimmen.
deontisch: Jan is in staat om in....
epistemisch: Het is mogelijk dat Jan ....
Jan mag deze brief schrijven.
deontisch: Jan heeft de toestemming om .....
epistemisch: Het is mogelijk dat Jan......
In Spokaans is modaal sx altijd alléén deontisch. Een modaal hulpww. is altijd beide.
Ef dreutos perke kurre beri farte. 'De machine móét kunnen werken.'
(zie verder Foley 1984:231).
AT.137
Voorzetselbepalingen in idiomatische constructies
Als een voorz.bep. deel is van een idioom, en daarom een figuurlijke betekenis heeft, heeft deze bep. zijn vaste positie achter het werkw., als een soort basiselement. Vergelijk de letterlijke betekenis van fes ef fôresta in a. met de figuurlijke betekenis in b.:
a. Ef ierqufs zerfe flâjû fes ef zutter fôresta.
'De jagers zien niets in het donkere bos.'
b. Ef sÿrtos zampôrtiy zerfe flâjû fes ef kleter fôresta.
'De plaatselijke bevolking ziet niets in het nieuwe bos.'
(=de bevolking is niet enthousiast over het nieuwe bos dat de overheid
hier wil gaan planten)
In a. is linkse dislocatie mogelijk, in b. niet:
a. Fes ef zutter fôresta ef ierqufs zerfe flâjû.
b. * Fes ef kleter fôresta ef sÿrtos zampôrtiy zerfe flâjû.
(b. is alleen correct bij een letterlijke lezing)
Zin a. kan gepassiviseerd worden, bij zin b. is dat vreemd:
a. Flâjû zerfelije pai ef ierqufs fes ef zutter fôresta.
b. ? Flâjû zerfelije pai ef sÿrtos zampôrtiy fes ef kleter fôresta.
In a. kan voor een ander voorz. gekozen worden (synoniem, antoniem), in b. is maar één voorz. mogelijk:
a. Ef ierqufs zerfe flâjû ânt ef zutter fôresta.
'De jagers zien niets binnen het donkere bos.'
b. * Ef sÿrtos zampôrtiy zerfe flâjû ânt ef kleter fôresta.
(in zin a. wordt met ânt een "beweging binnen de grenzen van het bos" uitgedrukt; de jagers worden dus voorgesteld als een zich duidelijk bewegende of door het bos trekkende groep).
In a. kan een andere plaatsbepaling met fes toegevoegd worden, zodanig dat het 2e fes door âs vervangen moet wordt. In b. hoeft âs niet gebruikt worden (zie § $$-$$ voor âs):
a. Ef ierqufs zerfe flâjû fes ef zutter fôresta ur âs/*fes ef afriyn eter.
'De jagers zien niets in het donkere bos en Ø het dichte struikgewas.'
b. Ef sÿrtos zampôrtiy zerfe flâjû fes ef kleter fôresta ur fes/âs ef afriyn eter.
'De plaatselijke bevolking ziet niets in het nieuwe bos en in het dichte
struikgewas.'
>>eter '[gebied van] dicht struikgewas van doornige struiken, zoals op Zuid-Tigof, Lomky en in Zuidoost-Jelafo op de môliys voorkomt. In Neno liggen de dorpen Etercôtiy-belt en Etercôtiy-sÿrt aan de rand van zo'n gebied. "côtiy" betekent hierin 'kust; rand' <<
AT.138
Meervoud ~ enkelvoud bij stoffelijke substantieven en predikaat
Als een meervoudig pers.vnw. refereert aan een stoffelijk subst. dan blijft het predikaat enkelvoudig. Vergelijk:
Ef blôs kÿponnûs. >> Efs/tem kÿponnûs.
'De houtblokken moeten drogen.' >> 'Zij moeten drogen.'
Ef cÿrot kÿponnât. >> Efs/tem kÿponnât.
'Het hout moet drogen.' >> 'Het moet drogen.'
Zie ook § 7.30.
AT.139
Quandro toevoegen aan persoonlijk voornaamwoord
Quandro 'zelf' kan als een extra bepaling aan een pers.vnw. toegevoegd worden, bijvoorbeeld:
Quandro do reppo ef. 'Hij heeft het zelf gezegd; Hijzelf heeft het gezegd.'
...
Quandro fungeert hierboven als een attributief additief, maar als het pers.vnw. vervangen wordt door een substantief of een eigennaam krijgt het een predikatieve functie:
Dena kelte vlemóte quandro sener boerts.
'Deze boer slacht zijn koeien zelf.'
Mariy reppo quandro ef. 'Mariy heeft het zelf gezegd.'
