Grammatica van het Spokaans
| © Rolandt Tweehuysen | Postbus 3774 | 1001 AN Amsterdam |
|
<< Inhoudsopgave |
Registers >>
<< Hoofdstuk 170 | Hoofdstuk 172 >> 17. Antropologische linguļstiek171. Temporele uitdrukkingen, klokkijken en kleuren
171.??
171.12
//// 171.1 Dit hoofdstuk is onderverdeeld in drie hoofdsecties:
Met uitdrukkingen van tijd worden uitdrukkingen bedoeld die aangeven hoe lang, of wanneer een gebeurtenis plaatsvond. Dergelijke bepalingen kunnen gebaseerd zijn op de chronologische indeling (zoals "verleden jaar in augustus", "morgenochtend") of op substantieven of additieven die een tijdverloop of tijdstip uitdrukken (zoals "lang geleden", "gedurende vele uren", "elke dag". Hieronder valt ook het systeem van "klokkijken". Afdeling C. kleuren is een "toegift" die weinig met tijdsbeleving te maken heeft. Toch vertoont het kleurensysteem een frappante overeenkomst met het tijdssysteem. Beide vertonen een indeling die is gebaseerd op een culturele traditie, en niet op absolute waarden. Het tijdstip waarop de "middag" in de "avond" overgaat, is door cultuur en traditie bepaald. Evenzo is de grens tussen "blauw" en "groen" door subjectieve zaken bepaald. In sommige delen van Spokaniė waar graslanden een dominerend landschapselement zijn vindt men de kleur van gras het meest "echte" groen. In de streek rond Lostō, waar religieuze en nationalistische tendenzen sterk leven, vindt men het groen van de Pegrevische vlag de basisvariant voor "groen". 171.x2 ad § 171.x1 A. Chronologische indeling De chronologische indeling bestaat uit:
a. Namen van uur-indelingen
_ alleen voor de Ergynne-kalender 171.x10 ad § 171.x2 a. Namen van uur-indelingen >>> ZIE VERWIJZING § 31.20 ! Zowel de tijdsaanduiding als de tijdsduur van één uur wordt in het Spokaans volgens onderstaand schema ingedeeld. Elk deel van het uur heet een zurtarr-kanas 'uurdeel' (tussen (..) staan de officiėle afkortingen):
tijdsaanduiding tijdsduur _ voornamelijk als wetenschappelijke notatie. 171.x11 ad § 171.x2 b. Namen van etmaal-indelingen Een etmaal wordt in het Spokaans in 6 kortere periodes ingedeeld, elk een pivā geheten. De begin- en eindtijd van deze pivās zijn slechts globaal aan te geven, omdat zij in de praktijk begrensd worden door het tijdstip waarop mensen op het platteland hun maaltijden gebruiken en naar bed gaan. Hoewel deze tijden in de steden veelal enkele uren later liggen, blijft de pivā-indeling toch gebaseerd op de gebruiken op het platteland. Om wille van de volledigheid zijn in onderstaand schema ook de periodes opgenomen die één of meer pivās bestrijken:
globale tijd begrensd door naam Afgezien van de theoretische begrenzing "middernacht", vormen de andere begrenzingen een duidelijk breekpunt in het dagelijkse ritme van het harde boerenleven. Het "ontbijt" wordt niet als apart breekpunt gezien, maar valt samen met het "opstaan". Nadere uitleg behoeft het breekpunt dat is aangeduid met "dooftijd". Dit tijdstip (ca. 1 uur 's nachts) wordt gezien als het moment waarop het vuur in de keukenhaard is opgebrand. In vele streken in Spokaniė was het vroeger bij strenge winters gebruikelijk dat iemand omstreeks dit tijdstip opstond om het vuur weer op te rakelen: een duidelijk breekpunt in de nachtrust. In het moderne stadsleven zijn de breekpunten als het ware opgeschoven: wat vroeger als "lunch" gold, is nu voor velen "ontbijt", wat vroeger als "bedtijd" gold, is nu dikwijls "avondeten", en de ouderwetse "dooftijd" is voor de meesten tegenwoordig "bedtijd" geworden. 171.x12 ad § 171.x2 c. Namen van de dagen (ZIE VERWIJZING IN VOETNOOT BIJ § 30.32 en § 50.29!!!) De Christelijke kalender bevat (uiteraard) 7 dagen in een week, en wel (tussen (..) staan de officiėle afkortingen). Een weekdag wordt mink-tof (mv. mink-terrats) genoemd:
