Grammatica van het Spokaans © Rolandt Tweehuysen | Postbus 3774 | 1001 AN Amsterdam

<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 170 | Hoofdstuk 172 >>

17. Antropologische linguļstiek

171. Temporele uitdrukkingen, klokkijken en kleuren


Opbouw van dit hoofdstuk:
  1. Chronologische indeling
  2. Uitdrukkingen van tijd en klokkijken
  3. Kleuren
Blokken:

171.??
zie verwijzing in hfdst. 150

171.12
zie verwijzing in hfdst. 50

////

171.1

Dit hoofdstuk is onderverdeeld in drie hoofdsecties:

  1. Chronologische indeling (vanaf § 171.??)
  2. Uitdrukkingen van tijd en klokkijken (vanaf § 171.??)
  3. Kleuren (vanaf § 171.??)
Met chronologische indeling wordt bedoeld de wijze waarop in het Spokaans (en ook in het dagelijks leven) de klok en de kalender worden onderverdeeld en hoe die delen worden genoemd, zoals "uur", "avond", "etmaal", "zondag", "mei", "eeuw" enzovoort. Er wordt aandacht besteed aan twee kalenders: die van de christelijke tijdrekening (met 7 namen van dagen en 12 namen van maanden), en die van de Ergynne-tijdrekening (met 4 namen van weken en 12 namen van maanden; de dagen zijn genummerd van 1 t/m 10).
Met uitdrukkingen van tijd worden uitdrukkingen bedoeld die aangeven hoe lang, of wanneer een gebeurtenis plaatsvond. Dergelijke bepalingen kunnen gebaseerd zijn op de chronologische indeling (zoals "verleden jaar in augustus", "morgenochtend") of op substantieven of additieven die een tijdverloop of tijdstip uitdrukken (zoals "lang geleden", "gedurende vele uren", "elke dag". Hieronder valt ook het systeem van "klokkijken".
Afdeling C. kleuren is een "toegift" die weinig met tijdsbeleving te maken heeft. Toch vertoont het kleurensysteem een frappante overeenkomst met het tijdssysteem. Beide vertonen een indeling die is gebaseerd op een culturele traditie, en niet op absolute waarden. Het tijdstip waarop de "middag" in de "avond" overgaat, is door cultuur en traditie bepaald. Evenzo is de grens tussen "blauw" en "groen" door subjectieve zaken bepaald. In sommige delen van Spokaniė waar graslanden een dominerend landschapselement zijn vindt men de kleur van gras het meest "echte" groen. In de streek rond Lostō, waar religieuze en nationalistische tendenzen sterk leven, vindt men het groen van de Pegrevische vlag de basisvariant voor "groen".

171.x2   ad § 171.x1   A. Chronologische indeling

De chronologische indeling bestaat uit:

a. Namen van uur-indelingen
b. Namen van etmaal-indelingen
c. Namen van dagen
d. Namen van weken _
e. Namen van maanden *
f. Namen van seizoenen

_ alleen voor de Ergynne-kalender
* zowel voor de Christelijke als voor de Ergynne-kalender

171.x10   ad § 171.x2   a. Namen van uur-indelingen

>>> ZIE VERWIJZING § 31.20 !

Zowel de tijdsaanduiding als de tijdsduur van één uur wordt in het Spokaans volgens onderstaand schema ingedeeld. Elk deel van het uur heet een zurtarr-kanas 'uurdeel' (tussen (..) staan de officiėle afkortingen):

tijdsaanduiding tijdsduur
zurt zurtarr (zrr) 'uur'
holfe zurt holfarr (hrr) 'half uur'
korter kortarr (krr) 'kwart[ier]'
mit mitarr (mrr) 'minuut'
selde seldarr (srr) 'seconde'
- pontarr _ (prr) '1/60 seconde'
- cretarr _ (crr) '1/60 pontarr'

_ voornamelijk als wetenschappelijke notatie.

171.x11   ad § 171.x2   b. Namen van etmaal-indelingen

Een etmaal wordt in het Spokaans in 6 kortere periodes ingedeeld, elk een pivā geheten. De begin- en eindtijd van deze pivās zijn slechts globaal aan te geven, omdat zij in de praktijk begrensd worden door het tijdstip waarop mensen op het platteland hun maaltijden gebruiken en naar bed gaan. Hoewel deze tijden in de steden veelal enkele uren later liggen, blijft de pivā-indeling toch gebaseerd op de gebruiken op het platteland. Om wille van de volledigheid zijn in onderstaand schema ook de periodes opgenomen die één of meer pivās bestrijken:

globale tijd begrensd door naam
0-24 uur middernacht gestriy 'etmaal'
4-22 uur opstaan/bedtijd tof 'dag'
22- 4 uur bedtijd/opstaan k’l '[gehele] nacht'
4-11 uur opstaan/lunch gurt 'ochtend'
11-17 uur lunch/avondeten fittas 'middag'
17-22 uur avondeten/bedtijd luppor 'avond'
22- 1 uur bedtijd/dooftijd miskof 'vóór middernacht'
1- 4 uur dooftijd/opstaan palfū 'na middernacht'

