Grammatica van het Spokaans © Rolandt Tweehuysen | Postbus 3774 | 1001 AN Amsterdam

<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 143 | Hoofdstuk 151 >>

15. Aspectuele zinstypes

150. Vragende en antwoordende zin


Opbouw van dit hoofdstuk:
  1. Ja/nee-vragen en hun antwoorden
  2. Informatievragen
  3. Antwoorden op informatievragen
  4. Keuzevragen en hun antwoorden
  5. Verkapte vragen en Pseudovragen
  6. Indirecte vragen
  7. Non-verbale responsen
Blokken:

150.1

In dit hoofdstuk zal niet alleen besproken worden op welke wijze er in het Spokaans een vraag gesteld kan worden, en wat voor soort vragen er mogelijk zijn, maar ook op welke wijze er geantwoord kan worden. In het Spokaans moeten namelijk ook antwoordende zinnen aan bepaalde syntactische regels voldoen, die soms afwijken van de regels die voor "gewone" bevestigende constructies gelden.

150.2

Degene die een vraagzin produceert noemen we VS (= VraagSteller), en degene aan wie de vraag gericht is, en die daarom een antwoordzin moet produceren, noemen we AG (= AntwoordGever).
Vraagzinnen kunnen in drie types worden onderverdeeld:

  1. ja/nee-vragen, ofwel "polaire vraagzinnen"
  2. informatievragen, ofwel "open vraagzinnen"
  3. keuzevragen, ofwel "gesloten vraagzinnen"
Als vierde en vijfde type zouden we hieraan kunnen toevoegen:
  1. verkapte vragen, ofwel constructies die syntactisch niet onder type 1, 2 of 3 vallen, maar wel als vraag geļnterpreteerd en beantwoord worden
  2. pseudovragen, ofwel vragen die syntactisch onder type 1, 2 of 3 vallen, maar semantisch niet als een "echte" vraag (waarop een antwoord wordt verwacht) worden geļnterpreteerd
150.3

In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan de orde:

  1. Ja/nee-vragen en hun antwoorden (§ 150.4-35)
  2. Informatievragen (§ 150.36-85)
  3. Antwoorden op informatievragen (§ 150.86-110)
  4. Keuzevragen en hun antwoorden (§ 150.111-128)
  5. Verkapte vragen en Pseudovragen (§ 150.129-143)
  6. Indirecte vragen (§ 150.144-170)
  7. Non-verbale responsen (§ 150.171-176)
150.4   ad § 150.3   A. Ja/nee-vragen en hun antwoorden

Ja/nee-vragen worden ook wel "polaire vraagzinnen" genoemd. De term "polair" slaat op het tweeledige karakter van het antwoord: in feite is er óf een bevestigend óf een ontkennend antwoord mogelijk. Deze kunnen we als de eindpunten op een graduele schaal van "complete bevestiging" tot "complete ontkenning" afzetten. Dit zijn dus de twee "polen" van de schaal, en daartussen zitten talloze varianten die alle een bepaalde graad van bevestiging of ontkenning uitdrukken ("waarschijnlijk", "ik denk van wel", "waarschijnlijk niet", enz.). Voorbeelden van bevestigende zinnen (a.) met hun verwante ja/nee-vragen (b.):

  1. a. Petriy melde kinur.   Petriy is ziek.
    b. Aftel Petriy melde kinur?   Is Petriy ziek?
  2. a. Tu vende rala.   Jij gaat mee.
    b. Vende tu rala?   Ga je mee?
  3. a. Tu holaravy ef cafer.   Jij wil de koffie brengen.
    b. Aftel tu holaravy ef cafer?   Wil je [de] koffie bengen?
  4. a. Blul épe nert xūstichelije.   Ze is niet beroofd.
    b. Aftel blul épe nert xūstichelije, klojās?   Ze is niet beroofd, hč?
150.5

De VS van de vragen in de vorige paragraaf verwacht als antwoord hetzij een bevestiging hetzij een ontkenning van datgene wat in de overeenkomende bevestigende zin wordt beweerd. De simpelste antwoorden die hij mag verwachten zijn dan ook hetzij "ja" hetzij "nee", maar in de praktijk zijn er natuurlijk ontelbare andere antwoorden mogelijk; vele zullen als equivalent van "ja" of "nee" beschouwd kunnen worden, maar er zijn ook antwoorden mogelijk die buiten dit verwachtingspatroon vallen, zoals "ik weet het niet", "ik zeg het niet", "zeur niet zo" of "dat zul je nog wel zien". De term "ja/nee-vraag" moet daarom niet al te letterlijk worden opgevat.

150.6

Laten we de 4 b-vragen in § 150.4 eens nader bekijken:
Vraag 1b. is de meest elementaire soort ja/nee-vraag die (binnen het kader van dit hoofdstuk) niet verder geanalyseerd hoeft te worden.
De vragen 2b. en 3b. zijn in zoverre opvallend dat zij ook opgevat kunnen worden als een aansporing aan het adres van AG om tot een bepaalde actie over te gaan: als AG op 2b. reageert door zijn jas aan te trekken en mee naar buiten te lopen, kan dit als een non-verbaal, maar adequaat antwoord worden beschouwd. Als AG na het horen van 3b. naar de keuken loopt en met de koffiepot terugkomt, kan dit een adequate respons zijn die VS ook op het oog had. Een nadere analyse van dergelijke non-verbale responsen volgt in § 150.172-177. In het overige deel van dit hoofdstuk verstaan we onder "antwoord" impliciet een verbale respons.
Voorbeeld 4b. toont een zogenoemde "gestuurde vraag": VS drukt met de negatie nert (niet) expliciet uit dat hij eerder/liever een ontkenning van de gebeurtenis ZIJ IS BEROOFD verwacht/hoopt, dan een bevestiging.

150.7

Ja/nee-vragen worden in het Spokaans meestal ingeleid met het vrag.vnw. aftel. Noot 1 Dit vrag.vnw. wordt meestal uitgesproken als [af], terwijl de ongereduceerde uitspraak [afteL] gehoord kan worden als aftel benadrukt is, of in archaļsch en poėtisch taalgebruik. Verder wordt aftel op West-Berref (districten Tjemp en Plefō) in alle gevallen als [ateL] uitgesproken. In deze dialecten wordt dit vrag.vnw. ook gebruikt als elliptische vraag met de betekenis "wat?", waarvoor het standaard-Spokaans kluft? gebruikt (§ 150.78).
Vergelijk de bevestigende a-zinnen met de aftel-vragen in b.:

  1. Tu tiffe Petriy.   Jij kent Petriy.
  2. Aftel tu tiffe Petriy?   Ken jij Petriy?
  1. Gress puttog eft belt-rafeo.   Ik mag een koekje pakken.
  2. Aftel gress puttog eft belt-rafeo?   Mag ik een koekje pakken?
      Noot 1 Aftel is een samentrekking van af fit melde (immers zo is [het]). Merk op dat aftel nog eindigt op het oorspronkelijke infinitiefsuffix -el dat bij werkwoorden tegenwoordig weggevallen is (zie ook § 81.5).
Sommige grammatici rangschikken aftel onder de determinanten (§ 133.??) of vraagpartikels, en niet onder de vrag.vnw.n, omdat aftel in tegenstelling tot bijvoorbeeld lomp (wie) of hojelka (wanneer) geen semantische lading heeft: het refereert nooit aan iets dat in het antwoord specifiek genoemd wordt. Aftel doet feitelijk niets anders dan aankondigen dat er een ja/nee-vraag gaat volgen.
Omdat aftel aan de andere kant karaktertrekken vertoont die typisch zijn voor vrag.vnw.n en voegw.n, geven wij er de voorkeur aan om aftel tot deze categorieėn te rekenen.

150.8

Vanaf § 150.58 wordt besproken hoe vrag.vnw.n ook als voegw. gebruikt kunnen worden. Deze dubbelfunctie is ook voor aftel weggelegd. Dat aftel een vrag.vnw. is blijkt onder meer uit:

  1. Aftel geeft in alle gevallen aan dat we met een vraagzin te maken hebben, dit kunnen directe en indirecte vragen zijn:

    1. Aftel óps enn Justes invóbe?
      Hebben ze Justes uitgenodigd?
    2. Lerdu linne, aftel óps enn Justes invópūs?
      Lerdu vraagt of ze Justes hebben uitgenodigd.

  2. Aftel wordt op dezelfde manier gebruikt als vrag.vnw.n:

    1. Aftel tu lorertavy dena sért?
      Wil je dat huis kopen?
    2. Hojelka tu lorertavy dena sért?
      Wanneer wil je dat huis kopen?
150.9

Dat aftel ook als voegw. optreedt blijkt uit:

Aftel kan in performatieve constructies op dezelfde manier gebruikt worden als de voegw.n den en āl. Vergelijk:

  1. Lerdu tiffe, den óps fespāre goe b’lyzers.
    Lerdu weet, dat ze een hekel hebben aan opscheppers.
  2. Lerdu tiffavy, āl óps fespāre goe b’lyzers.
    Lerdu wil weten, of ze een hekel hebben aan opscheppers.
  3. Lerdu linne, aftel óps fespārūs goe b’lyzers. Noot 1
    Lerdu vraagt, of ze een hekel hebben aan opscheppers.
Omdat den en āl ontegenzeggelijk voegw.n zijn (§ 123.1), lijkt het logisch om ook aftel in c. als voegw. te beschouwen.

      Noot 1 Let op de conjunctief op -ūs. Deze is nodig omdat het hier om een indirecte vraag gaat (zie § 150.144).

150.10

Het voegwoordelijke karakter van aftel blijkt ook uit het feit dat het voorafgegaan kan worden door een topic (links extralocatie):

  1. Fes dena zeces, aftel eft trofsért melde?
    Is er [ook] in dit dorp een postkantoor?
    (een vraag, gebaseerd op de wetenschap dat er wel in dat įndere dorp een postkantoor is).
De correctheid van zin 1. kan verklaard worden door aan te nemen dat er vóór aftel een "elliptische hoofdzin" staat.

150.11

In § 71.13 zijn constructies met een geverbaliseerd pers.vnw. besproken, waarbij deze verbalisatie emfase uitdrukt. Zulke zinnen kennen twee vragende varianten, zoals blijkt uit 2b. en 2c.:

  1. a. Ef doere, té arfine.   HIJ komt [ook].
    b. Aftel ef doere, té arfine?   Komt HIJ [ook]?
    c. Ef doere, aftel té arfine?   Komt HIJ [ook]?
Variant 2c. komt overeen met § 150.10 zin 1.: hier wordt de vraagzin voorafgegaan door een topic-achtig element.

150.12

Het geļnverteerde object in de definitieve tijd moet door enn gemarkeerd worden als de zin ingeleid wordt met aftel (in de neutrale en toekomende tijd is enn optioneel; vergelijk ook § 90.7). Ook wat dit betreft heeft aftel dus het karakter van onderschikkend voegwoord Noot 1 (zie ook § 133.3):

  1. Vilt sientur Ų/?enn ef kleter romān pai Uder Olōf trempe pip.
    Jouw moeder heeft de nieuwe roman van Uder Olōf al gelezen.
  2. Aftel vilt sientur enn ef kleter romān pai Uder Olōf trempe pip?
    Heeft jouw moeder de nieuwe roman van Uder Olōf al gelezen?
  3. Aftel trempe vilt sientur [enn] ef kleter romān pai Uder Olōf āntfort?
    Zal jouw moeder de nieuwe roman van Uder Olōf binnenkort [gaan] gelezen?
      Noot 1 In § 150.18 worden voorbeelden gegeven waarin aftel een "echt" ondersch.voegw. is.

150.13

In de spreektaal vindt dikwijls proclise (samensmelting) plaats van aftel met een aantal pers.vnw.n en lidwoorden:

    aftel + tu
    aftel + do
    aftel + eup
    aftel + ef
    aftel + óps
    aftel + tem
    >   [aftū]
    >   [ado] of [avdo]
    >   [aftūp]
    >   [aftūf]
    >   [aftōps]
    >   [aftīm]
Merk op dat de proclitische vormen spreektaalvormen zijn en niet als zodanig geschreven worden, behalve de vorm aftu (= aftel tu), die tegenwoordig bijna altijd zo geschreven wordt, maar uitgesproken wordt als [aftū].

150.14

In de spreektaal kan soms een ja/nee-vraag geconstrueerd worden met inversie in plaats van met aftel (of aftu). Er moet dan aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  1. de vraag moet familiair aan een 2e persoon zijn gericht (dus aan tu (jij; jullie))
  2. de vraag moet in de neutrale tijd zijn gesteld
  3. de vraag mag geen (modale) hulpwerkw.n bevatten (wel suffixen!)
  4. er moet sprake zijn van een directe vraag (voor indirecte vragen, zie § 150.18)
  5. de vraag mag niet complex zijn
150.15

Voorwaarden 1. t/m 4. zijn gemakkelijk te verifiėren, maar nummer 5. is nogal subjectief. In de praktijk komt het erop neer dat niet-samengestelde zinnen met weinig of geen extra bepalingen als "weinig complex" worden ervaren. Hoe zwaarder het object wordt en hoe meer extra constituenten aanwezig zijn, hoe minder een geļnverteerde vraagzin wordt geaccepteerd. Vergelijk de afnemende grammaticaliteit in:

  • Vende tu rala?
    Ga je mee?; Gaan jullie mee?
  • C’rtiraves tu gress?
    Willen jullie me helpen?
  • C’rtiraves tu kost kinur ’ksaner?
    Willen jullie mijn zieke buurman helpen?
  • ? C’rtiraves tu curmel kost kinur ’ksaner mas?
    Willen jullie morgen misschien mijn zieke buurman helpen?
  • ?? Trempa tu ef?
    Heb je het gelezen?
  • ?* Probare beri c’rtire tu gress?
    Wil je me helpen?; Willen jullie me helpen?
  • * Do linne, vende tu rala. Noot 1
    Hij vraagt of je mee gaat.
      Noot 1 Deze zin is wel correct als een nevenschikking, waarbij de inversie in het tweede deel als toek.tijd opgevat wordt, dus: "Hij vraagt en jij zal meegaan.". Zie ook § 150.16.

150.16

De geļnverteerde vormen zoals genoemd in § 150.15 zijn alle correct om een toekomende tijd uit te drukken (§ 90.4). Constructies als in de vorige paragraaf zijn van toekomende tijden te onderscheiden door de intonatie. In de schrijftaal zorgt het vraagteken voor disambiguering. Vergelijk:

  • Tinde tu fesért? ~ Tinde tu fesért.
    Blijf je thuis? ~ Je zal thuisblijven.
  • * Probare beri c’rtire tu gress? ~ Probare beri c’rtire tu gress.
    Wil je me helpen? ~ Jij zal me willen helpen.
Merk op dat de toek.tijd in een zin met tu als subject-kern hoe dan ook vreemd aandoet: de spreker doet als het ware een voorspelling met betrekking tot de aangesprokene wat impliceert dat de spreker wel, maar de aangesprokene niet, op de hoogte is van wat de aangesprokene in de nabije toekomst zal meemaken.

150.17

Een vraagzin kan nooit met inversie uitgedrukt worden als het predikaat reeds vooraan staat om een toek.tijd uit te drukken. In dat geval is een combinatie van aftel met inversie noodzakelijk:

  • Aftel probare beri c’rtire tu gress, fara ef sértaros sen wencate?
    Zal je me willen helpen, als de verhuizing doorgaat?
Een toek.tijd die met vooropplaatsing van het werkw. is gevormd, heeft nooit een modale lading in de vorm van een "belofte" of "plan": het gaat hier zuiver om een actie waarvan expliciet gezegd wordt dat die in de toekomst zal plaatsvinden (zie § 111.54). In bovenstaande vraag wordt dan ook hoogstens vrijblijvend geļnformeerd of AG bereid is om eventueel te helpen. Als de verhuizing inderdaad doorgaat en AG blijkt dan niet te willen helpen, kan VS hem nooit aanwrijven dat hij "het beloofd heeft". Noot 1

      Noot 1 Een toek.tijd die met di + -u is gevormd houdt daarentegen wel een belofte in (§ 111.55):
  • Aftel tu di probaru beri c’rtire gress, fara ef sértaros sen wencate?
    Zal je me willen helpen, als de verhuizing doorgaat? =
    = Beloof je me te willen helpen, als de verhuizing doorgaat?
150.18

Het vrag.vnw. aftel kan ook indirecte ja/nee-vragen markeren, en krijgt daarmee het karakter van een voegw.:

  1. Lerdu linne, aftel óps tiffūs Petriy.
    Lerdu vraagt, of zij Petriy kennen.
  2. Gress linne, aftel tu ventāt rala.
    Ik vraag, of je mee gaat.
Merk op dat een indirecte vraag bovendien een conjunctief krijgt (tiffūs, ventāt); zie hiervoor § 150.144.

150.19

Vergelijk § 150.18 zin 1. met bijzinnen als:

  1. Lerdu nert tiffe, āl óps tiffe Petriy.
    Lerdu weet niet of zij Petriy kennen.
  2. Lerdu nert tiffe, den óps tiffe Petriy.
    Lerdu weet niet dat zij Petriy kennen.
Zin 1. geldt alleen als Lerdu een vraag stelt/gesteld heeft in de trant van "Kennen zij Petriy?". Zinnen 3. en 4. zijn daarentegen niet gebaseerd op het daadwerkelijk stellen van een vraag. De persoon die taaluiting 3. doet geeft met āl te kennen dat hij evenmin op de hoogte is van het waarheidsgehalte van de SvZ ZIJ KENNEN PETRIY als Lerdu dat is. De spreker van zin 4. drukt met den uit dat de SvZ ZIJ KENNEN PETRIY waar is, maar dat Lerdu daarvan niet op de hoogte is. Zie verder § 123.?? voor het onderscheid tussen aftel, āl en den in de functie van voegwoord.///aftel KOMT HELEMAAL NIET VOOR IN H 123/////

150.20

Aftel wordt ook gebruikt om een zogenoemde "sturende" of "bevooroordeelde" vraag in te luiden. Het gaat hier in principe om een ja/nee-vraag, waarbij VS zijn eigen mening of kennis laat doorschemeren. Zowel in het Nederlands als in het Spokaans worden dergelijke vragen met een negatie gevormd: Noot 1

  1. Aftel dena platiranu nert melde hordā?
    Is dat schilderij niet mooi?
  2. Aftel tu nert cōnsidere, dena platiranu meldelira hordā?
    Vind je niet dat dat schilderij mooi is?
  3. Aftel Yvonn nert mešane mas?
    Komt Yvonn niet morgen?
      Noot 1 In het Spokaans moet een "zinsnegatie" gebruikt worden (nert voor het werkwoord). Voor andere vormen van negatie, zie Hoofdstuk 151.

150.21

Dergelijke "sturende" vragen kunnen om twee redenen gesteld worden:

  1. VS is zeker van zijn zaak (in concreto: hij vindt dat schilderij prachtig; hij weet dat Yvonn morgen komt) maar weet/vermoedt dat AG twijfelt. VS wil AG daarom een hint geven zodat ook AG zekerheid heeft;
  2. VS twijfelt aan de juistheid van de zaak (in concreto: hij weet niet of een dergelijk schilderij wel mooi gevonden mag worden; hij is vergeten of Yvonn nu wel of niet komt) en weet/vermoedt dat AG wel een correcte mening heeft, of wel op de hoogte van de situatie is. VS verifieert nu of AG de mening van VS deelt.
Als zowel VS als AG op de hoogte zijn van de zaak, en VS weet dat AG dat ook is, kunnen "sturende" vragen als 1.-3. dienen ter bevestiging van een gemeenschappelijke kennis of mening, of ter beklijving van een onderlinge verstandhouding.
Als noch VS noch AG op de hoogte is van de zaak, en VS weet dat AG dat evenmin is, zijn zulke "sturende" vragen inadequaat en zal er "iets achter gezocht" moeten worden om te kunnen verklaren waarom VS ze toch stelde.

150.22

Het vrag.vnw. aftel behoeft niet herhaald te worden als twee gelijkwaardige zinnen (dat is: twee hoofdzinnen, of twee bijzinnen) d.m.v. een voegwoord nevenschikkend zijn verbonden en beide zinnen kunnen samen als één vraag worden opgevat:

  • Aftel ef bidale ur [aftel] do tinde fesért tenne?
    Regent het en blijft hij daarom thuis?
Zie ook § 133.76-78 voor aftel als determinant, en § 120.?? voor nevenschikkingen.

150.23

Vooral bij het voegwoord oft (of) doet zich een betekenisverschil tussen aan- en afwezigheid van aftel gevoelen. Vergelijk:

  1. Aftel g’rs mariane oft g’rs lelperre eft c’rolle? Noot 1
    Bent u getrouwd of (= danwel) hebt u een partner?
  2. Aftel g’rs mariane oft aftel g’rs lelperre eft c’rolle?
    Bent u getrouwd, of hebt u een partner?
In zin a. wordt één vraag gesteld: als AG getrouwd is kan deze met "ja" antwoorden, en als hij een partner heeft is het antwoord eveneens "ja". Als AG noch getrouwd is noch een partner heeft, is het antwoord "nee".
In b. worden twee aparte vragen gesteld: (i) bent u getrouwd?; (ii) hebt u een partner? Omdat er twee vragen tegelijkertijd gesteld worden, kan AG niet met "ja" of "nee" antwoorden, omdat het dan onduidelijk is op welke van de vragen het antwoord slaat. Theoretisch zou hij "ja nee", "nee ja" of "nee nee" kunnen zeggen, maar correct taalgebruik vereist dat AG iets antwoordt in de trant van: gress mariane, of [gress lelperre] eft c’rolle, of noft.
Het laatste antwoord kan in het Nederlands het best met "geen van beide" vertaald worden. Zie verder § 150.111-128 voor de behandeling van keuzevragen.
In vraag a. kan het tweede, nevengeschikte, subject gedeleerd worden (zie § 120.??):
  • Aftel g’rs mariane oft lelperre eft c’rolle?
      Noot 1 Dit is een vraag op het Spokanische belastingbiljet. Met het woord c’rolle wordt hier per definitie een "ongetrouwde partner met wie men samenleeft" bedoeld, wat in een monogame maatschappij als de Spokanische impliceert dat een getrouwde man/vrouw niet geacht wordt een partner te hebben, en dat iemand met een partner niet geacht wordt getrouwd te zijn. Het een sluit per definitie het andere uit.

150.24

Nog een voorbeeld:

  1. Aftel tu enn eft kleter oto lorerde, oft enn ef liftkar tiyn nās-jāsperfute?
  2. Aftel tu enn eft kleter oto lorerde, oft aftel tu enn ef liftkar tiyn nās-jāsperfute?
    Heb je een nieuwe auto gekocht of heb je de oude overgespoten?
Zin a. kan als één vraag opgevat worden, en hierop kan geantwoord worden met "ja" (= AG heeft een nieuwe auto gekocht of AG heeft de oude auto overgespoten) of "nee" (= AG heeft noch een nieuwe auto noch de oude overgespoten).
Maar zowel a. als b. kunnen in een bepaalde context als keuzevragen beschouwd worden: VS ziet een auto in een andere kleur en weet zeker dat slechts één van beide dingen mogelijk is. Dan is "ja" een inadequaat antwoord. In feite is er nu geen verschil tussen a. en b.

