Grammatica van het Spokaans
| © Rolandt Tweehuysen | Postbus 3774 | 1001 AN Amsterdam |
|
<< Inhoudsopgave |
Registers >>
<< Hoofdstuk 140 | Hoofdstuk 142 >> 14. Voorzetsels en vergelijkingen141. Voorzetsels: syntaxis141.1 In dit Hoofdstuk komen de volgende zaken aan bod:
In Blok 140.6 zijn een aantal voorz.s opgenomen die alleen gebruikt kunnen worden als er sprake is van een beweging binnen de door de voorz.bep. vastgestelde grenzen. Zulke voorz.s kennen een tegenhanger, die bij plaatsaanduidingen gebruikt wordt. Deze tweedeling wordt ook wel gedefinieerd in termen van dynamisch vs. statisch. Deze oppositie is te vinden bij de volgende voorz.s:
statisch ~ dynamisch 141.3 De volgende prototypische voorbeelden verduidelijken het gebruik van deze voorz.s:
Lerdu feldre fes ef mittus ur Elsa farte ânt ef mittus. 141.4 Aan de dynamische kant bestaan nog enkele samenstellingen, gebaseerd op de voorz.s lango en rys. Hierbij ontbreken de statische tegenhangers:
Deze 4 samengestelde voorz.s hebben een dynamische interpretatie omdat de elementen lango en rys alleen dynamisch kunnen zijn. De elementen fes, mip en kaf hebben weliswaar een statische interpretatie als zij gebruikt worden als losstaande voorz.s in een concrete situatie, maar deze statische interpretatie blijft achterwege zodra deze voorz.s in een idiomatische of abstracte context optreden, wat in deze 4 samengestelde voorz.s het geval is. De zogenoemde neutralisatie van de oppositie statisch~dynamisch wordt verder besproken in § 141.22-27. 141.5 Statische tegenhangers van de 4 voorz.s uit de vorige paragraaf kunnen uitgedrukt worden door een combinatie van twee voorz.s, vergelijk:
a. Ef bidale-knurfel vende ryses langofes ef hónto-krur.1 Zie ook § 141.106-111 voor de bespreking van gecombineerde voorz.s. 141.6 ad § 141.1 B. Locationeel vs. Translocationeel Alle voorz.s uit Blok 140.6, zowel de statische als de dynamische, zijn "locationeel", want zij drukken een relatie binnen een bepaalde locatie uit. Dit in tegenstelling tot de voorz.s uit Blok 140.7, die een beweging van de ene locatie naar de andere uitdrukken; zij worden daarom "translocationeel" genoemd. Veel locationele voorz.s hebben een translocationele tegenhanger, waarbij de laatste vaak met het suffix -onn is afgeleid van de locationele variant. In plaats van dit suffix wordt het grensoverschrijdende karakter ook wel uitgedrukt met een resultatiefvorm van het fundament. De oppositie locationeel ~ translocationeel is te vinden bij de volgende voorz.s:1 141.7 De volgende voorbeelden verduidelijken het gebruik van deze voorz.s:
Lerdu farte ânt ef mittus ur Elsa farte fesdu ef mittus. 141.8 Er zijn slechts 4 voorz.s die zowel een plaats als een grensoverschrijdende beweging kunnen uitdrukken, ofwel de oppositie locationeel ~ translocationeel is bij deze voorz.s geneutraliseerd:
Vergelijk het universele gebruik van perdÿrovap met de trits kusamat ~ kusamat/lango ~ lango (+ res.):
statisch:
dynamisch:
translocationeel: 141.10 Een bijzonder geval is het voorz. ja dat bij een locationele lezing 'tussen; te midden van' betekent, en bij een translocationele lezing 'van ... tot ...' betekent. Dit betekenisverschil komt tot uitdrukking in de vorm van het fundament, vergelijk:
Ef agréns feldre/jumpetece ja ef ÿrras. De translocationele lezing wordt uitgelokt door een fundament met een meervoudig subst., waarbij een lidw. (of lidw.vervangende constructie) afwezig is. 141.11 Het onderscheid tussen statisch, dynamisch en translocationeel is meestal al in het predikaat vervat (prototypisch: "zitten" is statisch; "lopen" is dynamisch of translocationeel; "ontsnappen" is alleen translocationeel). De keuze van het juiste voorz. is dan van de betekenis van het predikaat afhankelijk. Bijvoorbeeld:
a. Ef chat feldre mip/*dalotoje/*cupp ef kokmit. 141.12 Bij sommige werkw.n verandert de betekenis echter al naar gelang het gekozen voorz. Een duidelijk voorbeeld is het werkw. xnepe dat in zijn algemeenheid 'zich naakt vertonen' betekent, maar veel explicieter wordt dankzij de gekozen voorz.-bep. Vergelijk:
a. Do xnepe fes ef mittus. 'Hij bevindt zich (zit/ligt) naakt in de kamer.' In a. is sprake van een statische plaatsaanduiding, in b. van een dynamische plaatsaanduiding, en in c. staat een grensoverschrijdende (translocationele) beweging. 141.13 Als een werkw. expliciet een [grensoverschrijdende] beweging of een stilstand uitdrukt, ligt de keuze van het voorz. meestal vast. Zo is fesdu 'naar binnen' onverenigbaar met de werkw.n giffe 'staan' of zirde 'liggen'. Vergelijk:
a. Yvonn stômple fesdu ef kokmit. 'Yvonn strompelt de keuken in.' 141.14 Bij werkw.n die niet expliciet een beweging of stilstand uitdrukken, ligt de keuze voor een universeel voorz. voor de hand, zoals in:
(1) Ef leldast chafoste fes sener sel lóf ef pijâ tof. Als in (1) voor een beweging binnen bepaalde grenzen wordt gekozen, wordt expliciet uitgedrukt dat het "zingen" bewegende gebeurt:
(2) Ef leldast chafoste ânt sener sel lóf ef pijâ tof. Het gebruik van ânt is hier gemarkeerd, en daarom is een vertaling met de expliciete beweging "lopen te zingen" gerechtvaardigd. Merk op dat de ongemarkeerde constructie in (1) het niet rechtvaardigt om deze te vertalen met 'De gevangene zit/ligt de hele dag in zijn cel te zingen'. De betekenis van een predikaat kan semantisch onverenigbaar zijn met de betekenis van een voorz. In dat geval wordt de keuze tussen beweging en stilstand door een vrijere interpretatie bepaald. Vergelijk:
a. Ef kike-scooter-tojesfsâ furt ef dynes starte roffottô ef kordae. De eigenlijke handeling die het werkw. starte uitdrukt, is niet van dien aard dat we kunnen zeggen dat deze "rondom een kerk" plaatsvindt. Wat wèl rondom de kerk kan gebeuren is a. de wedstrijd die gestart wordt (de kleuters moeten rondjes om de kerk heen steppen), of b. het verzamelen van de kleuters vlak vóór de start (de kleuters staan met hun steppen rondom de kerk te wachten). In geval a. is er sprake van een beweging en vereist korda de resultatieve vorm. In geval b. is er sprake van stilstand en heeft korda de basisvorm. 141.16 Bij sommige werkw.n is het niet geheel duidelijk of we ze tot de "bewegingswerkw.n" moeten rekenen. Een berucht geval is tasse 'vallen'. Zien we dit als een bewegingswerkw., dan is variant a. correct. Leggen we meer de nadruk op een "gebeurtenis", dan is b. acceptabel:
a. Leon tasse ânt ef kokmit. De meeste Spokaniërs keuren beide varianten goed, maar in a. wordt meer actie uitgedrukt. Los van de keuze tussen a. en b. staat variant c.:
c. Leon tasse fesdu ef kokmit. ("vallen" als grensoverschrijdende beweging) Hier wordt uitgedrukt dat Leon eerst niet in de keuken was, en na de valpartij wel: hij kan bijvoorbeeld door het raam of het dak naar binnen vallen. 141.17 Evenals tasse, komen ook bij een werkw. als clûmle 'rondhangen' twee lezingen, een statische en een dynamische, in aanmerking. Vergelijk:
a. Ef šâmÿrômers clûmle fes ef póntel. Als we ervan uitgaan dat het verblijf in een café met weinig "beweging" gepaard gaat, zal a. fes de voorkeur hebben. Als we ervan uitgaan dat er in een disco gedanst (althans "bewogen") wordt, zal b. ânt de voorkeur hebben. 141.18 Bekijk nu het volgende voorbeeld:
Ef platiranu tasse fes ef kokmit rempe ef krurre. De combinatie rempe + resultatief drukt een grensoverschrijdende beweging uit (het schilderij hing aan de muur, en door de actie van het vallen is de "muurgrens" overschreden en hangt het schilderij niet meer aan de muur). De relatie tussen de actie van het "vallen" en de locatie van de "muur" is hier zo sterk dat de aanduiding "in de keuken" hier secundair is. Daarom wordt hier voor het neutrale voorz. fes gekozen, en niet voor het meer gemarkeerde ânt. Een ander argument om dit neutrale voorz. te kiezen is het volgende: fes ef kokmit vormt een bepaling bij "de muur": het gaat om de muur in de keuken, waarvan het schilderij valt, en niet om de keuken waarin een beweging van "vallen" plaatsvindt. De plaats van een voorz.bep. in de zin, en de relatie tot andere constituenten wordt nader bekeken in § 141.122-130. 141.19 Ook het werkw. prate 'vertrekken' kan gecombineerd worden met hetzij een dynamisch, hetzij een translocationeel voorz., al naar gelang de opvatting van de taalgebruiker. Echter, de combinatie 'vertrekken naar X' wordt altijd als een translocationele gebeurtenis gezien, en uitgedrukt met prate helkara X.1 Maar vergelijk nu:
a. Elsa prate cupp Bôrâex ef port. Variant a. is het minst gemarkeerd. Hier wordt "vertrekken" opgevat als een grensoverschrijdende gebeurtenis, zoals dat ook al gebeurt bij de vaste combinatie prate helkara X 'vertrekken naar X'. Variant b. is iets meer gemarkeerd: het voorz. mip is alleen gerechtvaardigd als we "vertrekken" opvatten als een abstracte gebeurtenis waarbij niet direct aan een grensoverschrijding wordt gedacht. Dan kan mip als neutraal, universeel, voorz. worden opgevat (let op: een statische lezing van mip, zoals het geval is in § 141.11 zin a., is hier niet aan de orde). Variant c. is eventueel acceptabel als we "vertrekken" opvatten als een beweging die plaats vindt binnen de locatie die uitgedrukt wordt door "buiten de haven van Bôrâ". Ofwel: Elsa is aan boord gegaan van een schip dat reeds buiten de haven van Bôrâ op de rede lag, en vanuit deze plek vertrekt ze. Elsa is dus niet in deze haven geweest. 141.20 Als een dynamisch werkw.n nevengeschikt wordt met een statisch werkw., of een locationeel werkw. wordt nevengeschikt met een translocationeel werkw., is het niet altijd duidelijk welk voorz. er gekozen moet worden. Vergelijk:
Eup svimeLOC én plônseTLOC ântLOC/fesduTLOC ef picaiy knurfel. Het werkw. svime is een beweging binnen bepaalde grenzen en zal ânt eisen. Maar plônse is grensoverschrijdend en zal fesdu eisen. De relatie van de gecombineerde bezigheid van "zwemmen + duiken" tot "het ijskoude water" moet daarom wat minder letterlijk opgevat worden zodat het grensoverschrijdende karakter van "duiken" ondergeschikt wordt aan het bewegingsaspect van de gehele nevenschikking "zwemmen + duiken". Het voorz. ânt verdient dan de voorkeur.1 141.21 Evenzo:
(1) Do pitte dalotoje ef sÿrt. 'Hij fietst buiten de stad.' In (1) is het bewegende aspect van "fietsen" zo elementair dat dalotoje vereist is. In (2) zorgen de nevenschikking "fietsen + genieten" en de voorz.bep. "op de landweggetjes" ervoor dat het bewegende aspect van "fietsen" ondergeschikt is geworden aan het totale gebeuren dat op de landweggetjes plaatsvindt. En de landweggetjes vormen een statisch gegeven buiten de stad zodat de voorkeur aan mip gegeven wordt.2 141.22 ad § 141.1 C. Neutralisatie Onder "neutralisatie" verstaan we het verschijnsel dat de opposities tussen de verschillende voorz.categorieën worden genegeerd, in het bijzonder de opposities statisch ~ dynamisch en locationeel ~ translocationeel. In plaats van een differentiatie tussen bijvoorbeeld fes 'inSTAT' ~ ânt 'inDYN' ~ fesdu 'inTLOC' wordt er een universeel voorz. met de betekenis 'in' gebruikt, waarbij de oppositie STAT~DYN~TLOC geneutraliseerd is. In feite gaat het nu om een meer abstracte interpretatie van "in". Omdat voorz.s van betrekking (Blok 140.10) een abstracte relatie aangaan is het niet verwonderlijk dat vele universele voorz.s met een abstract karakter tevens in Blok 140.10 zijn opgenomen. 141.23
Voor zover het gaat om de neutralisaties van STAT~DYN en LOC~TLOC, kan het volgende Blok opgesteld worden: 141.24 Vergelijk:
(1) a. Do farte lango/*kusamat ef mârg. 'Hij loopt langs/naast de berm.'
(2) a. Do tasse fesdu ef wik. 'Hij valt in het bad.'
(3) a. Do naxyfole beri ðobiyre ef totomatoÿs *zjoba/rys eft wÿjoe.
In (1a) is sprake van een concrete situatie: er vindt een beweging binnen bepaalde grenzen plaats (nl. het lopen langs de wegberm), en daarom moet het voorz. lango gebruikt worden. In (1b) zorgt het idiomatische karakter van de constructie ervoor dat het universele voorz. kusamat gekozen wordt. 141.25 Neutralisatie als bedoeld in de vorige paragrafen houdt feitelijk in dat de voorz.categorieën zoals gegeven in de Blokken 140.6-10 genegeerd worden. Heel dikwijls gaat het om het negeren van de opposities statisch ~ dynamisch en locationeel ~ translocationeel, maar ook andere categorieën kunnen genegeerd worden. Bijvoorbeeld:
a. Ef efantys farte vita ðô sener sientur. In a. vinden we het translocationele voorz. ðô 'op ... af'. Gezien de betekenis van het predikaat is een dergelijk voorz. ook te verwachten. Maar in b. vinden we het voorz. van de categorie "betrekking" na 'met behulp van; volgens', hoewel het predikaat evenals in a. een grensoverschrijdende actie uitdrukt. In b. hebben we echter te doen met het prepositionele werkw. lâufire na 'af komen rijden op', waardoor het gebruik van een translocationeel voorz. geblokkeerd wordt. Prepositionele werkw.n worden verder besproken in § 141.115-121. 141.26 Vergelijk nu:
a. Do ðobiyre ef vasa kafonn ef envlôp. = De zinnen a. en b. zijn synoniem en bevatten een translocationeel voorz., wat in gezien de betekenis van het predikaat in de lijn der verwachting ligt. Het werkw. paine 'doen' in c. is vergeleken bij ðobiyre '[neer]zetten' al zo veel abstracter dat hier neutralisatie optreedt, zodanig dat gekozen wordt voor het universele voorz. kaf. In d. gaat de lexicalisatie nog een stapje verder: om de een of andere reden is het werkw. keldeste 'plakken' een prep.werkw. geworden, altijd gecombineerd met lef 'met' dat tot de categorie "betrekking" behoort. Dit voorz. blokkeert het productieve gebruik van kaf of kafonn. Neutralisatie, komen we ook tegen bij werkw.n die samengesteld zijn met een voorz., zoals:
(1) Ef karé njebope-fes ef port. 'Het schip vaart de haven binnen.'