1 lunatof (lun, lt) 'maandag' 5 fr’tof (fr’, ft) 'vrijdag' De Ergynne-kalender kent 10 dagen in een week, maar deze zijn naamloos en hebben slechts een rangnummer. Daarentegen hebben de weken wel hun eigen naam; zie § 171.xzx. In sommige streken (met name West-Berref) wordt het element tof 'dag' in de namen van de dagen heel letterlijk opgevat: een woord als donatof refereert dan aan de etmaal-indeling "dag" welke de naam "dona" heeft. Het gevolg van deze letterlijke interpretatie is dat samenstellingen als donatof-gurt 'donderdagochtend' of fr’tof-luppor 'vrijdagavond' beschouwd worden als contradicties, even raar als tof-gurt of tof-luppor. In zulke streken worden dan ook termen als donagurt 'donderdagochtend' of fr’luppor 'vrijdagavond' gebruikt, letterlijk "donder-ochtend" en "vrij-avond". Dat zulke idiomatische uitdrukkingen juist in die streken gebruikt worden waar vanwege het katholicisme een soort taboe op de Ergynne-kalender rust, lijkt slechts toeval te zijn. 171.xzx ad § 171.x2 d. Namen van weken De Ergynne-kalender heeft genummerde dagen; een periode van 9 of 10 dagen vormt een week, en de 3 weken die een maand vormen hebben elk hun eigen naam; tussen (..) de officiėle afkortingen:
pjaqurrink (p., pj.) "stijgweek" (1e week van 10 dagen) 171.xzy ad § 171.x2 e. Namen van maanden De Christelijke kalender bevat (uiteraard) 12 maanden in een jaar, en wel (tussen (..) staan de officiėle afkortingen). Een maand wordt hertel 'maand' genoemd, maar in officieel spraakgebruik kunnen we ook zemper-hertel 'jaarmaand' zeggen, om te benadrukken dat het gaat om de onderverdeling van een kalenderjaar:
1 januy (jan, ja) 'januari' 7 jul (jul, jl) 'juli' De Ergynne-kalender bevat 12 maanden in een jaar, elk met 29 of 30 dagen. De eerste dag van een maand valt altijd samen met volle maan. Tussen haakjes de officiėle afkortingen:
1 kōbotel (KŌ) "zonnemaand" 7 pāltel (PĀ) "maand v.d. overvloed" En dan is er nog een schrikkelmaand: 13 lunatel (LU) "maanmaand" Deze wordt, zodra midzomer (21 juni) binnen kōbotel valt, in het jaar ervoor tussen de maanden pāltel en picatel ingelast, zodanig dat midwinter (21 dec) in lunatel valt. ........ 171.xzz ad § 171.x2 f. Namen van seizoenen Een 'seizoen' heet in het Spokaans sezonn. Officieel beginnen de seizoenen op 20 maart (lente), 21 juni (zomer), 22 september (herfst) en 21 december (winter) (of een dag later, afhankelijk van de maanstand), maar op het platteland zijn ook andere indelingen gebruikelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die een boer in een periode moet verrichten. In het oude Spokaniė werden feitelijk maar twee periodes als "seizoen" herkend, de lente en de herfst. Het waren dus de periodes die zich kenmerkten als een verandering (een overgang van winter naar zomer, resp. een overgang van zomer naar winter) waarvoor het Spokaans een naam had. De meer stabiele periodes van zomer en winter werden beschouwd als een "voorbereiding voor de overgangsperiodes", en dat is gereflecteerd in de taal:
mondō 'herfst' lofā 'lente'
In § $$ is uitgelegd dat het prefix ko[r]- uitdrukt dat iets (ter voorbereiding) aan iets anders voorafgaat, vergelijk; fenta ~ kofenta: 'feest' ~ 'voorbereidingen voor een feest', dus ook: lofā ~ kolofā 'lente' ~ "voorbereiding voor de lente/voorafgaand aan de lente (= 'winter')". 171.xss Samenstellingen met namen van chronologische indelingen
>>>deze samenstellingen kunnen toch ook met seconden/minuten/uren?? furt- 'voorgaande' in:
ef furtof '(de) vorige dag' (= furt + tof) pir- 'volgende/komende' in:
ef pirtof 'morgen' (archaļsch/poėtisch)
additieven van klasse III
tofpip '(gedurende) de hele dag'
additieven van klasse I ......