150.25

Het antwoord op ja/nee-vragen kan hetzij bevestigend, hetzij ontkennend zijn. Hiervoor worden de volgende zogenoemde "polaire morfemen" gebruikt:

    siy
     
    próp
    noft
    1. ja
    2. nee
    jawel
    nee
    voor de bevestiging van een bevestigende vraag
    voor de ontkenning van een ontkennende vraag
    voor de bevestiging van een ontkennende vraag
    voor de ontkenning van een bevestigende vraag
Voorbeelden:

  • Aftel tu arfine?
     
  • Aftel tu nert arfine?  
     
- Siy.
- Noft.
- Próp.    
- Siy.
Kom je?
 
Kom je niet?  
 
- Ja. (ik kom)
- Nee. (ik kom niet)
- Jawel. (ik kom wel)
- Nee. (ik kom niet)

150.26

Vooral de Spokaanse eigenaardigheid om op een ontkennende vraag met siy te antwoorden als het antwoord ontkennend is, leidt in gesprekken met buitenlanders dikwijls tot misverstanden.
Het gebruik van próp als positief antwoord op een ontkennende vraag heeft in veel Europese talen een equivalent: Duits doch (i.p.v. ja), Frans si (i.p.v. oui), Zweeds/Deens jo (i.p.v. ja), IJslands (i.p.v. ).
Het gebruik van siy als negatief antwoord op een ontkennende vraag mist echter elke overeenkomst met genoemde talen, daar deze in dit geval nein, non, nej of nei gebruiken. Het Japans is daarentegen een voorbeeld van een taal die na een ontkennende vraag "ja" moet gebruiken als de Europese talen "nee" zeggen.

150.27

Tussen een duidelijk "ja" en een duidelijk "nee" bestaan nog allerlei gradaties, die over het algemeen op pragmatische wijze worden uitgedrukt (aarzelende stem, ongearticuleerd spreken, hulpeloze gebaren, enz.). Naast deze pragmatische uitdrukkingsmogelijkheden kent het Spokaans ook een aantal woorden die als zwakke varianten van siy, próp of noft beschouwd kunnen worden:

  1. we (tja...; wat zal ik zeggen...) drukt uit dat een bevestigende vraag bevestigend beantwoord moet worden, maar dat de aangesprokene dat met tegenzin doet:

    • Aftel tu tisjano? – We.
      Ben je gezakt? – Ja...; tja...; hm...

  2. nūe of niye (wel...; hm...) drukt uit dat de aangesprokene geen zin heeft om de vraag te beantwoorden, dan wel niet weet wat hij moet antwoorden (het antwoord is noch "ja" noch "nee"):

    • Aftel tu tiffe, ef smurf melt’ry? – Niye.
      Weet je waar het geld is? – Mmm.
150.28

Verder bestaan er nog vele (combinaties van) additieven of gelexicaliseerde uitdrukkingen met een bevestigend of ontkennend karakter, die in de plaats van siy, próp of noft gebruikt kunnen worden, zoals:

  • curmel (misschien); brōep (zeker); f’p’j’f (jazeker, welzeker); f’p’j’f noi (zeker niet); noi gū (absoluut niet); gress miype (ik denk van wel), enz.
150.29

Dergelijke additieven en uitdrukkingen worden ook dikwijls gecombineerd met een polair morfeem, bijvoorbeeld: Noot 1

  • curmel siy (ja misschien; misschien wel); próp gū (jawel absoluut); nert noi gū (nee absoluut niet); noft, gress nert miype (nee, ik denk van niet), enz.
Merk de schijnbaar tegenstrijdige combinaties als siy noi gū (nee absoluut niet) en siy, gress nert vraboe (nee, ik vermoed van niet) die gebruikt worden na een ontkennende vraag waarin siy als "nee" begrepen moet worden:
  • Aftel tu nert tinde? – Siy noi gū.
    Blijf je niet? – Nee, [ik blijf] beslist niet.
  • Aftel do nert c’rtiravy Elsa? – Siy, gress sertene noi.
    Wil hij Elsa niet helpen? – Nee, ik ben zeker van niet.
      Noot 1 Het valt buiten het kader van deze grammatica om diep in te gaan op de pragmatische en stilistische aspecten van het gesproken Spokaans. Bovendien is hiernaar nog zo weinig onderzoek gedaan dat een beschrijving van deze materie snel zal vervallen in speculaties en fantasieėn.

150.30

Onder een "echo-antwoord" Noot 1 verstaan we een antwoord dat uit (zo goed als) dezelfde elementen is opgebouwd als de vraagzin, maar dan in de vorm van een bevestigende zin. Voorbeelden van Nederlandse echo-antwoorden:

  • VS:
    AG:  

  • VS:
    AG:
Ga je morgen mee naar de Efteling?
OK, ik ga morgen mee naar de Efteling! (i.p.v. ja)

Vind je dat schilderij niet prachtig?
Ik vind dat schilderij echt prachtig. (i.p.v. jazeker)

      Noot 1 In veel literatuur wordt kortweg van een "echo" gesproken. Om twee redenen hebben wij de voorkeur aan de langere term "echo-antwoord" gegeven:
  1. In de Spokaanse grammatica is de term "echo" reeds gereserveerd voor een van de basiselementen (subject, object en echo), die niets van doen hebben met de hier besproken echo-antwoorden;
  2. Naast echo-antwoorden bestaan er ook echo-vragen; hiermee kan AG een adequaat antwoord omzeilen, of VS in spanning laten zitten, zoals in:

    • V:   Heb je vijftig gulden voor me te leen?
      A:   Of ik vijftig gulden voor je te leen heb...? Vooruit dan maar.

    • V:   Zijn er adders in Spokaniė?
      A:   Mmm..., zijn er adders in Spokaniė... dat weet ik eigenlijk niet.

    Zie verder § 150.??.

150.31

In het Spokaans klinken echo-antwoorden alleen natuurlijk als deze een uitbreidende bepaling zijn na siy, próp of noft. Noot 1 Een lexicaal werkw. kan door het spoor paine vervangen worden, hoewel velen dit in verzorgde taal afkeuren:

  • VS:
    AG:  
     

  • VS:
    AG:
     
     

  • VS:
    AG:
     
Aftel tu prate mas?   Vertrek je morgen?
Siy, gress prate mas.   Ja, ik vertrek morgen.
? Siy, gress paine.   Ja, dat doe ik. (vergelijk Engels: Yes, I do.)

Aftel do melde kinur?   Is hij ziek?
Noft, do nert melde kinur.   Nee, hij is niet ziek.
? Noft, do melde nert.   Nee, dat is hij niet.
* Noft, do paine nert.   Nee, dat doet hij niet.

Aftel do nert ’rōmāt lelmo tof?   Moet hij vandaag niet werken?
Siy, do nert ’rōmāt [lelmo tof].   Nee, vandaag moet hij niet werken.
? Siy, do nert paināt.   Nee, dat moet hij niet.

Voor het gebruikt van het spoor paine, zie ook § 132.??.

      Noot 1 In § 150.127 wordt een zinsconstructie behandeld waarin echo-antwoorden ook zonder siy, próp en noft natuurlijk klinken.

150.32

De polaire woorden siy, noft en próp kunnen als een pred.add. (§ 40.??) bij een performatief werkw. optreden. In zulke gevallen is toevoeging van een object onmogelijk, bijvoorbeeld:

  1. Jān reppe den bidale ef, tur gress miype noft/siy.
    Jān zegt dat het zal gaan regenen, maar ik denk het niet/wel.
  2. Aftel Petriy nert revente? Eup hozāve próp/siy.
    Komt Petriy niet terug? Zij gelooft van wel/niet.
Merk op dat het Nederlands hetzij gebruik maakt van een pronominaal object dat refereert aan de voorafgaande zin (zoals "het" in 1.), hetzij een idiomatisch "van" toevoegt (zoals in 2.).

150.33

Kojen-Pōt (1963) noemde de vetgedrukte elementen in 1. en 2. in eerste instantie objecten, maar in zijn latere werk (1977) geeft hij er de voorkeur aan om ze als pred.add.n te behandelen. Beide benaderingen zijn tot zekere hoogte problematisch:

  1. zijn noft, siy en próp in zinnen 1. en 2. objecten, dan kan niet verklaard worden waarom def.tijd-inversie en passivisering onmogelijk zijn; vergelijk 3. met 4.:

    1. a. Do miype fitaju.   Hij denkt zoiets.
      b. Do fitaju miype.   Hij dacht zoiets.
      c. Fitaju miypelije pai do.   Zoiets wordt door hem gedacht.

    2. a. Do miype siy.   Hij denkt van/het wel.
      b. * Do siy miype.   Hij dacht van/het wel.
      c. * Siy miypelije pai do.   (lett. "wel wordt door hem gedacht")
150.34
  1. zijn noft, siy en próp in zinnen 1. en 2. pred.add.n, dan kan niet verklaard worden waarom er geen object toegevoegd kan worden, en waarom linkse dislocatie onmogelijk is. Vergelijk 5. met 6.:

    1. a. Do miype kvā.   Hij denkt nooit.
      b. Do miype kvā fitaju.   Hij denkt nooit zoiets.
      c. Kvā do miype.   Nóóit denkt hij.

    2. a. Do miype siy.   Hij denkt van/het wel.
      b. * Do miype siy fitaju.   Hij denkt zoiets van wel.
      c. * Siy do miype.   (lett. "wel denkt hij")
Wij houden het erop dat het gebruik van siy, noft en próp in § 150.32 zinnen 1. en 2. geļdiomatiseerd is, waardoor de precieze functie van deze polaire morfemen moeilijk is vast te stellen.

150.35

Siy, noft en próp kunnen ook optreden als een soort obj.add. Hierbij gelden twee restricties: (i) de polaire morfemen worden niet met lo gemarkeerd (iets wat bij obj.add.n feitelijk verplicht is, zie § 40.??), en (ii) het object is altijd ef:

  • VS:
     
    AG:  
     

  • VS:
     
    AG:
     
Aftel stus kimorog ef šōts lo eft gaos?
Mag je spreken van een chaos?
Stus reppecū ef siy. Noot 1
Dat zou ik wel zeggen, ja.

Aftel do melde c’rtiriy c’rl’o?
Is hij eigenlijk wel behulpzaam?
Kirro zjoffecos ef noft. Noot 1
Dat kunnen we niet beweren, nee.

Zulke constructies dragen dikwijls een ironisch karakter, en ze kennen geen passieve of geļnverteerde varianten. Ook hier gaat het weer om idiomatische constructies waarin de precieze status van de vette elementen niet geheel duidelijk is.

      Noot 1 In onverzorgde spreektaal komen wel hypercorrecte vormen met lo voor: Stus reppecū ef lo siy en Kirro zjoffecos ef lo noft.

150.36   ad § 150.3   B. Informatievragen

Informatievragen worden ook wel "open vraagzinnen" genoemd. De term "open" slaat op het feit dat de informatie waar VS om verzoekt, in principe uit een open verzameling van mogelijke antwoorden gehaald kan worden. Uiteraard wordt het antwoord wel semantisch gestuurd door het soort vrag.vnw.: als VS kiest voor het vrag.vnw. "wie", is een antwoord dat gebaseerd is op het vrag.vnw. "waar" inadequaat. Maar binnen de verzameling van entiteiten die als referent van "wie" voldoen staat het AG vrij om die referent te kiezen die in de gegeven situatie adequaat is. Voorbeelden:

  • Lomp kuntiyro ef smurf?   Wie heeft het geld gestolen?
  • Tu pilt’ra ef mimpit?   Waar heb je het boek gelegd?
  • Eup trempavy folarra mimpit?   Welk boek wil ze lezen?
  • Ef baby arkette mitulanis?   Waarom huilt de baby?
De steller van deze vragen verwacht als antwoord een element (woord, zinsdeel, gehele zin) dat - semantisch gezien - de plaats van het vrag.vnw. of het vraagsuffix kan innemen, en dat de informatie bevat die VS wil weten. Ook nu weer zijn er talloze antwoorden mogelijk die buiten het verwachtingspatroon van VS vallen (en dan meestal niet als adequaat antwoord opgevat worden).

150.37

Informatievragen bevatten altijd een vrag.vnw. of vraagsuffix dat op de een of andere manier refereert aan een entiteit, kwantiteit, plaatsbepaling, richtingsbepaling, tijdsbepaling, of bepaling van wijze of reden, zodanig, dat deze referentie door AG gespecificeerd dient te worden.
De meeste vrag.vnw.n kennen een equivalent in de vorm van een vraagsuffix (maar er zijn geen vraagsuffixen zonder bijbehorend vrag.vnw.). De vraagsuffixen zijn, diachronisch gezien, gereduceerde en gecliticizeerde vormen van de vrag.vnw.n. Vrag.vnw.n staan in de hoedanigheid van subject, object, echo of secundaire bep. altijd op de positie die voor zulke syntactische functies gereserveerd is. Een (zinsdeel met een) vrag.vnw. staat dus niet per se aan het begin van de zin, zoals in het Nederlands. Bijvoorbeeld:

  • Jān prate hojelka helkara Nelandes? = Jān pratelka helkara Nelandes?
    Wanneer vertrekt Jān naar Nederland?
Het vrag.vnw. hojelka (wanneer) staat direct achter het werkw., want een tijdsbepaling die als antwoord zou kunnen dienen staat daar in principe ook:
  • Jān prate mas helkara Nelandes.
    Jān vertrekt morgen naar Nederland.
150.38

Het vrag.vnw. lomp (wie) en het zinsdeel met folarra (welk) zijn in de volgende voorbeelden objecten, dus staan ze op de objectpositie:

  • Do méte hols lomp?   Wie ontmoet hij morgen?
  • Tu folarra mimpit trempe?   Welk boek heb je gelezen?
In het Spokaans dient de woordvolgorde dus niet om aan te geven dat we met een vraag te doen hebben (in het Nederlands is de vooropplaatsing van wie en welk een duidelijke indicatie, afgezien van de intonatie en interpunctie).

150.39

Omdat vrag.vnw.n in het Nederlands (en andere Europese talen) altijd op een initiėle positie staan, wordt het principe van "subject vóór object" doorbroken, wat leidt tot ambiguļteit. Zin 1. is ambigu, maar zodra Piet vervangen wordt door een pers.vnw. en we moeten een keuze tussen de Nominatief hij of de Accusatief hem maken, is de ambiguļteit opgeheven:

  1. Wie heeft Jān in het water gegooid?
    = a. Wie heeft hij in het water gegooid?
    = b. Wie heeft hem in het water gegooid?
In zinnen waar een onderscheid Nominatief ~ Accusatief geen rol kan spelen (omdat er geen pers.vnw.n aanwezig zijn) kan de ambiguļteit opgeheven worden door voor een passiefconstructie te kiezen. Vraag 1. valt dan uiteen in:
  1. a. Wie is er door Jān in het water gegooid? (vgl. 1a.)
    b. Door wie is Jān in het water gegooid? (vgl. 1b.)
150.40

Omdat vrag.vnw.n in het Spokaans altijd op hun oorspronkelijke positie staan, bestaat een ambiguļteit als in zin 1. niet:

  • Jān koldro lomp fes ef knurfel?   JānS gooide wieO in het water?
  • Lomp koldro Jān fes ef knurfel?   WieS gooide JānO in het water?
Passiefconstructies analoog aan zin 2. zijn in het Spokaans dus niet nodig.

150.41

De vragende vnw.n worden gerekend tot de pronominale groep van grammaticale voornaamwoorden. Hiertoe behoren ook de betrekkelijke vnw.n (zie Hoofdstuk 122). Een deel van de vrag.vnw.n is "substantiefvervangend", zoals lomp (wie). Voorts is een deel "lidwoordvervangend", zoals folarra (welke) of kolpert (hoeveel). En ten slotte zijn er vrag.vnw.n die "constituentvervangend" genoemd kunnen worden, zoals hojelka (wanneer). Om te voorkomen dat de categorie van vrag.vnw.n in drie subcategorieėn uiteen zal vallen, is het zinvol om de pronominale groep van "grammaticale vnw.n" te accepteren, hoewel de groepen "substantiefvervangend" en "lidwoordvervangend" ook reeds bestaan. Kojen-Pōt en Nōrbert Kerido-Ploema geven er echter de voorkeur aan om de grammaticale groep niet te erkennen, waardoor de vrag.vnw.n in drie subgroepen uiteen vallen. Noot 1

      Noot 1 Bij afwezigheid van de "grammaticale groep" moeten ook de betr.vnw.n elders ondergebracht worden. Kojen-Pōt en Kerido-Ploema rekenen de betr.vnw.n dan ook tot de "substantiefvervangende" vnw.n.

150.42

Vraagsuffixen en Vragende Voornaamwoorden
suffixzelfstandigonafhankelijk 
  basisvormgenitief 
 
-enniy
-ynnā
-ompiy
×
-upe
×
-ompiy
×
-
-
 
fesenn
mipenn
lomp
°
-
-
-
-
 
-
-
-
kolpert
folarra
lompol
folarkluft
 
fesenner
mipenner
lomper

-
-
-
-
personen
naar wie
van wie vandaan
wie
hoeveel
welke
wie van de
wat voor een
 
-enniy
-ynnā
-atéf
×
-upe
×
-atéf
×
-
-
 
fesenn/’rhenn
mipenn
kluft
°
-
-
-
-
 
-
-
-
kolpert
folarra
kolpol
folarkluft
 
fesenn’r
mipenn’r
kluftec’r

-
-
-
-
zaken/dieren
waarheen
waarvandaan
wat; wie
hoeveel
welke
welk van de
wat voor een
 
-elka
-’ra

-
-anis
-ecco
-ótā

-
-
 
hojelka
’r
’riy
mitulanis/brā
kol
pertót
aršiyg
kol-vrōk/kol-wys
 
-
-
-
-
-
-
-
-
 
-
’rc’r
-
-
-
-
-
-
overige relaties
wanneer
waar
(prepositioneel)
waarom; waardoor
hoe
hoevaak
in hoeverre; in welke mate
op welke wijze

×  Alleen in actieve zin als object bevraagd wordt.
°Van kluft en lomp bestaan de archaļsche resultatieven kluffte en lommpe; deze worden niet meer gebruikt (een speciale res.-vorm van vrag.vnw.n bestaat in modern Spokaans dus niet).

150.43

Veel vrag.vnw.n kennen een equivalent in de vorm van een vraagsuffix. Dit suffix komt achter de gramst. van het hoofdwerkw., zodat een passieve markering onmogelijk is (die moet immers óók aan het hoofdwerkw. gehecht worden). Is een hulpwerkw. afwezig, dan moet ook het tijdsuffix aan het hoofdwerkw. gehecht worden, wat onmogelijk is als er reeds een vraagsuffix staat.
Daarom worden de vraagsuffixen bij voorkeur gebruikt als er een neutrale tijd in de actieve vorm (subject = kern) moet worden uitgedrukt. Bij andere tijdsvormen is zo'n suffix mogelijk als de tijd uit de context blijkt. Een zin als Vikter zār’ra ber Minde? zal dus primair begrepen worden als "Waar in Minde woont Vikter?". Willen we een definitieve tijd uitdrukken (omdat we weten dat Vikter nu niet meer in Minde woont), dan moet een vrag.vnw. gebruikt worden: Vikter zāra ’r ber Minde? (Waar in Minde heeft Vikter gewoond?). Bij trans.ww.n is natuurlijk aan de positie van het object te zien met wat voor tijd we te doen hebben:

  • Vikter pilt’ra ef mimpit? ~ Vikter ef mimpit pilt’ra?
    Waar legt Vikter het boek? ~ Waar heeft Vikter het boek gelegd?
In passieve constructies kan alleen een vrag.vnw. worden gebruikt:
  • Ef mimpits pildelije blul ’r hitšo? ~ Ų
    Waar worden de boeken gewoonlijk gelegd?
150.44

Als er een hulpwerkw. aanwezig is, draagt deze het tijdsuffix, zodat de tijd ook in constructies met een vraagsuffix uitgedrukt kan worden:

  • Vikter probara beri pilt’ra ef mimpit?
    Waar heeft Vikter het boek willen leggen?
  • Tu perko beri inutenniy?
    Waar moest jij naar toe rennen?
150.45

Voorbeelden van zelfstandig gebruikte vrag.vnw.n en equivalente vraagsuffixen:

  • Tu inua mipenn? = Tu inutynna? Noot 1
    Van wie ben je vandaan gerend?; Waar ben je vandaan gerend?
  • Dena somp sōlše fesenn/’rhenn? = Dena somp sōlsenniy? Noot 1
    Waar trekt deze stoet heen?
  • Lomp c’rtiravy kelt gress?
    Wie wil mij straks helpen?
  • Do c’rtire mas lomp? = Do c’rtirompiy mas?
    Wie helpt hij morgen?
  • Eup farte kusama lef lomp?
    Met wie loopt zij daar?
  • Kluft melde fes ef quiyrda lelmo tof?
    Wat staat er vandaag in de krant?
  • Kluft helderte ta pip ef lilt-terat tof?
    Wie (= welke hond) blaft daar nu al de hele dag?
  • Tu ytende beri paine kluft? = Tu ytende beri painatéf?
    Wat ben je van plan te doen?
  • Tu sener oto garage ’r? = Tu sener oto garag’ra?
    Waar heb je je auto geparkeerd?
  • Gress nert reppe pertót, tu perkelira beri hantre ef argerat? =
    = Gress nert reppóta, tu perkelira beri hantre ef argerat?

    Hoe vaak heb ik niet gezegd dat je de deur op slot moet doen?
  • Tu paine kol [ef]? = Tu painecco [ef]? Noot 2
    Hoe doe jij het?
  1. Fit pert belt-'jans farte lef sener pet-grydes lo furtablefa mitulanis? =
    = Fit pert belt-'jans fartanis lef sener pet-grydes lo furtablefa?

    Waarom lopen zoveel jongetjes met de klep van hun pet achterstevoren?
  2. Ef menester melde preazy jazy aršiyg?
    In hoeverre heeft de minister eigenlijk gelijk?
      Noot 1 Mipenn, fesenn en ’rhenn zijn samentrekkingen van resp. mip (uit), fes (in) en ’r (waar), met hennā (daarheen).

      Noot 2 In de idiomatische uitdrukking tu farte kol? (hoe maak je het?) kan het vrag.vnw. kol niet door een suffix vervangen worden: tu fartecco heeft dus alleen de letterlijke betekenis "hoe loop je?". In snelle spreektaal klinkt tu farte kol als [tufaRtekō], en in wat nadrukkelijker taalgebruik verschuift het accent naar de laatste syllabe:[tufaRteko:]. Daarentegen klinkt tu fartecco altijd als [tufaRte:kō]. Er is dus in alle gevallen een verschil in geaccentueerde syllabe.

150.46

Bij voorbeeld 1. verdient de constructie met het vraagsuffix de voorkeur, want het vrag.vnw. mitulanis staat vanwege de lengte van de zin zo ver naar achter dat het bij het produceren van deze zin te lang duurt voordat AG in de gaten heeft dat er een vraag gesteld wordt. In § 93.77 is uitgelegd dat een additief soms naar voren gehaald mag worden (linkse dislocatie). Dat geldt ook voor vrag.vnw.n, en daarom is de volgende variant veel beter:

  1. Mitulanis fit pert belt-'jans farte lef sener pet-grydes lo furtablefa?
Ook in voorbeeld 2. lijkt het natuurlijker om het vrag.vnw. geheel naar voren te halen:
  1. Aršiyg ef menester melde preazy jazy?
Hier is het niet zozeer de lengte van de zin, als wel de semantische relevantie van het vrag.vnw., dat linkse dislocatie rechtvaardigt. Het vrag.vnw. aršiyg (in hoeverre) is minder gebruikelijk, en semantisch "zwaarder" dan het algemene semantisch neutrale vrag.vnw. mitulanis (waarom). Om extra aandacht te vragen voor dit bijzondere vrag.vnw. is het beter om het vooraan de zin te plaatsen, in plaats van te wachten tot aan het einde van de vraag, als de toehoorders in hun gedachte misschien zelf de zin al aangevuld hebben met mitulanis.