Een predikatief quandro is gevoelig voor rechtse dislocatie, zeker als er ook nog een ander predikatief additief aanwezig is:
Dena kelte vlemóte lilt sener boerts quandro. (zie ook § 40.42)
'Deze boer slacht vaak zijn koeien zelf.'
Door deze rechtse dislocatie wordt voorkomen dat lilt en quandro met én verbonden moeten worden:
? Dena kelte vlemóte lilt én quandro sener boerts.
Deze zin is voor velen niet acceptabel, omdat de semantische relatie tussen lilt en vlemóte een andere is dan die tussen quandro en vlemóte, terwijl de hechte verbinding met én een identieke relatie suggereerd. Merk op dat er wèl sprake is van een identieke syntactische relatie tussen deze add.n en het predikaat.
AT.140
Behoud van identieke coreferenten
Als K1 en K2 een identiek lexicaal element bevatten is de constructie altijd gemarkeerd, omdat er sprake is van een conflict: enerzijds is de aanwezigheid van twee lexicaal gespecificeerde kernen een indicatie dat we ook met twee verschillende (groepen van) entiteiten te maken hebben (dus disreferentie); anderzijds wijst de identieke vorm van beide kernen erop dat we met identieke (groepen van) entiteiten te maken hebben (dus coreferentie). Bijvoorbeeld:
(1) {Dysse hatre Lyn, janof Dysse hatre nyses 'nins.} >>
>> Dysse hatre Lyn, janof Dysse hatre nyses 'nins.
'Dysse haat Lyn, omdat Dysse werkelijk alle meisjes haat.'
(2) {Ef missis-miyrûsz pene fes ef sucro-pÿt ur ef missis-miyrûsz farte
ân kura ef kokmit-floôr.} >>
>> Ef missis-miyrûsz pene fes ef sucro-pÿt ur ef missis-miyrûsz farte
ân kura ef kokmit-floôr.
'Die rotmieren zitten in de suikerpot en die rotmieren lopen overal over de
keukenvloer.'
Omdat zo'n herhaling syntactisch gezien op een disreferentie moet wijzen, terwijl er toch van coreferentie sprake is, ontstaat een soort "mentale opsplitsing" van het vette element. In (1) lijkt het of er twee personen met de naam Dysse zijn terwijl we weten dat het om slechts één persoon gaat; hierdoor krijgt de zin een ironische of emfatische lezing.
In (2) lijkt het of er twee verschillende groepen van mieren gepresenteerd worden, terwijl de spreker alleen wil uitdrukken dat het om een grote hoeveelheid mieren gaat. Bovendien drukt de herhaling van het voorvoegsel missis- 'rot-' nog eens extra emfatisch uit met wat voor verschrikkelijke situatie we te doen hebben.
AT.141
Inclusief vs. exclusief "wij"
Een inclusief "wij" kan gesymboliseerd worden met: S+A. Hiermee wordt een groepje bedoeld, bestaande uit de Spreker en een of meer Aangesprokenen.
Een exclusief "wij" kunnen we aangeven met: S+X. Hiermee wordt een verzameling personen bedoeld, bestaande uit de Spreker en een of meer personen die in het geheel niet aanwezig zijn bij het gesprek.
De derde variant is een universeel "wij", bestaande uit de Spreker, de Aangesprokene(n) en een of meer personen die niet bij het gesprek aanwezig zijn. Dit kan gesymboliseerd worden door S+A+X.
Als ik tegen Leon zeg: "zullen we gaan zwemmen", en het is de bedoeling dat Leon en ik samen gaan zwemmen, is er sprake van een inclusief "wij" (S+A).
Als ik het tegen Leon over Justa heb, en ik zeg tegen Leon: "we gaan morgen naar Hirdo", waarmee ik bedoel dat Justa en ik naar Hirdo gaan, is er sprake van een exclusief "wij" (S+X), want de aangesprokene Leon is nu uitgesloten.
Inclusief "wij" blijkt uit (a) reflexief bez.vnw., en exclusief "wij" uit (b) het gebruik van een gewoon bez.vnw.:
a. Kirro1 vende tjâg sener1 oto.
b. Kirro1 vende tjâg kult2 oto.
'Wij gaan met onze auto.'
In a. is sprake van volledige coreferentie: kirro refereert aan exact dezelfde verzameling als sener.
In b. kan kult nooit aan hetzelfde groepje personen refereren als kirro. Er is dus sprake van onvolledige coreferentie.
