Grammatica van het Spokaans © Rolandt Tweehuysen | Postbus 3774 | 1001 AN Amsterdam

<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 190 | Hoofdstuk 192 >>

19. Appendices

191. Stammen en Voltooide deelwoorden


Alle onregelmatige stammen en volt.deelwoorden. Scheidbare samenstellingen zijn alleen opgenomen als het samenstellende werkw. nooit buiten deze samenstelling optreedt.

Uularâfelira (intrans. werkw.)
Eemmettâlelira (semi-trans. werkw.)
K/Utransitief en intransitief
×reflexief werkw.
Transitieve werkw.n zijn niet als zodanig gemarkeerd.


infinitief gramst. wortst. volt.dw.  
         
ae at ajet aaien
afe afet meenemen||achterlaten
ahoqugme U ahoqugg schrikken
âlbae âlper misleiden
âlminde pâlminde schudden
aloje alot legéren, metaal mengen
alycre alycer draineren; droogleggen; doen stranden
âmée âmét pâmé doen, uitvoeren
ânalitje ânalitt ontleden
ândre ânder speuren
ânkle U ânk wiebelen, waggelen
âpyjoe U âpyjer dom/schaapachtig kijken
ardefne U ardeff lekker geuren, ruiken
armtdragje armtdragg voortbrengen, opleveren
armtgre × armtgret zich veroorloven
armthendre armthender dwepen met
armtpevutre armtpevutt aankrijgen (schoenen); opgewassen zijn
armtqugle × armtqugg met zich mede brengen
aroe arot zeker zijn van
azjâpje azjâpp (arch./poët.) bespoedigen
azje U azjet de knecht zijn (van); in dienst zijn van
bae bat bajet uitspoken, uithalen (streek)
ba'efre baeff snijden
ba'efrÿne baefrÿn afsnijden
ba'eke baek losrukken
bâgre bâgg bâgas baggeren
bautoe bauter afzonderen; tussenuit knijpen
baxeske baxess oordelen over
baxeske baxess afkeuren
bée U bét voortduren
berke berek inhakken op, in stukken slaan
biÿae U biÿt biÿjer (fig.) op stapel staan; te verwachten zijn
blacroe U blacret kruipen
bléskre blések blésk- overtuigd zijn van
blompe blômpe mededelen, melden
bo'estre U boest (lett.) rollen
bôrade bôrâdâ uitspuiten, uitspuwen
bôrle U bôrr borrelen, bruisen
brue brûs zetten (koffie, thee)
bye U byt byjet neerstrijken (vogel)
bzaée bzaét bzaéjer vangen
bzaûtre U bzaûtt ontstaan
cašoe cašot erkennen
cecte U cecc knallen
cermâxle U cermâx verloren gaan
cetrence cetrent drenken, te drinken geven
chabe chabet chaper afschaffen
chabre chapp chapor nader/bijelkaar brengen
châmpje châmpt spreiden
chisre chiss (arch./poët.) decoreren
cho'ate U choat wanhopen
chÿðoe chÿder verleiden
ciynitre E ciynitt schandelijk zijn
cjestovle U cjestoff bedriegen
claje clat uiteenvallen in
clûmle U clûmm [rond]lummelen, rondhangen
codre cott naaien
co'ifche coift co'if- co'ifcer negeren
colye colys verzamelen; opkroppen
croje crot (Lomky/Tigof) porren, aansporen, opjagen
crÿje U crÿjet grijnzen
cûrle U cûrr krullen
cye cyt kammen
cyfâje E cyfâs beklijven; duurzaam worden
cÿrbo'estre cÿrbós cÿrbo'est- zich gesteld zien voor
cÿrchof'te U cÿrchoft plaatsvinden, doorgang hebben
cÿrfre cÿrferâ overtreden; overtreding maken
cÿrna'eche cÿrnaecc onderzoeken
cÿrnytre cÿrnytt mengen
cÿrspe U cÿrs- spotten
cyrtâche cyrtâk verspreiden
cÿrtyrâhe cÿrtyrât bijstand verlenen aan
cÿrzrame cÿrzrâg verwarmen
cyspohe U cyspot (arch./poët.) betogen
dakre dakk beledigen
dama'ife damaif damâf onderhevig zijn aan
dâmenntelstje U dâmentell dâmenntelst- peinzen
danše U dânsen dansen
ðéfje ðéff verslappen, verminderen (aandacht)
denme E denn hagelen
dismyse dismyst ontslaan
ðoboe E ðoboer verkeerd zijn; het verkeerd hebben
dragje dragg brengen
drynje drynt drynet (Erg.) wijden, heiligen
dûccle dûcel dûcl- schenden; overtreden