Afgezien van de theoretische begrenzing "middernacht", vormen de andere begrenzingen een duidelijk breekpunt in het dagelijkse ritme van het harde boerenleven. Het "ontbijt" wordt niet als apart breekpunt gezien, maar valt samen met het "opstaan". Nadere uitleg behoeft het breekpunt dat is aangeduid met "dooftijd". Dit tijdstip (ca. 1 uur 's nachts) wordt gezien als het moment waarop het vuur in de keukenhaard is opgebrand. In vele streken in Spokaniė was het vroeger bij strenge winters gebruikelijk dat iemand omstreeks dit tijdstip opstond om het vuur weer op te rakelen: een duidelijk breekpunt in de nachtrust. In het moderne stadsleven zijn de breekpunten als het ware opgeschoven: wat vroeger als "lunch" gold, is nu voor velen "ontbijt", wat vroeger als "bedtijd" gold, is nu dikwijls "avondeten", en de ouderwetse "dooftijd" is voor de meesten tegenwoordig "bedtijd" geworden.

171.x12   ad § 171.x2   c. Namen van de dagen

(ZIE VERWIJZING IN VOETNOOT BIJ § 30.32 en § 50.29!!!)

De Christelijke kalender bevat (uiteraard) 7 dagen in een week, en wel (tussen (..) staan de officiėle afkortingen). Een weekdag wordt mink-tof (mv. mink-terrats) genoemd:

1 lunatof (lun, lt) 'maandag' 5 fr’tof (fr’, ft) 'vrijdag'
2 tūratof (tūr, tt) 'dinsdag' 6 sāmtof (sām, st) 'zaterdag'
3 wetestof (wet, wt) 'woensdag' 7 kōbotof (kōb, kt) 'zondag'
4 donatof (don, dt) 'donderdag'

De Ergynne-kalender kent 10 dagen in een week, maar deze zijn naamloos en hebben slechts een rangnummer. Daarentegen hebben de weken wel hun eigen naam; zie § 171.xzx.

In sommige streken (met name West-Berref) wordt het element tof 'dag' in de namen van de dagen heel letterlijk opgevat: een woord als donatof refereert dan aan de etmaal-indeling "dag" welke de naam "dona" heeft. Het gevolg van deze letterlijke interpretatie is dat samenstellingen als donatof-gurt 'donderdagochtend' of fr’tof-luppor 'vrijdagavond' beschouwd worden als contradicties, even raar als tof-gurt of tof-luppor. In zulke streken worden dan ook termen als donagurt 'donderdagochtend' of fr’luppor 'vrijdagavond' gebruikt, letterlijk "donder-ochtend" en "vrij-avond". Dat zulke idiomatische uitdrukkingen juist in die streken gebruikt worden waar vanwege het katholicisme een soort taboe op de Ergynne-kalender rust, lijkt slechts toeval te zijn.

171.xzx   ad § 171.x2   d. Namen van weken

De Ergynne-kalender heeft genummerde dagen; een periode van 9 of 10 dagen vormt een week, en de 3 weken die een maand vormen hebben elk hun eigen naam; tussen (..) de officiėle afkortingen:

pjaqurrink (p., pj.) "stijgweek" (1e week van 10 dagen)
agrumink (a., ag.) "topweek" (2e week van 9 of 10 dagen)
monentink (m., mo.) "daalweek" (3e week van 10 dagen)

171.xzy   ad § 171.x2   e. Namen van maanden

De Christelijke kalender bevat (uiteraard) 12 maanden in een jaar, en wel (tussen (..) staan de officiėle afkortingen). Een maand wordt hertel 'maand' genoemd, maar in officieel spraakgebruik kunnen we ook zemper-hertel 'jaarmaand' zeggen, om te benadrukken dat het gaat om de onderverdeling van een kalenderjaar:

1 januy (jan, ja) 'januari' 7 jul (jul, jl) 'juli'
2 februy (feb, fb) 'februari' 8 ogust (ogu, og) 'augustus'
3 marše (mar, mš) 'maart' 9 septembry (sep, sp) 'september'
4 aprila (apr, ap) 'april' 10 ōktobry (ōkt, ōk) 'oktober'
5 mai (mai, ma) 'mei' 11 nofembry (nof, nf) 'november'
6 jūn (jūn, jn) 'juni' 12 desembry (des, ds) 'december'

De Ergynne-kalender bevat 12 maanden in een jaar, elk met 29 of 30 dagen. De eerste dag van een maand valt altijd samen met volle maan. Tussen haakjes de officiėle afkortingen:

1 kōbotel (KŌ) "zonnemaand" 7 pāltel (PĀ) "maand v.d. overvloed"
2 k’pontel (KŸ) "droge maand" 8 picatel (PI) "ijsmaand"
3 pazzotel (PZ) "grondmaand" 9 axtel (AX) "hakmaand"
4 mondōtel (MO) "herfstmaand" 10 lofātel (LO) "lentemaand"
5 cosistel (CO) "druivenmaand" 11 knōtel (KN) "knopmaand"
6 missistel (MI) "paddestoelmaand" 12 lekirstel (LE) "groeimaand"

En dan is er nog een schrikkelmaand:

13 lunatel (LU) "maanmaand"

Deze wordt, zodra midzomer (21 juni) binnen kōbotel valt, in het jaar ervoor tussen de maanden pāltel en picatel ingelast, zodanig dat midwinter (21 dec) in lunatel valt.

........

171.xzz   ad § 171.x2   f. Namen van seizoenen

Een 'seizoen' heet in het Spokaans sezonn. Officieel beginnen de seizoenen op 20 maart (lente), 21 juni (zomer), 22 september (herfst) en 21 december (winter) (of een dag later, afhankelijk van de maanstand), maar op het platteland zijn ook andere indelingen gebruikelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die een boer in een periode moet verrichten. In het oude Spokaniė werden feitelijk maar twee periodes als "seizoen" herkend, de lente en de herfst. Het waren dus de periodes die zich kenmerkten als een verandering (een overgang van winter naar zomer, resp. een overgang van zomer naar winter) waarvoor het Spokaans een naam had. De meer stabiele periodes van zomer en winter werden beschouwd als een "voorbereiding voor de overgangsperiodes", en dat is gereflecteerd in de taal:

mondō 'herfst' lofā 'lente'
kormondō 'zomer' kolofā 'winter'

In § $$ is uitgelegd dat het prefix ko[r]- uitdrukt dat iets (ter voorbereiding) aan iets anders voorafgaat, vergelijk; fenta ~ kofenta: 'feest' ~ 'voorbereidingen voor een feest', dus ook: lofā ~ kolofā 'lente' ~ "voorbereiding voor de lente/voorafgaand aan de lente (= 'winter')".
Let ook op de etymologie: lofā is verwant met lofa 'blad (aan boom)', dus de lente kan omschreven worden als "de tijd van de (nieuwe) boomblaadjes"; mondō is afgeleid van het Oudspokaanse werkw. monde 'vallen' (dat dialectisch nog op Lomky voorkomt). De naam mondō refereert dus aan de vallende bladeren. Het element mon bestaat als add. met de betekenis 'lager gelegen (in geografisch opzicht)' en komt ook voor in het werkw. monente '(af)dalen' dat een samenvoeging van mon en vente 'gaan' is, en eigenlijk als 'naar een lager gelegen plek gaan' geļnterpreteerd moet worden. Het werkw. vente 'gaan' is tegenwoordig archaļsch, hiervoor in de plaats wordt de stemhebbende variant vende gebruikt.1

171.xss   Samenstellingen met namen van chronologische indelingen

>>>deze samenstellingen kunnen toch ook met seconden/minuten/uren??
>> zie ook ASCII-hulpbestand ERGTIJ met copieėn uit SN-woordenboek

furt- 'voorgaande' in:

ef furtof '(de) vorige dag' (= furt + tof)
ef furtmink '(de) vorige/afgelopen week'
ef furthertel '(de) vorige/afgelopen maand'
ef furtzemper '(het) vorig/afgelopen jaar'
ef furtp’r '(de) vorige/afgelopen eeuw'

pir- 'volgende/komende' in:

ef pirtof 'morgen' (archaļsch/poėtisch)
ef pirmink '(de) volgende/komende week'
ef pirhertel '(de) volgende/komende maand'
ef pirzemper '(het) volgend/komend jaar'
ef pirp’r '(de) volgende/komende eeuw'

additieven van klasse III
-pip '(gedurende) de hele' in:

tofpip '(gedurende) de hele dag'
terratip '(gedurende) de hele dag' (>> verschil met tofpip ?)
minkpip '(gedurende) de hele week; de hele week door'
hertelpip '(gedurende) de hele maand; de hele maand door'
zemperpip '(gedurende) het hele jaar; het hele jaar'
p’rpip '(gedurende) de gehele eeuw; de hele eeuw door'

additieven van klasse I
terratsot 'dagenlang'
minksot 'wekenlang'
hertelsot 'maandenlang'
zempersot 'jarenlang'
p’rsot 'eeuwenlang'

......

toftiy 'dagelijks, daags, elke dag; doordeweeks, gewoon'
minktiy 'wekelijks, elke week'
herteltiy 'maandelijks, elke maand'
zempertiy 'jaarlijks, elk jaar'

>> ook: p’rtiy ??


naponto-- 'eind':
naponto-1975 'eind 1975'; lelmo naponto-mink 'aan het einde van deze week';
rifo naponto-pyr 18 'uit eind achttiende eeuw'.

ponto-- 'begin':
ponto-1975 'begin 1975'; lelmo ponto-mink 'in het begin van deze week'.