AT.142
Behoud van identieke coreferenten
X1 en X2 blijven identiek
Als we niet voor een lexicaal spoor kiezen (zoals besproken in § 130.$$-$$), is pronominalisatie de tweede corefererende constituent dikwijls verplicht omdat herhaling van een identiek element een expliciete disreferentie uitdrukt, zoals in:
(1) Eft frera zâre ber Hirdo ur eft frera ÿrôme ber Blort.
'Een broer woont in Hirdo en een broer werkt in Blort.'
Zin (1) kan alleen zo begrepen worden dat er sprake is van minstens 2 broers: het cursieve en het vette element kunnen nooit coreferenten zijn. Vergelijk (1) nu met:
(2) Ef frera zâre ber Hirdo ur ef frera ÿrôme ber Blort.
'De broer woont in Hirdo en de broer werkt in Blort.'
Zin (2) is vreemd omdat deze de volgende contradictie bevat: het vette en het cursieve element zijn identiek en daarom expliciete disreferenten, maar het bep.lidw. ef bij beide disreferenten suggereert dat er sprake is van maar één broer, wat automatisch inhoudt dat de disreferenten als coreferent opgevat moeten worden. Zin (2) wordt beter als de coreferente interpretatie die door de bep.lidw.n wordt uitgelokt, expliciet ongedaan wordt gemaakt, bijvoorbeeld:
(2') Ef ér frera zâre ber Hirdo ur ef lelpiru frera ÿrôme ber Blort.1
'De ene broer woont in Hirdo en de andere broer werkt in Blort.'
AT.143 ////
AT.144
AT.145
AT.146
AT.147
Identieke coreferenten
X1 en X2 blijven identiek
Soms wordt herhaling van een identiek element waarbij sprake is van coreferentialiteit als stijlmiddel gebruikt:
a. Dysse hatre Lyn, janof Lyn enn ef hennen vlemóte.
'Dysse haat Lyn, omdat Lyn de kip geslacht heeft.'
b. Ef giyt nert ka zeffe ón ef hômba entrafers, ef hômba entrafers
pratilóme helkara ef hotela.2
'De reisleider vertelt de vermoeide toeristen niet, wanneer de vermoeide
toeristen naar het hotel vertrekken.'
Omdat zo'n herhaling syntactisch gezien op een disreferentie moet wijzen, terwijl er toch van coreferentie sprake is, ontstaat een soort "mentale opsplitsing" van het cursieve element: het lijkt of er twee personen met de naam Lyn zijn en of er twee groepen van vermoeide toeristen bestaan. Hierdoor wordt een afstandelijkheid of ironie uitgedrukt die goed bij de situatie past: Dysse voelt geen enkele genegenheid voor Lyn, en de reisleider bekommert zich niet om de fysieke toestand van de groep toeristen. Bovendien wordt de vermoeidheid nog eens extra benadrukt door ook het add. hômba te herhalen.
a. Brôepwet kost frera krÿša lelmo gurt, janof dena ék hânc tumavy dat ook tui
als meervoudig 'jullie' opgevat moet worden). Omdat er sprake is van een gedeelde disreferentie met tuj kunnen we twee dingen aannemen, al naar gelang de context en de kennis van de toehoorder: 1. tuj is enkelvoudig en refereert dus aan hetzij A, hetzij B hetzij C. 2. tuj is meervoudig en kan dan onder meer refereren aan A + B (maar niet aan C), of aan A + C (maar niet aan B), of aan A + P, of aan A + P + Q, enzovoort. Er zijn vele mogelijkheden, mits één van de personen waaraan tuj refereert, indentiek is aan één van de personen waaraan tui refereert.
4. 3e persoon enkelvoud: do 'hij':
Disreferentie is semantisch het gemakkelijkst te interpreteren als het pers.vnw. een 3e persoon enkelvoud is:
(1) Doi reppe, doj painalira ef.
In (1) kan doi bijvoorbeeld refereren aan Petriy, en doj aan Justes.
Zouden beide do's aan Petriy refereren, dan moest doj beslist weggelaten worden.
5. 3e persoon meervoud: óps 'zij':
In (2) hieronder kunnen we onderscheid maken tussen (i) gedeelde disreferentie en (ii) volledige disreferentie:
(2) Ópsi reppe, ópsj painalira ef.
Bij gedeelde disreferentie hebben beide zinskernen één of meer referenten gemeen, terwijl de rest van de groepen verschilt. Bijvoorbeeld: ópsi aan de personen A + B + C, en ópsj refereert aan A + C, of aan A + P.
Van volledige disreferentie is sprake als beide zinskernen aan geheel verschillende groepen van personen refereren. Bijvoorbeeld: ópsi refereert aan de personen A + B + C, terwijl ópsj refereert aan P + Q + R. Volledige disreferentie bij het meervoudige óps is dus identiek aan de disreferentie bij een enkelvoudig pers.vnw. 3e persoon als do, waarbij disreferentie per definitie volledig is (omdat we maar met één persoon per zinskern te doen hebben).