dvârle U dvârr dwarrelen
eaquppûe eaquppût gemoeid zijn met; fungeren als
ebe ebet pebe weggooien
ellerie U ellerit zich verontschuldigen
empajae empajor overwegen
entre U enter binnengaan, binnentreden
eriythe U eriytt eriyt- vaag, zonder aandacht luisteren
étârtje étâret splijten
etetje etett gevoelig zijn voor
fe U fet schuilen onder een boom
félcle félt voorafgaan aan
feldre U felt feld- zitten, gezeten zijn
ferbje ferp afwisselen
fesdragje fesdragg herhalen
fesitÿrre fesitÿr nalaten (iets niet doen)
fesmonche fesmont overreden
fesnivie fesnivit inlassen, tussenvoegen
fesqugle fesqugg inboezemen, ingeven
fesquÿe U fesquÿt aanblijven (niet weggaan)
festass-zrame festass-zrâg ontsmetten
fesufne fesuff beoefenen
fiymbre U fiymet rafelen
fiypÿe fiyper zeker zijn van
fiytje fiytt/fiytet (arch.) uitkiezen
fjojae fjojat fjojât slechten; met de grond gelijkmaken
fjoje fjot rollen (deeg, gras)
flâdre U flâtt fladderen; (fig.) verrekken
fle U flet klimmen
fle flet afwijzen, verwerpen
flectre felec flect- buigen
flôgcpe flôg flôgc- vermanen
fomre fomm vervormen
fôrdre fôrt fôrd- fôrts vorderen; opvragen; opeisen
fraje frat immuun/ongevoelig zijn voor
froba'efre frobaeff castreren
fûrtibje fûrtipp eggen
gabane gabent vervoeren, afvoeren
gabane-tijâ tijâgabent afvoeren, wegvoeren
gadre U gatt vergaderen
gâfje gâff gâf- ontnemen (afpakken)
gâfle gâff brandmerken
gaoe U gaot gâter op gang komen
gârpje gârpt klemmen
gaufje gauff (arch./poët.) vergeven
gazeûte gazeût afstemmen op; zich richten op
gédre U géter africhten (valken)
geldre U gelder/gelt mogen; toestemming hebben
génehe U génet (lett.) opschieten
gerdre gerder gerd- bewaken
gladoe U × gladot zich verheugen
glântre glânter poetsen; lappen, zemen
glistipre U glistipp zich verhouden
gre K/U gret draaien
gûrgle U gûrgt gorgelen
gvoie gvoit gvóter een beroep doen op
hâgme U hâgg bezwijken, de geest geven
halefiytje halefiytt onthouden, nog weten
hanntele hanntel hanteren
hanntele U hanntel handelen, gaan (over)
hantre hant sluiten, op slot doen
hârmsje hârmes verwerken
harre U hârâ toekomen (aan)
hastre hast hast- hastor plaveien, bestraten
hatre hatt haten
hendre hender aangrijpen, te baat nemen
hindre hinder hinderen
hômbae E hômbat moe zijn
hoqugme U hoqugg verschrikt zijn
hosstâe U hosstât spatten, spetteren
hue hut hûs aan banden leggen; dempen
huzve U huss huz- hušor zuchten
hybje E hypp zich verzetten, zich weren
iafle iaff voorrang verlenen aan
iafle U × iaff zich beroemen (op)
idecodre idecott lostornen, uittrekken (draad)
idedrynje idedrynt idedrynet ontwijden, ontheiligen
idejohe K/U idejot (zich) verontschuldigen
idelije idelit verhelen, verzwijgen
idepjohe idepjot slijpen (mes)
idequgme idequgg afwennen, ontwennen
iemze piemze waarnemen (met zintuigen)
ierche U ierrt voltrekken
ijabie pijabi zich vastklampen aan
ilbaje U ilbat dichterbij komen
ilbaje ilbat dichtmaken, dichtdoen, sluiten
infre infer wegwerpen
inue E inut hollen, rennen
iplâfre iplâff verzamelen
itÿrre E itÿr vluchten
jagre E jagret schipperen (geven en nemen)
jalo'ife U jaloif voorwaarden stellen
jarmôje U jarmôt zweefvliegen
jarutre E jarutt speling hebben
jesme jess verdelen
jesudle U jesutt distingeren
jizjÿe jizjÿt jiystâs (taak/werk) volbrengen
jóchée jóchet gewenst achten
jôcle U jôcc goochelen
jodle U jott jodelen
jôfle jôff laten merken
josle U josel oplaaien, opvlammen
jue E jut jûs overeenstemmen (met)
jûmpre jûmper jûmp[r]- verlaten
jymazôzje jymazôss instuderen, repeteren
