<< Inhoudsopgave |
Registers >>
<< Hoofdstuk 160 |
Hoofdstuk 162 >>
16. Idioom
161. Ideoantoniemen
Opbouw van dit hoofdstuk:
- ...
- ...
Blokken:
|
161.1
De term "ideoantoniem" betekent "antoniem in zichzelf". Het zijn subst.n, add.n of werkw.n die twee tegengestelde betekenissen tegelijk dragen, die worden de pluspool en de minpool genoemd. Afhankelijk van de context kan een ideoantoniem ook refereren aan het betekenisveld dat tussen deze polen ligt. Zo heeft bôlf de pluspool 'groot' en de minpool 'klein', maar ook betekenissen als 'meer groot dan klein', 'tamelijk groot', 'noch groot noch klein' ed. zijn mogelijk.
Het ideoant.werkw. xâmée heeft als pluspool 'stijgen' en als minpool 'dalen', maar eventueel zijn alle varianten van 'zeer langzaam stijgen' via 'zich horizontaal bewegen' naar 'loodrecht dalen' te interpreteren.
Per definitie wordt altijd eerst de pluspool en dan de minpool genoemd, gescheiden door (; dus: xâmée 'stijgen ( dalen'.
161.x2
Er bestaan verschillende strategieën om hetzij de pluspool, hetzij de minpool expliciet uit te drukken:
1. gebruik van de resultatief.....
2. toevoeging van een synoniem....
3. ...
4. geïdiomatiseerde oplossing: dikwijls voor het eerst gebruikt als poëtische of prozaïsche oplossing, en later ook in de algemene taal ingeburgerd..... Veel van deze geïdiomatiseerde oplossingen stammen uit de Spokanische religieuze en sageliteratuur, zoals:
ef missna zempers lef hûšat Koronalista ur ef ôcs lef idem Pjânts
de vette/magere jaren ...
'De vette en magere jaren'
Dit gezegde is een zinspeling op de bijbel (Gen. 41:18-19) maar er wordt gebruik gemaakt van Ergynne-goden!
161.x3
fesmanne kaf 'te danken zijn aan ( te wijten zijn aan'
In principe komt dit ideoant. overeen met het neutrale 'toe te schrijven zijn aan'. Maar het ideoantonimische karakter komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in een vraag als:
Aftel ef moplariy fesmanne kaf ef nerisinaâriy?
Dit betekent niet: * 'Is het ongeluk toe te schrijven aan onvoorzichtigheid?' (met als antwoord "ja" of "nee"), maar:
'Is dit ongeluk te danken aan onvoorzichtigheid of te wijten aan onvoorzichtigheid?'
met als antwoord "te danken", "te wijten", "meer te danken dan te wijten", "geen van beide", enz (het hele gebied tussen de beide polen).
161.x4
Ongespecificeerde ideoantoniemen in een vraagzin vormen dus niet een ja/nee-vraag, maar een "wat/hoe"-vraag. Er wordt een specificatie als antwoord verwacht.
Vergelijk ook:
Aftel ef 'jan melde bôlf? 'Hoe groot/klein is de jongen?'
antwoord: Ef 'jan melde hupster. = Ef 'jan melde graviy bôlf.
of Ef 'jan melde belt. = Ef 'jan melde plariy bôlf.
of Ef 'jan melde presÿr., enz.
Ongespecificeerde ideoantoniemen in een declaratieve zin geven in feite een semantische contradictie aan, want de pluspool en de minpool worden gelijktijdig toegekend: Petriy melde bôlf betekent zowel 'Petriy is groot' als 'Petriy is klein'. Daarom wordt zo'n declaratieve zin als een negatie geïnterpreteerd: 'Petriy is noch groot noch klein'. Ook: Do terfyre ef storâs 'Hij ontkent noch bevestigt het verhaal'.
161.x5
De volgende ideoantoniemen bestaan er:
>>> MOET DIT NIET IN EEN SPECIAAL APPENDIX??