Volledige disreferentie is bij de 1e persoon meervoud kirro 'wij' en de 2e persoon meervoud tu 'jullie' per definitie onmogelijk omdat een pers.vnw. 1e persoon altijd [ook] aan de spreker S moet refereren, en een pers.vnw. 2e persoon altijd [ook] aan de aangesprokene A moet refereren. De personen S en A zijn dus verplicht een element van welke groep personen dan ook, zodat de disreferentie hoe dan gedeeld is.
Samenvattend: deletie van de bijzinskern is dus altijd noodzakelijk als de spreker wil uitdrukken dat deze kern aan exact dezelfde entiteit of verzameling van entiteiten refereert als de matrixkern. Van deletie kan worden afgezien indien matrixkern en bijzinskern per definitie altijd aan dezelfde entiteit refereert: dit is het geval bij de 1e persoon enkelvoud gress, en bij de 2e persoon enkelvoud tu/gÿrs als het volkomen duidelijk is dat tu/gÿrs enkelvoudig is.
Deletie is onmogelijk als er sprake is van disreferentie (zowel gedeelde als volledige).
AT.148
Nevenschikking nader bekeken
>>> Sommige delen zijn reeds in Hoofdstuk 131 (m.b.t. K2- en O2-deletie) opgenomen!! <<<
qwo Verschil tussen nevenschikking van twee werkw.n en nevenschikking van
twee zinnen met K2- en O2-deletie
Als in Z2 zowel de kern als het object zijn gedeleerd blijft dikwijls alleen het predikaat (eventueel met secundaire bepalingen) over. Zo'n "uitgeklede" Z2 kan dan soms opgevat worden als een predikaat dat nevengeschikt is aan het predikaat in Z1. Vergelijk:
{Gress ef letra trempe ur tillefit gress ef letra koldre-tijâ.} >>
a.>> Gress1 ef letra2 trempe ur tillefit Ø1 Ø2 koldre-tijâ.
'Ik heb de brief gelezen en daarna weggegooid.'
b. Gress ef letra trempe ur tillefit koldre-tijâ.
In a. is sprake van een nevenschikking van twee zinnen, waarbij Z2 vanwege de gedeleerde K2 en O2 alleen bestaat uit tillefit koldre-tijâ. In b. is sprake van een nevenschikking van twee predikaten (beide vetgedrukt).
qw1
Let op de reikwijdte die secundaire bepalingen kunnen hebben:
(1) a. Elsa ef letra trempe hols ur [enn ef] koldre-tijâ lelmo tof.
'Elsa heeft de brief gisteren gelezen en hem vandaag weggegooid.'
b. Elsa ef letra trempe ur koldre-tijâ lelmo tof.
'Elsa heeft de brief vandaag gelezen en [vandaag] weggegooid.'
In (1a) refereert lelmo tof alleen aan koldre-tijâ, en refereert hols aan trempe. Er is hier sprake van twee nevengeschikte zinnen waarbij Z2 onder coreferentie met Z1 gedeleerd is, en O2 onder coreferentie met O1 óf gepronominaliseerd óf gedeleerd kan worden (aangegeven met [enn ef]). Hiervoor gelden de volgende structuurschema's:
(1') a. i. [Elsa ef letra trempe hols] UR [Ø enn ef koldre-tijâ lelmo tof]
ii. [Elsa ef letra trempe hols] UR [Ø Ø koldre-tijâ lelmo tof]
qw1a
In (1b) daarentegen refereert lelmo tof aan zowel trempe als koldre-tijâ, waarbij de werkw.n een volpredikaat vormen. Hier kan geen sprake zijn van K2- of O2-deletie, om het simpele feit dat er evenmin sprake is van een Z2. Nu geldt het volgende structuurschema (het volpredikaat staat tussen { }):
(1') b. Elsa ef letra {[trempe] UR [koldre-tijâ]} lelmo tof
qw1b
Merk op dat de twee verschillende add.bepalingen in (1a) een nevenschikking op predikaatniveau verhinderen. Zin (2a) met schema (2'a) is dan ook ongrammaticaal:
(2) a. * Elsa ef letra trempe hols ur koldre-tijâ lelmo tof.