jÿndre jÿnter (fig.) raken tot/in
jyvve'uke jyvviy uitroeien
kabi-stinde kabi-stindas printen (afdrukken op printer)
kafhindre kafhinder stremmen (verkeer)
kafmesÿe kafmesÿt doorbrengen (tijd)
kafóstre kafóster lasteren, kwaadspreken over
kalómbije kalómbit aandacht schenken/besteden aan
kenje U kent hinken
kerrutre kerrutt iemands gebaren nadoen
kešâe kešât aandikken (verhaal)
keserfje U keserft domineren, de overhand hebben
kestgre kestgret bekeren
kestûae U kestûat afgehandeld worden
kifre U kiff fonkelen, glanzen
klatje U klatt overtuigd zijn
klynše klynšet achtervolgen, vervolgen
k'maje E k'mat (spr.) daar zijn, zie daar
k'mije E k'mit (spr.) hier zijn, zie hier
kniyzje E kniyss wrevelig zijn
knytre U knytt knetteren
koibre U koipp glimmen
koldre kolt kold- koldôr gooien, werpen
kôsempje kôsempt kôsemp- verrijken
kre kret [in]wikkelen
krikbe U krikk krik- wiegen, zachtjes schommelen
kriye U kriyt snauwen (tegen); toesnauwen
krôtke U krôtt kraken (dor hout)
krûsge krûss laten voelen
krusve kruss krus- verbrijzelen, vermorzelen
krye U kryt glooien, licht hellen
kuberre kuberros/kuberror overhandigen; richten
kuntiyre kuntaro stelen
kurahendre kurahender verduren, verdragen, dulden
kuranyxemje kuranyxemm kraken (huis bezetten)
kurapevutre kurapevutt ter beschikking stellen
ky'are kyar scheuren
kycve kycc beslaan van een paard
kÿponje kÿponn kÿpon[j]- [af]drogen
lâfse U lâfs verwelken
lahâje lahâs rekenen op
lajâfgre lajâfgret slepen
lâkre × lâkret zich wikkelen in
lâquÿe lâquÿt opwachten
latre U latt op het punt staan te zinken
lâtreoxje lâtreox ontgelden, bezuren
laycache laycacc waarde hechten aan
lejonye U lejonyt dineren
letge U lett [over]hellen (muur)
letre E lett vóórkomen
letve U letver/lett omweg maken (om een heuvel)
liyrshe liyrres liyrs- te wijten zijn; de oorzaak zijn
ljomge × ljomm ljom- ljômge zich toewijden aan
lôhetje lôhett onderschatten||overschatten
lo'ife loif overeenkomst sluiten met
lomeše U lomest wel||geen moeilijkheden veroorzaken
lozôstje lozôster lozôstjey afvaardigen
luftjesme lugtjess indelen
luftkoldre luftkolt luftkold- allesomvattend/universeel zijn
lycre U lycer uitdrogen (bouwland)
mâdre mâtt (lett.) gladstrijken; (fig.) vereffenen
mâe mât aanduiden
mâgle mâgel/mâgg (Erg.) zegenen
mâncre E mâncer baten
manne mann uitrichten, uitvoeren
marestje mareset waken over
mârnše mârnet durven, wagen
martije martit (fig.) raken aan
mebje U mepp neuriën, zachtjes zingen
mecre mecc smeden
medriye medriyt bemodderen
mée U mét wervelen, kolken
mefre U meff zin krijgen/hebben (in)
mefre meff betekenen, beduiden, inhouden
megiye megiyt vrezen, duchten, ontzien
menee menet (fig.) uitbuiten; intensief gebruiken
mentÿje mentÿt mentÿ- verwaarlozen
mešortôhe U mešortôt mešortef het leven wagen
mesÿe U mesÿt mesen zich interesseren
mesÿe mesÿt regelm. iemand voor iets interesseren
méte K/U méts (elkaar) ontmoeten
mipgâfje mipgâff mipgâf- uitteren
mipqugle U mipqugg nawerken
miptrije miptrit experimenteren met
mipxolije mipxolit afstand doen van
mitagre mipgret ontzetten; uit zijn verband brengen
mitaóstre U mipóster overlopen, deserteren
mofle moflet zaaien
moie moit mót stutten, ondersteunen
moje mot regelm. afleggen (dode)
moje mojet/mot mojâs maaien
môje U môt wentelen (molenwieken)
monche U mont feestvieren
monche mont (lett.) herstellen; (fig.) optoveren
montaiye montaiyt gelijkwaardig zijn aan
na'ôfe × naôf zich vergissen in
nâs-stinde nâs-stindas/
  
regelm.