Obtrans. werkwoorden
afe 'meenemen ( achterlaten'
calije 'een goede ( slechte dunk hebben van'
fesmanne kaf 'danken aan ( wijten aan'
jalfuve 'verdrieten ( verblijden'
kette 'geven ( krijgen'
lântate 'bevoordelen ( benadelen'
lôhetje 'onderschatten ( overschatten'
mômiye 'verontrusten ( geruststellen'
nolare 'krijgen ( verliezen'
terfyre 'bevestigen ( ontkennen'
tirae 'bewonderen ( verafschuwen'
tmope 'versnellen ( vertragen'
ÿrmanne 'nakomen ( verzaken'
zjo{d}e 'vatbaar, gevoelig ( onvatbaar, immuun zijn voor'
Intrans. werkwoorden
lânte 'voordelig ( nadelig, onvoordelig zijn'
lomeše 'wel ( geen moeilijkheden veroorzaken'
préše 'weifelen ( doortastend zijn'
prôpene 'bevoegd ( onbevoegd zijn'
xâmée 'stijgen ( dalen'
Semtrans. werkwoorden
eone 'vertrekken ( komen'
Concr. substantieven
eûrts 'iets zeer aangenaams ( vervelends'
loa 'goede ( slechte bui'
lomess 'moeilijkheid ( makkelijkheid, soepel verloop'
mifâ 'wel ( niet woede'
pyrf 'geoorloofdheid ( verbod'
rénâ 'goed ( slecht mens'
stâek 'het mislukken ( het welslagen'
tmopos 'versnelling ( vertraging'
to'eff 'het warm ( koud worden'
vloda 'spoed ( traagheid'
wiyrk 'uitzetting ( inkrimping'
xâméos 'stijging, het stijgen ( daling, het dalen'
Semconcr. substantieven
jalfuf 'verdriet ( blijdschap'
monslâ 'afgunst ( bewondering'
Abstr. substantieven
hytâciy 'juistheid ( onjuistheid'
lânt (alleen in:) lef lânt tukst
mófiy 'gezondheid ( ziekte'
mômiyos 'geruststelling ( verontrusting'
terfyros 'bevestiging ( ontkenning'
Additieven I
bôlf 'groot ( klein'
chûcÿrt 'te heet ( te koud [om te eten/drinken/pakken];...'
côrg 'verweg ( dichtbij'
dist 'goedaardig ( kwaadaardig'
drakiy 'zwaar ( ligt'
{d}yss 'jong ( oud'
gaiy 'gauw, vlug, snel ( langzaam, over een tijdje'
gremuh 'uitvoerbaar ( onuitvoerbaar'
herpsa 'arm ( rijk'
hops 'nieuw ( oud'
hytâc 'juist ( onjuist'
kona{d}e 'rechtvaardig ( onrechtvaardig'
kviddiy 'log, plomp ( rank, slank'
kynne 'eenzaam, afgelegen, onbereikbaar ( goed bereikbaar'
lânt 'ontbrekend ( aanwezig'
merrat 'diep ( ondiep'
missna 'mager ( vet'
molef 'uitgebreid ( beknopt, niet uitgebreid'
nériy 'droog ( nat'
néso 'licht ( donker'
njata 'schuldig ( onschuldig'
perann 'mals ( taai'
pitlo 'rijp ( onrijp'
pjerg 'los ( vast'
pot (arch) 'lang ( kort'
prôpen 'bevoegd ( onbevoegd'
prósa 'handelbaar ( onhandelbaar'
prósiy 'lankmoedig ( ongeduldig'
pyrf 'geoorloofd ( verboden'
qumtiy 'moe ( uitgerust'
régip 'mak, tam ( wild'
rittah 'snel ( langzaam'
séqurt 'eerlijk ( oneerlijk'
tjest 'vervallen ( in goede staat'
tmopiy 'snel ( langzaam'
tôspiy 'partijdig ( onpartijdig'
ulliy 'dik ( dun'
uzer 'lang ( kort'
ÿzja 'hoog ( laag'
zjentiy 'genoeg, voldoende ( niet genoeg, onvoldoende'
idioom
afe {K} 'meenemen ( achterlaten'
ef afe rast 'iemand meenemen'
ef afe raste 'iemand achterlaten' (lett./fig.)
Gress afe sener frint. 'Ik neem mijn vriend mee.'
Gress afe sener frinte.
'Ik laat mijn vriend achter; Ik neem mijn vriend niet mee.'
Ef poirdÿf merater afe eft tubôss ur sers efantyses.
'De overleden man laat een vrouw en zes kinderen achter.'
calije {K} 'een goede ( slechte dunk hebben van'
Gress calije do ort ef painos. 'Ik heb een goede/hoge dunk van hem.'
Gress calije do ûqu ef painos. = Gress calije do lo tnefer.
'Ik heb een slechte/lage dunk van hem.'
fesmanne kaf {K} 'danken aan ( wijten aan'
Gress fesmanne dena diplomm quista kaf sener gisa.
'Ik heb dit diploma aan mijn ijver te danken.'
Do fesmanne dena moplariy tildâ kaf sener nerisinariy.
'Hij heeft dat ongeluk aan zijn onvoorzichtigheid te wijten.'
Ef moplariy frart fesmanne kaf ef zâgnesen lef šâftros.
'Het ongeluk is aan de gladheid te wijten.'
jalfuve {K} 'verdrieten ( verblijden'
ef jalfuve lef ef griyt-blerr 'verdrieten'
ef jalfuve lef eft kir zûps 'verblijden'
kette {K} 'geven ( krijgen'
Gress kette eft pamel [ón Elsa]. 'Ik geef een cadeautje [aan Elsa].'
Gress kette eft pamel rifonn Elsa. 'Ik krijg een cadeautje van Elsa.'