De werkw.n in (1) t/m (4) drukken een grensoverschrijdende actie uit; daarom zouden we bij (1) en (2) het voorz. fesdu verwachten, bij (3) de voorz.s cupp en kafonn, en bij (4) het voorz. fesducupp of mitai. Het werkw. ufire-mip betekent "van begin tot einde afrijden"; er is hier géén sprake van een grensoverschrijding, en evenmin van de betekenis 'uit', die primair aan mip gegeven moet worden. We zouden hier veeleer het voorz. lango 'langs' verwachten. 141.28 ad § 141.1 D. Tijdsbepalingen De voorz.s die uitsluitend in tijdsbepalingen worden gebruikt, zijn opgenomen in Blok 140.8. Sommige ervan komen ook in andere Blokken voor, maar in de hoedanigheid van tijdsbepaling kunnen zulke voorz.s soms een andere betekenis hebben. Vergelijk:
voorz. in plaatsbepaling in tijdsbepaling
voorz. bij betrekking in tijdsbepaling 141.29 Enkele voorbeelden:
plaats: Ef platiranu menkerate armt ef krur.
plaats: Do ÿtine eft zlako-ðéra roffot kest ef molâfit.
plaats: Do trempelira fes ef flerrt ja ef fjatôns én quolâe. 141.30 Het Spokaans gebruikt veel vaker lóf in tijdsbepalingen dan het Nederlands 'gedurende' gebruikt:
Kirro trempe lóf dur zurtarr. 'Wij lezen drie uren.' Alleen in idiomatische uitdrukkingen blijft lóf (of een ander voorz.) meestal achterwege:
effer tof/mink 'een dezer dagen/weken' 141.31 In geïdiomatiseerde tijdsbepalingen komen soms universele voorz.s voor, die niet als typische voorz.s van tijd in Blok 140.8 zijn opgenomen, zoals:
furt ral 'tot dusverre; tot nog toe' 141.32 De fundamenten bij voorz.s van tijd hebben structureel een ander karakter dan de fundamenten bij andere voorz.s, want het gaat nu om tijdsbepalingen, niet om "echte" entiteiten waaraan gerefereerd kan worden met een voorn.woord. Vergelijk:
a. Jânes feldre fes ef kul, ur Etârt giffe âs ef.