(2') a. * Elsa ef letra {[trempe hols] UR [koldre-tijâ lelmo tof]}
Uit (2'a) blijkt dat de twee nevengeschikte leden trempe hols en koldre-tijâ lelmo tof geen van beide tot één niveau gerekend kunnen worden, want beide zijn een combinatie van twee aparte zinsdelen, en wel een predikaat + add.bepaling. Dit is ongrammaticaal.
qw1c
Als er maar één add.bepaling aanwezig is, zoals in (1b), dan is er ook een nevenschikking op zinsniveau à la (1a) mogelijk:
(2) b. Elsa ef letra trempe ur enn ef koldre-tijâ lelmo tof.
(2') b. [Elsa ef letra trempe] UR [Ø enn ef koldre-tijâ lelmo tof]
In (2b) wordt dus beweerd dat Elsa op een ander tijdstip dan "vandaag" de brief gelezen heeft.
qw1d
Merk op dat (1b) en (2b) qua uiterlijk alleen verschillen in de af- resp. aanwezigheid van het gepronominaliseerde object enn ef. Dit houdt in dat er ambiguïteit ontstaat zodra het object ontbreekt (bijvoorbeeld bij intrans.werkw.). Vergelijk de b-zinnen hierboven met:
(3) Elsa scemra ur arketta lelmo tof.
a. 'Elsa heeft vandaag geschreeuwd en [vandaag] gehuild.'
b. 'Elsa heeft geschreeuwd en vandaag gehuild.'
Betekenis (3a) is mogelijk als (3) een nevenschikking op predikaatniveau bevat:
(3') a. Elsa {[scemra] UR [arketta]} lelmo tof (vgl. (1'b))
Betekenis (3b) impliceert een nevenschikking op zinsniveau, warbij de rechter kern gedeleerd is:
(3') b. [Elsa scemra] UR [Ø arketta lelmo tof] (vgl. (2'b))
qw1e
Om expliciet uit te drukken dat (3) een nevenschikking op zinsniveau is (en dat betekenis (3b) correct is) kan de deletie van de rechter kern vervangen worden door pronominalisatie:
(4) Elsa scemra ur eup arketta lelmo tof.
'Elsa heeft geschreeuwd, en vandaag heeft ze gehuild.'
Ook kan lelmo tof geheel vooraan geplaatst worden, zodat het een bepaling bij de volzin wordt. Er zijn dan twee analyses mogelijk, die beide betekenis (3a) hebben:
(5) Lelmo tof Elsa scemra ur arketta.
(5') a. lelmo tof {[Elsa scemra] UR [Ø arketta]}
b. lelmo tof Elsa {[scemra] UR [arketta]}
qw2
Als een tijdsbepaling gecombineerd wordt met een volpredikaat moeten de tijdsvormen van beide nevengeschikte werkw.n natuurlijk passen bij deze tijdsbepaling:
(6) * Elsa ef letra trempe ur di koldu-tijâ mas.
Zin (6) kan alleen zó geïnterpreteerd worden dat er sprake is van twee nevengeschikte predikaten; mas refereert dus zowel aan trempe als aan di koldu-tijâ, wat onmogelijk is (vergelijk (1b)). >>oja? let op of een toek.tijd niet een verleden.toek.tijd kan zijn ...<<)
(7) Elsa scemra ur di arkettu mas.
a. * 'Elsa heeft morgen geschreeuwd en zal [morgen] huilen.'
b. 'Elsa heeft geschreeuwd en zal morgen huilen.'
(vgl. (3)). Zin (7) kan alleen als twee nevengeschikte zinnen geïnterpreteerd worden.
>>nog nagaan in hoeverre tijdsbepalingen combineren met tempus-inversie!<<
qw3
Bekijk de volgende constructie:
(8) Elsa scemra hols ur arketta lelmo tof. (= § qw1 (1))
Hierboven hebben we gezien hoe (8) geanalyseerd wordt als een nevenschikking op zinsniveau (waarbij K2 gedeleerd is). Sommige grammatici (zoals Lântmân 1979) geven er echter de voorkeur aan om zinnen als (8) zodanig te analyseren dat zij een identiek soort nevenschikking bevatten. Dit zou dan een nevenschikking op zinsdeelgroep-niveau kunnen zijn, analoog aan nevenschikkingen op woordgroepniveau. In (8) is dan sprake van de zinsdeelgroepen scemra hols en arketta lelmo tof, elk bestaand uit een predikatief zinsdeel plus een additief zinsdeel. Voor (8) geldt dan het volgende structuurschema (de "volzinsdeelgroep" staat tussen { }):
(8') Elsa {[scemra hols] UR [arketta lelmo tof]}
Het nadeel van het gebruik van de notie "zinsdeelgroep" is dat (8) hierboven en (9) hieronder niet meer op identieke wijze geanalyseerd kunnen worden:
(9) Elsa ef letra trempe hols ur enn ef koldre-tijâ lelmo tof. (= § qw1c (2))
Immers, het gepronominaliseerde element enn ef wijst duidelijk op een nevenschikking op zinsniveau. Analoog aan (8) zou gelden:
(10) * Elsa ef letra trempe hols ur koldre-tijâ lelmo tof.