(alleen in combinatie met het voorz. rifonn wordt kette geïnterpreteerd als
'krijgen')
ef kette eft ufire-kornin/diplomm 'een rijbewijs/diploma behalen'
Dena lâftos kette elmil/pres. 'Er staat spanning/druk op die leiding.'
ef kette flaju lo értef (fig.) 'iets vooropstellen; prioriteit geven aan iets'
ef kette flaju fes hents rifo rast 'iemand iets verschaffen'
ef kette joiy ón gress 'dat doet me genoegen'
ef kette ef kalómba 'aandacht krijgen'
ef kette eft linnos ón rast 'iemand een vraag stellen'
ef kette eft moris 'een idee opperen'
ef kette ef plyt 'aanleggen, [af]meren' (v. kleiner schip aan steiger/kade)
ef kette ef rajiytos ón flaju/rast 'zijn hoop vestigen op iets/iemand'
ef kette eft šotiy 'een schot lossen'
ef kette eft truch ón rast 'een bezoek brengen/afleggen aan iemand'
ef kette ef xâros rifo flaju/rast 'begrip [kunnen] opbrengen voor iets/iemand'
20 liters sena kette fes dena amâr. 'Er gaat 20 liter in die emmer.'
lântate {K} 'bevoordelen ( benadelen'
ef lântate mikar 'bevoordelen'
ef lântate nerikar 'benadelen'
Do lântate gress lef šâft. 'Hij benadeelt me.'
lôhetje {K} 'onderschatten ( overschatten'
ef lôhetje lo elx 'onderschatten'
ef lôhetje lo dres-cijazut 'overschatten'
Do lôhetje beritel sener ÿrgefû{d}ôsta. 'Hij onderschat zijn capaciteiten.'
Do lôhetje bertert sener tiffosz. 'Hij overschat zijn kennis.'
mômiye {K} 'verontrusten ( geruststellen'
Do mômiye gress luft Pelres. 'Hij stelt me gerust.'
Ef mômiye eup lo eft quistacar. 'Het stelt haar gerust.'
Ef idemômiye gress. 'Het verontrust me.'
Ef wÿsÿr mômiye kirro lo quenniy. 'De oorlog verontrust ons.'
nolare {K} 'krijgen ( verliezen'
ef nolare [quista] flaju 'iets krijgen'
ef nolare flajue (rs!) 'iets verliezen'
Gress sener ÿršarr nolare. 'Ik heb mijn hoed verloren.'
Gress nolare [quista] eft kleter ÿršar. 'Ik krijg een nieuwe hoed.'
(nolare drukt slechts uit dat iemand in het bezit raakt van iets, dan wel iets kwijt-
raakt; hoe hij iets kwijtraakt of van wie hij iets krijgt, blijft onuitgedrukt)
terfyre {K} 'bevestigen ( ontkennen'
ef terfyre lef siy 'bevestigen'
ef terfyre lef noft 'ontkennen'
... terfyre té ef poiros zÿtâ iftam co{d}aros lóf pÿr-tiyn.
'... die het leven voor de eeuwigheid zal bevestigen.' (uit Ergemip, hfdst 2)
Gress terfyre sener ÿpainos lef ef hûšat/{d}ÿm ef noimeldos.
'Ik bevestig dat ik het gedaan heb.'
Gress terfyre sener ÿpainos {d}ÿm ef hûšat/lef ef noimeldos.
'Ik ontken dat ik het gedaan heb.'
tirae {K} 'bewonderen ( verafschuwen'
ef tirae tjâg ef cubu = ef lo ÿdrent 'bewonderen'
ef tirae lo gôrôgentiy 'verafschuwen'
tmope {K} 'versnellen ( vertragen'
ef tmope flaju lo tradam 'iets versnellen'
ef tmope flaju lo prôât 'iets vertragen'
ÿrmanne {K} 'nakomen ( verzaken (plicht ed.)'
Do ÿrmanne sener duet ort ef. 'Hij komt zijn plicht na.'
Do ÿrmanne sener duet ûqu ef. 'Hij verzaakt zijn plicht.'
zjo{d}e {K} 'vatbaar/gevoelig zijn voor ( onvatbaar/ongevoelig/immuun
zijn voor'
Do zjo{d}e sest remarcôsta lo châfâ.
'Hij is gevoelig voor dergelijke opmerkingen.'
Do zjo{d}e ef dakrosz lef eft [utô] zjeros.
'Hij is ongevoelig voor beledigingen; hij heeft een olifantshuid.'
Gress zjo{d}e tûst lef ef lett. 'ik ben [over]gevoelig voor stof.'
Gress zjo{d}e ef nodâs tygtja ef lomess.
'Ik ben ongevoelig/immuun voor muggen.'
Ef tijâtnesstos zjo{d}e-kiyroe ef polio fes helten.
'De inenting maakt ons onvatbaar voor polio.'
lânte {U} 'voordelig zijn ( nadelig/onvoordelig zijn'
Ef lorerdos râgtago beri lânte lo mikar. 'De aankoop bleek voordelig te zijn.'
Ef lorerdos lânto lo nerikar. 'De aankoop was nadelig/onvoordelig.'
Dena iyicel lânte fes ef offertos. 'Deze verpakking is voordelig.'
Dena iyicel lânte tildâ. 'Deze verpakking is onvoordelig.'
lomeše {U} 'wel ( geen moeilijkheden veroorzaken'
Ef tiffugbâl-hajemjerers lomeše graviym.