>>of zijn deze px'n al elders genoemd??


171.xxx   ad § 171.x1   B. Uitdrukkingen van tijd

171.x15

Tijdsbepalingen met lelmo

>> ZIE VERWIJZING IN PAR. 52.6!!

171.x17

Tijdsbepalingen zonder voorzetsel.

>> ZIE VERWIJZING IN PAR. 52.12 5.!!

171.xaa

Nominale tijdsbepalingen zonder voorz. worden soms abusievelijk opgevat als een object, met als gevolg dat zij vóór het predikaat verschijnen om een definitieve tijd uit te drukken. Vergelijk:

Do pitte pert lelmo tof. ® £ Do lelmo tof pitte pert.
'Hij fietst veel vandaag.' ® 'Hij heeft vandaag veel gefietst.'
Gress arfine eft lelpiru tim. ® £ Gress eft lelpiru tim arfine.
'Ik kom een andere keer.' ® 'Ik ben een andere keer gekomen.'

Zodra er een echt object aanwezig is, vervalt deze foutieve inversie:

Do trempe ef mimpit lelmo tof. ® Do ef mimpit trempe lelmo tof.
'Hij leest vandaag het boek.' ® 'Hij heeft vandaag het boek gelezen.'

.......

171.xkl1   Klokkijken

Evenals het weer, wordt ook de tijd gezien als een "omgevingsvariabele" die taalkundig gezien zonder subject wordt uitgedrukt. Daarom wordt als "dummy-subject" het spoor ef gebruikt:

Ef melde fār zurt. 'Het is vier uur.'

In § 132.$$ is uitgelegd dat in de spreektaal ef vermeden kan worden door de tijdsbepaling vooraan te plaatsen, als een soort zinskern:

£ Fār zurt melde. '(idem)'

......

In het Spokaans wordt de tijd altijd vooruit gerekend vanaf een heel uur: de grootste eenheid ("half"), wordt er het eerst bij opgeteld, vervolgens "kwart", dan "minuut" en tenslotte "seconde". Bijvoorbeeld:

Ef melde fār zurt. 'Het is vier uur.'
Ef melde fār zurt ur ten [mits]. 'Het is tien over vier.'
Ef melde fār [zurt] ur korter. 'Het is kwart over vier.'
Ef melde fār [zurt], korter ur dur [mits].
'Het is achttien minuten over vier.'
of 'Het is twaalf minuten voor half vijf.'
Ef melde fār, holfe ur sers. 'Het is zes over half vijf.'
Ef melde fār, holfe ur korter. =
= Ef melde fār [ur] holfe korter.
'Het is kwart voor vijf.'
Ef melde fār, holfe, korter ur rāsen. =
= Ef melde fār [ur] holfe korter rāsen.
'Het is twee minuten voor vijf.'
(lett. "vier uur + half + kwartier + dertien")

Merk op dat het woord zurt voornamelijk toegevoegd wordt bij ronde uren en bij uren + minuten. Zodra de woorden korter of holfe toegevoegd zijn, kan zurt vervallen, en bij nog complexere aanduidingen blijft zurt altijd weg. Verder zien we drie mogelijkheden om de tijdseenheden neven te schikken: volgens het reguliere patroon (i) X, Y ur Z, (ii) volgens het idiomatische patroon X ur Y Z, en (iii) volgens het elliptische patroon X Y Z.
Hoe meer elementen de tijdsaanduiding bevat, hoe meer de voorkeur aan het elliptische patroon gegeven wordt.
Merk op dat in de uitdrukking fār ur holfe korter de elementen holfe en korter als nevengeschikt beschouwd moeten worden, en niet zodanig dat holfe een bepaling bij korter is, dus een "half kwartier" (= 71/2 minuut).

...........

In zeer vlotte spreektaal kunnen alle elementen weggelaten worden behalve de telwoorden en de woorden holfe en korter:

Folarra zurt melde? 'Hoe laat is 't?'
Dur holfe āke. 'Acht over half vier.'

Een populaire manier om "kwart voor ..." uit te drukken is:

££ Fār dur korters. 'Kwart voor vijf.'
lett. "vier drie kwartieren"

Deze frase kan verwarrend zijn vanwege de twee opeenvolgende telwoorden (het tweede telw. is natuurlijk altijd dur), en bovendien wordt er gebruik gemaakt van een meervouds-s, die normaliter ongrammaticaal is achter korter (dit woord heeft geen gemarkeerde meervoudsvorm; § $$).

......

Bekijk:

x. Ef melde heferg zurt. 'Het is zeven uur.'
y. Ef melde ér ur korter. 'Het is kwart over één.'
z. Ef melde dur, holfe ur sers.
'Het is zes over half vier.'