150.47

Het vrag.vnw. lomp (wie) kan goed gecombineerd worden met een verbale afleiding van een pers.vnw. (zie § 71.??). De volgende vormen zijn synoniem:

  • Ef melde lomp? = Lomp doere?   Wie is dat? (als het een man betreft)
  • Ef melde lomp? = Lomp eppere?   Wie is dat? (als het een vrouw betreft)
  • Ef melde lomp? = Lomp ópsene?   Wie zijn dat? (als het meerdere personen betreft)
Omdat in de melde-constructies lomp telkens als een obj. optreedt, kan het vervangen worden door een vraagsx.: Ef meltompiy?. Bij de verbaliseringen treedt lomp echter als subject (= zinskern) op.

150.48

In een aantal, min of meer geļdiomatiseerde, gevallen worden kluft en -atéf met "hoe" vertaald:

  • Tu pe kluft?   Hoe heet je?
  • Gert quanka melde kluft?   Hoe is uw naam?
  • Ef gifiy meltatéf?   Hoe/wat is de stand? (bij puntentelling ed.)
  • Ef kloppa reppatéf? Noot 1   Hoe laat is het? (lett. "Wat zegt de klok?")
Deze uitdrukkingen zijn zo bevroren dat het gebruik van hetzij kluft, hetzij -atéf vastligt: we kunnen de een niet door de ander vervangen. Alleen de alternatieve constructie Ef gifiy melde kluft? (Hoe/wat is de stand?) is als minder correct Spokaans nog acceptabel.

      Noot 1 Een equivalente uitdrukking is: Folarra zurt melde? (lett. "Welk uur is [het]?"), zie ook § 171.??.

150.49

De combinatie van een voorz. + kluft (wat) wordt in het Nederlands meestal vertaald met waar + voorz.:

  • Óps melde fes mōntyos lef kluft?
    Met wat hebben ze problemen?; Waarmee hebben ze problemen?; Waar hebben ze problemen mee?
  • Tu feldre kaf kluft?
    Waar zit je op?
  • G’rs cūnšiyte tukst kluft?
    Tot wat bent u bereid?; Waartoe bent u bereid?
150.50

In plaats van de - theoretisch mogelijke - richtings-uitdrukkingen uit Kolom 1 worden meestal de alternatieven uit Kolom 2 gebruikt:

    Kolom 1
    helkara kluft
    helkara lomp  
    rifonn kluft
    rifonn lomp
 
naar wat; waarheen
naar wie [toe]
van wat vandaan; waarvandaan  
van wie vandaan
Kolom 2
fesenn, ’rhenn, -enniy
fesenn, -enniy
mipenn, -ynnā
mipenn, -ynnā
150.51

De omschrijvingen uit Kolom 1 zijn alleen acceptabel als er een expliciet onderscheid gemaakt moet worden tussen "personen" enerzijds en "zaken/dieren" anderzijds: in Kolom 1 wordt dit onderscheid immers uitgedrukt door de oppositie lomp ~ kluft. In Kolom 2 bestaat alleen een expliciete uitdrukking voor "zaken/dieren" bij het vrag.vnw. ’rhenn (waarheen), dat nooit aan personen kan refereren.
De omschrijvingen in Kolom 1 komen we verder soms tegen in teksten waarin kinderlijke spreektaal uitgedrukt moet worden, bijvoorbeeld:

  • Ef dyne linne: "Mem, kirro farte ral helkara kluft?". Noot 1
    De kleuter vraagt: "Mamma, waar lopen we nou naar toe?"
      Noot 1 Let op de interpunctie: in de Spokanische typografie is het gebruikelijk om de gehele zin af te sluiten met een punt, ook als er reeds een vraagteken in de geciteerde vraag staat.

150.52

Ten slotte zijn de omschrijvingen in Kolom 1 bruikbaar als er sprake is van een concrete betekenis waarin de richtingsbepalingen helkara of rifonn sterk emfatisch of contrastief gebruikt worden. Dit komt feitelijk alleen voor bij indirecte vragen, zoals:

  • Gress nert linne, do arfināt helkara kluft, tur iftam do ventāt rifonn kluft.
    Ik vraag niet waar hij héén gaat, maar waar hij vandįįn komt.
150.53

De omschrijvingen in Kolom 1 kunnen echter nóóit gebruikt worden als de uitdrukking van richting overdrachtelijk is, zoals in:

  • Kirro ventūs ’rhenn lef tem cradef péršiytōcs? ~
    ~ * Kirro ventūs helkara kluft lef tem cradef péršiytōcs?

    Waar moet dat naar toe met al die criminaliteit?
    (lett. "Waar moeten we heen gaan met ...")
150.54

Bijzondere aandacht verdient het zelfstandige vrag.vnw. ’riy dat een voorzetsel (of voorz.-bepaling) bevraagt, en in bijna geen enkele andere taal een equivalent heeft; ook in het Nederlands moeten we ons behelpen met een omschrijving. Ÿriy staat in een vraagzin op de plaats waar in het antwoord het voor VS onbekende voorzetsel komt:

  • Ef mimpit melde ’riy ef kelbra? Noot 1
    Het boek ligt ?? de tafel?
    ("wat is de positie van het boek met betrekking tot de tafel?")
Het antwoord kan dus zijn:
  • Ef mimpit melde kaf/kusamat/zjoba/fes ef lurgiy rifo/... ef kelbra.
    Het boek ligt op/naast/onder/in het midden van/... de tafel.
      Noot 1 Verwar ’riy niet met de genitief ’rc’r in een zin als:
  • Ef mimpit melde ’rc’r kelbra?   Waar staat de tafel waarop het boek ligt?
Zie hiervoor § 150.69-73.

150.55

Hoewel ’riy etymologisch verwant is met de positie-vrager ’r (waar), kan ’riy ook aan andere voorz.s dan plaatsbepalingen refereren:

  • Tu vende ’riy sener tubōs helkara ef dokerat? Noot 1
    Ga jij ?? je vrouw naar de bioscoop? =
    = Ga je met of zonder je vrouw naar de bioscoop?
  • Gress k'mameltāt ’riy dur zurt ur holfe?
    Moet ik ?? half vier aanwezig zijn? =
    = Wanneer omstreeks half vier moet ik aanwezig zijn?
Mogelijke antwoorden:
  • Gress vende lef/šōnosef/š’m/lóf ’rfla'os rifo/... sener tubōs helkara ef dokerat.
    Ik ga met/samen.met/zonder/onder.begeleiding.van/... mijn vrouw naar de bioscoop.
  • G’rs k'mameltāt futtof/kest/mintof/qubājo dur zurt ur holfe.
    U moet vóór/om/na/omstreeks half vier aanwezig zijn.
      Noot 1 Binnen de context van deze zin zijn feitelijk maar twee antwoorden mogelijk: "met" of "zonder". Omdat deze voorz.s elkaars antoniemen zijn, krijgt het vrag.vnw. ’riy hier het karakter van een ideoantoniem. Let op de analoge constructie:
  • VS:   Aftel do melde bōlf?   Is hij groot‡klein?
  • AG:   Do melde hupster/belt.   Hij is groot/klein.
Het add. bōlf bevat de beide antoniemen "groot" en "klein", en door dit add. in een vraagzin te gebruiken, wordt gevraagd welke van de antoniemen het juiste antwoord is. Analoog: het vrag.vnw. c’riy bevat (in dit voorbeeld) de beide antoniemen "met" en "zonder", en in het antwoord moet een van beide antoniemen als "waar" gekozen worden. Meer over ideoantoniemen in Hoofdstuk 161.

150.56

Als VS verwacht dat het antwoord een voorz. zal bevatten dat een resultatief vereist, mag ook in de vraag een resultatief op ’riy volgen. Dit geldt met name als richting-aangevende voorz.s bevraagd worden, want die vereisen vrijwel altijd een resultatief (zie Blok 140.??). Een antwoord waarin een voorz. gebruikt wordt dat géén resultatief vereist, wordt in dat geval niet adequaat gevonden. Vergelijk:

  • VS:
    AG:  
     
     
Ef chat jumpetece ’riy ef kelbrae?   Springt de kat ?? de tafel?
a. Ef chat jumpetece rempe ef kelbrae.
b. ? Ef chat jumpetece rifonn ef kelbra.
De kat springt van de tafel af.
Rempe en rifonn zijn synoniem, maar rifonn in antwoord b. is minder correct, omdat kelbra hier geen resultatiefvorm krijgt (wat in de vraag gesuggereerd werd).

150.57

Een aantal richting-aangevende voorz.s kennen echter geen resultatief-vereisende variant. In dat geval is een resultatiefloos antwoord acceptabel:

  • VS:
    AG:  
Ef oto fsiyka ’riy ef barerae?   Is de auto ?? het hek geschoten?
Ef fsiyka lagitofot ef.   Hij is eronderdoor geschoten.
150.58

In bovenstaande voorbeelden is geļllustreerd hoe VS moet anticiperen op het antwoord om zelf reeds al dan niet voor een resultatiefvorm te kiezen. Iets dergelijks geldt voor het niveau van een pers.vnw. Sommige voorz.s kunnen alleen door een pers.vnw. 1n of 2n gevolgd worden, en VS kan dat incalculeren:

  • VS:
     
     
    AG:  
     
     
a. Ef oto fsiyka ’riy ef?   (ef = 1n; § 70.??)
b. Ef oto fsiyka ’riy lelp?   (lelp = 2n; § 70.??)
Is de auto er?? geschoten?
a. Ef fsiyka fesducupp ef.
    Hij is er dwars doorheen geschoten.
b. Ef fsiyka ne'āma loiyniy lelp.
    Hij is alleen maar in de richting ervan geschoten.

150.59

Vraag a. hierboven is neutraal wat betreft 1e of 2e niveau. Zowel antwoord a. als antwoord b. zijn dan adequaat. Vraag b. is echter gemarkeerd: VS kiest expliciet voor het pers.vnw.2n lelp (het), en geeft dus een indicatie dat hij met ’riy een voorz. bevraagt dat een 2e niveau vereist. In dat geval is antwoord b. adequaat (loiniy (in de richting van) vereist een 2e niveau), maar antwoord a. is dat eigenlijk niet, al zal AG geen andere keus hebben, omdat voorz.s nooit een synoniem kennen met een ander niveau (dit in tegenstelling met de synoniemparen die er bestaan als we al dan niet voor een resultatief willen kiezen).

150.60

Een zelfstandig vrag.vnw. kan vaak ook op afhankelijke wijze gebruikt worden. Dit is algemeen bij kol (hoe), maar gebeurt soms ook bij andere vrag.vnw.n. Ook de equivalente vraagsuffixen passen in zo'n afhankelijke constructie (mits deze actief is). Vergelijk het zelfstandige gebruik in a. met het afhankelijke gebruik in b.:

  1. Elsa hūche ef mōntyos kol? = Elsa hūchecco ef mōntyos?
    Hoe lost Elsa het probleem op?
  2. Elsa melde kol šyss? = Elsa meltecco šyss?
    Hoe oud is Elsa?
  3. Do zāro kol liyrs ber Minde? = Do zārecco liyrs ber Minde?
    Hoe lang heeft hij in Minde gewoond?
  1. Ef mimpits melde ’r? = Ef mimpits melt’ra?
    Waar liggen de boeken?
  2. Ef mimpits melde ’r kaf ef kelbra? = Ef mimpits melt’ra kaf ef kelbra?
    Waar op tafel liggen de boeken?
  3. Do zāre ’r flame kusami? = Do zār’ra flame kusami?
    Waar woont hij hier ergens?
150.61

Voorbeelden van afhankelijk gebruikte vrag.vnw.n (met een "lidwoordvervangend" karakter):

  • Lompol stūdents ef mimpit kuntiyre?
    Wie van de studenten heeft het boek gestolen?
  • Do lompol stūdents c’rtire furt ef exām?
    Wie van de studenten heeft hij geholpen bij het examen?
  • Eup heltara strā kolpol boerts?
    Welke/wie van de koeien heeft ze nog niet gemolken?
  • Vilt follus melde c’rl’o folarkluft merater?
    Wat voor een man is jouw vader eigenlijk?
  • Óps ketta pramt fes kolpert mikar én xog kōtagja?
    In hoeveel dure, afgelegen landhuizen hebben ze ingebroken?
150.62

De afhankelijke vrag.vnw.n kolpert (hoeveel) en folarra (welke) kunnen in een actieve zin vervangen worden door een vraagsuffix, als het object bevraagd wordt. In dat geval moet het bijbehorende subst. door het bep.lw. ef gemarkeerd worden (in de volgende voorbeelden verduidelijkt met vet). Constructies met zulke afhankelijke vraagsuffixen zijn in zoverre opmerkelijk, dat er een syntactische binding bestaat tussen predikaat en suffix, maar een semantische binding tussen suffix en object. Vergelijk:

  • Do byte folarra efanty? = Do bytompiy ef efanty?
    Welk kind slaat hij?
  • Ef mōjōla prelde kolpert mosjeusz fes 1922? =
    = Ef mōjōla preltupe ef mosjeusz fes 1922?

    Hoeveel vrouwen heeft de molenaar in 1922 verkracht?
  • Tu axūs folarra vilduls? = Tu perke beri axatéf ef vilduls? Noot 1
    Welke bomen moeten jullie omhakken?
  • Tu lelperre kolpert mindefit cirrōs? = Tu lelperrupe ef mindefit cirrōs?
    Hoeveel rode knikkers heb jij?
Het gebruik van -ompiy, -atéf en -upe, als zij een semantische band met het object hebben, komen we voornamelijk in de schrijftaal tegen. In de spreektaal wordt de voorkeur aan een afhankelijk gebruikt vrag.vnw. gegeven.

      Noot 1 Het modale suffix -ūs (moeten) wordt door het hulpwerkw. perke vervangen als het vraagsuffix -atéf aangehecht moet worden. Het is onmogelijk om de twee suffixen tegelijkertijd aan te hechten. Zie ook § 110.??.

150.63

Om de semantische band tussen suffix en object zo veel mogelijk tot uitdrukking te laten komen, is het gewenst om het object onmiddellijk achter het gesuffigeerde werkw. te hebben. Dat kan alleen in de neutrale tijd, als er bovendien geen extra constituenten tussen werkw. en object staan. De volgende zinnen zijn daarom niet erg correct, volgens velen zelfs ongrammaticaal (vergelijk de voorbeelden in de vorige paragraaf):

  1. Do folarra efanty byte? ~ ?* Do ef efanty bytompiy?
    Welk kind heeft hij geslagen?
  2. Ef mōjōla kolpert mosjeusz prelde? ~ * Ef mōjōla ef mosjeusz preltupe?
    Hoeveel vrouwen heeft de molenaar verkracht?
  3. Tu axūs mas folarra vilduls? ~ ? Tu perke beri axatéf mas ef vilduls? Noot 1
    Welke bomen moeten jullie morgen omhakken?
  4. Lelperre mas tu kolpert mindefit cirrōs? ~
    ~ * Lelperrupe mas tu ef mindefit cirrōs?

    Hoeveel rode knikkers zal jij morgen hebben?
      Noot 1 In § 93.??-?? is besproken hoe pred.add.n ook aan de periferie van een zin mogen verschijnen. Door mas op deze wijze te verplaatsen blijft de band tussen suffix en object behouden (deze band is door onderstreping gevisualiseerd):
  • ? Tu perke beri axatéf mas ef vilduls? >
    > Mas tu perke beri axatéf ef vilduls?
    > Tu perke beri axatéf ef vilduls mas?
150.64

Merk op dat de zin met het vraagsuffix in 1. voor veel Spokaniėrs nog enigszins acceptabel lijkt (gemarkeerd met ?*), terwijl die in 2. algemeen afgekeurd wordt (symbool: *). Dit verschil in grammaticaliteit kan toegeschreven worden aan het feit dat -ompiy in een veel ruimere omgeving gebruikt wordt dan -upe, omdat -ompiy ook zelfstandig in de betekenis van "wie" kan voorkomen. Vergelijk:

  • Eup c’rtirompiy? ~ Eup c’rtirompiy ef ’ksanera?
    Wie helpt zij? ~ Welke buurvrouw helpt zij?
150.65

Hetzelfde geldt voor -atéf: in 3. is de constructie met dit suffix gemarkeerd als "eventueel nog acceptabel" (symbool: ?), terwijl het gebruik van -upe in 4. hoe dan ook ongrammaticaal is. Evenals -ompiy, kan -atéf ook zelfstandig voorkomen:

  • Ef mingatra tundaratéf hols? ~ Ef mingatra tundaratéf ef vasa hols?
    Wat heeft de werkster gisteren gebroken? ~ Welke vaas heeft de werkster gisteren gebroken?
Populair gezegd: het gebruik van -ompiy en -atéf wordt minder snel als ongrammaticaal gevoeld omdat men aan deze suffixen meer "gewend" is dan aan -upe.

150.66

Een vraagsuffix kan nooit aan een passiefsuffix gekoppeld worden, zodat er in passieve zinnen alleen vrag.vnw.n mogelijk zijn:

  • Folarra efanty bytalije blul?
    Welk kind is er geslagen?
  • Folarra efanty bytalije pai do?
    Welk kind is er door hem geslagen?
  • Ef mosjeusz preldalije pai folarra mōjōla?
    Door welke molenaar zijn de vrouwen verkracht?
150.67

Van fesenn (naar wie; waarheen), mipenn (van wie vandaan; waarvandaan), lomp (wie), kluft (wat) en ’r (waar) bestaan de volgende genitiefvormen:

    lomp
    kluft
    fesenn
     
    mipenn 
     
    ’r
> lomper
> kluftec’r
> fesenner
> fesenn’r
> mipenner
> mipenn’r  
> ’rc’r
van wie; wiens; wier
van wat; waarvan
naar .. van wie; naar wiens; naar wier
naar .. van wat; naar .. waarvan
van .. van wie vandaan; van wiens/wier .. vandaan
van .. van wat vandaan; van .. waarvan vandaan
welk (accent op de plaats waar iets zich bevindt)
Genitieven die refereren aan een persoon, eindigen op -er, als ze aan zaken of dieren refereren, eindigen ze op ..’r Noot 1.

      Noot 1 De uitgang ..’r is een gereduceerde variant van het genitiefsuffix -ec’r, zoals besproken in § 60.18.

150.68

Omdat het Nederlands zulke genitiefvormen mist (behalve wie > wiens, wier), is vaak een wat vrije vertaling noodzakelijk. Voorbeelden:

  • Lomper oto melde mesā?
    Wiens/wier auto is groen?
  • Eup lorertavy lomper oto?
    Wiens/wier auto wil zij kopen?
  • Kluftec’r decs melde?
    Waar is dit deksel van?
  • Lena kuntiyro kluftec’r qu’e-trōchā?
    Waarvan (= van welke auto) heeft Lena het reservewiel gestolen?
  • Ef nertflecs gesvinte fesenner sért?
    Naar wiens huis snelt de brandweer?
  • Tu arfine mipenner sért?
    Van wiens huis kom je vandaan?
  • Kirro njebope fesenn’r port?
    Naar de haven van welke plaats varen we?
    (lett. "waarheens haven")
  • Do melde mipenn’r keldus?
    Van de boerderij in welke plaats is hij afkomstig?
    (lett. "waarvandaans boerderij")
150.69

De genitief van ’r (waar) is lastig in het Nederlands over te zetten. Vergelijk:

  1. Ef oto melde ’rc’r garage-s’rt?
    Op welk parkeerterrein staat de auto?; Waar ligt het parkeerterrein waar de auto staat? (lett. "waars parkeerterrein")
  2. Ef oto melde kaf folarra garage-s’rt?
    Op welk parkeerterrein staat de auto?
De genitiefconstructie ’rc’r garage-s’rt, waarbij de locatie van een parkeerterrein wordt bevraagd, is geheel parallel aan een genitief als lomper garage-s’rt (wiens parkeerterrein), waarbij de eigenaar van een parkeerterrein wordt bevraagd.
In zin 1. verwacht VS dat AG een locatie opgeeft waarmee het parkeerterrein geļdentificeerd kan worden. Een antwoord als "Op het parkeerterrein van de Grote Markt", of kortweg "Op de Grote Markt" is dus een adequaat antwoord, maar een antwoord als "Op het parkeerterrein met de drie kastanjes" is dat niet.
Als VS vraag 2. stelt, neemt hij genoegen met elk antwoord dat een indicatie bevat waarmee hij het relevante parkeerterrein kan identificeren. Als AG antwoordt: "Op het parkeerterrein met de drie kastanjes", is dit dus adequaat.

150.70

Let op dat ’rc’r + subst. een eenheid vormt die syntactisch equivalent is aan ’r (waar):

  • Ef mimpit zirde ’r? ~ Ef mimpit zirde ’rc’r kelbra?
    Waar ligt het boek? ~ Op welke tafel ligt het boek? (= de tafel die waar? staat)
Hier vinden we dus precies dezelfde parallelliteit als bij andere genitiefconstructies, bijvoorbeeld:
  • Do idequppe lomp? ~ Do idequppe lomper frint?
    Wie belazert hij? ~ Wiens vriend belazert hij?
150.71

We moeten de volgende twee constructies goed uit elkaar houden: Noot 1

  1. Ef mimpit melde ’rc’r fselk?   In welke la ligt het boek?
  2. Ef mimpit melde ’r fes ef fselk?   Waar in de la ligt het boek?
In zin 1. wordt de locatie van de la bevraagd. Een antwoord als "De derde la van de kast daar in de hoek" is adequaat, maar antwoorden als "De la met dat blauwe etiketje" of "Onder die doos" zijn dat niet. In zin 2. wordt de locatie van het boek bevraagd; het boek ligt in een la, maar de juiste plek aldaar is niet bekend. Antwoorden als "Onder die doos" of "In het midden van de la" zijn adequaat (mits die doos in bedoelde la ligt), maar antwoorden als "De derde la van boven" of "De la met dat blauwe etiketje" zijn dat niet.

      Noot 1 Het is nuttig om nog aan een derde constructie te denken:
  • Ef mimpit melde ’riy ef fselk?   Het boek ligt ?? de la?
Hier wordt naar het voorz. geļnformeerd dat de locatieve relatie tussen het boek en de la uitdrukt (§ 150.54). Mogelijke antwoorden op deze open vraag zijn:
  • Ef mimpit melde fes/furtfes/bleffes/kelārfes/fes ef lurgiy rifo/kusamat ef fselk.
    Het boek ligt in/voorin/achterin/onderin/in het midden van/naast de la.
150.72

In slordig taalgebruik komen we wel eens een contaminatie van constructies als 1. en 2. in de vorige paragraaf tegen:

  1. * Ef mimpit melde ’rc’r fes ef fselk?
  2. * Ef mimpit melde fes ’rc’r fselk?
Foutieve zinnen als 3. en 4. staan meestal in de plaats van een goede zin als 2.: er wordt dus naar een plek in de la gevraagd, en niet naar de plek waar die la zich bevindt. Onderzoek door Parō Mesā-Xeelm & Florez (1981; The linguistic feeling of Spocanians) heeft echter uitgewezen dat een zin als 4. door sommigen opgevat wordt als equivalent aan 1. Deze verkeerde interpretatie is goed mogelijk als het voorz. qua betekenis overeenkomt met de positiebepaling die in de genitief ’rc’r besloten ligt: in 4. ligt het boek in de la, en de la zit in een kast.