'De voetbalsupporters veroorzaken moeilijkheden.'
Do di lomešu plariy. 'Hij zal geen moeilijkheden veroorzaken/maken.'
Ef dÿfielira gekkers lomeše pert tildâ tiyns fes ef kolestiy.
'De stakende leraren zorgen voor veel moeilijkheden/ongemak bij het onderwijs.'
préše {U} 'weifelen ( doortastend zijn'
ef préše lef festrekkor pâsz 'weifelen'
blul préšelije kiyroe 'wij weifelen'
ef préše lef tmopor pâsz 'doortastend zijn'
Eup préše fatô{d}iy. 'Zij is doortastend.'
prôpene {U} 'bevoegd zijn ( onbevoegd zijn'
ef prôpene quâf 'bevoegd zijn'
ef prôpene ÿrts 'onbevoegd zijn'
xâmée {U} 'stijgen ( dalen'
ef xâmée preip '[op]stijgen'
ef xâmée tûgt = idexâmée '[neer]dalen'
Ef plano xâmée ef zetentos. 'Het vliegtuig stijgt op.'
Ef plano xâmée ef bôtmo. 'Het vliegtuig daalt.'
eone {E} 'vertrekken ( komen'
Tu eonât hennâ. 'Je moet gaan.'
Gress nert eone hân. 'Ik kom niet.'
Do eone ef col. 'Hij vertrekt.'
Eup eone lef upk mas. 'Zij komt morgen.'
ef eonelira gâsz furt tijâ 'de vertrekkende gasten'
eûrts {C} 'iets zeer aangenaams ( vervelends'
Dena tâx-blaffos melde eft tildâ eûrts.
'Deze belastingaanslag is erg vervelend.'
Quista eûrtsz noi eksistere {d}ÿm tildâ ôcs.
'Aangename dingen bestaan niet zonder onaangename.'
loa {C} 'goede ( slechte bui'
Do lelperre eft loa rifo Pelres. 'Hij heeft een goede bui/is in een goed humeur.'
Do lelperre eft loa lÿ ef hely. 'Hij heeft een slechte bui/is slecht gehumeurd.'
Stus unerecû kvâ belt loa.
'Je kan er nooit achter komen of ze een goede of slechte bui heeft; Je kan nooit
aan haar zien in wat voor humeur ze is.'
eft kôbo-loa 'een stralend humeur'
eft tómare-loa 'een slechte bui'
lomess {C} 'moeilijkheid ( makkelijkheid, soepel verloop'
ef graviy lomess 'de moeilijkheid'
ef plariy lomess 'de makkelijkheid, het soepele verloop'
ef plariyn lômesse 'de afwezigheid van moeilijkheden'
mifâ {C} 'wel ( niet woede; wel ( niet plaag, last'
eft graviy mifâ 'een woedeuitbarsting'
eft quista mifâ 'niet geneigd in woede uit te barsten; een goed humeur'
ef luftkoldrelira mifâ 'de overlast'
eft tildâ mifâ 'een last, een plaag'
eft rât-mifâ 'een muizenplaag'
Ef Prussa-asitt eft koffon rât-mifâ riffe fes ef karé.
'Het blauwzuurgas heeft de muizenplaag in het schip opgeheven/een einde
gemaakt aan ...'
pyrf {C} 'geoorloofdheid ( verbod'
ef pyrf furt ef cÿrupjôcers 'geoorloofdheid; wat geoorloofd is'
ef pyrf furt ef cÿrfratjens 'het verbod'
Do fanûme ef pyrf. 'Wat hij doet is ongeoorloofd.'
eft fanûmelira pyrf 'een ongeoorloofde daad'
"topyrfÿ
rénâ {C} 'goed mens ( slecht mens'
eft rénâ lef eft cubu 'een goed mens'
eft rénâ lef eft fus 'een slecht mens'
Aftel Elsa melde eft rénâ? - eup lelperre eft hupster cubu.
'Is Elsa een goed of slecht mens? - ze is heel goed.'
stâek {C} 'het mislukken ( het welslagen'
ef tûgt stâek 'het mislukken'
ef preip stâek 'het welslagen'
ef stâek ûqu ef mannos 'het mislukken van de onderneming'
ef stâek ort ef mannos 'het welslagen van de onderneming'
tmopos {C} 'versnelling ( vertraging'
tradam-tmopos 'versnelling'
prôât-tmopos 'vertraging'
to'eff {C} 'het warm ( koud worden' (verandering in temperatuur)
Ef knurfel-to'eff melde hupster. 'Het water wordt warm.'
Vilt cafer-to'eff melde belt. 'Je koffie wordt koud.'
Ef ityro lelperre eft belt to'eff. 'Het klimaat wordt kouder.'