(10') * Elsa {[trempe hols] UR [koldre-tijâ lelmo tof]}
Maar in § ... >hierboven< hebben we gezien dat deze constructie ongrammaticaal is. De introductie van de notie "zinsdeelgroep" leidt dus niet tot een meer efficiënte theorie.
AT.149
Tiyn en šôt als rechter lid in samenstellingen
Tiyn en šôt zijn als sporen behandeld in Hoofdstuk 132. Zij kunnen echter ook optreden als rechter lid in een samenstelling. Het volgende is dan ook een aanvulling op datgene wat in Hoofdstuk 132 is gezegd,
tš1
Het subst. tiyn wordt veel als laatste lid in samenstellingen gebruikt (zowel scheid. als onscheid.). Dikwijls heeft het de betekenis 'stuk, deel, moment'. Het linker lid van de samst. is meestal een werkw., een ander subst. (vaak stoffelijk), een additief of een voorz. Afleidingen met tiyn worden ook besproken in § 20.10. Hier volgen nog wat voorbeelden:
Aan werkw. (altijd scheidbaar):
merre ~ merre-tiyn 'spelen' ~ '[stuk] speelgoed'
miype ~ miype-tiyn 'denken' ~ 'ogenblik nadenken'
slape ~ slape-tiyn 'slapen' ~ 'slaapmiddel (medicijn)'
ucôge ~ ucôge-tiyn 'voorspellen' ~ 'voorspèlling' (wat voorspeld is, de
uitkomst van het voorspellen)
tš2
Aan subst. ([on]scheidbaar):
fa'i ~ faitiyn 'vee' ~ 'stuk vee'
drakâ ~ drakâ-tiyn 'waag(gebouw)' ~ 'grote weegschaal'
wat ~ wattiyn 'watten' ~ 'prop[je] watten'
kûra ~ kûratiyn 'kunst' ~ 'kunstwerk'
ylâm ~ ylâm-tiyn 'vak, ambacht' ~ 'meesterwerk'
pÿr ~ pÿr-tiyn 'eeuw' ~ 'eeuwigheid'
šocla ~ šocla-tiyn 'chocolade' ~ 'voorwerp van chocolade' (§ 21.20)
~ šoclatiyn ~ 'stukje chocolade, chocolaatje'
tš3
Aan add. (meestal onscheidbaar):
flacÿr ~ flacÿrtiyn 'bijzonder' ~ 'specialiteit'
kleter ~ kletertiyn 'nieuw' ~ 'nieuws[bericht]'
réjiy ~ réjiy-tiyn 'kaal, onherbergzaam' ~ 'kaalheid, onherbergzaamheid'
tš4
Aan voorz. of prefix (altijd onscheidbaar):
mip ~ miptiyn 'uit' ~ 'afvalstof'
zléf ~ zléftiyn 'vast aan' ~ 'perceel' (gebouw: dat vast aan de grond zit)
fro- ~ frotiyn 'lichaam-' ~ 'lichaam'
stin- ~ stintiyns 'schrijf-' ~ 'schrijfbehoeften' (§ 21.3)
tš5
In één geval kan een samenst. met tiyn echt productief genoemd worden: dat zijn scheid.samst.n met werkw.n, om een geplande, kort durende, menselijke bezigheid uit te drukken. Bijvoorbeeld:
(1) Zerfe-tûe mas kost hitt furt eft kittianer pjôle-tiyn!
'Kom morgen eens langs voor een gezellig praatje!'
(2) Mintof eft slape-tiyn1 Lerdu finna beri ÿrôme wet.
'Na wat geslapen te hebben begon Lerdu weer te werken.'
(3) Gress ma tinde fesért, gress lelperrilóme velk eft stinde-tiyn.
'Ik blijf thuis omdat ik nog wat moet schrijven; ... omdat ik nog wat
schrijfwerk heb te doen.' (bijv. een brief schrijven)
tš6
Als een werkw. iets anders uitdrukt dan een geplande menselijke bezigheid is een samst. met tiyn onmogelijk, of op zijn minst vreemd. Vergelijk (2) hierboven met:
? Mintof eft arkette-tiyn Yvonn probaro beri slapelsate.
'Na wat gehuild te hebben wilde Yvonn naar bed.'