overschrijven, herschrijven
nendore nender vernietigen
nertuie U nertuit beheerd worden door
nie nit herstellen, repareren
nitre nitt schandelijk vinden en afkeuren
njame nja (vloeistof) spuien, lozen
nôzje nôss dingen naar; streven naar
nue E nut (arch.) hollen, rennen
nystre U nyster kirren
nytre nytt inschenken
nyxemje nyxemm betrekken (naar binnen gaan)
oaroe U oarot poaro overlèggen; bespreken
obléskre oblések oblésk- opvatten, beschouwen
ojabre U ojaber wankelen; bijna vallen
ole pole scheren (heg/struik)
olije olit [uit]rekken
ombre omp (fig.) overschaduwen, overtreffen
opjÿge opjÿg exploiteren, ontginnen
orenple orenpel voelen (met zintuigen)
orte porte bijten
ósoe ósot póso aandrijven (machine)
óstre óster ondermijnen
ôtlazre ôtlass ôtlaz- bestrijden
ôtosme ôtoss slijpen, scherp maken
ôtre ôtt (lett.) afbrokkelen; (fig.) tornen
pakre pakk kwetsen (vooral fig.)
pâple pâpp opbeuren, bemoedigen
pâtre pâtt breien
pe K/U pet heten; genoemd worden
perkefe perkef verplichten, noodzaken
pevutre pevutt opmaken, schminken (gelaat); kappen (haar)
pije U pit bijeenkomen, bij elkaar komen
pitste pits pits[t]- (lett.) [los]tornen
piylase K/U × piylasô [af]scheuren
pje pjet pjetiy verijdelen
pjÿge U pjÿg nut hebben, lonen
plaje U plat hellen
plincre U plink blinken, flonkeren
pluzarje pluzarr afronden (getal)
pôrtje pôret pôrt- pôrt stropen (jagen)
pracâe U pracât bladeren
prucre prucc pruc- inleiden, introduceren
prÿme prÿtt/regelm. verzoeken
pultre U pulter bulderen
putte potter nemen, pakken
quae quat qujer gelasten, gebieden, opdragen
quaritije U quaritit toetreden (tot)
quazje quasst sjouwen
qubre qupp (fig.) uitbuiten; (lett.) schuren
qubre U × qupp uitstaan (kapitaal)
quche U qucc uitsteken
qugjohe qugjot bekomen
qugle qugg veroorzaken, aanrichten
qugme qugg wennen aan
quiquije quiquit quiqur zich bewust zijn van
quirche quirs afleren
quiyrâše quiymp/regelm. aanvaarden (reis, eis, plicht)
qulne E qull bonzen
quriye qurao gevangen nemen
quvârpje U quvârpt in aantocht zijn
quÿe quÿt wachten [op]
rakle rakk [op]porren (vuur)
râpoe râpot [ver]bouwen (gewassen)
raptre rapeter rapt- râpet (fig.) aantrekken;
réchiyse réchiys registreren; aantekenen (brief)
regle regg regelen
rencle U renc rinkelen
reopatre reopatt draaglijk zijn; zich verdragen
rilkrikbe U rilkrikk rilkrik- schommelen; slingeren
ripje ripp mennen (dier)
ritsle U ritsel ritselen
riye rao stevig beetpakken, vastgrijpen
roe U rot rouwen, in de rouw zijn
roe E rot nijgen, buiging maken
roite roit spannen
rolije E rolit van gedachten wisselen
ropje U ropp vochtig zijn
rôšypje rôšypp betreuren
rutre U rutt bewegen
rytle rytt missen (niet raken)
šâftre E šâft schuld hebben
sâjele sâke storen (iemand in zijn werk)
scemre U scemm kosten, vergen
scemre E scemm schreeuwen
šefce K/U šefto schuiven
šefce U regelm. kruien (ijs)
senje U sent zaniken, zeuren
sgebje sgepp aankijken
sgre sgret slingeren
signere sigen [in]zegenen
simaje simat simer opbergen, opruimen
siycle U siycc/siycel cirkelen
skreje U skre gillen
sle slet sleiy uitwerpen
slentre U slenter slenteren