Ef lelperre eft hupster to'eff. 'Het wordt warmer.'
vloda {C} 'spoed ( traagheid'
móns-vloda = vloda lef lamiros 'spoed'
chys-vloda = vloda {d}ÿm lamiros 'traagheid'
vloda lef ef cyriy 'aarzelende traagheid'
wiyrk {C} 'uitzetting ( inkrimping'
belt-wiyrk = wiyrk-puttos '[in]krimping, slinking' (lett. door droogte ed)
hupster-wiyrk = wiyrk-kettos 'uitzetting, opzwelling' (lett. door vocht)
Ef cÿrot kette eft wiyrk fes kÿpony. 'Het hout krimpt.' (door de droogte)
Ef cÿrot kette eft wiyrk fes ošo. 'Het hout zet uit.' (door het vocht)
Ef kuvi kette eft wiyrk fes kÿpony. 'Het veen klinkt in.'
ef cÿrot-wiyrk[os] 'de werking van het hout'
xâméos {C} 'stijging, het stijgen ( daling, het dalen'
ef preip xâméos 'de [op]stijging, het opstijgen'
ef tûgt xâméos = ef idexâméos
'de [neer]daling, het neerdalen; de afdaling, het afdalen'
jalfuf {SC} 'verdriet ( blijdschap'
jalfuf furt ef griyt-blerr = Neeftôs-jalfuf 'verdriet'
jalfuf lef eft kir zûps = glado-jalfuf 'blijdschap'
monslâ {SC} 'afgunst ( bewondering'
ef lelperre monslâ ûqu rast
'afgunst hebben tegen iemand; jaloers zijn op iemand'
ef lelperre monslâ ort rast 'bewondering hebben voor iemand'
ef merater lef eft kinur monslâ 'de afgunstige man'
ef efanty lef eft helt monslâ 'het kind dat [voor alles] bewondering heeft'
Ef merater lef eft helt monslâ frópjÿ vilt jikatâ.
'De man die bewondering heeft voor jouw prestatie.'
hytâciy {A} 'juistheid ( onjuistheid'
ef falede armt ki ef hytâciy, sem co{d}are tu-vrôk 'beslissen over de juistheid'
ef hytâciy rifo groft eftarselira paine-vrôk 'de juistheid van zijn handelen'
ef hytâciy rifo groft paine-vrôkke (rs!) 'de onjuistheid van zijn handelen'
lânt {A}
alleen in: lef lânt tukst (afk. l.l.t.) 'in het bezit van ( verstoken van'
Do melde lef lânt tukst quista zâre-rumpstjô lo eft lelperros.
'Hij is in het bezit van goede woonruimte.'
Fes ef trâ ileset kirro melde lef lânt tukst ef wertlâ-hâfteros lo eft misos.
'Op het afgelegen eiland zijn we verstoken/ontbloot van het wereldgebeuren.'
lef lânt tukst jadâk namoirose
'ontbloot van iedere verdenking; boven iedere verdenking verheven'
mófiy {A} 'gezondheid ( ziekte'
ef plariy mófiy 'gezondheid'
eft graviy mófiy 'een ziekte'
eft terat graviy ki mófiy 'een ernstige ziekte'
eft mófiy, Neeftôs nert tiffelira 'een onbekende ziekte'
ef lelperre ef mófiy furt ef Heboreta-tupplip 'zo fris als een hoentje zijn'
mômiyos {A} 'geruststelling ( verontrusting'
mômiyos luft Pelres 'geruststelling'
quenniy-mômiyos 'verontrusting'
terfyros {A} 'bevestiging ( ontkenning'
eft quista terfyros 'een bevestiging'
eft tildâ terfyros 'een ontkenning'
bôlf {I} 'groot ( klein'
eft graviy bôlf merater 'een grote man'
Óps tevi dreumânaves bôlf oras kika lef crâf yargeloh kâ.
'Daarvoor wilden ze graag de grootste moeite doen.'
eft plariy bôlf mosjeus 'een kleine vrouw'
ef melde eft bôlf kika {d}ÿm crâf 'het is een kleine moeite'
Do zâre fes eft terat bôlf ki sért lo eft môlarres.
'Hij woont in een heel klein huis (een huis als een hok).'
chûcÿrt {I} 'te heet ( te koud (om te eten/drinken/pakken);
te hel ( te donker (om te zien); te luid ( te zacht (om [aan] te horen)'
Ef miyna melde hardlap chûcÿrt. 'De thee is te heet (om te drinken).'
Ef pica melde ninker chûcÿrt den gress lelde ef.
'Het ijs is te koud voor mij om aan te pakken.'
Ef malodé melde ninker chûcÿrt. 'De muziek is te zacht (om te kunnen horen).'
côrg {I} 'verweg ( dichtbij, vlakbij'
Gress zâre tildâ côrg. 'Ik woon ver weg.'
Gress eup zerfe rifo côrg lÿ gÿp. 'Ik zag haar van verre.'
ef côrg bômpo lÿ blefa 'een verre donderslag'
lo côrg arvendelira ânt ef fešark 'ver (diep) in het binnenland'
Gress zâre quista côrg. 'Ik woon vlakbij.'
Gress eup zerfe rifo côrg luft sener tiffugs. 'Ik zag haar vlakbij.'