Omdat de vetgedrukte tijdsaanduidingen niet beschouwd worden als nominale elementen, maar veeleer als eigenschappen die het karakter van een additief hebben, wordt in de betekenis "worden" het koppelwerkw. pónze gebruikt, en niet tinkere (zie ook § $$):

Ef pónze ’pf ér ur korter.
* Ef tinkere ’pf ér ur korter.
'Het wordt snel kwart over één.'

Ef loke jazy, ef pónzelira kvā heferg zurt.
* Ef loke jazy, ef tinkerelira kvā heferg zurt.
'Het lijkt wel of het nooit zeven uur wordt.'
(kan gezegd worden door iemand die lang zit te wachten tot het zeven uur is)

.......

171.xkl2

Er kan op twee manieren naar de tijd worden gevraagd:

a. Folarra zurt melde? lett. "Welk uur is [het]?"
b. Ef kloppa reppatéf? lett. "Wat zegt de klok?"
'Hoe laat is het?'

In § 150.$$ is uitgelegd dat antwoordende zinnen het liefst de focus in de kern hebben. Als er naar de tijd gevraagd wordt, is de focus de eigenlijke tijdsbepaling, en daarom is ligt het voor de hand om deze in het antwoord als kern op te voeren. Op vraag a. kan dan ook antwoord b. verwacht worden; variant c. is als antwoord minder natuurlijk:

a. Folarra zurt melde? 'Hoe laat is het?'
b. Fār ur holfe [melde]. 'Het is half vijf.'
c. ? Ef melde fār ur holfe.

Maar hierboven hebben we gezien dat tijdsuitdrukkingen waarin het spoor ef vermeden wordt, aan restricties zijn gebonden. Alleen bij de koppelwerkw.n melde, pónze en tinde is zo'n ef-vermijding acceptabel. Er ontstaat dan een conflict als het antwoord op een tijdsvraag een ander predikaat bevat dan een simpel koppelwerkw., zoals in:

a. Folarra zurt melde?
b. ? Ef tóte beri melde āke zurt.
c. *? Āke zurt tóte beri melde.
'Het schijnt acht uur te zijn.'

Constructie b. is op zichzelf grammaticaal maar als antwoord minder natuurlijk, omdat de focus āke zurt niet als kern optreedt. Variant c. is zo goed als ongrammaticaal, omdat het predikaat te complex is (zie § 171.x$$). Uit de markeringen "?" en "*?" kan opgemaakt worden dat variant b. toch nog de beste oplossing is. Sprekers die het heel nauw met hun taal nemen, kunnen nog voor een derde variant kiezen:

d. Ef zurt tóte beri melde āke.
lett. "Het uur schijnt acht te zijn"

Hier is zurt een echte zinskern geworden en de constructie verschilt niets van algemeen voorkomende zinnen in de trant van Lerdu tóte beri melde kinur. 'Lerdu schijnt ziek te zijn.'. Variant d. is grammaticaal en pragmatisch geheel correct, maar wordt door sommigen op semantische gronden afgekeurd omdat hier feitelijk niet verteld wordt "hoe laat het is", maar "wat het uur is": er wordt een eigenschap van de entiteit "uur" gegeven (ervan uitgaande dat het telwoord āke hier als een eigenschap-uitdrukkend additief optreedt, en ook dat is twijfelachtig).

Het probleem dat er op een bepaalde vraag geen correct antwoord gegeven kan worden, had de vraagsteller reeds kunnen omzeilen door te vragen: Ef kloppa reppatéf?. Nu kan het antwoord zonder problemen als volgt geformuleerd worden:

Āke zurt tóte beri reppelije pai ef kloppa.
lett. "acht uur wordt er door de klok gezegd"

Dit vraag- en antwoordpaar is grammaticaal volkomen correct, maar klinkt toch wel zo badinerend en omslachtig dat het niet anders dan ironisch opgevat kan worden.

..........

Het is opvallend hoeveel dialectische variatie er bestaat bij de tijdsaanduidingen. Een wel heel bijzonder idioom kennen sommige dialecten op Centraal-Liftka. Hier wordt vooruit gekeken naar het hele uur dat nog komen moet. Maar sommige dialecten doen dat pas als er al een half uur verstreken is, terwijl andere dat al vanaf het hele uur doen. het volgende voorbeeld kan dus twee verschillende dingen betekenen, al naar gelang het dialect:

? Ef šove korter āke loiniy fār.
a. 'Het is 23 minuten over drie.'
lett. "het toont [een] kwartier en acht [minuten] in de richting van vier
[uur] {gerekend vanaf 3 uur}"
b. 'Het is 7 minuten voor vier.'
lett. "het toont [een] kwartier en acht [minuten] in de richting van vier
[uur] {gerekend vanaf half 4}"

De dialecten die betekenis b. gebruiken, drukken de eerste 30 minuten na het hele uur als volgt uit:

? Ef šove korter āke rifonn dur.
'Het is 23 minuten over drie.'
lett. "het toont [een] kwartier en acht [minuten] vanaf drie [uur]"

....