150.73

Als er sprake is van een voorz. dat qua betekenis niet overeenkomt met de positiebepaling die in ’rc’r besloten ligt, zal de verwarring die er tussen 4. en 1. hierboven bestaat niet zo gauw optreden; alleen de verwarring tussen 4. en 2. blijft dan over. Vergelijk 5. en 6. met de foutieve contaminaties 7. en 8.:

  1. Ef mimpit zirde ’rc’r kelbra?   Op welke tafel ligt het boek?
  2. Ef mimpit zirde ’r kaf ef kelbra?   Waar op tafel ligt het boek?

  3. * Ef mimpit zirde ’rc’r kaf ef kelbra?
  4. * Ef mimpit zirde kaf ’rc’r kelbra?
De foutieve zinnen 7. en 8. staan hier primair in de plaats van de goede zin 6.: er wordt naar een plek op de tafel gevraagd, en niet naar de plek waar die tafel staat. Omdat het meer voor de hand ligt dat de locatie van de tafel met een voorz. als "in" kan worden omschreven dan met "op", zal 8. (waarin kaf (op) voorkomt) niet zo gemakkelijk als equivalent van 5. opgevat worden, waarin ’rc’r een positiebepaling met "in" uitlokt.

150.74

In tegenstelling tot bijvoorbeeld het Nederlands, maakt het Spokaans niet graag vraagconstructies met twee vrag.vnw.n, in de trant van "wie heeft welk boek gelezen?". Indien mogelijk, worden zulke constructies in het Spokaans opgevangen met een constructie waarin een vrag.vnw. gecombineerd wordt met een vraagsuffix, bijvoorbeeld:

  • Lomp ef mimpit trempatéf?   Wie heeft welk boek gelezen?
Deze zin kent geen alternatief, zodanig dat het vrag.vnw. lomp door het vraagsuffix -ompiy wordt vervangen en het vraagsuffix -atéf door het vrag.vnw. folarra, want lomp is het subject en kent derhalve geen equivalent vraagsuffix.

150.75

Er zijn ook vraagzinnen mogelijk waarbij het vrag.vnw. en het vraagsuffix kunnen wisselen. VS moet nu een keus maken, en hij zal dan het vrag.vnw. gebruiken voor de primaire informatie die hij wil vernemen, en het vraagsuffix voor de secundaire informatie; vergelijk:

  1. Jān kluft lart’ra?   Wat heeft Jān waar gegeten?
  2. Jān lartatéf ’r?   Waar heeft Jān wat gegeten?
Als VS vraag a. produceert, wil hij primair weten wat Jān gegeten heeft, en secundair waar Jān gegeten heeft. In vraag b. is het net andersom.

150.76

Een aantal vrag.vnw.n missen een vraagsuffix als equivalent, zoals: lompol (wie van de); kolpol (welk van de); folarkluft (wat voor een); aršiyg (in hoeverre); en ook alle genitiefvormen. In dat geval staat het Spokaans een vraagzin met twee vrag.vnw.n toe, bijvoorbeeld:

  • Do lomper efantys mjocha ón folarkluft tjel?
    Wiens kinderen heeft hij aan wat voor een straf onderworpen?
150.77

In wat meer verzorgde schrijftaal wordt zo'n dubbel vrag.vnw. hoe dan ook vermeden, en kan de toevlucht genomen worden tot een nevenschikking, in de trant van:

  • Do lomper efantys mjocha ón eft tjel, ur folarkluft tjel melda?
    Wiens kinderen heeft hij aan een straf onderworpen, en wat voor een straf was dat?
150.78

De zelfstandige vrag.vnw.n uit Blok 150.42 kunnen ook geļsoleerd als vraag gebruikt worden, vaak als reactie op een onduidelijke of onvolledige mededeling (IN = initiėle informatie, gegeven door AG):

  • IN:
    VS:
    AG:  

  • IN:
    VS:
    AG:

  • IN:
     
    VS:
    AG:

  • IN:
    VS:
    AG:

  • IN:
    VS:
    AG:
     
Gress ef letra pōste pip.   Ik heb de brief al gepost.
Hojelka?   Wanneer?
Lāst gurt.   Vanochtend.

Tek lorertavy ef kleter attar.   Tek wil de nieuwe atlas kopen.
Fān lomp?   Voor wie?
Fānsiyn quandro.   Voor zichzelf.

Kirro sener zirrot-tupplip kaffane pip.
We hebben onze vakantiereis al besproken.
Fesenn?   Waarheen?
'Kara Canada.   Naar Canada.

Gress c’ralo beri tinde fesért.   Ik heb besloten om thuis te blijven.
Mitulanis?   Waarom? Noot 1
Janof ...   Omdat ...

Gress ef lorerda.   Ik heb 't gekocht.
Kluft? Noot 2   Wat?
Ef mimpit, gress tyralira hols.
Het boek waar ik het gisteren over had.

      Noot 1 Deze vraag is ambigu, want kan betekenen: i. "waarom heb je dat besloten?", of ii. "waarom blijf je thuis?". Deze ambiguļteit is op te heffen door het geļsoleerde vrag.vnw. uit te breiden met het relevante werkw., zodat we een echo-vraag krijgen in de trant van:
  1. Mitulanis c’ralo?   Waarom heb je dat besloten?
  2. Mitulanis tinde [fesért]?   Waarom wil je thuis blijven?
Zie verder § 150.?? voor echo-vragen, en § 131.?? voor elliptische constructies.

      Noot 2 Op West-Berref (districten Tjemp en Plefō) wordt in plaats van het geļsoleerde kluft meestal aftel gebruikt (uitgesproken als [ateL]; in Tjemp ook als [atä]). Zie ook § 150.7.

150.79

Ook de afhankelijke vrag.vnw.n uit Blok 150.42 kunnen geļsoleerd als vraag optreden. De basisvormen worden eventueel uitgebreid met het spoor tiyn[s] (ding[en]). Een dergelijke uitbreiding is bij de genitiefvormen zelfs verplicht:

  • IN:
     
    VS:
    AG:  

  • IN:
    VS:
    AG:
Kirro kleter lardanomit-ferdus lorerde.
We hebben nieuwe eetkamerstoelen gekocht.
Kolpert [tiyns]?   Hoeveel?
Sers [tiyns].   Zes [stuks].

Gress ef letra pōste pip.   Ik heb de brief al gepost.
Lomper tiyn?   Wiens/wier brief?
Jānex ef tiyn.   Die van Jān.

Het spoor tiyn wordt verder beschreven in § 132.??-??.

150.80

Geļsoleerde vrag.vnw.n zijn alleen correct als duidelijk is waarnaar er gevraagd wordt. De vragen in de volgende voorbeelden zijn ambigu en dienen daarom vermeden te worden:

  1. IN:
     
    VS:  

  2. IN:
    VS:
Gopirus ierqufs minker r’ses reve.
Enkele jagers hebben verscheidene reeėn neergeschoten.
? Kolpert [tiyns]?   Hoeveel?

Eup do idequppe.   Zij heeft hem belazerd.
? Lomp?   Wie?

150.81

In beide antwoorden dient een indicatie gegeven te worden waaraan het vrag.vnw. refereert: aan het subject of aan het object. In 1. ligt de disambiguerings-strategie voor de hand: het spoor wordt vervangen door de focus uit de initiėle zin:

  • Kolpert ierqufs?   Hoeveel jagers?
  • Kolpert r’ses?   Hoeveel reeėn? Noot 1
      Noot 1 Let op: zowel in de initiėle zin als in de vraag staat de resultatiefvorm r’ses, omdat het schieten de dood van de dieren tot gevolg heeft (§ 62.2). Het antwoord kan beschouwd worden als een elliptische variant van:
  • Kolpert r’ses revolije pai ef ierqufs?
    Hoeveel reeėn zijn er door de jagers doodgeschoten?
150.82

Deze strategie gaat bij het zelfstandige vrag.vnw. in 2. niet op. In dit geval kan VS kiezen voor een elliptische constructie waarin het werkw. wordt herhaald, hetzij in de actieve, hetzij in de passieve vorm:

  • Lomp idequppe?   Wie heeft belazerd? (refererend aan "zij")
  • Lomp idequppelije? Noot 1   Wie is er belazerd? (refererend aan "hem")
Eventueel kunnen de werkw.n vervangen worden door de sporen paine of painelije; zie hiervoor § 150.31.

      Noot 1 Dat dit een elliptische zin is, blijkt uit de afwezigheid van de determinant blul, die normaliter altijd voorkomt in passiefconstructies zonder agens (zie Hoofdstuk 91). Deze elliptische zin ligt ten grondslag aan: Lomp pai eup idequppelije?

150.83

Bijzonder frequent komen de geļsoleerde vrag.vnw.n voor in zogenoemde opinie-sequenties, zoals besproken in § 131.??-??. Omdat het in Spokaniė niet beleefd is om ongevraagd je mening over iets te geven, probeert degene die graag zijn mening te berde wil brengen, de tegenpartij tot een vraag te bewegen, waarop zodanig geantwoord kan worden dat er sprake is van een meningsuiting. Een concreet voorbeeld: Elsa gaat bij Petriy op bezoek en ziet dat hij een nieuwe bank heeft aangeschaft. Elsa vindt dat een hele chique bank en wil dat graag tegen Petriy zeggen. Een spontane reactie in de trant van:

  • Eft pirg bankres giffelira kusama!   Wat een chique bank staat daar!
wordt in Spokaniė niet op prijs gesteld, en zou bij Petriy de volgende reactie kunnen losmaken:
  • Tu reppe mittof mitulanis? Gress tiffe jazy, ef bankres meldelira pirg, brā kūf gress enn ef nert lorerdui. Noot 1
    Waarom zeg je dat? Ik weet best dat die bank chic is, want anders had ik hem niet gekocht.
      Noot 1 Voor de Conditionalis lorerdui, zie § 110.62.

150.84

Daarom moet Elsa voor een opinie-sequentie kiezen, bijvoorbeeld:

    Elsa:
     
    Petriy: 
    Elsa:
Eft kleter bankres! Aftel tu linne kost mefrā?
Een nieuwe bank! Vraag je mijn mening?
Kluft?   Wat?
Ef tiyn melde jazy terat pirg ki!   Hij is echt heel chic!
In deze context, waarin het evident is dat Elsa wil dat Petriy haar mening vraagt, kan hij volstaan met het geļsoleerde kluft? (wat?). Elke langere vraag zou de indruk wekken dat hij ook écht naar Elsa mening vraagt (wat hij niet van plan is te doen). Ook de andere uitspraken in deze sequentie kunnen een zeer elliptisch karakter krijgen, bijvoorbeeld:

    Elsa:
    Petriy: 
    Elsa:
Eft kleter bankres! Kost mefrā?   Een nieuwe bank! Mijn mening?
Kluft?   Wat?
Graviy pirg!   Ontzettend chic!
150.85

Zo'n sequentie van snelle, elliptische frases komt in Spokanische communicatie zo frequent voor, dat mening-gevers in een informele situatie vaak niet eens de uitgelokte vraag van de tegenpartij afwachten. De elliptische sequentie uit de vorige paragraaf kan dan nog verder gereduceerd worden tot:

    Elsa: 
     
Eft kleter bankres! Kost mefrā? – Graviy pirg! Noot 1
Een nieuwe bank! Mijn mening? – Ontzettend chic!
      Noot 1 De onderliggende structuur van deze elliptische aaneenschakeling kan gerepresenteerd worden als:
  • Elsa:     Eft kleter bankres! Kost mefrā?   Een nieuwe bank! Mijn mening?
    Petriy:   Ų
    Elsa:     Graviy pirg!   Ontzettend chic!
Wellicht wordt de afwezigheid van Petriy's verbale respons gecompenseerd door een vragend gebaar of een speciale gezichtsuitdrukking.

150.86   ad § 150.3   C. Antwoorden op informatievragen

Het element dat in een antwoordzin de nieuwe informatie draagt (waarnaar VS benieuwd is) wordt "focus" genoemd. Korte antwoorden (met weinig constituenten en eenvoudige syntax) kunnen op twee manieren geformuleerd worden: (i) de focus komt op de (ongemarkeerde) originele positie achter het predikaat, of (ii) de focus wordt naar voren gehaald, op een initiėle (gemarkeerde) positie. Deze wijziging in de constituenten-volgorde is in § 93.77 en § 93.88-90 behandeld onder de term "linkse dislocatie". Bijvoorbeeld:

  1. VS:
    AG:  

  2. VS:
    AG:
     

  3. VS:
    AG:
     
Tu pratelka?   Wanneer vertrek je?
Gress prate mas. of Mas gress prate.   Ik vertrek morgen.

Ef mimpit melde ’r?   Waar ligt het boek?
Ef melde kaf ef kelbra. of Kaf ef kelbra ef melde.
Het ligt op tafel.

Aftel tu tiffe, ’r Jān zāre?   Weet je waar Jān woont?
Do zāre ber Liyrotyka. of Ber Liyrotyka do zāre.
Hij woont in Liyrotyka.

Voor indirecte vragen als 3.VS, zie verder § 150.147.

150.87

Hoe langer en/of complexer een antwoordzin is, hoe meer de neiging bestaat om linkse dislocatie toe te passen. Voorbeeld: in 4. en 5. worden de antwoorden vanwege de aanwezigheid van een object zo "zwaar" gevonden dat er een sterke voorkeur voor vooropplaatsing van de focus is:

  1. VS:
     
    AG:  
     
     

  2. VS:
     
    AG:
     
Tu dena kruttsoza lorerde fes folarra butšera?
Bij welke slager heb je die kruidworst gekocht?
Fes "Ef Hupser Knok" gress enn ef soza lorerde.
(liever niet: ? Gress ef soza lorerde fes "Ef Hupser Knok".)
Ik heb die worst bij "Ef Hupser Knok" gekocht. Noot 1

Tu quarderūs ef ynt-medikiy hojelka?
Wanneer moeten jullie naar de tandarts?
Mas Elsa quarderāt ur ef pirmink-lunatof ef gressere. Noot 2
Elsa moet morgen, en ik ga volgende week maandag.

      Noot 1 De meeste winkels hebben in Spokaniė een fantasienaam. Voor slagerijen zijn namen als "Het Vrolijke Varken", "De Lachende Koe", "Kalf en Lam", "Weidevreugd" en dergelijke zeer populair.

      Noot 2 Het idiomatische gebruik van ef gressere (dat ben ik), hier in de betekenis van "en ik moet naar de tandarts", wordt in § 132.?? besproken. De nevenschikking in de antwoordzin maakt deze zin zo complex ("zwaar") dat vooropplaatsing van de focussen mas en ef pirmink-lunatof feitelijk verplicht is. Ongrammaticaal is derhalve: * Elsa quarderāt mas ur ef gressere ef pirmink-lunatof.

150.88

Als de focus een basiselement is (subject, object of echo), dan is vooropplaatsing ervan hoe dan ook noodzakelijk. Een subject in een actieve zin staat reeds op een initiėle positie (zie 6.), maar een object of echo kunnen daar alleen verschijnen als de zin gepassiviseerd wordt (object of echo moeten de kern worden, zie 7. en 8.):

  1. VS:
    AG:  

  2. VS:
    AG:
     
     

  3. VS:
     
    AG:
     
     
Lomp ef smurf kuntiyre?   Wie heeft het geld gestolen?
Petriy ef smurf kuntiyre.   Petriy heeft het geld gestolen.

Petriy kluft kuntiyre?   Wat heeft Petriy gestolen?
Groft sienturer smurf pai do kuntiyrelije.
(niet: * Do groft sienturer smurf kuntiyre.)
Hij heeft het geld van zijn moeder gestolen.

Tu probare beri kette ef mimpit ón lomp?
Aan wie wil je het boek geven?
Tu probare beri kettelitā pai gress enn ef mimpit.
(niet: * Gress probare beri kette ef mimpit ón tu.)
Ik wil het boek aan jou geven.

De met * gemerkte zinnen in 7. en 8. zijn wel grammaticaal als ze een spontane mededeling vormen, of als de zinskernen do resp. gress als focus optreden.

150.89

De focus kan ook een deel van een basiselement zijn. Als dit basiselement een object of echo is, zal er ook nu voor een passief gekozen moeten worden om dit element (als kern) vooraan de zin te krijgen. Dit is reeds behandeld in § 92.8:

  1. VS:
     
    AG:  
     
     
Tu stintāt velk kolpert letras?
Hoeveel brieven moet je nog schrijven?
Dur letras perke beri stindelije velk pai gress.
(niet: * Gress stintāt velk dur letras.)
Ik moet nog drie brieven schrijven.
Het telwoord dur is de focus, maar omdat deze deel van de object-constituent uitmaakt, moet het gehele object initieel worden, wat betekent dat het als zinskern in een passieve constructie moet optreden. De met * gemarkeerde zin is natuurlijk wel correct als spontane mededeling, of als antwoord op een vraag in de trant van Tu paināt velk kluft? (Wat moet je nog doen?). In dat geval treedt de gehele antwoordzin als focus op (zie § 150.92).

150.90

In § 90.24 is er reeds op gewezen dat passivisering in het Spokaans ook noodzakelijk is bij symmetrische werkw.n als tinkere (worden) of pe (heten), waarbij het object als focus optreedt:

  1. VS:
    AG:  
     

  2. VS:
    AG:
     
Jān tinkere kluft?   Wat wordt Jān?
Eft gekker tinkerelije pai do.   Hij wordt leraar.
(niet: * Do tinkere eft gekker.) Noot 1

Tu pe kluft?   Hoe heet je?
Tonja pelije pai gress. Noot 2   Ik heet Tonja.
(niet: * Gress pe Tonja.)

Ook nu weer geldt dat de met * gemarkeerde zinnen wel correct zijn als spontane mededelingen.

      Noot 1 Bij melde (zijn) is een passiefconstructie onmogelijk:
  • VS:   Jān melde kluft?   Wat is Jān?
    AG:   Do melde eft gekker.   Hij is leraar.
    (niet:   * Eft gekker meldelije pai do.)

      Noot 2 De frase ... pelije pai gress heeft een zodanig idiomatisch karakter gekregen dat er een afwijkende uitspraak geldt: pelije pai gress wordt uitgesproken als [peLpa ges] of nog korter: [peLpags] (waarbij de g niet of nauwelijks hoorbaar is).

150.91

Als de focus een bijzin van een performatieve constructie is, moet er voor een passief gekozen worden, zodanig dat de bijzin vóór de hoofdzin met het performatieve werkw. staat, dus (zie ook § 92.7):

  1. VS:
    AG:  
     
     
     
Jān reppo kluft?   Wat zei Jān?
Den tu melde eft fék, reppolije pai Jān.
(niet: * Jān reppo, den tu melde eft fék.)
(niet: * Den tu melde eft fék, Jān reppo.)
Jān zei, dat je een klootzak bent.
Ook nu weer geldt dat de met * gemerkte zinnen wel grammaticaal zijn als ze een spontane mededeling vormen.

150.92

Sommige vrag.vnw.n vereisen een antwoord dat uit een complete zin bestaat. In dat geval vallen focus en antwoordzin samen, en is vooropplaatsing van een constituent niet relevant:

  1. VS:
    AG:  
     
     

  2. VS:
    AG:
     
     
     
     
     
Lerdu paino kluft?   Wat heeft Lerdu gedaan?
Do sener freraer oto lelde ur enn eft moplariy qugle lef ef.
Hij heeft de auto van zijn broer gepakt en daarmee een
ongeluk veroorzaakt
.

Stus bzaétecco eft kerrdiyfer?   Hoe vang je een kerrdiyfer? Noot 1
Fes ef pakra, stus paināt dur lart ’rmyjās fesdu eft mōlarres;
fara óps finne beri svūlge hédānn dus berme ef ānkest-dralōsta
én kursuus-ōc ki nys kerrdiyfer, té bermolije blul noi wānta
.

Met volle maan moet je drie hongerige ratten in een kooi
stoppen; als zij elkaar beginnen op te vreten zullen de angst-
en bloedgeuren elke kerrdiyfer lokken die niet eerder gelokt is
.

      Noot 1 Een kerrdiyfer is een fantasiedier, besproken in de Ergemip. Het heeft een vogellichaam, hagedissestaart en hertekop met gewei.

150.93

Alle antwoordzinnen in 1.-12. hierboven doen ietwat geforceerd aan, zeker als de focus in een passiefconstructie is vervat, zoals in 7.-12. In natuurlijke spreektaal zullen antwoordzinnen bijna altijd gereduceerd worden tot de focus, en als die focus de functie van zinskern heeft, kan die eventueel nog gevolgd worden door het werkwoord. Vergelijk § 150.86-87 zinnen 1.-4. met:

  1. VS:
    AG:  

  2. VS:
    AG:

  3. VS:
    AG:

  4. VS:
     
    AG:
Tu pratelka?   Wanneer vertrek je?
Mas.   Morgen.

Ef mimpit melde ’r?   Waar ligt het boek?
Kaf ef kelbra.   Op tafel.

Aftel tu tiffe, ’r Jān zāre?   Weet je waar Jān woont?
Ber Liyrotyka.   In Liyrotyka.

Tu dena kruttsoza lorerde fes folarra butšera?
Bij welke slager heb je die kruidworst gekocht?
Fes "Ef Hupser Knok".   Bij "Ef Hupser Knok".

150.94

Vergelijk § 150.87 voorbeeld 5. met:

  1. VS:
     
    AG:  
     
Tu quarderūs ef ynt-medikiy hojelka?
Wanneer moeten jullie naar de tandarts?
Mas Elsa ur ef pirmink-lunatof gress.
Elsa morgen, en ik volgende week maandag.
De focus die met hojelka? (wanneer?) bevraagd wordt, is opgesplitst in twee nevengeschikte "sub-focussen": mas en ef pirmink-lunatof. Deze zijn nader gemarkeerd met de referenten van tu (jullie): (i) Elsa en (ii) gress (ik). De nevengeschikte antwoordzin is derhalve een elliptische constructie. Zulke constructies worden verder besproken in § 131.??.

150.95

Vergelijk § 150.88 voorbeelden 6.-8. met:

  1. VS:
    AG:  

  2. VS:
    AG:
     

  3. VS:
     
    AG:
Lomp ef smurf kuntiyre?   Wie heeft het geld gestolen?
Petriy. of Petriy kuntiyra.   Petriy.

Petriy kluft kuntiyre?   Wat heeft Petriy gestolen?
Groft sienturer smurf. of Groft sienturer smurf kuntiyralije.
Het geld van zijn moeder

Tu probare beri kette ef mimpit ón lomp?
Aan wie wil je het boek geven?
Tu. of Tu kettelitā. of ?Tu probare beri kettelitā.   Aan jou.

De antwoorden in 7. en 8. hierboven zijn elliptische passief-constructies waarbij het subject achterwege blijft. Zulke constructies zijn alleen als antwoorden acceptabel. Normaliter moeten passieve zinnen zonder subject geconstrueerd worden met een spoor, bijvoorbeeld blul (zie § 91.8):

  • Blul groft sienturer smurf kuntiyrelije.
    Het geld van zijn moeder is gestolen.
  • Tu kettelitā enn ef mimpit.
    Aan jou wordt het boek gegeven.
150.96

Bij voorbeeld 8. in de vorige paragraaf zijn drie antwoorden mogelijk: i. alleen de focus; ii. focus met hoofdwerkwoord; iii. focus met gehele predikaat. Noot 1 Omdat het modale hulpwerkw. probare wel een semantische band met het subject gress ("ik" = aan wie gevraagd wordt) heeft, maar niet met de echo tu ("jij/jou" = aan wie gegeven wordt), keuren velen het elliptische antwoord iii. af. Vandaar de ?-markering. Zie verder § 131.?? voor elliptische constructies.