Ef zeces locâteše fes tuše-côrg. 'Het dorp ligt vlakbij.'
dist {I} 'goedaardig ( kwaadaardig'
eft dist pak âfry ef cubu 'een goedaardige kerel'
eft dist fitrutos lef poir 'een goedaardig gezwel'
eft dist hurt lef nucer ynts 'een kwaadaardige hond'
eft dist fitrutot (rs!) 'een kwaadaardig gezwel'
eft dist pakke (rs!) 'een kwaadaardige kerel'
drakiy {I} 'licht ( zwaar'
eft plariy drakiy mul 'een lichte last'
ef kolini melde graviy drakiy 'de steen is zwaar'
melde lelmos kolinis drakiyn? 'hoeveel wegen deze stenen?'
eft drakiy surdare-karé 'een licht bootje'
eft drakiy merater lef zefa tifvents 'een zware kerel'
{d}yss {I} 'jong ( oud'
eft {d}yss merater
'een jonge man die er ouder uitziet/een oude man die er jonger uitziet'
eft liftkar én {d}yss merater 'een oude man die er jonger uitziet'
plariy {d}yss 'jong'
ÿrkamÿr {d}yss 'heel erg jong, piepjong'
graviy {d}yss 'oud'
eft {d}yss mosjeus lóf zempers 'een oude vrouw, een vrouw op leeftijd'
Ef baby melde 4 hertels {d}yss. 'De baby is 4 maanden oud.'
Wélfa'ece hift {d}yss zempers eft quiyrâšos rifo stat lóf hurtos bent
tukst dus.
'Als ze ouder worden, zullen ze gezag leren aanvaarden.'
gaiy {I} 'gauw, vlug, snel ( langzaam; over een tijdje' (tijdsbepaling)
lo gaiy upk 'al gauw; binnen snelle tijd'
Gress nert reéde gaiy quista. 'Ik erger me niet gauw.'
Do unere eft plyt lo gaiy tildâ.
'Hij begrijpt een mop niet gauw; het duurt even voordat hij een mop snapt.'
Ef treno prate gaiy plâks. 'De trein vertrekt pas na een tijdje.'
gremuh {I} 'uitvoerbaar ( onuitvoerbaar'
Ef arpinzol melde gremuh ur paine. 'Het plan is uitvoerbaar.'
eft gremuh én koffon arpinzol 'een onuitvoerbaar plan'
Gress nert kettecû eft gremuh painos ón vilt šÿrtyc.
'Ik kan jouw voorstel niet uitvoeren.'
herpsa {I} 'arm ( rijk'
eft herpsa jolarater lef smurf 'een rijke baron'
Do melde herpsa lef velp hents. 'Hij is arm.'
hops {I} 'nieuw ( oud'
arfinelira hops = frot hops 'nieuw'
meldor hops = sÿstriy hops 'oud'
hytâc {I} 'juist ( onjuist'
ef hytâc faledos lef uss 'de juiste beslissing'
ef hytâc faledot (rs!) 'de onjuiste beslissing'
Ef hytâc vertaros melde ort do. 'Zijn antwoord is juist.'
Ef hytâc vertaros melde ûqu do. 'Zijn antwoord is onjuist.'
kona{d}e {I} 'rechtvaardig ( onrechtvaardig'
kona{d}e âfry ef lacs 'rechtvaardig'
eft kona{d}e cubu-merater 'een rechtvaardig man'
kell-kona{d}e 'onrechtvaardig'
eft kona{d}e xipalô merater 'een onrechtvaardig man'
kviddiy {I} 'log, plomp ( rank, slank'
kviddiy lo Pejo 'log, plomp'
kviddiy lo Pano 'rank, slank'
eft kviddiy elefant lef zefa tifvents 'een logge olifant
eft kviddiy huron lef eft fyg {d}iynk 'een ranke/rankstelige bloem'
eft kviddiy nykera lef eft fyg ÿmâs 'een slanke negerin'
kynne {I} 'eenzaam, afgelegen, onbereikbaar (waar weinig mensen kunnen/-
willen komen) ( druk bezocht, goed te bereiken (waar veel mensen heen
gaan)'
eft kynne šarkofiy {d}ÿm mômiy 'een eenzaam landschap'
eft kynne entrafer-sÿrt lef mômiy 'een drukbezochte toeristenplaats'
eft kynne fenta furt gelers 'een druk feest, met grote belangstelling'
eft kynne ruinn lef bareras 'een eenzame, afgelegen ruïne'
eft kynne ileset lef yplemeros 'een goed te bereiken eiland'
xog én kynne 'afgelegen (weinig bezocht)'
lânt {I} 'aanwezig ( ontbrekend'
lânt ... fes iftam 'aanwezig'
lânt ... fes noi 'ontbrekend'
ef lânt ramâs fes ef ÿtiffos 'de aanwezige gegevens'
ef lânt ramâs mip ef ÿtiffos 'de ontbrekende gegevens'
ef lânt finanšela nôziys tjâg ef ÿkaftos
'de aanwezige [beschikbare] financiële middelen'
ef lânt finanšela nôziys {d}ÿm ef ÿkaftos 'de ontbrekende financiële middelen'
Ef co{d}art côstišerpos melde lânt. 'De belangstelling is aanwezig.'