smyfge U smyff snuffelen
šoe šot uithoren, ondervragen
somonoe somonor [vast]plakken
spârtle U spâret spartelen
spâtre U spâtt uiteenspatten, -knallen (ballon)
spimuzre spimuss spimuz- kluiven [op]
spippe spippet vermommen
splônje U × splônt zin hebben, nut hebben
splônje splônt bedoelen, menen
spuje E spujer (Centraal-Berref) paardrijden
srâtje srâtt bespieden (terwijl men zelf verborgen is)
stâe stât betuigen
stinde U × regelm. geschreven/zwart op wit staan
stinde stindas schrijven
stinde-fes stindas-fes boeken, inschrijven
stiybje stiyt vitten op
stoje stot vollen (lakense stoffen)
stômple U stômp strompelen
stovyje U stovys rondventen
strjôfje strjôff (arch./poët./jur.) verlenen
survÿje survÿt overzíén
šutje šuts (Peg.) rooien
sÿsiyxme sÿsiyx communiceren met
tâfne tâff (lett.) betoveren
tâje tât opschikken, versieren
talje tall (Liftka) gekweekt fruit plukken
tâtle E tâtt klappen (met handen)
téðe tét voorzichtig lopen/voortschuifelen langs
téfire téfira inleggen, inmaken, wecken
téje U tét dooien (weer); smelten (ijs)
telstje × telst telst- telsen zich realiseren
telstje telst telst- telsen (fig.) stilstaan bij
tesemre tesemm zwepen
texe texâ/regelm. knippen
ticre ticc [aan]tikken; tokkelen
tijâfraje tijâfrat (iemand iets) besparen
tinkôhe tinkôt torsen
tiôie tiôit tiôter verschuldigd zijn
tiylvle E tiylf warrig praten
tiylvle U tiylf dwarrelen
tjestrove tjestovor verwoesten
tlazre U tlass tlaz- afgedankt zijn; niet meer gebruikt worden
tlypje U tlypp grinniken
tmâhe tmât verhinderen, tegenhouden
tocodre tocott rijgen, met grote steken naaien
trajofutsitée trajofuts verwringen
trence trent onderdompelen
treoxje treox treôx schroeien, blakeren
trije K/U trit [uit]proberen
trumle U trumm trommelen
tuie U tuit onbelemmerde doorgang verlenen
tundare tûndare/regelm. breken
tygtjaflectre tygtjafelec tygtjaflect- doorkruisen, dwarsbomen
tyna'e U × tynat tyna- zich verschuilen
tyrâhe tyrât blussen
tÿrre E tÿr (arch./poët.) vluchten
tytorre U × regelm. verhongeren (sterven v. honger)
tytorre tytorr uithongeren (niet te eten geven)
ûae E ûat pûa tot stand komen
uenge U puenge gestalte krijgen
ufne uff [uit]oefenen, bekleden (functie)
ufre ufer bederven
ufspre ufesper ufsp- missen; niet raken
ûlke U ulker verstarren
ûlke regelm. binden (saus/soep)
umpaje U umpat maatregelen treffen
uquestre uquesst uquest- voor een taak berekend zijn
uzjôce puzjôce ondervinden, ervaren
uzre uss [om]spitten
vabje U vapp smeulen
vâpje vâpp plagen, pesten
vârje vârt wurgen
vârne vart waarschuwen
vârpje vârpt zich begeven naar, gaan naar
vizaje U vizajet voor dag en dauw opstaan (om te jagen/vissen)
vlaytre vlaytt verschuldigd zijn
vlofje vloff opsluiten, insluiten
vôrdre vôrt vôrd- arresteren, aanhouden
vûkgre U vûkgret aanlopen (wiel); klemmen (deur)
wa'ére waér waér ontkennen
wagje wagg belonen
wakkle wakkel behoren, moeten (vlgs. moraal)
wârbie wârbit uitdenken, verzinnen
wetozje wetoss een blik werpen op
wévle U wéff [rond]tollen
wila'e wilat wila- vlechten, ineenstrengelen
wiysve wiyss inrichten (huis ed.)