toftiy 'dagelijks, daags, elke dag; doordeweeks, gewoon' >> ook: p’rtiy ??
ponto-- 'begin': >>of zijn deze px'n al elders genoemd??
Tijdsbepalingen met lelmo >> ZIE VERWIJZING IN PAR. 52.6!! Tijdsbepalingen zonder voorzetsel. >> ZIE VERWIJZING IN PAR. 52.12 5.!! 171.xaa Nominale tijdsbepalingen zonder voorz. worden soms abusievelijk opgevat als een object, met als gevolg dat zij vóór het predikaat verschijnen om een definitieve tijd uit te drukken. Vergelijk:
Do pitte pert lelmo tof. ® £ Do lelmo tof pitte pert. Zodra er een echt object aanwezig is, vervalt deze foutieve inversie:
Do trempe ef mimpit lelmo tof. ® Do ef mimpit trempe lelmo tof. ....... 171.xkl1 Klokkijken Evenals het weer, wordt ook de tijd gezien als een "omgevingsvariabele" die taalkundig gezien zonder subject wordt uitgedrukt. Daarom wordt als "dummy-subject" het spoor ef gebruikt: Ef melde fār zurt. 'Het is vier uur.' In § 132.$$ is uitgelegd dat in de spreektaal ef vermeden kan worden door de tijdsbepaling vooraan te plaatsen, als een soort zinskern: £ Fār zurt melde. '(idem)' ...... In het Spokaans wordt de tijd altijd vooruit gerekend vanaf een heel uur: de grootste eenheid ("half"), wordt er het eerst bij opgeteld, vervolgens "kwart", dan "minuut" en tenslotte "seconde". Bijvoorbeeld:
Ef melde fār zurt. 'Het is vier uur.'
Merk op dat het woord zurt voornamelijk toegevoegd wordt bij ronde uren en bij uren + minuten. Zodra de woorden korter of holfe toegevoegd zijn, kan zurt vervallen, en bij nog complexere aanduidingen blijft zurt altijd weg. Verder zien we drie mogelijkheden om de tijdseenheden neven te schikken: volgens het reguliere patroon (i) X, Y ur Z, (ii) volgens het idiomatische patroon X ur Y Z, en (iii) volgens het elliptische patroon X Y Z. ........... In zeer vlotte spreektaal kunnen alle elementen weggelaten worden behalve de telwoorden en de woorden holfe en korter:
Folarra zurt melde? 'Hoe laat is 't?' Een populaire manier om "kwart voor ..." uit te drukken is:
££ Fār dur korters. 'Kwart voor vijf.' Deze frase kan verwarrend zijn vanwege de twee opeenvolgende telwoorden (het tweede telw. is natuurlijk altijd dur), en bovendien wordt er gebruik gemaakt van een meervouds-s, die normaliter ongrammaticaal is achter korter (dit woord heeft geen gemarkeerde meervoudsvorm; § $$). ...... Bekijk:
x. Ef melde heferg zurt. 'Het is zeven uur.' Omdat de vetgedrukte tijdsaanduidingen niet beschouwd worden als nominale elementen, maar veeleer als eigenschappen die het karakter van een additief hebben, wordt in de betekenis "worden" het koppelwerkw. pónze gebruikt, en niet tinkere (zie ook § $$):
Ef pónze ’pf ér ur korter.