Ef net-co{d}art côstišerpos melde lânt. 'De belangstelling ontbreekt.'
merrat {I} 'diep ( ondiep'
plâks merrat 'diep'
tarô merrat 'ondiep'
mitai ef merrat oras {d}armiys fes bôtmo 'door de diepste dalen'
Ef luna plônsa graviy merrat fesdu ef knurfel-kerpos.
'De maan dook diep in de waterspiegel.'
eft farte-merrat grél 'een ondiepe doorwaadbare plaats'
eft merrat kréa lef bôtmo-zerfos 'een ondiepe put'
missna {I} 'mager ( vet'
eft missna knociy-efanty 'een mager kind'
eft missna rôsiy-merater 'een vette man'
Ef boerts melde missna lef lent muts. 'De koeien zijn mager (vel over been).'
Ef knoks melde missna lef beldrast-muts. 'De varkens zijn vet.'
ef missna zempers {d}ÿm gû{d}es 'de magere jaren'
ef missna zempers lef hûšat Steufima (of Koronalista) ur ef ôcs lef
idem Pjânts
'de vette en de magere jaren'
molef {I} 'uitgebreid ( beknopt, niet uitgebreid'
ef storâsecÿr molef rifo ef lanes
'de uitgebreidheid van het verhaal; het uitgebreide verhaal'
eft molef fi'onos lef pert wuftas 'een uitgebreid verslag'
eft molef storâs {d}ÿm wuftas 'een beknopt verhaal'
eft survÿjos lef molef-nariy 'een beknopt overzicht'
nériy {I} 'droog ( nat'
eft nériy ityro {d}ÿm jepsz 'een droog klimaat'
Kost nériyn korsz melde velk {d}ÿm knurfel. 'Mijn sokken zijn nog droog.'
tâmlek-nériy helbi 'droge kleren'
eft tûst-nériy sért 'een droog huis'
eft jeps-nériy kas 'een natte jas'
Kost nériyn korsz melde lef bidalos. 'Mijn sokken zijn nat door de regen.'
eft natriyche-nériy sért 'een nat (erg vochtig) huis'
eft fâlmpe-nériy muntiyn 'een natte spons'
néso {I} 'licht ( donker'
poi néso 'licht'
koffon néso 'donker'
eft néso tof fes iynk 'een donkere/sombere dag'
eft néso marâs lef kôbo 'een lichte/heldere kleur'
njata {I} 'schuldig ( onschuldig'
Do bloe ef njata. 'Hij is onschuldig.'
Do synne ef njata. 'Hij is schuldig.'
njata mip cubu 'onschuldig'
njata mip car 'schuldig'
Kost ÿrgô'iyc njatae pai xyfolos. 'Mijn ziel is schuldig.'
perann {I} 'mals ( taai'
gritsa-perann 'mals [en sappig]'
eft perann bjefflâp furt ef kniteg 'een malse biefstuk'
vâstyff-perann 'taai'
eft perann bjefflâp furt ef kabôrm 'een taaie biefstuk'
pitlo {I} 'rijp ( onrijp'
eft pitlo geffye (rs!) 'een rijpe appel'
Ef geffy melde quista pitlo = ef geffy melde larde-pitlo. 'De appel is rijp.'
eft pitlo togeffy = eft arfinelira pitlo geffy 'een onrijpe appel'
Ef geffys melde tildâ pitlo. 'De appels zijn onrijp.'
pjerg {I} 'los ( vast'
eft pjerg floôr-caribos {d}ÿm nacrys/lef nacrys
'een losse/vaste vloerbedekking'
Ef hurt melde pjerg {d}ÿm jûlt/lef ef jûlt. 'De hond is (zit) los/vast.'
iy'ass pjerg 'los'
{d}ônosiy pjerg 'vast'
pot {I} (arch.) 'lang ( kort'
"mintepot
"portâ
prôpen {I} 'bevoegd ( onbevoegd'
prôpen âfry ef lacs 'bevoegd'
ef lacs-prôpen stat 'het bevoegde gezag'
prôpen {d}ÿm/šâm ef lacs = prôpen fes {d}ÿr hents 'onbevoegd'
prósa {I} 'handelbaar ( onhandelbaar'
eft prósa 'jan fes ef cÿrlôfs 'een handelbare jongen'
eft prósa dreutos lef gôrôgent 'een handelbare machine'
Ef 'jan/dreutos cÿrupjôce ef prósa blaffosz.
'De jongen/machine is handelbaar.'
eft prósa 'jan {d}ÿm/šâm cÿrlôfs 'een onhandelbare jongen'
eft prósa dreutos lef eft koffon kelde-vro'egios 'een onhandelbare machine'
Ef 'jan/dreutos zefâne ef prósa blaffosz.
'De jongen/machine is onhandelbaar.'
Dena cômputer zefâne prósa luft gress.