171.xxx   ad § 171.x1   C. Kleuren

Kleuren kunnen op twee manieren weergegeven worden: (i) met een add.; (ii) met een prefix. Add.n. en prefixen drukken niet altijd precies dezelfde kleuren uit. Als we het spectrum van rood naar paars volgen, krijgen we globaal de volgende indeling:

additief prefix
mindefit minda- 'rood'
roffiy rofa- 'oranje'
kolai kola- 'geel'
mesā lati- 'groen'
nydamesā lati- 'blauwgroen'
blotter lati- 'blauw'
partan - 'lila, violet'
bār’r bāra- 'paars'

plem plema- 'lichtblauw'
- zvelle- 'lichtgroen'
- qundy- 'donkergroen' (archaļsch, poėtisch)
- kursuus-qundy- 'donkerrood' (archaļsch, poėtisch)
miterus mitra- 'bruin'
o'icrā mitra- 'oker, donkergeel'
blakker blak- 'wit'
doffiy doa- 'zwart'
- nyda- 'donkerblauw, blauwzwart'
littit - 'roze, lichtrood'
grist - 'grijs'
bilys - 'rossig' (bruinachtig)
roša - 'rossig' (roodachtig)
aljāgōtso - 'crčme'
beše 'beige'
zefblotter - 'donkerblauw, diepblauw'
vlybās - 'turkoois'


samenstellingen voor tussenkleuren
Principe: prefix geeft kleur aan die rechts ligt van het additief (van rood naar paars), tenzij het prefix een te groot bereik heeft (zoals lati-):

rofamindefit 'oranjerood, roodoranje'
bārablotter 'blauwpaars, paarsblauw'

kolamesā 'geelgroen'
? latikolai 'groengeel??'

kolamiterus 'bruingeel geelbruin'
? mitrakolai 'bruingeel??' (mitra- heeft te groot bereik)


soort kleur

vjārt 'licht(gekleurd)'
zutter 'donker(gekleurd)'
ligt 'licht(gekleurd)'
trótiy 'effen'
féra 'fel'
gr’ 'grauw'
marāsiy 'gekleurd (met één hoofdkleur)'
marāsót 'kleurig (vol kleuren)'
pertmarāsiy = pert-marāsiy 'bont (met veel kleuren)'
pluquah 'bont (veelkleurig)'

dur-marāsiy 'driekleurig' (enz.)


Kleuren kunnen verder altijd omschreven worden met vergelijkingen: (i) voorwerp+"-kleurig" of (ii) voorwerp+kleurnaam:

’šycu-littit 'vleeskleurig'
korojeler’ 'koraalkleurig'
horerus 'oker, donkergeel (zoals van verkeersborden)'
jāstep-marāsiy 'mosterdgeel, mosterdkleurig'
šifer-marāsiy 'zilverkleurig'
jōl-marāsiy 'goudkleurig'
oljyvo-mesā = oljyvo-marāsiy 'olijfkleurig, olijfgroen'
huldu-mindefit = huldu-marāsiy 'kersenrood'
skés-miterus = skés-marāsiy 'poepbruin'

(marāsiy kan gebruikt worden indien het soort kleur inherent aan het voorwerp is: olijven zijn [altijd] groen, kersen zijn altijd rood)

versterkingen
Deze samst.n geven niet [meer] een bepaald doort kleur aan, maar alleen een intensiteit van de kleur:

sn’-blakker 'sneeuwwit' = heel wit
kursuus-mindefit 'bloedrood' = felrood
avyro-blotter 'hemelsblauw' = helder blauw
zān-miterus "stambruin" (mooi diepbruin)
lofa-mesā = rāx-mesā (poėtisch) 'bladgroen' (helder/fris groen)

........
etymologie:

marās kleur
mindār’r spectrum !!!
........

....

Als twee additieven die een kleur aanduiden met een filāsto verbonden worden, geeft het nieuwe samengestelde additief aan dat beide kleuren aanwezig zijn (geruit, gestreept ed.); er is dus géén sprake van een mengvorm (zie ook § 41.46):

eft mindefit-mesā bof
'een rood-groene broek' (= met rode en groene strepen/ruiten)
Svedenex ef kolai-blotter flā 'de geel-blauwe vlag van Zweden'
eft blotter-mesā prexāsót vātja
'een blauw-groen gestreept vest' (met blauwe en groene strepen)

171.x12

Als een additief dat een kleur aanduidt, geprefigeerd wordt met een kleur-aanduidend prefix, drukt het nieuwe additief een nieuwe mengkleur uit:

eft nydamesā vātja
'een blauwgroen vest' (van een kleur tussen blauw en groen in)
ef rofamindefit oto 'de oranjerode auto'

171.x13

Een kleuraanduidend prefix wordt normaliter alleen aan substantieven gehecht; alleen additieven die eveneeens een kleur aanduiden kunnen een dergelijk substantief vervangen:

ef nydavātja 'het [donker]blauwe vest'
ef rofaoto 'de oranje auto'
ef latisn’ 'de groene sneeuw'

..........