? Mintof eft slape-tiyn ef hurt finna beri helderte nurpel wet.
'Na wat geslapen te hebben begon de hond direct weer te blaffen.'
Deze zinnen kunnen alleen ironisch opgevat worden: het huilen van Yvonn wordt voorgesteld als een afgeronde, nuttige, werkzaamheid; de hond wordt voorgesteld als een nadenkend menselijk wezen die zijn dagindeling bewust gepland heeft: "eerst een dutje doen en vervolgens de tijd doorbrengen met blaffen".
tš7
Als de bezigheid meer tijd in beslag neemt, of niet geheel afgerond wordt, kan -tiyn niet gebruikt worden. Vergelijk (2) en (3) hierboven met:
(2') Mintof ef ÿslapos Lerdu finna beri ÿrôme wet.
'Na het slapen begon Lerdu weer te werken.' of 'Na geslapen te hebben ...'
(3') Gress ma tinde fesért, gress perkilóme beri stinde velk.
'Ik blijf thuis omdat ik nog moet schrijven.'
In (2') wordt uitgedrukt dat Lerdu geruime tijd heeft geslapen, en het hoeft niet per se van te voren gepland te zijn om eerst te slapen en vervolgens te gaan werken.
In (3') moet het "schrijven" gezien worden als een beroep, of in ieder geval als een langdurig proces.
tš8
Door zijn vage betekenis is tiyn een geliefd element in samenstellingen. Het krijgt dan soms het karakter van een subst.-vormend suffix, zoals besproken in de vorige paragrafen. Daarentegen is de betekenis van šôt veel concreter. Wellicht is dit de reden dat šôt in zo weinig samenstellingen voorkomt. We kunnen er slechts drie algemene noemen:
Scheidbaar aan subst.: eggo ~ eggo-šôt 'echo' ~ 'evenbeeld (zaak)'
Scheidbaar aan add.: gei ~ gei-šôt 'algemeen' ~ 'gemeengoed (lett/fig)'
Onscheidbaar aan voorz.: âst ~ âstšôt 'tegen[over]' ~ 'tegenhanger'
AT.150
Voorzetsels
vergelijk:
Do ÿrôme lóf ef tiystosz = Hij werkt bij/gedurende de hoosbuien (maar blijft zelf droog)
Do ÿrôme fes ef tiystosz = Hij werkt in de hoosbuien (hij wordt doorwaternat)
Do ÿrôme lef ef ucôgelira tiystosz = Hij werkt terwijl er hoosbuien zijn voorspeld (maar het is niet gezegd of ze ook werkelijk plaatsvinden). Lett. Hij werkt met de voorspellende hoosbuien.
De constructie lef ef Xlira Y betekent: terwijl Y is geX.
lef is hier geen voorzetsel bij het znw, maar bij het teg.dw!
Ook:
Ôps quÿelira kusamat ef weg lef ef reppelira poh pai ef kindis =
ze staan langs de weg te wachten terwijl/omdat er gezegd is dat de koning een tocht zal maken
(lett. ze staan langs de weg te wachten met de zeggende tocht door de koning)
bold
italic
bold
italic
extra large
ooverstrike
extra large
1. De traditionele opvatting die leidt tot de uitspraak dat bedoelde do en gress wel zinskernen zijn, maakt het noodzakelijk dat aan de deletieregel bij coreferentiële zinnen een uitzonderingsclausule wordt toegevoegd.
1. Dat té in (9a) de subject-kern is, blijkt uit het feit dat de testen die gelden om de eigenschap van zinskern aan te tonen, óók voor een betr.vnw. als té opgaan, zoals ellipsis (deletie bij nevenschikking):
Gress nert tiffe ki ef merater, té farte kusama ur uokke eft sigarett.
'Ik ken de man niet, die daar loopt en een sigaret rookt.'
1. Vergelijk:
Ef 'jan pitte helkara [ef] koles. 'De jongen fietst naar [de] school.'
Eup nert tóte beri vende helkara sener ÿrôm. 'Ze schijnt niet naar haar werk te gaan.'
1. Linkse dislocatie van fes dinelo in a. is niet mogelijk: * Fes dinelo óps melde vrôlk., want dan zou de ene pred.comp. vrôlk fes dinelo abusievelijk gesplitst worden. Bovendien is de constructie ef melde fes dinelo 'aan het diner zitten' duidelijk idiomatisch, en dat verhindert een wijziging in de ordening (§ $$).
1. In § $$ is uitgelegd hoe het koppelwerkw. melde + add. vervangen kan worden door het add. + -e. Omdat fes ef arâbe een "zwaardere" constituent is dan vrôlke, is de neiging groot om deze naar rechts te verschuiven (rechtste dislocatie), ook al kan deze voorz.bep. begrepen worden als een bepaling bij de zinskern óps (§ $$).