'Met deze computer kan ik niet omgaan.'
prósiy {I} 'lankmoedig ( ongeduldig'
prósiy lo Pelres 'lankmoedig'
Do quÿe lef prósiyn lirdes. 'Hij wacht lankmoedig.'
tildâ prósiy 'ongeduldig'
Do quÿe lef prósiyn fences. 'Hij wacht ongeduldig.'
pyrf {I} 'geoorloofd ( verboden'
pyrf furt ef cÿrupjôcers 'geoorloofd'
pyrf furt ef cÿrfratjens 'verboden'
qumtiy {I} 'moe ( uitgerust'
ef qumtiyn ôrešyses (rs!) 'de vermoeide soldaten'
ef melde zirdelira qumtiy 'moe zijn'
ef melde giffelira qumtiy 'uitgerust zijn'
qumtiy én frot 'uitgerust'
régip {I} 'mak, tam ( wild'
eft régip belp fes cÿrlôfs 'een mak/tam dier'
eft régip belp mip cÿrlôfs 'een wild dier'
régip lef miyros 'tam, mak'
ša{d}ôr-régip 'wild; niet tam'
rittah {I} 'snel ( langzaam'
rittah lo eft rolka = móns-rittah 'snel'
rittah lo eft runp = dûgter-rittah 'langzaam'
séqurt {I} 'eerlijk ( oneerlijk'
eft séqurt merater lef tuffes eits 'een eerlijke man'
eup melde eft séqurt flyddere 'zij is eerlijk'
eft séqurt 'jan lef eft wornut 'een oneerlijke jongen'
Do melde lâ[w]ornutor séqurt. 'Hij is oneerlijk.'
Eup melde eft séqurt snerf. 'Zij is oneerlijk.'
(een vlinder (flyddere) is het Spokanische symbool voor eerlijkheid; een tor
(snerf) voor oneerlijkheid)
tjest {I} 'vervallen ( in goede staat'
ef tjest husoff 'het vervallen kasteel'
ef tjest husof fes ef xnârf 'het in goede staat verkerende kasteel'
tmopiy {I} 'snel ( langzaam'
litel tmopiy = móns-tmopiy 'snel'
prétt-tmopiy 'bliksemsnel'
terat tmopiy ki = dûgter-tmopiy 'langzaam'
Tmopiy terat meltecû nert trag. 'Langzamer kan niet.'
tôspiy {I} 'onpartijdig ( partijdig'
{d}ÿr-tôspiy 'onpartijdig'
glyda-tôspiy 'partijdig'
eft tôspiy ÿrmetiyn lÿ cradef ÿrgôs 'een onpartijdig standpunt'
eft tôspiy ÿrmetiyn lef cÿrachômmast 'een partijdig standpunt'
ulliy {I} 'dik ( dun'
pert ulliy 'dik'
litel ulliy 'dun'
eft ulliy kas lo eft cress 'een dikke (gevoerde) jas'
eft ulliy lo wÿja belt-trut 'een dun truitje'
uzer {I} 'lang ( kort' (fig.)
Ef storâs rÿlempe uzer. 'Het verhaal is lang,'
Ef storâs âcÿre uzer. 'Het verhaal is kort.'
vek-uzer 'lang'
tjût-uzer 'kort'
ÿzja {I} 'hoog ( laag'
graviy ÿzja 'hoog'
plariy ÿzja 'laag'
ef ÿzja jakâms fes ef bôtmo 'de lage velden'
kura ef ÿzja oras granôses fes agru 'over de hoogste bergen'
ef knurfel armttrâne ÿzja ykelp 'het water sprong hoog op'
ki ef ÿzja sÿrt, té gémiye plitos
'de hoge stad (stad die zo hoog ligt dat deze bij hoge waterstand niet
onderstroomt)'
(veel poëtische omschrijvingen met betrekking tot natuur)
zjentiy {I} 'genoeg, voldoende, toereikend ( niet genoeg, onvoldoende,
ontoereikend'
Ef mittus melde quista zjentiy hupster. 'De kamer is groot genoeg.'
Ef mittus melde tildâ zjentiy hupster.
'De kamer is niet groot genoeg/is te klein.'
Aftel dena kas melde zjentiy?
'Past die jas?' (eig. "Is die jas groot/klein genoeg?")
Ef zjentiy nakaftos mešane. 'Het voorschot is toereikend.'
Ef zjentiy nakaftos quÿe. 'Het voorschot is ontoereikend.'
ef zjentiyn fesjalôsta kaf ef kaftos 'de voldoende inkomsten'
ef zjentiyn fesjalôsta kaf ef šâft 'de onvoldoende inkomsten'
Ef xatjesmés melde zjentiyn furt ef urâ{d}os. 'De maatregelen zijn toereikend.'
Ef xatjesmés melde zjentiyn furt ef zrytacc.
'De maatregelen zijn ontoereikend/schieten te kort.'
NOTEN NOTEN NOTEN
|
[??]....
|
<< Inhoudsopgave |
Registers >>
<< Hoofdstuk 160 |
Hoofdstuk 162 >>
|