Bij sommige subst.n hoort een idiomatische kleur, waarvan algemeen bekend is wat die kleur precies is, maar de feitelijke omschrijving is niet juist. Zoals:

ef kolai pleko 'het gele zand' (ook gezegd van het zand langs de Spokanische
kusten dat duidelijk wit is)
ef blotter knurfel 'het blauwe water' (bedoeld wordt: het heldere water, bij
zonsondergang kan het er ook oranje uitzien)
ef doffiy kursuus (archaļsch/poėtisch) 'het donkerrode bloed' (zoals dat uit een
wond op het slagveld stroomt)
ef grist skāt-canazā 'het grijze graniet' (bedoeld wordt: grauw, niet mooi van
kleur)

............

Evenmin als andere add.n, kunnen kleuraanduidingen substantivisch gebruikt worden. Hier is toevoeging van een subst.-spoor noodzakelijk In het algemeen kan tiyn gebruikt worden, maar ook semantisch rijkere woorden als marās 'kleur' of verfu 'verf' zijn mogelijk. Vergelijk:

Ef mindefit tiyn kaf ef kul melde terat fér ki.
'Het rood van de schuur is erg fel.'
Gress nās-verfutavy ef kolamesā w’ja.
'Ik wil het geelgroen overschilderen.'
(lett. "de geelgroene laag")


In een aantal idiomatische gevallen heeft een kleurnaam het karakter van een echt subst. gekregen, zoals:

STOFFELIJK: ef blakker 'de witkalk' (om muren te witten)
ef blotter 'de blauwe verf' (hier: grijsblauwe verf, in vele streken
gebruikt om kozijnen en buitendeuren te schilderen)
ef doffiy a. 'het zwartsel' (poeder om kachels en fornuizen zwart te
poetsen)
b. 'zwarte schoensmeer'
ef miterus 'bruine schoensmeer'
CONCREET: ef blakker 'de blanke (man/vrouw)'
ef grist1 'de schimmel (wit paard)'

Merk op dat alle stoffelijke subst.n de naam van een produkt zijn dat dient om een oppervlakte een bepaalde kleur te geven. In dit betekenisveld is de substantivering van kleurnamen tamelijk produktief.2
..........

Van kleur-add.n kunnen ook subst.n afgeleid zijn. Dit gebeurt meestal met het suffix -er (zie ook § $$):

grist ~ ef grister 'grijs' ~ 'de schimmel (wit paard)'
mesā ~ ef mesāer 'groen' ~ a. 'de groenling (vogel: Carduelis chloris)'
b. 'het groentje (vlinder: Callophrys rubi)'
aljāgōtso ~ ef aljāgōtser 'crčmekleurig' ~ 'de ivoorboleet (Suillus placidus)'

Andere afleidingen:

mindefit ~ ef mindefitos 'rood' ~ a. 'blos (op wangen)'
b. 'menie (rode/oranje verf)'
roša ~ ef rošes 'rossig' ~ 'de kopvoorn (vis: Leuciscus cephalus)'
mesā ~ ef mesādul3 'groen' ~ 'de altijd groene boom'
~ mesāmesā4 ~ 'klein wintergroen (Pyrola minor)'
doffiy ~ ef doffiybā1 'zwart' ~ 'de zwarte bes'
~ ef doffār ~ 'de braam[bes]'

Er bestaat één afleiding van een kleurenprefix:

mitra- ~ mitraare 'bruin' ~ 'tanen, gelig worden'

........

Het is niet ongewoon dat de naam van een produkt de basis vormt voor een kleurnaam. Zo komt "oranje" van het Franse orange 'sinaasappel', komt "oker[kleurig]" van de stofnaam oker, en komt "turkoois" van de edelsteennaam turquoise.
In het Spokaans zijn de volgende kleurnamen afgeleid van een ouder subst.:

roff ~ roffiy (stoffelijk) 'oranje gloed (vuur, ondergaande zon)' ~ 'oranje'
aljā-gōts ~ aljāgōtso 'aljā-steek'2 ~ 'crčmekleurig' (de kleur van zulke steken)

.......

Let ook op de namen blotter en blakker. Dit zijn moderne varianten van de Oudspokaanse vormen †blot[t] 'blauw' en †blak[k]3 'wit'. Dit laatste add. heeft niets te maken met het Engelse black, maar is een leenwoord van het Franse blanc.1

...........