      Noot 1 In gebieden waar na een voorzetsel de clitische vorm van het pers.vnw.n gebruikt wordt (zie § 70.44-47), zal in plaats van het elliptische tu (antwoord i.) de voorkeur gegeven worden aan de clitische vorm óntū (aan jou). Subject-toekenning aan de focus blijft hier dus achterwege.

150.97

Vergelijk § 150.89-90 voorbeelden 9.-11. met:

  1. VS:
     
    AG:  

  2. VS:
    AG:

  3. VS:
    AG:
Tu stintāt velk kolpert letras?
Hoeveel brieven moet je nog schrijven?
Dur. of Dur letras. of Dur tiyns.   Drie brieven/stuks.

Jān tinkere kluft?   Wat wordt Jān?
Eft gekker. of Eft gekker pai Jān.   Leraar.

Tu pe kluft?   Hoe heet je?
Tonja.

Bij de koppelwerkw.n tinkere (worden) en tinde (blijven) kan het antwoord zo geformuleerd worden dat het bestaat uit de focus, gevolgd door het met pai gemarkeerde subject; dit is geļllustreerd in voorbeeld 10.

150.98

Vergelijk § 150.91 voorbeeld 12. met:

  1. VS:
    AG:  
Jān reppo kluft?   Wat zei Jān?
Den tu melde eft fék.   Dat je een klootzak bent.
Weglating van het voegw. den zal ertoe leiden dat VS de zin interpreteert als een spontane mededeling van AG, niet als antwoord op zijn vraag. Bijvoorbeeld:

  • Tu melde eft fék.   Je bent een klootzak.
In geschreven taal (en ook in ietwat stijve spreektaal) kan den weggelaten worden mits er voor een Quotatief/Reportatief (§ 110.80-81) gekozen wordt, die een indirecte rede uitdrukt (ook in het Duits kan een conjunctief voorkómen dat de spreker zelf verantwoordelijk gehouden wordt voor de inhoud van de mededeling):
  • Tu meltāte eft fék.   Dat je een klootzak bent.
150.99

Hoofdwerkw.n die in een antwoordzin herhaald mogen worden, kunnen eventueel vervangen worden door het spoor-werkwoord paine (doen):

  • VS:
    AG:  

  • VS:
    AG:
     
     

  • VS:
     
    AG:
Lomp ef smurf kuntiyre?   Wie heeft het geld gestolen?
Petriy kuntiyra. of Petriy paina.   Petriy heeft het gedaan.

Petriy kluft kuntiyre?   Wat heeft Petriy gestolen?
Groft sienturer smurf painalije.
of Groft sienturer smurf kuntiyralije.
Het geld van zijn moeder is gestolen.

Tu probare beri kette ef mimpit ón lomp?
Aan wie wil je het boek geven?
Tu kettelitā. of Tu painelitā.   Aan jou wordt het gegeven.

Hulpwerkw.n blijven bij paine achterwege. Merk op dat het herhalen van een hulpwerkw. in een antwoordzin toch al weinig correct is (§ 150.94).

150.100

Als de focus uitgedrukt kan worden met een pers.vnw., kan dit vervangen worden door een verbalisatie, indien de focus optreedt als subject:

  • VS:
    AG:  

  • VS:
     
    AG:
Lomp ef smurf kuntiyre?   Wie heeft het geld gestolen?
Do. of Ef doere.   Hij. of Dat is hij.

Folarra stūdents tupplipe helkara Enelandes?
Welke studenten reizen naar Engeland?
Óps. of Ef ópsene.   Zij. of Dat zijn zij.

150.101

Vergelijk a. met b.:

  1. VS:
    AG:  

  2. VS:
    AG:
Lomp idequppo do?   Wie heeft hem belazerd?
Gress. of Ef gressero.   Ik. of Dat was ik.

Do idequppo lomp?   Wie heeft hij belazerd?
Gress. Noot 1   Mij. (niet: * Ef gressero. "Dat was mij.")

In moderne spreektaal ontstaat echter een tendens om in alle gevallen een geverbaliseerd pers.vnw. als alternatief toe te staan, ook als het pers.vnw. als object of echo fungeert. Veel jongere Spokaniėrs zullen ef gressero als antwoord in b. dan ook goedkeuren.
Vūcy-Zelma heeft dit gebruik reeds in 1971 in zijn artikel "Questions and Answers" geconstateerd en keurde het ten strengste af. In 1983 kwam hij in zijn artikel "Reference in colloquial Spocanian" terug op deze problematiek en moest hij toegeven dat een "strenge afkeuring van dit gebruik niet meer lijkt te stroken met een algemeen doorgezette en geaccepteerde tendens".

      Noot 1 Het onderscheid tussen een subject en object is in het Nederlands morfologisch: ik ~ mij. In het Spokaans valt bij een pers.vnw. als gress dit onderscheid weg, terwijl AG vaak wel behoefte heeft om expliciet aan te geven dat hij het object bedoelt. Hij kan dan twee strategieėn volgen: i. hij laat het subject, gemarkeerd door pai, achter het object volgen; ii. hij kiest voor een pers.vnw. 2e niveau:
  1. Gress pai do.   Mij.   (lett. "mij door hem"; vgl. § 150.97 vb. 10.)
  2. ? Tsil.   Mij.
Strategie ii. is echter alleen acceptabel als een pers.vnw. 2n verplicht of sterk aan te bevelen is. Voor de regels hiervoor wordt verwezen naar § 70.48-64.

150.102

Let op de verschillende focussen in a. en b.:

  • VS:
    AG:
     
     
     
    Lomp ef smurf kuntiyre?   Wie heeft het geld gestolen?
  1. Petriy ef smurf kuntiyre.   Petriy heeft het geld gestolen.
  2. Petriy ef smurf nert kuntiyre, tur do tiffe prōchōk ef painatjen.
    Petriy heeft het geld niet gestolen, maar hij kent waarschijnlijk
    de dader.
De enige nieuwe informatie in antwoord a. is Petriy; de overige elementen in de antwoordzin vormen slechts een echo-antwoord (herhaling van de informatie in de vraagzin). Dus alleen Petriy is focus.
In antwoord b. worden weliswaar de elementen kuntiyre en ef smurf herhaald, maar zij vormen tezamen met de negatie nert en de bijzin achter tur nieuwe informatie. In b. is dus de gehele antwoordzin de focus, en niet alleen Petriy.
Antwoordzin a. noemen we daarom een "focus-zin met herhaalde informatie", en antwoordzin b. noemen we een "focale zin".
Dus: een "focus-zin" is een zin die een focus bevat; een "focale zin" is een zin die zelf, in zijn geheel, als focus optreedt.

150.103

De focale zin b. in § 150.102 bevat een element dat ook op zichzelf als focus kan optreden (nl. Petriy, zie a.). Daarom kunnen we zeggen dat de focale zin b. een "potentiėle focus" bevat. Zulke potentiėle focussen zitten er daarentegen niet in de antwoordzinnen in § 150.88, want er is geen enkel element in die antwoordzinnen dat op zichzelf als antwoord op de vragen zou kunnen dienen.
Het onderscheid tussen focale zinnen met een potentiėle focus, en focale zinnen zonder zo'n potentiėle focus is relevant, omdat potentiėle focussen, evenals echte focussen, graag vooropgeplaatst worden. In het volgende voorbeeld is de potentiėle focus vet, maar de echte focus is de gehele antwoordzin:

  • VS:
    AG:  
     
     
Aftel tu tiffe, ’r Jān zāre?   Weet je waar Jān woont?
Ber Liyrotyka do zāra, tūre gress tūp tiffe, do merrilóme ral.
Hij heeft in Liyrotyka gewoond, maar ik weet niet waar hij nu
uithangt.
De frase ber Liyrotyka had een adequaat antwoord op de vraag kunnen zijn, omdat dit alle nieuwe informatie bevat waarnaar middels ’r? (waar?) wordt gevraagd. Noot 1 Echter, AG bouwt om deze focus een complete zin die als nieuwe informatie gezien moet worden: in deze focale zin wordt de potentiėle focus vooraan geplaatst.

      Noot 1 Dit is niet helemaal correct gezegd: feitelijk is het de hele frase aftel tu tiffe, ’r ... die de nieuwe informatie bevraagt.

150.104

Als de potentiėle focus een object of echo is, moet deze met behulp van passivisering vooraan geplaatst worden:

  • VS:
    AG:  
     
     
     
Lerdu kluft kuntiyre?   Wat heeft Lerdu gestolen?
N’f mimpits pai do kuntiyrelije, tur iftam eft pen.
Boeken heeft hij niet gestolen, maar wel een pen.
of Eft pen pai do kuntiyrelije, tūre [n’f] mimpits.
    Een pen heeft hij gestolen, maar geen boeken.
De actieve vorm * Lerdu n’f mimpits kuntiyre, tur iftam eft pen is als antwoord ongrammaticaal, omdat hierin twee potentiėle focussen zitten, en een ervan moet vooropgeplaatst worden, wat alleen met passivisering mogelijk is.

150.105

Een constituent (of hele zin) die in principe als focus kan optreden, maakt soms deel uit van een groter geheel met focusfunctie. Een "groter geheel" kan focusfunctie hebben als het informatie bevat die voor de vraagsteller nieuw is:

  • VS:
    AG:  
     
     
     
Lerdu kluft paine?   Wat heeft Lerdu gedaan?
Do sener freraer oto lelde ur enn eft moplariy qugle lef ef, [lo]
gress hozāve.

Ik geloof dat hij de auto van zijn broer heeft gepakt en daarmee
een ongeluk heeft veroorzaakt
.
In dit voorbeeld bestaat de focus uit een gehele zin, die als vooropgeplaatste bijzin bij de matrixzin gress hozāve [den ...] (ik geloof [dat ...]) hoort.

150.106

In § 150.74 is een voorbeeld gegeven van een constructie waarin een vrag.vnw. gecombineerd wordt met een vraagsuffix. We herhalen hier het voorbeeld:

  1. Lomp ef mimpit trempatéf?   Wie heeft welk boek gelezen?
Het antwoord op een dubbele vraag als 1. is altijd zo geconstrueerd dat het vrag.vnw. corefereert met de focus, en het vraagsuffix met een niet-focus. Zin 2a. is derhalve een juist antwoord op 1., maar 2b. is dat niet:
  1.  
  1. Petriy ef mesā mimpit trempe ur Elsa ef miterus tiyn paine.
    Petriy het groene boek lezen en Elsa het bruine ding doen
    Petriy heeft het groene boek gelezen, en Elsa het bruine.
  2. * Ef mesā mimpit pai Petriy trempelije ur ef miterus tiyn pai Elsa paine.
    Het groene boek is door Petriy gelezen en het bruine door Elsa.
150.107

Merk op dat voorbeeld 2b. hierboven wel correct is als antwoord op een vraag als:

  1. Petriy folarra mimpit trempe ur Elsa folarra tiyn paine?
    Welk boek heeft Petriy gelezen, en welk boek Elsa?
Nu fungeren ef mesā mimpit en ef miterus tiyn in 2b. elk als focus, refererend aan de focussen folarra mimpit resp. folarra tiyn in 3.

150.108

In § 150.75 is een voorbeeld gegeven van een dubbele vraag met twee alternatieven, waarbij het vrag.vnw. gebruikt wordt voor de primaire informatie die VS wil vernemen, en het vraagsuffix voor de secundaire informatie. We herhalen dit voorbeeld en vullen het aan met wat mogelijke antwoorden:

  1. VS:
    AG:  
     
     
     

  2. VS:
    AG:
     
     
     
     
     
Jān kluft lart’ra?   Wat heeft Jān waar gegeten?
Spacetti lardalije pai do fes ef Napoli-lurfel.
Spacetti pai do fes ef Napoli-lurfel.
Spacetti lardalije fes ef Napoli-lurfel.
Spacetti fes ef Napoli-lurfel.

Jān lartatéf ’r?   Waar heeft Jān wat gegeten?
Fes ef Napoli-lurfel spacetti lardalije pai do.
Fes ef Napoli-lurfel spacetti pai do.
Fes ef Napoli-lurfel spacetti lardalije.
Fes ef Napoli-lurfel spacetti.

Jān heeft spaghetti in restaurant Napoli gegeten.

150.109

Als iemand vraag 1. in § 150.108 produceert, wil hij primair weten wat Jān gegeten heeft, en secundair waar Jān gegeten heeft. In vraag 2. is het net andersom. Het meest natuurlijke antwoord is zodanig geformuleerd dat de primaire informatie het eerst gegeven wordt. Maar de initiėle positie die de plaatsbepaling fes ef Napoli-lurfel in de antwoorden bij 2. inneemt, is vergeleken bij de basisvolgorde in de antwoorden bij 1. tamelijk gemarkeerd. Daarom zullen sommige Spokaniėrs er de voorkeur aan geven om ook bij 2. antwoorden als bij 1. te gebruiken, ongeacht welk element nu primair of secundair is. De gemarkeerde antwoorden bij 2. zullen daarentegen nooit natuurlijk klinken als antwoorden op vraag 1., omdat vraag 1. expliciet primair naar wat? vraagt, en de antwoorden bij 2. zich expliciet primair op waar? richten.

150.110

In § 150.76 is een voorbeeld gegeven van een vraag met twee vrag.vnw.n, en het nevengeschikte alternatief dat als meer verzorgde schrijftaal geldt. We herhalen hier beide zinnen:

  1. Do lomper efantys mjocha ón folarkluft tjel?
    Wiens kinderen heeft hij aan wat voor een straf onderworpen?
  2. Do lomper efantys mjocha ón eft tjel, ur folarkluft tjel melda?
In beide gevallen bestaat het meest natuurlijke antwoord uit een passiefconstructie met de object-kern als focus, gevolgd door een beschrijving van de straf, iets in de trant van:
  • Elsaex ef efantys tjelfalije pai do; óps meldo vlofiyn fes sener slapelmits lóf ten terrats.
    Elsa's kinderen heeft hij gestraft; ze zaten twee dagen in hun slaapkamer opgesloten.
Een wat formeler antwoord met een -lira-bijzin waarin de aard van de straf in genominaliseerde vorm is beschreven, zou kunnen zijn:
  • Elsaex ef efantys pai do mjochelije fes eft tjel, cošarelira ópsex ’vlofjos fes sener slapelmits lóf ten terrats.
    Elsa's kinderen zijn door hem onderworpen aan een straf die bestond uit twee dagen op hun slaapkamer opsluiten.
150.111   ad § 150.3   D. Keuzevragen en hun antwoorden

Keuzevragen worden ook wel "gesloten vraagzinnen" genoemd. De term "gesloten" slaat op het feit dat VS in zijn vraag reeds een gesloten verzameling van mogelijke antwoorden vervat, waaruit AG moet kiezen. Een keuzevraag bevat bijna altijd een nevenschikking met het voegw. oft (of), en is in syntactisch opzicht meestal een variant van type 2 (open vragen). Noot 1 De nevenschikking kan syntactisch in de vraagzin verwerkt worden, maar ook als een losstaande bepaling op de vraag volgen. In feite doet VS dan twee dingen: hij stelt een vraag, en geeft vervolgens aan uit welke verzameling van potentiėle antwoorden AG mag kiezen. Vergelijk de (open) informatievragen in a. met de (gesloten) keuzevragen in b.:

  1. a. Tu pilt’ra ef mimpit?   Waar heb je het boek gelegd?
    b. Tu pilt’ra ef mimpit? Kaf ef kelbra oft fes ef feldariy? Noot 2
        Waar heb je het boek gelegd? Op de tafel of in de kast?

  2. a. Lomp c’rtiravy gress?   Wie wil me helpen?
    b. Lomp, [meldelira] tu, Elsa oft Jān, c’rtiravy gress?
        i.  Wie wil me helpen, jij, Elsa of Jān?
        ii. Wil jij, Elsa of Jān me helpen?

  3. a. Jān stinda folarra trovōc kaf ef mittarener?
        Welk getal heeft Jān op het bord geschreven?
    b. Jān stinda folarra trovōc ja 15 ur 45 kaf ef mittarener?
        Welk getal tussen 15 en 45 heeft Jān op het bord geschreven?
      Noot 1 Zie § 150.119-128 voor keuzevragen waaraan een ja/nee-vraag ten grondslag ligt.

      Noot 2 In voorbeeld 1b. staat de opsomming van potentiėle antwoorden ook pragmatisch geheel los van de vraagzin. Het lijkt erop of VS eerst een vraag produceert, en zich pas daarna realiseert dat er slechts twee antwoorden mogelijk zijn. Hij helpt AG als het ware door deze twee mogelijkheden alvast te noemen. Vergelijk:
  1. Tu pilt’ra ef mimpit, kaf ef kelbra oft fes ef feldariy?
  2. Tu pilt’ra ef mimpit: kaf ef kelbra, fes ef feldariy oft fes ef fselk?
    Waar heb je het boek gelegd: op de tafel, in de kast of in de la?

Als VS al tijdens de vraag van plan is om enkele potentiėle antwoorden op te sommen, zal hij ze in de vraag integreren, en een zin als a. produceren. Als de potentiėle antwoorden het karakter van een op te sommen reeks krijgen, kan dit expliciet uitgedrukt worden door een dubbele punt, zoals in b. Bij al deze orthografische middelen (de scheiding van twee zinnen, de plaats van het vraagteken, het gebruik van een komma of dubbele punt) hoort een specifiek intonatiepatroon (waarvan de behandeling buiten het kader van deze grammatica valt).

150.112

Vraag 1b. in § 150.111 is in syntactisch opzicht de eenvoudigste soort keuzevraag. VS produceert een gewone informatievraag (identiek aan die in 1a.), en voegt hier een elliptische zin aan toe, waarin de potentiėle antwoorden genoemd worden. De enige adequate antwoorden die AG kan geven zijn "op de tafel" of "in de kast".
Vraag 2b. is een variant op het type in 1b. De potentiėle antwoorden zijn als nevenschikking in een relatieve bijzin vervat, die het vrag.vnw. lomp als antecedent heeft. De bijzin is compleet als het spoor-werkw. melde (zijn) is toegevoegd (als drager van het suffix -lira), maar hij mag ook elliptisch zijn door het spoor-werkw. weg te laten. Merk op dat 2b. op twee manieren vertaald kan worden: vertaling i. is syntactisch gebaseerd op een informatievraag, gevolgd door een uitbreidende nevenschikking; vertaling ii. is syntactisch gebaseerd op een ja/nee-vraag waarin het subject als keuze-vereisende nevenschikking gevormd is.
Vraag 3b. kan beschouwd worden als een efficiėntere variant van vraag 4. hieronder, die analoog aan vraag 1b. is gevormd:

  1. Jān stinda folarra trovōc kaf ef mittarener: 15, 16, ..., 44 oft 45?
    Welk getal heeft Jān op het bord geschreven: 15, 16, ..., 44 of 45?
150.113

Een bijzondere vorm van keuzevragen kan geļllustreerd worden met de volgende voorbeelden:

  1. a. Tu zerfatéf ef belps fes ef zoolāmento?
        Welke dieren heb je in de dierentuin gezien?
    b. Tu zerfatéf fes ef zoolāmento?
        Wat heb je in de dierentuin gezien?

  2. Tu zerfatéf ef mamūls, blacroers, fisas oft blacrosvimers, fes ef zoolāmento?
    i.  Welke zoogdieren, reptielen, vissen of amfibieėn heb je in de dierentuin
        gezien?.
    ii. Wat heb je in de dierentuin gezien: zoogdieren, reptielen, vissen of amfibieėn?
Vraag 6. is zonder verdere context ambigu, zoals blijkt uit de twee verschillende vertalingen; vraag 6. kan:
  1. syntactisch identiek zijn aan vraag 5a., zodat -atéf in de betekenis van "welke" een vraagbepaling bij de reeks genoemde dieren vormt;
  2. dezelfde syntactische vorm als 5b. hebben, zodat -atéf de onafhankelijke betekenis van "wat" heeft. De vette reeks diersoorten is dan een keuze-uitlokkende bepaling, analoog aan de vette uitbreiding in 2b.
150.114

Wordt 6. begrepen met betekenis i., dan zal een antwoord adequaat zijn als dit een of meer namen van dieren bevat, waarbij elke diernaam moet refereren aan hetzij een zoogdier, hetzij een reptiel, hetzij een vis, hetzij een amfibie (we hebben met een open informatievraag te doen). Bijvoorbeeld:

  • AG:  
     
     
     
Gress ten elefānts, eft haje, eft ommon-zru'on ur sers
gvéngart-forsz zerfe.

Ik heb twee olifanten, een haai, een sidderrog en zes
breedbekkikkers gezien.
Zou AG ook nog vertellen dat hij vier papegaaien heeft gezien, dan is het antwoord niet adequaat, want "vogels" wordt in de reeks diergroepen niet genoemd!

150.115

Wordt 6. begrepen met betekenis ii., dan zal een antwoord adequaat zijn als dit een of meer van de vette elementen noemt (we hebben met een gesloten vraag te doen waarbij de potentiėle antwoorden reeds door VS opgesomd zijn). Bijvoorbeeld:

  • AG:  
     
Gress pert mamūls ur gopirus fisas zerfe.
Ik heb veel zoogdieren en enkele vissen gezien.
150.116

Zonder nadere indicaties zal 6. geļnterpreteerd worden met betekenis i. (de primaire interpretatie). De secundaire interpretatie 6ii. moet expliciet uitgelokt worden, bijvoorbeeld doordat er vóór het bezoek aan de dierentuin in het bijzijn van VS is bepaald dat alléén de vier met name genoemde diersoorten bekeken zullen gaan worden.
Na het bezoek kan VS (die thuis is gebleven) vraag 6. in de betekenis van ii. stellen.
Betekenis ii. kan echter ten gunste van i. uitgelokt worden door toevoeging van de determinanten qu .. qu, bijvoorbeeld:

  1. Tu qu zerfatéf qu ef mamūls, blacroers, fisas oft blacrosvimers, fes ef zoolāmento?
    i.  Ų
    ii. Wat heb je in de dierentuin gezien: zoogdieren, reptielen, vissen of amfibieėn?
150.117

In § 133.?? is de werking van qu .. qu met resumerende waarde uitgelegd: als qu1 een verzameling entiteiten markeert, en qu2 markeert een reeks of opsomming, dan maken alle elementen uit deze reeks of opsomming per definitie deel uit van genoemde verzameling.
Zin 6. in de vorige paragraaf kan als volgt geparafraseerd worden: qu1 markeert de verzameling entiteiten waaraan -atéf (wat) refereert; qu2 markeert een opsomming van diersoorten die deel uitmaken van genoemde verzameling. Zodra VS het eerste deel van de vraag: tu qu zerfatéf ... heeft geuit, weet AG dat er nog een opsomming volgt van dingen waaraan het vraagsuffix moet refereren. Het vraagsuffix kan dan niet meer zó geļnterpreteerd worden dat het een ondergeschikte band met de elementen uit de opsomming aangaat en "welke ..." betekent.