2. Vergelijk dit met voorbeeld ... in § $$: Óps pliyfone ysp ef bjerr., dat geparafraseerd kan worden als "door het bier-drinken worden ze dronken".
1. Zin b. kan wel acceptabel zijn als een regisseur die tegen een acteur uitspreekt, om aan te geven hoe deze acteur een rol moet spelen waarin hij zijn ongenoegen uit over de koude koffie. In een dergelijke context kunnen ook imperatieven gebruikt worden om de toehoorder iets "op te dringen" waarover hij geen controle heeft, zoals "Wees niet al te intelligent!" of "Lijk goed op je vader!". Zulke opdrachten zijn alleen acceptabel als ze gericht zijn aan een acteur die de rol van een intelligente man moet spelen, of die zich precies zo moet schminken en gedragen dat hij lijkt op een andere acteur die de vadersrol vervult.
1. In het Cheetuc wordt altijd het pers.vnw. kâ, en nooit ef, gebruikt in de 3.enk.neut.
1. Let op de "lus" in a. en b.: de bijzin is op twee manieren syntactisch met de matrixzin verbonden: (i) met een voegw. (brâ resp. janof), en (ii) met het betr.vnw. té dat refereert aan frenvu in de als kern optredende gen.bepaling.
1.Merk op dat quandro ondanks de nevenschikking samen moet gaan met het reflexieve sena 'zich'. Ondanks de aanwezigheid van sena is toevoeging van het object Elsa geheel correct, mits quandro toegevoegd is.
1. Een belangrijke uitzondering op deze regel is de negatie nert die altijd voor het predikaat verschijnt, zie § $$.
1. In een enkel geval treden tijâ en tÿrt niet als deel van een samenstelling op, maar als volwaardig additief. Dit gebeurt met name bij het semantisch lege koppelwerkw. melde. Bijvoorbeeld:
Ef mimpit melde tijâ. 'Het boek is weg.'
Aftel do melde pip tÿrt? 'Is hij al terug?'
Zie ook § 102.$$.
1. Een Progressief aspect ('lopende; aan het lopen zijn') wordt door -lira in fartelira wèl uitgedrukt als lira niet geïnterpreteerd kan worden als markeerder voor de relativiteit, zoals in:
Ef 'jan, té fartelira kusamat ef klarbÿr, ...
'De jongen, die langs de kade aan het lopen is, ...'
1. Nu kan het vette element vervangen worden door een leeg lexicaal spoor (bijvoorbeeld tiyn):
Ef ér frera zâre ber Hirdo ur ef lelpiru tiyn ÿrôme ber Blort.
'De ene broer woont in Hirdo en de andere werkt in Blort.'
Nu is er sprake van semantische coreferentie.
2. Uit het reisboek Lango lâzenntor pâts 'Langs ongebaande paden' van Gajener Vjola-Dentôr (1989).
1.Slape-tiyn kan ook 'slaapmiddel' betekenen; zie § tš1.
??
Voorzetsels
In oudere vormen van het Spokaans kan het lidwoord ef na een voorzetsel dikwijls worden weggelaten. Halverwege de 19e eeuw zijn zulke lidwoordloze voorzetselconstructies in onbruik geraakt. Vergelijk:
(oud) Do mirre helkara sÿrt.
(modern) Do mirre helkara ef sÿrt.
Hij wandelt naar [de] stad.
Soms zijn zulke lidwoordloze constructies in het moderne Spokaans blijven bestaan. We komen ze nu tegen als idioom of in eigennamen (vooral plaatsnamen), zoals:
...
Litalu-fes-Waljÿ (naam van een dorp; lett. "Lamp in [het] Bos")
Fesfôresta (naam van een dorp; lett. "In [het] bos")
Ook in de afleidingen met het circumfix te--e kunnen we zo'n lidwoordloze constructie zien, zoals in tekelbrae (op de tafel).
Het prefix te- is identiek aan het bijwoord ta (daar), dat vroeger ook als locatief (= plaatsbepalend) voorzetsel werd gebruikt, zoals in:
Ef mimpit melde ta [ef] kelbra.
Het boek ligt "op" [de] tafel.
Ta is gereduceerd tot het prefix te-, en achter het substantief volgt nog een soort "locatieve naamval", die in feite hetzelfde is als een resutatief.
laatste aantekening gemaakt op:
31 mei 2007
/////
TOP
<< Hoofdstuk 203 | Hoofdstuk 211 >>
|