Ef loke jazy, ef pónzelira kvā heferg zurt. ....... 171.xkl2 Er kan op twee manieren naar de tijd worden gevraagd:
a. Folarra zurt melde? lett. "Welk uur is [het]?" In § 150.$$ is uitgelegd dat antwoordende zinnen het liefst de focus in de kern hebben. Als er naar de tijd gevraagd wordt, is de focus de eigenlijke tijdsbepaling, en daarom is ligt het voor de hand om deze in het antwoord als kern op te voeren. Op vraag a. kan dan ook antwoord b. verwacht worden; variant c. is als antwoord minder natuurlijk:
a. Folarra zurt melde? 'Hoe laat is het?' Maar hierboven hebben we gezien dat tijdsuitdrukkingen waarin het spoor ef vermeden wordt, aan restricties zijn gebonden. Alleen bij de koppelwerkw.n melde, pónze en tinde is zo'n ef-vermijding acceptabel. Er ontstaat dan een conflict als het antwoord op een tijdsvraag een ander predikaat bevat dan een simpel koppelwerkw., zoals in:
a. Folarra zurt melde? Constructie b. is op zichzelf grammaticaal maar als antwoord minder natuurlijk, omdat de focus āke zurt niet als kern optreedt. Variant c. is zo goed als ongrammaticaal, omdat het predikaat te complex is (zie § 171.x$$). Uit de markeringen "?" en "*?" kan opgemaakt worden dat variant b. toch nog de beste oplossing is. Sprekers die het heel nauw met hun taal nemen, kunnen nog voor een derde variant kiezen:
d. Ef zurt tóte beri melde āke. Hier is zurt een echte zinskern geworden en de constructie verschilt niets van algemeen voorkomende zinnen in de trant van Lerdu tóte beri melde kinur. 'Lerdu schijnt ziek te zijn.'. Variant d. is grammaticaal en pragmatisch geheel correct, maar wordt door sommigen op semantische gronden afgekeurd omdat hier feitelijk niet verteld wordt "hoe laat het is", maar "wat het uur is": er wordt een eigenschap van de entiteit "uur" gegeven (ervan uitgaande dat het telwoord āke hier als een eigenschap-uitdrukkend additief optreedt, en ook dat is twijfelachtig). Het probleem dat er op een bepaalde vraag geen correct antwoord gegeven kan worden, had de vraagsteller reeds kunnen omzeilen door te vragen: Ef kloppa reppatéf?. Nu kan het antwoord zonder problemen als volgt geformuleerd worden:
Āke zurt tóte beri reppelije pai ef kloppa. Dit vraag- en antwoordpaar is grammaticaal volkomen correct, maar klinkt toch wel zo badinerend en omslachtig dat het niet anders dan ironisch opgevat kan worden. .......... Het is opvallend hoeveel dialectische variatie er bestaat bij de tijdsaanduidingen. Een wel heel bijzonder idioom kennen sommige dialecten op Centraal-Liftka. Hier wordt vooruit gekeken naar het hele uur dat nog komen moet. Maar sommige dialecten doen dat pas als er al een half uur verstreken is, terwijl andere dat al vanaf het hele uur doen. het volgende voorbeeld kan dus twee verschillende dingen betekenen, al naar gelang het dialect:
? Ef ove korter āke loiniy fār. De dialecten die betekenis b. gebruiken, drukken de eerste 30 minuten na het hele uur als volgt uit:
? Ef ove korter āke rifonn dur. .... 171.xxx ad § 171.x1 C. Kleuren Kleuren kunnen op twee manieren weergegeven worden: (i) met een add.; (ii) met een prefix. Add.n. en prefixen drukken niet altijd precies dezelfde kleuren uit. Als we het spectrum van rood naar paars volgen, krijgen we globaal de volgende indeling:
additief prefix
plem plema- 'lichtblauw'
rofamindefit 'oranjerood, roodoranje'
kolamesā 'geelgroen'
kolamiterus 'bruingeel geelbruin'
vjārt 'licht(gekleurd)' dur-marāsiy 'driekleurig' (enz.)