150.118

Zin 6. in § 150.116 is in zoverre een onnatuurlijk voorbeeld, dat het resumerende gebruik van qu .. qu typisch officiėle schrijftaal is, terwijl de gestelde vraag over de dieren in de dierentuin typisch in een spreektaalsituatie thuis hoort. Qua inhoud en vorm is het volgende voorbeeld daarom veel natuurlijker:

  • G’rs qu colārtaratéf šārlo qu ef pāntos, nefōrs, marteltiy, kjuptiy oft muts, fes sener ’rōme-mittus? Noot 1
    Waar heeft u het meest last van in uw werkkamer: tocht, benauwdheid, koude, hitte of herrie?
Zou qu .. qu in bovenstaand voorbeeld achterwege blijven, dan is theoretisch ook de volgende interpretatie mogelijk: "Van welke tocht, benauwdheid, koude, hitte of herrie heeft u het meeste last in uw werkkamer?". Deze vraagzin klinkt echter nogal wonderlijk.

      Noot 1 Colārtare flaju (last hebben van iets). Deze vraag stamt uit een enquźte over "de kwaliteit van de werkplek", voorgelegd aan het personeel van de Staatsuniversiteit te Zest.

150.119

Ja/nee-vragen waarin enkele mogelijkheden met oft (of) nevenschikkend verbonden zijn, worden in verzorgd Spokaans niet als keuzevraag geļnterpreteerd, maar gewoon als ja/nee-vraag, waarbij bevestigend geantwoord kan worden als minstens één van deze mogelijkheden waar is. Vergelijk de "echte" keuzevragen in a. met de ja/nee-vragen in b.:

  1. a.  
     
    b.
     

  2. a.
     
     
     
    b.
     
     
     
Lomp, Petriy, Elsa oft Yvonn, ef smurf kuntiyre?
Wie heeft het geld gestolen, Petriy Elsa of Yvonn?
Aftel Petriy, Elsa oft Yvonn enn ef smurf kuntiyre?
Heeft Petriy, Elsa of Yvonn het geld gestolen?

G’rs qu colārtaratéf šārlo qu ef pāntos, nefōrs, marteltiy, kjuptiy
oft muts
, fes sener ’rōme-mittus?

Waar heeft u het meest last van in uw werkkamer: tocht, benauwdheid,
koude, hitte of herrie?
Aftel g’rs colārtare šārlo ef pāntos, nefōrs, marteltiy, kjuptiy,
oft muts, fes sener ’rōme-mittus?

Heeft u het meest last van tocht, benauwdheid, koude, hitte of herrie
in uw werkkamer?

150.120

Bij de a-vragen hierboven verwacht VS dat AG een van de vetgedrukte elementen als focus in zijn antwoord kiest. Bij de b-vragen wordt een bevestiging of ontkenning verwacht. Concreet: als een van de drie genoemde personen in 1b. het geld daadwerkelijk heeft gestolen, of een van de vijf opgesomde ergernissen in 2b. inderdaad tot last is, dient met "ja" geantwoord te worden (VS is dan verder niet geļnteresseerd wie van de drie de dader is, respectievelijk welke van de ergernissen tot last is).
Als geen enkele persoon de dader is, of geen enkele ergernis tot last is, dient de vraag met "nee" beantwoord te worden. Enigszins onduidelijk is de situatie als meer dan één persoon de dader is, of meer dan één ergernis tot last is. Formeel zou de vraag dan ontkennend beantwoord moeten worden (immers: het voegw. oft impliceert dat maar één van de opgesomde elementen "waar" kan zijn). In de praktijk blijken taalgevoel en logica niet hand in hand te gaan, en zullen beide vragen bevestigend beantwoord worden als ook twee van de genoemde personen (of zelfs alle drie), respectievelijk twee of meer van de genoemde ergernissen "waar" zijn.

150.121

Zoals gezegd, in verzorgd Spokaans worden de b-vragen in 1. en 2. van § 150.119 als pure ja/nee-vragen beschouwd. In minder formele spreektaal zullen dergelijke vragen vaak als echte keuzevragen worden gebruikt, zodat zij equivalent aan de a-vragen zijn. Op dergelijke informele keuzevragen kan op twee manieren geantwoord worden: het antwoord kan a. een herhaling van een deel van de vraag zijn, of b. aangeven welk deel van de vraag waar is:

  • VS:
     
    AG:  
     
     
     
     
     
Aftel eup sértaro oft [aftel] melde helkara zirrot?
Is ze verhuisd of met vakantie?
mogelijkheid 1:
    a. [Eup] sértaro.   [Ze is] verhuisd.
    b. Siy noft.   Het eerste. (dus: verhuisd)
mogelijkheid 2:
    a. [Eup melde] helkara zirrot.   [Ze is] met vakantie.
    b. Noft siy.   Het laatste. (dus: met vakantie)
De b-antwoorden zijn wel heel erg informeel, en alleen acceptabel als de vraag weinig complex is (maar dat zal een informele vraag per definitie al zijn).

150.122

Dat de "minder formele spreektaal" ook in de schrijftaal kan doordringen wordt bevestigd met de volgende vraag, die op een formulier van de gemeente Hoggebim voorkwam:

  1. Aftel g’rs lelperre eft feszolle-nota, feszolle-register, smurflu'ettos-xōmarstos oft fōrmler-clobjiyt? Noot 1
    Heeft u een spaarrekening, spaarbankboekje, hypotheekgarantie of aandelenpakket?
      Noot 1 Een "hypotheekgarantie" is een spaarrekening die iemand verplicht bij een bank moet openen als hij daar ook een hypotheek heeft lopen. De bank is gemachtigd om van deze rekening geld af te schrijven als iemand zijn hypothecaire verplichtingen niet nakomt.

150.123

Veel personen die het formulier moesten invullen antwoordden formeel correct "ja" of "nee", maar in dat geval stuurde de gemeente het formulier terug met de opmerking dat men graag wilde weten welke van de vier genoemde spaarmethodes men gebruikte. Dit misverstand is uiteindelijk uit de weg geruimd door de vraag te herformuleren in:

  1. G’rs qu lelperratéf qu eft feszolle-nota, feszolle-register, smurflu'ettos-xōmarstos, fōrmler-clobjiyt oft n’fs mip panas?
    Wat heeft u, een spaarrekening, spaarbankboekje, hypotheekgarantie, aandelenpakket of geen van deze?
Merk op dat er aan de vijf mogelijkheden nog een is toegevoegd: "geen van deze".
Ook als men geen enkele spaarmethode gebruikt, is de vraag nog steeds adequaat en kan er een adequaat antwoord gegeven worden!

150.124

In § 150.23 is gewezen op het verschil tussen a. een ja/nee-vraag met een nevenschikkend "of" en b. een nevenschikking van twee aparte vragen:

  1. a. Aftel g’rs mariane oft [g’rs] lelperre eft c’rolle?
        Bent u getrouwd of (= danwel) hebt u een partner?
        (antwoord: "ja" of "nee")
    b. Aftel g’rs mariane oft aftel g’rs lelperre eft c’rolle?
        Bent u getrouwd, of hebt u een partner?
        (antwoord: "ik ben getrouwd" of "ik heb een partner")
Het syntactische verschil tussen 4a. en 4b. is te visualiseren met behulp van de volgende structuurschema's, in de geest van wat er in § 120.18-19 is uiteengezet:
  • a. aftel {[g’rs mariane] OFT [Ų lelperre eft c’rolle]}
    b. {[aftel g’rs mariane] OFT [aftel g’rs lelperre eft c’rolle]}
150.125

Bekijk nu de volgende nevenschikking van twee ja/nee-vragen:

  1. Aftel tu enn ef moter riffa pip, oft aftel gress lajāfgretāt vilt oto helkara ef gara mas?
    Heb jij de motor al gerepareerd, of moet ik je auto morgen naar de garage slepen?
De nevenschikking van de twee ja/nee-vragen in 5. is syntactisch equivalent aan de nevenschikking in 4b. (vorige paragraaf), maar in semantisch opzicht kennen beide nevenschikkingen een verschil: in 4b. bestaat er geen oorzakelijk verband tussen beide nevengeschikte leden: als men niet getrouwd is, hoeft men per definitie nog niet een partner te hebben; er zijn dus drie mogelijkheden: 1. men is getrouwd; 2. men heeft een partner; 3. men is niet getrouwd en heeft evenmin een partner.
Het ontkennen van het linker lid van de nevenschikking ("bent u getrouwd?") impliceert dus niet de bevestiging van het rechter lid ("heeft u een partner?"), en omgekeerd. Daarom moet het antwoord uit een duidelijke omschrijving van de situatie bestaan.

150.126

In vraag 5. echter is er wel een oorzakelijk verband tussen beide nevengeschikte leden: als de motor wel gerepareerd is hoeft de auto niet naar de garage gesleept te worden, en omgekeerd. Andere mogelijkheden: (i) de motor is gerepareerd maar de auto moet toch naar de garage gesleept worden, of (ii) de motor is niet gerepareerd en de auto hoeft ook niet naar de garage gesleept te worden, zijn binnen de context uitgesloten. Noot 1
De bevestiging resp. ontkenning van het rechter lid van de nevenschikking is dus direct afhankelijk van de ontkenning resp. bevestiging van het linker lid. Als AG dus alleen op de vraag in het linker lid antwoordt, is impliciet ook een antwoord op de vraag in het rechter lid gegeven. Theoretisch zou AG dus moeten kunnen volstaan met een simpel "ja" of "nee", waarmee hij de vraag (een ja/nee-vraag!) in het linker lid beantwoordt. In de praktijk werkt dit echter niet, omdat in een vraag/antwoordspel elk antwoord geacht wordt een antwoord op de laatste vraag te zijn (tenzij expliciet wordt aangegeven dat dit niet het geval is). Als AG op vraag 5. met "ja" antwoordt, kan VS dit op twee manieren opvatten: (i) volgens logische wetten is dit een antwoord op de linker vraag, want de beantwoording van deze vraag geeft impliciet het antwoord op de rechter vraag: dus de auto hoeft niet naar de garage gesleept te worden; (ii) volgens pragmatische wetten is dit een antwoord op de rechter vraag, want dit is de laatste vraag die gesteld is: de auto moet dus wel naar de garage gesleept worden. Deze ambiguļteit kan in het Nederlands opgeheven worden door een antwoord in de trant van

  1. "ja, het eerste"
  2. "ja, hij is al gerepareerd"
  3. "ja, dus je hoeft me niet te slepen"
  4. "nee, je HOEFT me niet te slepen" Noot 2
De antwoorden a., b. en c. refereren aan de linker vraag, antwoord d. aan de rechter.

      Noot 1 Met "context" wordt hier bedoeld: VS stelt zijn vraag in een situatie waarin VS en AG allebei begrijpen dat het aanbod om te slepen alleen relevant is als de motor nog niet is gerepareerd.

      Noot 2 Merk op dat het zinsaccent op "hoeft" moet liggen. Zouden we zeggen: "nee, [maar] je hoeft me niet te SLEPEN", dat slaat "nee" op de linker vraag (dus: de motor is niet gerepareerd) en is de frase "je hoeft me niet te SLEPEN" een soort perifrastische ontkenning van de rechter vraag. De nadruk op het werkw. geeft dan aan dat het ontkennende antwoord op de linker vraag nu niet automatisch een bevestiging van de rechter vraag impliceert (iets wat binnen de context te verwachten was).

150.127

In het Spokaans wordt deze ambiguļteit op de meest natuurlijke manier opgeheven door een echo-antwoord in de betekenis van "ja":

  1. Gress ef moter riffa pip.   Ik heb de motor al gerepareerd.
  2. Tu lajāfgretāt ef oto.   Je moet de auto slepen.
Echo-antwoord a. bevestigt de linker vraag, dus de rechter vraag is impliciet met "nee" beantwoord. Echo-antwoord b. bevestigt de rechter vraag, dus de linker vraag is impliciet met "nee" beantwoord.
AG geeft dus hoe dan ook een bevestigend antwoord, maar door het echo-effect wordt duidelijk welke van de twee nevengeschikte vragen bevestigend beantwoord wordt. Dit is het enige soort vraag/antwoordspel waarbij kale echo-antwoorden natuurlijk klinken (of volgens sommigen: grammaticaal zijn; zie ook § 150.31).

150.128

Nog een voorbeeld van twee nevengeschikte vraagzinnen waarbij er een causaal verband tussen het linker en rechter lid bestaat, zodanig dat het antwoord op het linker lid het tegenovergestelde antwoord op het rechter lid impliceert:

  • Aftel ef ytstostenlen c’ralo beri utfine ef pōnt, oft aftel melde kirro fest fes ef ototos velk zempersot?
    Heeft het gemeentebestuur besloten om de brug te verbreden of moeten we nog jaren in de file vastzitten?
Er zijn nu twee echo-antwoorden mogelijk:
  1. Ef ytstostenlen c’ralo [beri utfine ef pōnt].
    Het gemeentebestuur heeft besloten [om de brug te verbreden].
  2. Melde kirro fest [velk zempersot].
    We zullen [nog jaren] vastzitten.
150.129   ad § 150.3   E. Verkapte vragen en Pseudovragen

Onder verkapte vragen verstaan we constructies die in syntactisch opzicht bevestigende zinnen zijn, maar binnen een bepaalde context begrepen moeten worden als een ja/nee-vraag.
Pseudovragen zijn constructies die er in syntactisch opzicht als een vraag uitzien, maar waarop geen verbale respons wordt verwacht.

150.130

Voorbeelden van a. verkapte vragen, en b. de equivalente echte vraag:

  1. a. Gress dālme, āl tu mariane c’rl’o.
        Ik vraag me af of je eigenlijk getrouwd bent.
    b. Aftel tu mariane c’rl’o?   Ben je eigenlijk getrouwd?

  2. a. Āme tu enn ef exām tisjane, tu reppāt ef ral honesty.
        Als je voor het examen gezakt bent, moet je het nu eerlijk zeggen.
    b. Reppe-tūe honesty: aftel tu enn ef exām tisjane?
        Zeg (s eerlijk: ben je voor het examen gezakt?

  3. a. Gress lelperre n’f prōx morises, kolpert do rinne ef.
        Ik heb geen flauw idee hoeveel hij verdient.
    b. Do rinne kolpert?   Hoeveel verdient hij?

  4. a. G’rs cosāt ral, āl g’rs kaftavy ral ef xyfolos mip ef hent, oft āl g’rs
        qu’aravy ef nalalōfafiy.

        U moet nu kiezen of u nu de boete contant wilt betalen, dan wel of u
        het proces-verbaal wilt afwachten.
    b. Aftel g’rs kaftavy ral ef xyfolos mip ef hent, oft aftel g’rs qu’aravy ef
        nalalōfafiy?

        Wilt u nu de boete contant betalen, of wilt u het proces-verbaal afwachten?
150.131

De verkapte vragen 1. en 2. hebben het karakter van een ja/nee-vraag; 3. heeft het karakter van een informatievraag, en 4. van een keuzevraag.
Merk op dat een zin als 3a. géén indirecte vraag is, maar een echte bijzin met het voegw. kolpert (hoeveel). Voor het verschil tussen bijzinnen en indirecte vragen wordt verwezen naar § 150.146.
Of de a-zinnen in de vorige paragraaf als verkapte vraag begrepen worden hangt van diverse factoren af, zoals de context, conventie, of kennis van de wereld.
Zijn deze factoren afwezig, dan zal de toehoorder de a-zinnen als pure mededelingen opvatten, en niet met een verbale respons komen.

150.132

De antwoorden op verkapte vragen worden precies zo geconstrueerd als die op de equivalente echte vragen (zie hiervoor § 150.86-110). Let daarom op de passiefconstructies in de volgende antwoorden (omdat het object de focus is):

  • VS:
     
    AG:  
     

  • VS:
    AG:
     
     
Gress lelperre n’f prōx morises, kolpert do rinne ef.
Ik heb geen flauw idee hoeveel hij verdient.
Vluf dus 1000 riffelije pai do noi ne'āma.
Hij verdient wel meer dan 1000 herco.

Gress bladide eft cafer.   Ik wil graag koffie.
Kettelije ef pai gress.
(liever niet: ? Kette gress ef. Noot 1)
Ik zal het brengen. (lett. "het wordt door mij gegeven")

In het antwoord bij het laatste voorbeeld wordt de focus ef (= de koffie) als zinskern gepresenteerd. Het bijzondere van deze verkapte vraag is, dat VS niet alleen een antwoord verwacht, maar ook een non-verbale respons (of misschien verwacht hij uitsluitend een non-verbale respons): hij wil dat AG met een kop koffie aankomt. Zo'n verkapte vraag is dus tegelijkertijd een pseudovraag, zoals in de volgende paragraaf wordt uitgelegd.

      Noot 1 Deze actieve vorm is eventueel acceptabel indien we de verkapte vraag voornamelijk als een verzoek interpreteren. Dan is de respons van AG geen echt antwoord (op een vraag), maar een min of meer vrijblijvende verbale reactie die aan de handeling {AG BRENGT KOFFIE} voorafgaat.

150.133

Pseudovragen vallen grofweg in zes categorieėn:

  1. Meningsverkondigingen: de spreker kleedt zijn mening in een vraag in, maar verwacht geen bevestiging of ontkenning van de toehoorder:

    • Aftel Mariy nert chafoste hordā?   Zingt Mariy niet mooi?

  2. Retorische vragen: het antwoord is reeds vervat in de context waarbinnen de vraag gesteld wordt. De aanwezigheid van een AG is uitgesloten:

    • Mitulanis ef pāx mešane kvā fes ef wertlā dus?
      Waarom komt er nou nooit 's vrede op de wereld?

  3. Suggesties, aansporingen, vermaningen ed.: de spreker wil een actie ondernemen waaraan de toehoorder moet meewerken, of waarmee hij op zijn minst moet instemmen (deze actie kan ook "verbaal" zijn, dus een vraag stellen):

    • Mitulanis stus nert ojelste bjerr?   Waarom geen bier bestellen?
      (bedoeld wordt: laten we nu een glas bier bestellen)
    • Aftel tu nert unere den tu perke beri kirture mittof?
      Begrijp je dan niet dat je daarvan af moet blijven?
      (bedoeld wordt: blijf met je vingers van dat [ding] af)

  4. Onduidelijkheid, onzekerheid of twijfel: de spreker vervat de uitspraak van een derde in een vraagvorm, of stelt zichzelf een vraag, om als het ware zijn gedachtengang in goede banen te leiden:

    • Paine gress guldā ef kol?   Hoe zal ik dat het beste kunnen doen?

  5. Beleefdheidsfrases: de vraag kan vaak met een wedervraag beantwoord worden:

    • VS:   Tu farte kol?   Hoe gaat het met je?
      AG:  Ur tu?   En met jou?

  6. Verzoeken, bestellingen, geboden ed.: de spreker wil de toehoorder tot een actie aanzetten, en daarom spreken we van "actie-opwekkingen":

    • Aftel tu holarecū eft cafer?   Kun je koffie brengen?
    • Aftel tu linnavy ón Petriy, ef rapors melde klótarus hojelka?
      Wil jij aan Petriy vragen wanneer het rapport klaar is?
150.134

De grens tussen categorie 1. en 2. is niet altijd duidelijk te trekken. In alle gevallen hangt het van diverse factoren (context, conventie, kennis van de wereld) af, of de toehoorder een vraag als pseudovraag opvat, en zich dus niet geroepen voelt om een verbale respons te geven. Retorische vragen worden als zodanig vaak gemakkelijk herkend omdat zij in geschreven taal voorkomen, waarbij de schrijver niet kan verwachten dat de lezer antwoord geeft (dat kan de schrijver feitelijk alleen verwachten als hij een enquźteformulier heeft geschreven).
Bij de categorieėn 1. en 2. wordt er door de spreker in principe geen enkele respons van de toehoorder verwacht, maar bij categorie 3. wel. De non-verbale respons die bij verzoeken, bestellingen, geboden ed. hoort, wordt nader geanalyseerd in § 150.171-176.

150.135

Een retorische vraag kan syntactisch dezelfde vorm hebben als een echte vraag (dikwijls met een negatie):

  • Aftel ef wónzol nert melde ojic lelmo tof?
    Is het geen schitterend weer vandaag?
  • Lerdu paino kluft? Cradef kirro tiffe!
    Wat heeft Lerdu gedaan? Wij allen weten het!
150.136

In poėtisch taalgebruik kan een retorische vraag als zodanig benadrukt worden door toevoeging van ur fit ... (en zo ...):

  • Ur fit, aftel mittof ’rzeéts lelperre velk veliyter ’drentōs?
    [En] hebben deze barbaren nog menselijke gevoelens?
150.137

Suggestie en aansporingen zijn bijvoorbeeld:

  • Mitulanis stus nert ojelste bjerr?   Waarom geen bier bestellen?
    (bedoeld wordt: laten we nu een glas bier bestellen)
  • Kol tu cōnsidere ef ’lorerdos enn eft kleter litalu furt ef kokmit?
    Wat zou je ervan zeggen om een nieuwe lamp voor de keuken te kopen?
    (bedoeld wordt: laten we een nieuwe keukenlamp gaan kopen)
150.138

Sommige vragen zijn niet bedoeld om door de aangesprokene beantwoord te worden, maar dienen slechts om een uitspraak van een derde aan te halen, of om een innerlijke onzekerheid of twijfel uit te drukken. In voorbeeld 1. drukt de conjunctief uit dat iemand anders beweerd heeft dat ik thuis was:

  1. Aftel gress meltāte fesért?   Zou ik thuis [geweest] zijn?
Zin 2. drukt een innerlijke twijfel uit. De spreker verwacht geen antwoord maar laat zijn gedachten werken om het probleem zelf op te lossen:
  1. Kol tétecū gress ef ljōls guldā, gress reppe?
    Hoe zou ik de rupsen het beste kunnen doden?
Het tussenwerpsel gress reppe Noot 1 (lett. "ik zeg") drukt feitelijk uit dat het voorgaande geen vraag is waarop een antwoord wordt verwacht, maar een mededeling over de twijfel die ik heb. Zie ook § 110.?? waarin de Dubitatief behandeld wordt.

      Noot 1 Gress reppe is in bevestigende zinnen dikwijls het equivalent van "namelijk". Het drukt een reden uit:
  • Gress tinde fesért; ef bidale, gress reppe.   Ik blijf thuis; het regent namelijk.

150.139

In beleefdheidsfrases kunnen vragen gebruikt worden die met een (identieke) wedervraag beantwoord moeten worden:

  • Tu farte kol?   Hoe gaat het met je?
Het is niet de bedoeling dat de aangesprokene na deze vraag omstandig gaat uitleggen wat hem de afgelopen tijd is overkomen en hoe hij zich momenteel voelt. Veeleer wordt er verwacht dat hij reageert met een identiek [Ur] tu farte kol? ([En] hoe gaat het met jou?) of met een neutraal Quista. (Goed.).

150.140

Vragen die niet bedoeld zijn om verbaal te beantwoorden, maar als actie-opwekkingen fungeren, zijn in het Spokaans minder algemeen dan bijvoorbeeld in het Nederlands. Een vraag wordt alleen als actie-opwekkende pseudovraag opgevat als aan twee voorwaarden wordt voldaan:

  1. de vraag wordt gesteld in een situatie waarin sprake is van een beroepsmatige uitvoering van de actie (zoals in dienstverlenende sectoren: obers, huisknechten, winkel- of baliepersoneel, en soms ook ondergeschikten op kantoor);
  2. de vraag voldoet inhoudelijk aan bepaalde conventies die aan het beroep gebonden zijn (men kan een ober wel om koffie vragen, maar niet om pakje sigaretten).
150.141

Vergelijk de de volgende drie situaties:

I. Elsa is bij de kruidenier en vraagt:

  1. Aftel g’rs lelperre eft sucro-slōx furt gress?
    Heeft u een pak suiker voor me?
Dit is een pseudovraag, waarop de winkeljuffrouw adequaat kan reageren door een pak suiker op de toonbank te zetten, en daarbij de prijs te noemen.