wyje wyjer wijden (aan)
wÿmre wÿmm beknotten, binden, beperken
wÿrre U wÿr wÿror fluiten (met lippen; de wind)
wÿsge U wÿss kronkelen
xalbre U xalber xalb- ontluiken
xâme'ie xâmeit xâmet opbrengen, opleveren
xÿje xÿt afkammen, de grond in boren
xÿmpre xÿmp xÿmp- belemmeren
xizje xiss verwerken
xlompje xlompet ten goede komen aan
xnebre xnepp nagaan; verifiëren
xóbre U xópp steigeren (dier)
xone'ite U xônet voortgaan, -schrijden (tijd)
xozje U xoss schertsen, grapje maken
xuôe xuôt xuôliy toe zijn aan
yae yat pya/regelm. neerkomen op; ter sprake komen
yarge yârge melden
ÿazjâpje ÿazjâpp bespoedigen
ÿazje U ÿazjet (Peg.) onderdanig zijn
ybeje ybét [ver]zwikken, verstuiken
ÿchisre ÿchiss versieren, decoreren
ÿcyspohe U ÿcyspot betogen
yeffne yefft ontstemd zijn over
ÿgaufje ÿgauff vergeven
ÿje U ÿjet regelm. gerimpeld/geplooid zijn
ÿje ÿt pÿje verspreiden, verdelen
ÿkrâje ÿkrât bedreigen
yntaje yntat aanbijten (in het aas bijten)
ÿotfe ÿott redden
ÿozzije ÿozzit ÿos bezetten (door leger)
ÿozzije ÿozzit regelm. aanspreken (voedsel)
ÿpje U ÿpp ÿpâl stikken (geen lucht krijgen)
yplemere yplemare/regelm. verbinden
yrâje E yrâs aan elkaar klitten
ÿrba'eke U ÿrbaek weggaan, vertrekken
ÿrfla'e ÿrflat ÿrfla- begeleiden
ÿrfóte E ÿrfotiy zich aanpassen
ÿrhendre ÿrhender smachten naar; vurig verlangen
ÿrije ÿrit overgaan in
ÿrmoie ÿrmoit ÿrmót schijnen te zijn
ÿrqubre E ÿrqupp dode bomen/struiken rooien
ÿrtyrâhe ÿrtyrât bijstand verlenen aan; toelichten
ÿstrjôfje ÿstrjôff (fig.) verlenen, schenken
ytterare yterrt teniet doen, verijdelen
ÿumpaje U ÿumpat uitsluitsel geven
yuvre yuff zuiveren, zuiver maken
ÿzjale U pÿzjale optreden
zae U zat schelden
zâgne U zâgg glijden
zalatre U zalatt zinken; bezinken
zalatre zalatt geneigd zijn tot
zerfgre U zerfgret rondkijken
zlÿše zlÿšiy verwennen
znée znét [doen] smelten
zôlumôje U zôlumôt vliegen (vliegtuigen ed.)
zôzje zôss doornemen (kritisch bekijken v. tekst ed.)
zrame zrâg/regelm. bevrijden
zréftje zréft zréft- zich bewust zijn van
zrempje zrempt zremp[j]- blijken [uit]
zusle U zuss één worden; samenvloeien, samenstromen
zvÿcste zvÿcs- voorbereiden


<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 190 | Hoofdstuk 192 >>