’šycu-littit 'vleeskleurig' (marāsiy kan gebruikt worden indien het soort kleur inherent aan het voorwerp is: olijven zijn [altijd] groen, kersen zijn altijd rood)
versterkingen
sn’-blakker 'sneeuwwit' = heel wit
........
marās kleur .... Als twee additieven die een kleur aanduiden met een filāsto verbonden worden, geeft het nieuwe samengestelde additief aan dat beide kleuren aanwezig zijn (geruit, gestreept ed.); er is dus géén sprake van een mengvorm (zie ook § 41.46):
eft mindefit-mesā bof 171.x12 Als een additief dat een kleur aanduidt, geprefigeerd wordt met een kleur-aanduidend prefix, drukt het nieuwe additief een nieuwe mengkleur uit:
eft nydamesā vātja 171.x13 Een kleuraanduidend prefix wordt normaliter alleen aan substantieven gehecht; alleen additieven die eveneeens een kleur aanduiden kunnen een dergelijk substantief vervangen:
ef nydavātja 'het [donker]blauwe vest'
..........
ef kolai pleko 'het gele zand' (ook gezegd van het zand langs de Spokanische ............ Evenmin als andere add.n, kunnen kleuraanduidingen substantivisch gebruikt worden. Hier is toevoeging van een subst.-spoor noodzakelijk In het algemeen kan tiyn gebruikt worden, maar ook semantisch rijkere woorden als marās 'kleur' of verfu 'verf' zijn mogelijk. Vergelijk:
Ef mindefit tiyn kaf ef kul melde terat fér ki.
STOFFELIJK: ef blakker 'de witkalk' (om muren te witten)
Merk op dat alle stoffelijke subst.n de naam van een produkt zijn dat dient om een oppervlakte een bepaalde kleur te geven. In dit betekenisveld is de substantivering van kleurnamen tamelijk produktief.2 Van kleur-add.n kunnen ook subst.n afgeleid zijn. Dit gebeurt meestal met het suffix -er (zie ook § $$):
grist ~ ef grister 'grijs' ~ 'de schimmel (wit paard)' Andere afleidingen:
mindefit ~ ef mindefitos 'rood' ~ a. 'blos (op wangen)' Er bestaat één afleiding van een kleurenprefix: mitra- ~ mitraare 'bruin' ~ 'tanen, gelig worden' ........
Het is niet ongewoon dat de naam van een produkt de basis vormt voor een kleurnaam. Zo komt "oranje" van het Franse orange 'sinaasappel', komt "oker[kleurig]" van de stofnaam oker, en komt "turkoois" van de edelsteennaam turquoise.
roff ~ roffiy (stoffelijk) 'oranje gloed (vuur, ondergaande zon)' ~ 'oranje' ....... Let ook op de namen blotter en blakker. Dit zijn moderne varianten van de Oudspokaanse vormen blot[t] 'blauw' en blak[k]3 'wit'. Dit laatste add. heeft niets te maken met het Engelse black, maar is een leenwoord van het Franse blanc.1 ........... Kleurprefixen worden bij voorkeur gebruikt om een soort aan te geven, heel dikwijls gaat het om planten of dieren, vergelijk:
eft mindabasc 'een roodborstje' (vogel)
eft blakst’k 'een wijting' (vis)
latizjuta 'blauw guichelheil (Anagallis arvensis coerulea)' Maar in vele planten- en dierennamen komt een kleur-add. voor, terwijl het toch duidelijk om een soortnaam gaat, zoals:
eft mindefit-’c 'een Amerikaanse eik (Quercus rubra)' .......
littit-zé-kles 'Engels gras (Armeria maritima)'
Let op de volgorde bij samenstellingen waarin de kleur van een materiaal gegeven wordt: eerst materiaal, dan de kleur, als een scheidb.samst.:
eft marcatā-kolai robō 'een geelbrokaten jurk' Het gebruik van kleurprefixen wordt als dialectisch (Liftka, Br’r) gekenmerkt:
? eft kolamarcatā robō '(idem)' Het gebruik van dergelijke prefixen is natuurlijk wel acceptabel als er niet een kleur maar een soort is bedoeld, vergelijk:
a. eft kolakolini sért 'een geelstenen huis'
NOTEN NOTEN NOTEN
<< Inhoudsopgave | Registers >> << Hoofdstuk 170 | Hoofdstuk 172 >> |