II. Elsa is bij de kruidenier en vraagt:

  1. Aftel g’rs noftatecū eft amain-jeji furt ef garage-kloppa?
    Kunt u een briefje van 10 herco voor de parkeermeter wisselen?
De situatie waarin Elsa vraag 2. stelt is identiek als die bij 1., maar inhoudelijk valt 2. buiten de conventie: personeel in een kruidenierswinkel is niet aangenomen om geld te wisselen. De winkeljuffrouw zal 2. daarom als een echte vraag interpreteren en met "ja" of "nee" beantwoorden. Antwoordt ze met "ja", dan kan Elsa een verkapte vraag in de trant van 3. stellen: Noot 1
  1. Gress mennirre garage-kloppa-drurs.
    Ik heb munten voor de parkeermeter nodig.
III. Elsa belt bij de buurvrouw aan en vraagt:
  1. Aftel tu lelperre eft vloja sucro furt gress?
    Heb je wat suiker voor me?
Dit is een echte vraag, waarop de buurvrouw met "ja" of "nee" kan antwoorden, maar die haar niet tot actie zal aanzetten. Noot 2 Als de buurvrouw met "ja" antwoordt, kan Elsa een actie uitlokken met een verkapte vraag in de trant van:
  1. Gress bladide jazy eft vloja.   Ik wil wel een beetje.
      Noot 1 Zin 3. heeft het karakter van een verkapte vraag omdat vraag 2. eraan voorafgaat. Zoniet, dan zou 3. als een mededeling opgevat worden, die voor kennisgeving aangenomen wordt. Omdat Elsa wel vermoedt dat 2. niet als actie-uitlokkende pseudovraag zal worden begrepen, kan zij 2. en 3. ook tegelijkertijd produceren, zodat 3. als een soort verklaring voor 2. toegevoegd wordt.

      Noot 2 Als de buurvrouw vraag 4. als pseudovraag zou opvatten, en dus direct zou overgaan tot het halen van wat suiker, zou zij daarmee te kennen geven dat zij zich als een soort knecht van Elsa beschouwt. Deze vorm van slaafsheid kan Elsa in grote verlegenheid brengen.

150.142

Als de verhouding tussen Elsa en de buurvrouw heel familiair is, kan de echte vraag 3. achterwege blijven, en is een verkapte vraag in de trant van:

  1. Gress bladide eft vloja sucro.   Ik zou graag wat suiker willen.
voldoende om de buurvrouw tot actie aan te zetten.

150.143

De grens tussen "conventionele pseudovragen" en vragen die vanwege het gemarkeerde karakter niet als pseudovraag worden geļnterpreteerd is niet altijd scherp te trekken. Een barkeeper die naast de drank ook veel sigaretten van het merk Keerā verkoopt zal een vraag als Heeft u een pakje Keerā voor me? als "conventionele pseudovraag" opvatten en tot de actie {AG GEEFT PAKJE SIGARETTEN AAN VS} overgaan. Verkoopt hij daarentegen zelden dit merk, dan kan hij bedoelde vraag als "onconventionele echte vraag" interpreteren, en alleen met "ja" of "nee" antwoorden, zonder zo'n pakje te geven. Noot 1 VS moet dan alsnog een verkapte vraag stellen om daadwerkelijk een pakje Keerā te krijgen.
In alle gevallen is het in het Spokaans goed mogelijk om het subtiele vraag/antwoord-spel zoals hier geschetst te omzeilen door gebruik te maken van een beleefde imperatief, bijvoorbeeld:

  • Kette-gōrse eft Keerā-bōx, fara quiste.
    Geeft u me een pakje Keerā, alstublieft. Noot 2
      Noot 1 Ook nu geldt weer de angst om een slaafse indruk te geven, die VS in verlegenheid kan brengen, en de barkeeper als een onderdanige sukkel presenteert. Zou VS niet om een pakje sigaretten vragen, maar om een glas wijn, dan komt de barkeeper beroepshalve in actie, en wordt dit niet als een vorm van slaafsheid beschouwd.

      Noot 2 Zo'n imperatief klinkt in het Nederlands nogal bot, maar is in het Spokaans een gangbare manier van vragen, mits vergezeld van beleefdheidsfrases als fara quiste (alstublieft), āme g’rs piaquānavy (als u zo vriendelijk wilt zijn), enzovoort. Zie ook § 110.??.

150.144   ad § 150.3   F. Indirecte vragen

In indirecte vragen krijgt het werkw. het sx. -āt (in enk.) of -ūs (in mv.), tenzij de vraag met een vraagsx. geconstrueerd is (het vraagsx. verdringt -āt en -ūs). Vergelijk:

  • Do zāre ’r? > Gress linne, do zārāt ’r.
    Do zār’ry? > Gress linne, do zār’ry.
    Waar woont hij? > Ik vraag waar hij woont.

  • Óps zāre ’r? > Gress linne, óps zārūs ’r.
    Óps zār’ry? > Gress linne, óps zār’ry.
    Waar wonen zij? > Ik vraag waar zij wonen.
150.145

Als er sprake is van emfase, kan de indirecte vraag soms voor de hoofdzin geplaatst worden. In dat geval is er een pragmatisch verschil tussen een vrag.vnw. en een vraagsx. Vergelijk:

  1. Petriy zārāt ’r, gress linne.
    WAAR woont Petriy, vraag ik. (niet: "HOE woont hij?")
  2. Petriy zār’ry, gress linne.
    Waar WOONT Petriy, vraag ik. (niet: "waar WERKT hij?")
In zin 1. ligt de nadruk op de plaats waar hij woont, en in 2. op het wonen.
Beide vooropgestelde indirecte vragen zijn correct als er sprake is van een contextueel contrast. Noot 1

      Noot 1 Een dergelijk contrast kan ook uitgedrukt worden met de determinant ki. Zie hiervoor § 133.??.

150.146

Het Spokaans maakt een syntactisch en semantisch onderscheid tussen indirecte vragen en bijzinnen. Vergelijk:

  1. Tu zāre ’r?   Waar woon je?
  2. Petriy linne, tu zārāt ’r.   Petriy vraagt, waar je woont.
  3. Petriy tiffe, ’r tu zāre.   Petriy weet, waar je woont.
In a. en b. staat het vrag.vnw. ’r op de positie waar ook in een bevestigende zin de plaatsbepaling staat (ongemarkeerde positie). Het onderscheid "direct" ~ "indirect" komt tot uitdrukking in het gebruik van het suffix -āt in b.
In c. staat het voegw. ’r aan het begin van de bijzin; het werkw. in de bijzin is nu niet met -āt gemarkeerd. De indirecte vraag in b. kan als geļsoleerde zin gebruikt worden, en is dan een directe vraag (zie a.). De bijzin in c. kan niet geļsoleerd gebruikt worden: * ’r tu zāre Noot 1.
Het verschil tussen indirecte vragen en bijzinnen wordt nader behandeld in § 122.34-37.

      Noot 1 Behalve als dit een elliptisch antwoord is in een vraag/antwoord-sequentie als:
  • VS:   Petriy tiffe kluft?   Wat weet Petriy?
    AG:   Ÿr tu zāre [, tiffelije pai do].   Waar je woont [, weet hij].
Let op de passiefconstructie: ’r tu zāre fungeert als object-focus en moet daarom geheel links geplaatst worden.

150.147

Soms is er een betekenisverschil tussen een voegw. en een determinant, als zij voorkomen in een vragende zin. Vergelijk:

  1. a. Aftel tu tūp tiffe, Jān zārilme?
    b. Aftel tu tiffe, ’r Jān zāre?
    Weet je waar Jān woont?
In zin 1a. staat een ondergeschikte bijzin met de determinant tūp. Deze vraag kan gesteld worden als de vraagsteller wil verifiėren of "jij" het adres van Jān wel of niet kent. Zin 1a. is dus een ja/nee-vraag waarop geantwoord kan worden met siy of noft.
In 1b. staat een ondergeschikte bijzin met het voegw. ’r. VS weet dat "jij" het adres van Jān kent en verwacht dat "jij" dat adres nu opgeeft. Het enige antwoord op 1b. kan dus zijn: Jāns adres. Het gaat in 1b. om een pseudo-vraag in de vorm van een ja/nee-vraag (met aftel), waarbinnen een open vraag (met ’r? (waar?)) is vervat. AG geeft in 1b. feitelijk antwoord op deze ingebedde open vraag, terwijl AG in 1a. antwoord geeft op de ja/nee-vraag.

150.148

De vraagzinnen 1a. en 1b. in § 150.147 drukken een directe vraag uit (het is de spreker die een vraag stelt). We moeten deze constructies niet verwarren met een indirecte vraag die in een directe vraag is verweven, zoals:

  1. a. Aftel tu linnavy, Jān zārāt ’r?
    b. Aftel tu linnavy, Jān zār’ra?
    Wil je vragen waar Jān woont?
Nu verwacht VS dat AG naar Jān toestapt om te vragen: "Waar woon je?".
Een indirecte vraag (Jān zārāt ’r of Jān zār’ra in 2.) moet altijd semantisch verenigbaar zijn met de betekenis van het werkw. in de hoofdzin: dit werkw. moet op de een of andere manier uitdrukken dat "er een vraag wordt gesteld". Het meest elementaire werkw. is natuurlijk linne (vragen), maar ook andere constructies zijn denkbaar, zoals aftel tu informeravy ... (wil je informeren ...). Een contaminatie van 1. en 2. leidt dus tot semantische onzin:
  1. * Aftel tu tiffe, Jān zārāt ’r? = Aftel tu tiffe, Jān zār’ra?
De indirecte vragen in 3. zijn identiek aan die in 2., maar nu gecombineerd met de hoofdzin in 1. Het werkw. tiffe drukt op geen enkele manier uit dat er een vraag gesteld wordt, en daarom is 3. fout (of liever: semantisch inadequaat).

150.149

Voorbeelden van constructies die door een indirecte vraag gevolgd moeten worden:

    linne
    m’ve
    reppetjyme
    ef kette ef/eft linnos
    vragen [of]
    benieuwd zijn [of]
    (mondeling) vragen [of]
    de/een vraag stellen [of]
Veel andere werkwoorden kunnen door een indirecte vraag gevolgd worden, zoals:

    zjoffe
    probare beri tiffe
    tiffavy/tiffaves
    informere [kura]
    beweren
    willen weten
    willen weten
    informeren [over]
In principe gaat het hier om alle werkw.n waarvan het subject een antwoord (bevestiging) op zijn/haar uitspraak verwacht:

  • Do zjoffe, den ef bidale.
    Hij beweert dat het regent. (en verwacht geen commentaar)
  • Do zjoffe, āl ef bidalāt.
    hij beweert of het regent
    (en verwacht een bevestiging of het al dan niet waar is)
150.150

Tussen een ondergeschikte bijzin die met een voegw. begint en een indirecte vraag met een vrag.vnw. en -āt/-ūs-suffigering bestaat soms nog een tussenvorm die als retorische vraag geļnterpreteerd wordt, waarop de spreker geen antwoord van de aangesprokene verwacht. Vergelijk de bijzin in a. met de indirecte vraag in b. en de retorische vraag in c.:

  1. Gress tajone beri tiffe, kluft dena stereo-tiynec’r š’ny melde.
  2. Gress tajone beri tiffe, dena stereo-tiynec’r š’ny meltāt kluft.
  3. Gress tajone beri tiffe, dena stereo-tiynec’r š’ny melde kluft.
    Ik zou wel eens willen weten, wat de prijs van deze stereo-installatie is.
Zin c. onderscheidt zich van b. doordat de typische indirecte-vraag-markeerder -āt achter het werkw. ontbreekt. Zin c. onderscheidt zich van a. doordat kluft niet vooraan op de voegw.-positie staat, maar achteraan op de vrag.vnw.-positie. Zin c. staat syntactisch dus duidelijk tussen a. en b. in.
Zin a. kan ik zeggen tegen een vriend om aan te geven dat ik naar de winkel ga om de prijs van de stereo-installatie te achterhalen. Ik verwacht dus niet dat mijn vriend die prijs weet, en al zou hij die weten, dan verwacht ik niet dat hij die aan mij vertelt.
Zin b. kan ik in de winkel tegen de verkoper zeggen en is in feite een beleefdere vorm van de directe vraag:
  • Dena stereo-tiynec’r š’ny melde kluft?
    deze stereo-installatie-GEN prijs is wat
    Hoeveel kost die stereo-installatie?
Zin c. kan ik eveneens in de winkel zeggen, maar dan tegen mijn vriend die meegegaan is en die evenmin als ik de prijs kent. Misschien vat mijn vriend zin c. op als een aansporing om namens mij de prijs aan de verkoper te vragen (omdat ik daar te verlegen voor ben).

150.151

Performatieve en relatieve bijzinnen kunnen op twee manieren gevormd worden: (a.) met het voegw. den, resp. een betr.vnw., en (b.) met een -lira-constructie (zie § 125.?? en vanaf § 124.46).
De combinatie van matrixzin + bijzin (samen: volzin) kan als ja/nee-vraag optreden (gemarkeerd met aftel), waarbij de constructies met een voegw. of betr.vnw. een iets andere betekenis hebben dan de -lira-constructies. Vergelijk:

  1. a. Aftel tu zerfe, den ef merater lorerde flaju?
    b. Aftel tu zerfe, ef merater lorerdelira flaju?
    Zie je dat de man iets koopt?

  2. a. Aftel tu zerfe ki ef merater, lorerde flaju?
    b. Aftel tu zerfe ef merater, lorerdelira flaju?
    Zie je de man die iets koopt?
In de voorbeelden 1a. en 2a. staan de bijzinnen in syntactisch opzicht zo los van de matrixzin, dat het vrag.vnw. aftel alleen een "scope" (reikwijdte) over de matrixzin heeft. In 1b. en 2b. hebben de -lira-constructies zo'n hechte band met de matrixzin dat aftel een scope over de gehele volzin heeft. Dit verschil in scope, en het daaruit voortvloeiende betekenisverschil, wordt in de volgende paragrafen nader geanalyseerd.

150.152

Zowel 1a. als 1b. bevat twee Standen van Zaken, zodanig dat de tweede SvZ ingebed zit in de eerste, en wel als volgt:

    SvZ I:   JIJ ZIET  X
    SvZ II:  X = DE MAN KOOPT IETS
In 1a. staat SvZ II syntactisch los van de matrixzin, en daarom oefent aftel alleen invloed uit op SvZ I. In 1b. echter is SvZ II "verweven" met SvZ I, en daarom oefent aftel invloed uit op de gehele constructie. Ofwel: in 1a. wordt alleen naar het waarheidsgehalte van SvZ I gevraagd, in 1b. naar het waarheidsgehalte van SvZ I + SvZ II. De antwoorden "ja" en "nee" slaan dan ook op verschillende dingen in 1a. en 1b.: Als op vraag 1a. met "ja" wordt geantwoord, betekent dat dat "jij" ziet dat de man iets koopt. Het antwoord "nee" betekent dat "jij" niet ziet dat de man iets koopt. In 1b. hebben beide antwoorden een andere betekenis: "ja" betekent hier niet alleen dat "jij" ziet dat de man iets koopt, maar bovendien dat het ook waar is dat de man iets koopt (hier verschil "ja" niet zo veel met "ja" in 1a.). Echter, "nee" kan 3 dingen betekenen:
  1. "jij" ziet niet dat de man iets koopt
  2. "jij" ziet dat de man niets koopt
  3. "jij" ziet niet dat de man niets koopt
In de gevallen i. en iii. is er een visuele barričre tussen "jij" en de man. In de gevallen ii. en iii. is de man zichtbaar, maar hij is niet bezig om iets te kopen (hij staat met iemand te praten).
Doordat aftel scope heeft over beide Standen van Zaken, kan met "nee" het waarheidsgehalte van hetzij SvZ I, hetzij SvZ II, hetzij beide, ontkend worden.

150.153

In § 124.68 is uitgelegd dat rel.bijzinnen met een betr.vnw. dikwijls een inperkende bepaling vormen, terwijl relatieve -lira-constructies een uitbreidende bepaling kunnen vormen.////??? CHECK UITBREIDEND EN INPERKEND. HET STOND HIER M.B.T. PAR. 124 PRECIES OMGEKEERD!//// Dit onderscheid is ook in 2. in § 150.151 waarneembaar, en heeft bovendien gevolgen voor de "scope" van aftel: in 2a. wordt de vraag gesteld of "je" de man ziet, terwijl buiten deze vraag de aanvullende informatie staat dat de desbetreffende man iets koopt. In 2b. wordt de vraag gesteld of "je" de man die iets koopt ziet. Hier valt de bijzin binnen de vraag. Als de man in feite niets koopt, is 2a. een inadequate vraag, want de bijzin "die iets koopt" is onwaar, dus er wordt een vraag gesteld die gestoeld is op een onware situatie. In 2b. ligt dat anders: evenals bij 1b. wordt nu ook het waarheidsgehalte van de bijzin in de vraag betrokken. Als "jij" de man ziet, en als die man iets koopt, kan met "ja" geantwoord worden. Het antwoord "nee" is correct in de volgende gevallen (vergelijk de 3 gevallen in § 150.152):

  1. "jij" ziet de man niet, die iets koopt
  2. "jij" ziet de man wel, maar hij koopt niets
  3. "jij" ziet de man niet, en hij koopt ook niets
150.154

De hechte band die een -lira-constructie met de matrixzin heeft, en daardoor in staat is om de scope van aftel te vergroten (zie hierboven), maakt het tevens mogelijk om een vrag.vnw. in de bijzin te hebben, die scope heeft over de gehele constructie. Zoiets is bij een perf.bijzin met den, of een rel.bijzin met betr.vnw., niet mogelijk. Vergelijk:

  1. a. * Tu zerfe, den ef merater lorerde kluft?
        jij ziet dat de man koopt wat
    b. Tu zerfe, ef merater lorerdelira kluft?
        jij ziet, de man koopt-LIRA wat
        Wat zie je dat de man koopt?

  2. a. * Tu zerfe ki ef merater, té lorerde kluft?
        jij ziet DET de man, die koopt wat
    b. Tu zerfe ef merater, lorerdelira kluft?
        jij ziet de man, koopt-LIRA wat
        "Wat koopt de man die door jou gezien wordt?"
150.155

Voorbeelden 3a. en 4a. zijn ongrammaticaal omdat het vrag.vnw. kluft op het niveau van een bijzin staat, terwijl de gehele constructie als vraag optreedt. Daarentegen zijn 3b. en 4b. wel correct. Dit is een indicatie dat het deel lorerdelira kluft niet optreedt als een aparte bijzin maar "geļncorporeerd" is in de matrixzin, zodanig dat het vrag.vnw. kluft op matrixniveau een open vraag kan sturen. De Nederlandse vertaling van 3b. vertoont iets dergelijks: het vrag.vnw. wat "stijgt" vanuit de bijzin naar de matrixzin, waar het als object bij weten terechtkomt. Voor 4b. bestaat er geen goed Nederlands equivalent, omdat het ondergeschikte wat niet als object in de matrixzin kan optreden, want hier staat reeds het object de man. Noot 1

      Noot 1 Zie ook W. Foley & R. Van Valin, Functional syntax and universal grammar (1984), blz. 2223, voorbeeld 1.2.

150.156

Het gebruik van een vraagsuffix wordt afgeraden als er ambiguļteit ontstaat, zoals in:

  1. Ef polišo do šotanis? Noot 1
    a. Waarom heeft de politie op hem geschoten?
    b. Waarom heeft de politie hem ondervraagd?
Deze dubbelzinnigheid kan vermeden worden als we mitulanis gebruiken:
  1. a. Ef polišo do šote mitulanis?   (= 1a.)
    b. Ef polišo do šoe mitulanis?   (= 1b.)
Zie ook § 82.37.

      Noot 1 De gramst. in šotanis is šot-, en kan zowel van het werkw. šote (schieten) als van het werkw. šoe (ondervragen) afkomstig zijn.

150.157

Er bestaat een principieel verschil tussen (i) een directe vragende zin, (ii) een indirecte vragende zin en (iii) een bijzin, hoewel voegw.n soms identiek zijn aan vrag.vnw.n.
In de volgende voorbeelden is a. een directe vraag, is b. een indirecte vraag en is c. een ondergeschikte bijzin:

  1. a. Do lelperre kolpert mimpits?   Hoeveel boeken heeft hij?
    b. Gress linne, do lelperrāt kolpert mimpits.
        Ik vraag hoeveel boeken hij heeft.
    c. Gress nert tiffe, kolpert do lelperre ef mimpits.
        Ik weet niet hoeveel boeken hij heeft.

  2. a. Eup reverte sener merater kol?   Hoe behandelt ze haar man?
    b. Gress linne, eup revertāt sener merater kol.
        Ik vraag hoe ze haar man behandelt.
    c. Gress tiffe, kol eup reverte sener merater.
        Ik weet hoe ze haar man behandelt.

  3. a. Ef mimpit melde kol liftkar?   Hoe oud is het boek?
    b. Gress linne, ef mimpit meltāt kol liftkar.
        Ik vraag hoe oud het boek is.
    c. Gress tiffe, kol ef mimpit melde liftkar.
        Ik weet hoe oud het boek is.

  4. a. Jān idevlazzo kol-vrōk?   Op welke wijze heeft Jān gefraudeerd?
    b. Ef blaffoser linne, Jān idevlasstāt kol-vrōk.
        De belastinginspecteur vraagt op welke wijze Jān gefraudeerd heeft.
    c. Ef blaffoser tiffe, kol-vrōk Jān idevlazzo.
        De belastinginspecteur weet op welke wijze Jān gefraudeerd heeft.
Terwijl het vrag.vnw. de gangbare positie voor gelijkwaardige elementen inneemt, verschijnt het voegw. altijd vooraan de bijzin.

150.158

Het onderscheid tussen directe vraag, indirecte vraag, voegwoord en betrekkelijk vnw. komt in het volgende Blok tot uitdrukking:

  Vragende/Ondergeschikte/Relatieve constructies vergeleken  
vraagvoegwoordbetr.vnw. 
’r/-’ra
fesenn/’rhenn/
  /-enniy
mipenn/-ynnā
 
hojelka/-elka
kluft/-atéf
×
lomp/-ompiy
×
folarra/-ompiy
×
mitulanis/-anis
kol/-ecco
pertót/-ótā
kolpert/-upe
×
folarkluft
lompol
kolpol
’r
helkara kluft/
  /fesenn
rifonn kluft/
  /mipenn
hojelka/ka
kluft
lomp
folarra
mitulanis
kol
pertót
kolpert/fes pert
folarkluft
lompol
kolpol
VZ BT/’r °
helkara
BT
 
rifonn BT
 
fara/den
BT 
BT 
-
VZ BT 
-
-
-
-
-
-
waar
waarheen
 
waarvandaan
 
wanneer
wat, welke/die, dat
wie, welke/die, dat
welke ZNW
waarom, waardoor
hoe
hoevaak
hoeveel
wat voor een
wie van de
welk[e] van de

×   Alleen bij object. VZ   = willekeurig voorzetsel.
° Ÿr als betr.vnw. is typisch spreektaal.     BT = willekeurig betr.vnw.

150.159

Voorbeelden:

a. = directe vraag; b. = indirecte vraag; c. = voegwoord; d. = betr.vnw.