Kleurprefixen worden bij voorkeur gebruikt om een soort aan te geven, heel dikwijls gaat het om planten of dieren, vergelijk:

eft mindabasc 'een roodborstje' (vogel)
eft mindefit basc 'een rode borst'

eft blakst’k 'een wijting' (vis)
eft blakker st’k 'een witte baars'

latizjuta 'blauw guichelheil (Anagallis arvensis coerulea)'
blotter zjuta 'gewoon guichelheil met een blauwe kleur (Anagallis)'

Maar in vele planten- en dierennamen komt een kleur-add. voor, terwijl het toch duidelijk om een soortnaam gaat, zoals:

eft mindefit-’c 'een Amerikaanse eik (Quercus rubra)'
(niet * minda’c)
ef blakker-ojel 'de kerkuil (Tyto alba)'
(niet * blakojel)
vgl. ef blakker ojel 'de witte uil'

.......


Als een kleurprefix ontbreekt, is een add. natuurlijk de enige mogelijkheid. Er blijft echter een onderscheid tussen een samst. en een losse combinatie, zoals in:

littit-zé-kles 'Engels gras (Armeria maritima)'
littit zé-kles 'roze zeegras'


...........

Let op de volgorde bij samenstellingen waarin de kleur van een materiaal gegeven wordt: eerst materiaal, dan de kleur, als een scheidb.samst.:

eft marcatā-kolai robō 'een geelbrokaten jurk'
eft plastic-blakker amār 'een witte plastic emmer'
ef katona-mesā ur ōc-mindefit k’ponfāstōe
'de groene en rode katoenen handdoeken'

Het gebruik van kleurprefixen wordt als dialectisch (Liftka, Br’r) gekenmerkt:

? eft kolamarcatā robō '(idem)'
? eft blakplastic amār '(idem)'

Het gebruik van dergelijke prefixen is natuurlijk wel acceptabel als er niet een kleur maar een soort is bedoeld, vergelijk:

a. eft kolakolini sért 'een geelstenen huis'
(= een huis gebouwd van een bepaald soort gele baksteen)
b. eft kolini-kolai sért 'een geel stenen huis'
(= een huis gebouwd van welke gele steensoort dan ook)1


................

NOTEN NOTEN NOTEN

      Noot 1 [1]Het element mon (varianten monne/moene) is ook terug te vinden in geografische namen als Ajaf-Hercō-Monet, Akarmonne, Famon, Monanee, Mone, Moniā, Moninaa, Mon-Kulā (boerderij bij Šebantiy), Monny, Monomasiy, Mont (?), Montrō en Ralmoene.
Gek genoeg komt het antoniem sat (varianten šat/sta/stā) 'hoger gelegen' zelden voor, behalve als eindelement met de nominale betekenis 'hoger gelegen plaats'. Bijvoorbeeld: Alperstaniy, Amestā, Arestaliy (?), Finistā, Hāpyjasta, Husta (?), Keldusta-klemk, Knurfelsta, Lurgiystā, Oliystā, Šatoliy, Solōsta, Staef, Trobensta, Wusta, Xolestajo.
Men zou verwachten dat mon en sat (en hun varianten) dikwijls zij aan zij voorkomen in naburige plaaten, of concreet, dat er bij Staef ook een plaats Monef ligt, dat er bij Alperstaniy ook een Alpermon[n]iy te vinden is. Dit is zelden het geval. Een duidelijk voorbeeld vormen echter de twee boerderijen Mon-Kulā en Sat-Kulā (bij Šebantiy).

      Noot 1 [2]Meer algemeen is de afleiding ef grister 'de schimmel', zie § 171.x$$.

      Noot 1 [3]De produktiviteit wordt goed geļllustreerd in de namen van schoensmeer. In navolging van de "zwarte" en "bruine schoensmeer" is ook een term als ef mindefit 'de rode schoensmeer' heel goed mogelijk.

      Noot 1 [4]-dul is de gereduceerde vorm van vildul 'boom', een tamelijk produktief suffix.

      Noot 1 [5]Mesāmesā is feitelijk geen afleiding maar een reduplicatie. Zie § $$.

      Noot 1 [6]- is de gereduceerde vorm van labā 'bes'; deze vorm is improduktief.

      Noot 1 [7]Dit is een steek (hoofddeksel) van een aljā = landvoogd (historische: persoon die namens de koning een district bestuurt).

      Noot 1 [8]Het woord blakk komt in modern Spokaans nog voor in de betekenis van 'spatie'. Ook dit is dus een voorbeeld van een kleur-add. dat een substantivische betekenis heeft gekregen.

      Noot 1 [9]In het Spokaans valt de n wel vaker weg voor de k. Zie ook § AT.55.

      Noot 1 [10]Vergelijk ook nog: eft kolai, kolini sért 'een geel, stenen huis'; hier staan twee kwalificatie bij "huis": zijn kleur is geel, en zijn materiaal is steen.


<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 170 | Hoofdstuk 172 >>