  1. Do zāre ’r? = Do zār’ra?
    Waar woont hij?
  2. Gress linne, do zārāt ’r. = Gress linne, do zār’ra.
    Ik vraag waar hij woont.
  3. Gress tiffe, ’r do zāre. = Gress tūp tiffe, do zārilóme.
    Ik weet waar hij woont.
  4. ef s’rt, fes té do zāre = £ ef s’rt, ’r do zāre
    de stad waarin/waar hij woont
  1. Do farte fesenn/’rhenn? = Do fartenniy?
    Waar loopt hij heen?
  2. Gress linne, do fartāt fesenn/’rhenn. = Gress linne, do fartenniy.
    Ik vraag waar hij heen loopt.
  3. Gress tiffe, helkara kluft do farte. = Gress tiffe, fesenn do farte.
    Ik weet, waar hij heen loopt.
  4. ef zé, helkara té ef prusot vende
    de zee waar de rivier heen stroomt
  1. Do arfine mipenn? = Do arfinynnā?
    Waar komt hij vandaan?
  2. Gress linne, do arfināt mipenn. = Gress linne, do arfinynnā.
    Ik vraag waar hij vandaan komt.
  3. Gress tiffe, rifonn kluft do arfine. = Gress tiffe, mipenn do arfine.
    Ik weet waar hij vandaan komt.
  4. ef granōs, rifonn mit (trāk mitte) ef prusot vende
    de bergen waarvandaan de rivier stroomt
  1. Tu prate hojelka? = Tu pratelka?
    Wanneer vertrek je?
  2. Gress linne, tu pratāt hojelka. = Gress linne, tu pratelka.
    Ik vraag wanneer je vertrekt.
  3. Gress tiffe, hojelka tu prate. = Gress ka tiffe, tu pratilóme.
    Ik weet wanneer je vertrekt.
  4. ef tof, fara/den tu prate = ef tof, tu pratelira [!]
    de dag dat/als/wanneer je vertrekt
Object
  1. Do paine kluft? = Do painatéf?
    Wat doet hij?
  2. Gress linne, do paināt kluft. = Gress linne, do painatéf.
    Ik vraag wat hij doet.
  3. Gress nert tiffe, kluft do paine ef.
    Ik weet niet wat hij doet.
  4. ef tiyns, do paine mit = ef tiyns, do painelira
    de dingen die hij doet
Subject
  1. Kluft yberve ta?
    Wat ratelt daar?
  2. Gress linne, kluft yberfāt ta.
    Ik vraag wat daar ratelt.
  3. Gress nert tiffe, kluft yberve ta.
    Ik weet niet wat daar ratelt.
  4. ef tiyn, té yberve ta = ef tiyn, ybervelira ta.
    het ding dat daar ratelt
Voorz.bep.
  1. Tu miype armt kluft?
    Waar denk je aan?; Aan wat denk je?
  2. Gress linne, tu miypāt armt kluft.
    Ik vraag waaraan (aan wat) je denkt.
  3. Gress tiffe, armt kluft tu miype.
    Ik weet waaraan (aan wat) je denkt.
  4. ef mōntyōsta, armt mit tu miype
    de problemen waaraan je denkt
Object
  1. Do zerre kluftec’r temp?
    Hij aait de rug van wat (van welk dier)?
  2. Gress linne, do zerrāt kluftec’r temp.
    Ik vraag van wat hij de rug aait.
  3. Gress nert tiffe, kluftec’r temp do zerre ef.
    Ik weet niet van wat hij de rug aait.
  4. ef chat, do zerre téc’r temp
    de kat, waarvan (welks) hij de rug aait
Subject
  1. Kluftec’r decs melde tijā?
    Waar is het deksel van weg?
  2. Gress linne, kluftec’r decs meltāt tijā.
    Ik vraag waar het deksel van weg is.
  3. Gress nert tiffe, kluftec’r decs melde tijā.
    Ik weet niet waar het deksel van weg is.
  4. ef pān, téc’r decs melde tijā
    de pan waarvan het deksel weg is
Voorz.bep.
  1. Tu miype armt kluftec’r temp?
    Aan de rug van wat denk je?
  2. Gress linne, tu miypāt armt kluftec’r temp.
    Ik vraag aan de rug van wat je denkt.
  3. Gress nert tiffe, armt kluftec’r temp tu miype.
    Ik weet niet aan de rug van wat je denkt.
  4. ef chat, tu miype armt téc’r temp
    de kat aan de rug waarvan je denkt
Object
  1. Do zerre folarra chat? = Do zerrompiy ef chat?
    Welke kat aait hij?
  2. Gress linne, do zerrāt folarra chat. = Gress linne, do zerrompiy ef chat.
    Ik vraag welke kat hij aait.
  3. Gress tiffe, folarra chat do zerre ef. = Gress tiffe, folarra do zerre ef chat.
    Ik weet welke kat hij aait.
  4. -
Object
  1. Do zerre kolpol chats?
    Welke van de katten aait hij?
  2. Gress linne, do zerrāt lompol chats?
    Ik vraag welke van de katten hij aait.
  3. Gress tiffe, lompol chats do zerre efs. = Gress tiffe, lompol do zerre ef chats.
    Ik weet welke van de katten hij aait.
  4. -
150.160

In het Spokaans kan een vragende zin nauwelijks als een imperatief geļnterpreteerd worden. Een (gestuurde) vraag als

  • Aftel ef nert melde vilt metel, den tu moje ef kles?
    Is het niet jouw beurt om het gras te maaien?
zal door een Spokaniėr beantwoord worden met "ja", "nee", "weet ik niet" of wat dan ook, maar hij zal hier nooit een aansporing in zien om het gras ook werkelijk te gaan maaien. Zo'n aansporing moet expliciet uitgedrukt worden, bijvoorbeeld:
  • Aftel ef nert melde vilt metel, den tu moje ef kles? – ur paine-tūe!
    Is het niet jouw beurt om het gras te maaien? – en doe 't dan!
150.161

Een taaluiting als

  • Aftel tu šobiyravy ef todirt’ lo dalotoje?
    Wil je het vuilnis buiten zetten?
zal in Spokaniė nooit zo begrepen worden dat de aangesprokene het vuilnis ook werkelijk buiten zet. Alleen een imperatieve toevoeging kan van deze vraag een beleefde imperatief maken:
  • Aftel tu šobiyravy ef todirt’ lo dalotoje?, šobiyre-tūe miss.
    VRAAG jij wilt-zetten het vuilnis DET buiten, zet-jij alsjeblieft
    Wil je het vuilnis alsjeblieft buiten zetten?
Dit is de beleefde variant van de directe imperatief:
  • Šobiyre-tūe ef todirt’ lo dalotoje, miss.
    Zet het vuilnis alsjeblieft buiten.
150.162

Kluft + afleidingen refereren aan zaken en dieren. Lomp + afleidingen refereren aan personen. De resultatiefvormen kluffte en lommpe zijn archaļsch. Tegenwoordig is de resultatief identiek aan de basisvorm. Zie hiervoor § 122.??-??.

150.163

De voegwoorden kluft en lomp kunnen optreden als subject, object of echo. Daar deze drie functies hun specifieke positie binnen de zin kennen, en anderzijds een voegwoord altijd aan het begin van de zin moet staan, ontstaat er een conflict indien kluft en lomp in de hoedanigheid van voegwoord een andere positie zouden moeten innemen dan in de functie van subject/object/echo (of kortom: basiselement).
Alleen als het basiselement het eerste element van een zin is, komt de positie overeen met die welke een voegwoord wil innemen. Bijvoorbeeld:

  1. Gress vraboe, kluft qugle ānkest ón do.
    Ik vermoed, wat hem bang maakt.
  2. Gress nert tiffe, lomp ustjāge do.
    Ik weet niet, wie hem bedriegt.
150.164

Als kluft en lomp als object (zonder kernfunctie) optreden, worden zij niettemin vooraan de zin geplaatst (want het zijn tenslotte voegwoorden), maar de nu ongebruikte objectpositie wordt opgevuld met een spoor. Dit is in het meest neutrale geval het pers.vnw. ef, maar als wij het geslacht kennen van de persoon waaraan lomp refereert, kan het spoor dit geslacht uitdrukken: do (hem) voor een man, en eup (haar) voor een vrouw. Ook kan een meervoudig spoor gekozen worden (óps (zij)) als we weten dat lomp aan meer dan één persoon refereert. Bijvoorbeeld:

  1. Gress tiffe, kluft do miype ef.
    Ik weet wat hij denkt.
  2. Gress nert tiffe, lomp do ustjāge ef.
    Ik weet niet wie hij bedriegt.
    (spoor-object ef omdat ik niet weet aan welk geslacht lomp refereert)
  3. Gress nert tiffe, lomp do ustjāge eup.
    Ik weet niet wie (= welke vrouw) hij bedriegt.
  4. Gress nert tiffe, lomp óps ustjāge hifde. Noot 1
    Ik weet niet wie (= welke mensen) zij bedriegen.
      Noot 1 In § 70.53 is uitgelegd dat in de functie van object een pers.vnw. van het tweede niveau geadviseerd wordt, als er in de functie van subject reeds een pers.vnw. van het eerste niveau gebruikt wordt. Daarom verdient b. de voorkeur boven a.:
  1. ? Ópsi zerfe ópsj.   Zij zien hen.
  2. Óps zerfe hifde.   (idem)
Ook in zin 6. wordt voor het spoor-object het pers.vnw. 2n hifde gebruikt.

150.165

Hetzelfde geldt voor een -lira-constructie die een betr.vnw. vervangt:

  1. a. Tu zerfe kluft?
        jij ziet wat
        Wat zie jij?
    b. * Tu zerfe ki ef merater, té lorerde kluft?
        jij ziet DET de man, die koopt wat
        * Wat zie je de man die koopt?
    c. Tu zerfe ef merater[,] lorerdelira kluft?
        jij ziet de man, kopen-LIRA wat
        i.  Wat koopt de man die je ziet?
        ii. Zie je de man die iets (en wat dan wel?) koopt?
In voorbeeld 7a. wordt het object gevormd door het vrag.vnw. kluft (wat), zodat de gehele zin als een vragende zin geļnterpreteerd wordt. In 7b. en 7c. bevat het object het vrag.vnw. kluft, maar dat leidt in b. tot een ongrammaticale constructie, want als kluft wil zorgen dat de volzin als vragend geļnterpreteerd wordt, dan moet kluft op het niveau van de matrixzin aanwezig zijn (zoals in a.), en in b. staat het op het niveau van de relatieve bijzin.
Dat zin c. daarentegen correct is (zij het ietwat archaļsch of gemarkeerd), kan verklaard worden door aan te nemen dat lorerde en kluft hier op matrixniveau opereren. Dit impliceert dat een relatieve -lira-constructie althans in een onderliggende structuur niet identiek is aan de (semantisch equivalente) relatieve bijzin met een betr.vnw. Noot 1

      Noot 1 Vergelijk de volgende varianten van b. en c., waarin het vrag.vnw. kluft vervangen is door een "normaal" object:
  1. Tu zerfe ki ef merater, té lorerde eft mimpit. =
  2. = Tu zerfe ef merater[,] lorerdelira eft mimpit.
    Jij ziet de man, die een boek koopt.

Zinnen a. en b. worden als equivalent beschouwd, hoewel een -lira-bijzin de tendens heeft om als inperkend opgevat te worden, terwijl de bijzin met het betr.vnw. eerder uitbreidend lijkt te zijn. Zie hiervoor ook de discussie in § 124.68-70.
Het is moeilijk te verifiėren in hoeverre 7c. vanwege de -lira-constructie een inperkende lezing heeft, want: i. een tegenhanger met een betr.vnw. die dan een uitbreidende lezing zou moeten hebben bestaat niet (of liever: is ongrammaticaal, zie 7b.), en ii. zin 7c. is hoe dan ook archaļsch of gemarkeerd zodat een op intuļtie gestoelde uitspraak over de betekenis ervan nauwelijks te doen is.

150.166

Soms kan een bijzin uit een (retorische) vragende zin bestaan. Vergelijk:

  1. a. Sest ardefs das mipšéare cupp ef m’rt, eft rūsaly gāmtiyn
        zulke geuren maar.dan ontsnappen uit de schoorsteen, een fijn wildbraad
        sen perkilóme beri wāfersence fes ef lo’buti.
        zich moet DET bevinden in de haard
        Als zulke geuren [al] uit de schoorsteen ontsnappen, dan moet een fijn
        wildbraad zich in de haard bevinden.
    b. Sest ardefs das mipšéare cupp ef m’rt, kluft sen perkilóme beri
        wāfersence dus fes ef lo’buti?
        Als zulke geuren al uit de schoorsteen ontsnappen, wat moet er zich dan
        niet in de haard bevinden?

  2. a. Ef oto ma ydōne, ef mirra meltilóme glal.
        De auto slipt doordat de weg glad is.
    b. Ef oto ma ydōne, ef mirra meltilóme kol dus?
        Als de auto [al] slipt, hoe moet de weg dan wel niet zijn?

  3. a. Kirro ās qu’e korabona, ef āpip stintilóme ra ef xyfolos.
        Wij wachten gelaten, terwijl de agent de bon uitschrijft.
    b. Kirro ās qu’e korabona, ef āpip painilóme ra kluft?
        (lett. "wij wachten gelaten, terwijl de agent wat doet?")
        Als wij zo gelaten zitten te wachten, wat is de agent dan wel aan het
        doen?

  4. a. Tek melde rofonos, das Ōrs melde mafurt.
        Tek is boos, en dan is Ōrs woedend.
    b. Tek melde rofonos, das Ōrs sen cente kol dus?
        Als Tek al boos is, hoe moet Ōrs zich dan wel niet voelen?
150.167   Gebruik van klojās

Een positief dan wel een negatief antwoord kan ook uitgelokt worden door de vraag af te sluiten met het tussenwerpsel klojās? (is het niet zo?). Vergelijk:

  • neutrale ja/nee-vraag:
    Aftel eup blul xūstichelije?   Is ze beroofd?
    (antwoord kan evengoed "ja" als "nee" zijn)

  • positief gestuurde vraag:
    Aftel eup blul xūstichelije, klojās?   Ze is beroofd, niet waar?
    (VS verwacht als antwoord "ja")

  • negatief gestuurde vraag:
    Aftel eup blul nert xūstichelije, klojās?   Ze is niet beroofd, hč?
    (VS verwacht als antwoord "nee")
150.168

Klojās komt ook in bevestigende constructies voor. Het verschil met de voorbeelden uit de vorige paragraaf is minimaal: gebruikt een VS klojās in een vragende zin, dan verwacht hij dat AG duidelijk "ja" of "nee" zegt. Na een bevestigende zin met klojās mag de aangesprokene blijven zwijgen. Vergelijk:

  1. Aftel cafer melde mikar, klojās?   Koffie is duur, niet waar?
    (de spreker verwacht dat hij een goed gearticuleerd "ja" als antwoord krijgt)
  2. Cafer melde mikar, klojās.   Koffie is duur hč.
    (de spreker verwacht geen reactie, al kan de aangesprokene blijk geven dat hij de mededeling verstaan heeft, bijvoorbeeld door te knikken of door instemmend "ja" te mompelen)
150.169

In een bevestigende vraag is de spreker uit op een bevestiging van de taaluiting die hij doet. Zo'n vraag wordt gemarkeerd met het tussenwerpsel klojās? (is 't niet?; hč?):

  • Aftel tu ytende beri lorerde eft kleter oto, klojās?
    Je bent [toch] van plan om een nieuwe auto te kopen, niet?
  • Aftel Elsa hōmbae gesvint, klojās?
    Elsa is gauw moe, hč?
  • Aftel ef bidale, klojās?
    Het regent, niet?; Merk je ook niet dat het regent?
150.170

Klojās achter een normale bevestigende zin vormt een vragende intonatie, waarmee de spreker zo veel wil zeggen als "wat ik nu beweer is waar, en waag het niet om dit tegen te spreken":

  • Elsa hōmbae gesvint, klojās?   Elsa is gauw moet, zeg ik je.
  • Ef bidale, klojās?   Het regent. Niet dan?
De context en het intonatiepatroon moeten duidelijk maken hoe klojās precies geļnterpreteerd moet worden. Zoals uit bovenstaande voorbeelden blijkt, zijn soms vrije vertalingen noodzakelijk.

150.171   ad § 150.3   G. Non-verbale responsen

Alle soorten vragen die in § 150.2 zijn genoemd, kunnen ook een non-verbale respons uitdrukken. Hiermee bedoelen we dat AG tot een bepaalde actie overgaat, wat hij niet gedaan zou hebben als de vraag niet gesteld was. In feite betreft het hier een algemeen verschijnsel dat in elke conversationele situatie mogelijk is. Ook het roepen ("help!"), schelden ("godverdomme!"), beledigen ("wat ben jij een stomme analfabeet!"), klagen ("ik voel me zo zielig") of welke taaluiting dan ook kan een non-verbale reactie bij de toehoorder oproepen.
We zullen ons hieronder beperken tot het vraag/antwoordspel, en degene die de non-verbale respons geeft, zal "AG" genoemd worden. Non-verbale responsen worden hier gecodeerd met KLEINE HOOFDLETTERS tussen accolades. Noot 1

      Noot 1 Een vraag/antwoord-paar met non-verbale respons kan dus als volgt omschreven worden:
  • VS:   Aftel tu kettavy curmel dena potilast ón gress?
    Wil je mij dat potlood even geven?
    AG:   {AG PAKT HET POTLOOD EN GEEFT HET AAN VS}
150.172

De polaire morfemen siy en próp (§ 150.25) dienen dikwijls als ondersteuning van een non-verbale respons, zoals:

  • VS:
    AG:  

  • VS:
     
    AG:
     
Vende tu rala?   Ga je mee?
Siy. {AG TREKT ZIJN JAS AAN EN LOOPT MEE NAAR BUITEN}

Aftel tu nert leltavy curmel dena potilast? Noot 1
Wil je dat potlood niet even pakken?
Próp, k'mije! {AG PAKT POTLOOD EN GEEFT DIT AAN VS}
Jawel, alsjeblieft!

      Noot 1 Ja/nee-vragen die tot een actie moeten aanzetten, zijn meestal modaal gemarkeerd met -avy of probare (willen, wensen). Andere vormen van modaliteit, zoals -ecū (kunnen), zijn in dergelijke verzoeken niet gebruikelijk; de vraag wordt dan als zuivere ja/nee-vraag opgevat, zondat dat de AG zich geroepen voelt om een actie te ondernemen. Zie ook § 150.4-6.

150.173

Een eigenaardigheid in een Spokanische taalsituatie is dat vragen die een bepaalde situatie verifiėren, nooit begrepen worden als een verzoek aan AG om tot een bepaalde actie over te gaan:

  • Aftel ef cafer-cāne melde fes ef kokmit?
    Staat de koffiepot in de keuken?
Deze vraag wordt door AG als een zuivere ja/nee-vraag opgevat, en hij zal dus bevestigend of ontkennend antwoorden, zonder de koffiepot daadwerkelijk te gaan halen, ook al wijst VS demonstratief naar zijn lege kopje. Echter, als AG het antwoord niet weet kan hij zich door VS aangespoord voelen om in de keuken te gaan verifiėren. In dat geval is AG feitelijk tot een non-verbale actie aangezet om te voldoen aan de verwachting van VS, namelijk om de vraag van een adequaat antwoord te voorzien. Deze actie kan dan gemakkelijk een voortzetting krijgen in de vorm van het oppakken van de koffiepot en deze naar de kamer meenemen om het kopje van VS vol te schenken.
Als VS weet dat ook AG weet dat de koffiepot in de keuken staat, weet VS dat zijn vraag geen actie uitlokt, zodat hij gedwongen is om een directe vraag in de trant van
  • Aftel tu holaravy curmel ef cafer-cāne [, fara quiste]?
    Wil je de koffiepot [alsjeblieft] even halen?
te stellen, als hij zijn kopje volgeschonken wil krijgen.

150.174

Informatievragen worden evenmin als ja/nee-vragen (§ 150.173) gemakkelijk opgevat als een verzoek om tot een non-verbale actie over te gaan. Stel dat Jān en Elsa in de kamer zitten en Elsa hoort de baby (Kārle) boven huilen:

  • Elsa:   Kārle-belt arkette fit mitulanis?   Waarom huilt Kareltje zo?
Als Jān weet waarom de baby huilt zal hij de reden aan Elsa meedelen zonder zich verder geroepen te voelen om boven naar Kareltje te gaan kijken. Als Jān niet weet waarom Kareltje huilt, kan hij zich verplicht voelen om boven te gaan kijken teneinde Elsa's vraag van een adequaat antwoord te kunnen voorzien. In dat geval doet Jān indirect wat normaliter met een concreet verzoek in de trant van:
  • Aftel tu zerfavy curmel, mitulanis Kārle-belt arkette fit?
    Wil je even gaan kijken waarom Kareltje zo huilt?
bereikt had moeten worden.

150.175

Vergelijk het volgende voorbeeld met dat in § 150.173:

  • Kolpert cafer melde velk fes ef cafer-cāne fes ef kokmit?
    Hoeveel koffie zit er nog in de koffiepot in de keuken?
Ook nu weer geldt: als AG weet hoeveel koffie er nog in de pot zit, zal hij blijven zitten en het antwoord geven. Als hij het niet weet kan hij zich verplicht voelen om in de keuken te gaan verifiėren (teneinde een adequaat antwoord te kunnen geven), en als hij dan tóch eenmaal in de keuken is, kan hij (uit eigen wil) de koffiepot mee naar de kamer nemen.

150.176

De theoretische benadering in de vorige paragrafen kan in de praktijk als volgt vertaald worden: elke ja/nee-vraag of informatievraag die niet direct met een pers.vnw. 2e persoon aan AG is gericht, zal in principe nooit opgevat worden om tot een non-verbale handeling over te gaan, tenzij zo'n handeling nodig is om het adequate antwoord te achterhalen. In dat geval kan AG zijn actie zo aanpassen dat het "lijkt" of hij een door VS gedaan verzoek inwilligt.
Buitenlanders die zich in een Spokanische taalsituatie bevinden, vinden het gedrag van een Spokaniėr vaak grillig of onhebbelijk, omdat zij deze wijze van vragen interpreteren niet begrijpen. Zo kon de volgende klacht van een Nederlander die bij een Spokaniėr logeerde opgetekend worden: "Ārmyll is zo onberekenbaar. Gisteren toen ik hem vroeg of er nog bier in de koelkast was, stond hij direct op om een flesje te gaan halen, maar vandaag bleef hij zitten, en zei hij alleen maar 'ja'. Toen mocht ik het zelf gaan halen!" Wat deze Nederlander over het hoofd zag, was dat Ārmyll gisteren niet wist of er nog bier in de koelkast stond: hij ging dus kijken om zijn Nederlandse vriend van een adequaat antwoord te kunnen voorzien. Maar toen hij de koelkast eenmaal open had, was het natuurlijk een kleine moeite om een flesje bier voor zijn vriend mee te nemen. Toen de Nederlander dezelfde vraag de dag erna stelde, wist Ārmyll wel dat er bier aanwezig was. Hij hoefde dit dus niet te verifiėren en kon, terwijl hij bleef zitten, het adequate antwoord "ja" geven. De Nederlander had na dit antwoord direct moeten vragen: "wil je dan een flesje halen?" (dit was waarschijnlijk ook wat Ārmyll verwachtte, want waarom zou zijn vriend de vraag anders überhaupt gesteld hebben?).


<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 143 | Hoofdstuk 151 >>