In alle drie voorbeelden is in Z2 (= 2e nevengeschikte zin, na voegw. ur) het dode voorz. âs gebruikt, dat fes resp. tuksof in Z1 vervangt. Dit is correct. 141.33 Nog een voorbeeld:
Fara tu mulkare ef efantys tuksof lunatof, mulkare gress óps hurtos dus. Dat lunatof geen "gewone" nominale entiteit is, maar een tijdsbepaling, blijkt uit de volgende zin:
(1) Fara tu mulkare ef efantys lunatof, gress nert nestiye beri paine In (1) is het obtrans.werkw. mulkare gecombineerd met het subject tu en het object ef efantys. Het subst. lunatof kan dus geen nominaal basis-element zijn, en daarom wordt hieraan in Z2 gerefereerd met dus, en niet met een pers.vnw. 141.34 ad § 141.1 E. Voorzetsels in adressen Let op het typische gebruik van kaf 'op' in adressen:
Do zâre fes Port-weg III kaf 32. 'Hij woont op Weg III nummer 32.' Als een straatnaam een getal bevat, wordt het huisnummer door kaf voorafgegaan. Straten in steden zijn meestal met Romeinse cijfers genummerd. Rijkswegen en provinciale wegen hebben een Arabisch nummer. Let op dat dit nummer soms een deel van de naam is, en niet meer als "echt" wegnummer gebruikt wordt. Zo heet de weg die loopt tussen Aschen en Oziy Weg 219. Maar het wegnummer is tegenwoordig 22. Dus we kunnen zeggen: Weg hor 22 pe lo Weg 219. 'Weg met nummer 22 heet Weg 219.' 141.35 In sommige straatnamen komen ook wel andere voorz.s dan het produktieve kaf voor. In dat geval hoeft de naam niet altijd een nummer te bevatten. Vergelijk:
a. Petriy zâre fes Aftdierot 33. (algemeen adres)
a. Elsa zâre fes Korda-arâbe 12a. (algemeen adres)
a. Ef hotela melde fes Ef Lirrotiy 7. (algemeen adres) Merk op dat de b-voorbeelden specifieke gevallen in één plaats zijn. De a-voorbeelden kunnen overal voorkomen. 141.36 Uit de voorbeelden in § 141.35 blijkt dat het algemene voorz. om een straatnaam te markeren fes is, terwijl het Nederlands moet kiezen tussen "in" (een straat), "aan/op" (een plein), "aan" (een kade), "op" (een weg):1
Do zâre fes ef Koles-mirra. 'Hij woont in de Schoolstraat.' 141.37 Het voorz. na heeft de (oorspronkelijke) betekenis 'naar' in straatnamen als:
(1) Weg-na-Zobidâ (in Tsjech)
Het betreft altijd grotere wegen die van de ene plaats naar de andere leiden; vroeger waren dit landwegen, maar vanwege de stadsuitbreidingen zijn dit tegenwoordig dikwijls grote doorgaande wegen door de steden. Het hoofdelement is bijna altijd weg 'weg', mennweg 'hoofdweg, straatweg' of avenû 'avenue'. De naam avenû is vaak een 19e-eeuwse vervanging van mennweg toen de weg binnen de bebouwde kom meer het karakter van een met bomen omzoomde wandelweg kreeg, waarlangs luxe villa's werden gebouwd. Op de zuidelijke eilanden Tigof en Lomky komen we in de grote steden ook wel de naam pârc tegen, waarmee dan niet "park" maar "brede laan" bedoeld wordt, zoals in Asjetto: Pârc-na-Noniy. De elementen worden bijna altijd met filâsto's aan elkaar verbonden, in een enkel geval staan de elementen los, zoals in voorbeeld (4). 141.38 Buiten de straatnamen komt het voorz. na alleen voor in de betekenissen 'met [behulp van]; door middel van (vrnl. werktuigen)' en 'volgens'. Zie Blok 140.10. Bijvoorbeeld:
Tu nert ÿrasecû ef nacry na dena fiys-gros. 141.39 ad § 141.1 F. Uitdrukkingen voor maten en gewichten Waar het Nederlands vrijwel uitsluitend van gebruikt, om de maat van iets uit te drukken (zoals in: met een diepte van 100 m; met een lengte van 3 km), heeft het Spokaans een hele reeks voorz.s, al naar gelang iets "diep", "lang", "breed", enz. is:
tijd: eft kirt lóf main cretarr 'een lichtflits van 10 cretarr1' 141.40 Merk op dat bij lengte-aanduidingen een voorz. gekozen wordt dat uitdrukt op welke wijze deze afstand afgelegd wordt: men gaat door (mitai) een tunnel, maar over (kura) een brug. Het voorz. lango is ongemarkeerd, in die zin dat dit altijd gebruikt wordt met betrekking tot de lengte van entiteiten die niet "af te leggen" zijn, zoals: eft répiyt lango 650m 'een kabel van 650 m lengte' Maat- en afstandaanduidingen die niet zijn opgenomen in § 141.39 dienen expliciet omschreven te worden, zoals:
âfry eft kešaiy rifo 'met een dikte van ...; van ... dik' 141.42 Soms komt men wel een gen.constructie tegen die de voorz.bep. met rifo (§ 141.41) vervangt, vergelijk:
eft cÿra âfry eft kešaiy rifo 2dm = eft cÿra âfry 2dm-ecÿr kešaiy
Dergelijke genitiefconstructies doen tegenwoordig archaïsch aan. Zij worden alleen nog in bepaald vakjargon (zoals in de wegenbouw en de werktuigbouwkunde) gebruikt. De uitdrukkingen in § 141.41 worden beschouwd als geïdiomatiseerde uitdrukkingen. Dit betekent dat âfry 'met' niet vervangen kan worden door het antoniem âfriye 'niet met'. Vergelijk:
* eft cÿra âfriye eft kešaiy rifo 2dm 141.44 Bij het uitdrukken van maten, afstanden en gewichten kan het Spokaans (naast het idioom in § 141.41) ook gebruik maken van constructies met een ideoantoniem (zie ook § 161.$$). De volgende ideoantoniemen zijn bruikbaar:
add.: ulliy 'dik(dun' 141.45 De in § 141.44 opgesomde ideoantoniemen kunnen als een adj.add. verschijnen, gevolgd door een voorz.bep. met fara die de feitelijke maat noemt. Voorbeelden:
eft ulliy fara 2dm cÿra 'een 2 dm dikke tak' 141.46 Soms kunnen af te leggen afstanden als tijdsbepaling geïnterpreteerd worden. Vergelijk:
(1) minkÿr dur kilometers 'na 3 km' In (1) wordt de drie kilometer als een "voorwerp" beschouwd (bijvoorbeeld een stuk weg van die lengte). In (2) daarentegen zien we de drie kilometer als een periode waarin deze afstand afgelegd wordt. Vergelijk ook:
(3) Ef lenker uokkelira lóf main kilometers. Bij (3) past de volgende interpretatie: de chauffeur zit te roken gedurende het tijdsbestek waarin hij tien kilometer aflegt. 141.47 ad § 141.1 G. Kwantificatie en kwalificatie Onder "kwantificatie" verstaan we hier een toevoeging die de hoeveelheid van een entiteit aangeeft; "kwalificatie" wil zeggen: een toevoeging die de soort van een entiteit aangeeft. Deze gekwantificeerde of gekwalificeerde entiteit wordt het "hoofd" van de constructie genoemd. In de volgende voorbeelden is het hoofd vetgedrukt:
kwantificatie: eft amâr rifo strÿf 'een emmer stront' 141.48 Kwantificatie en kwalificatie worden in het Spokaans meestal met het voorz. rifo aan het hoofd verbonden. Soms is een ander voorz. mogelijk. In het Nederlands blijft een voorz. meestal achterwege. Bijvoorbeeld:
eft hupster ðârlotiy rifo pleko 'een grote hoeveelheid Ø zand' 141.49 Er is een syntactisch verschil tussen een voorz. gevolgd door een hoofd, en een voorz. gevolgd door een fundament. Vergelijk:
a. ef mimpit rifo ef 'jan 'het boek van de jongen' In a. vormt rifo ef 'jan een voorz.bep., bestaande uit het voorz. rifo en het fundament ef 'jan. In b. daarentegen vormt eft zjut frenvu rifo een kwalificatie bij het hoofd 'jan. Het verschil tussen een fundament (zoals ef 'jan in a.) en een hoofd (zoals 'jan in b.) blijkt onder meer uit de afwezigheid van een lidw. in het laatste geval. Bij kwantificaties zijn hoofden meestal stoffelijke subst.n, want deze hebben een zodanig karakter dat ze kwantificeerbaar zijn. De constructies a. en b. kennen de volgende onderliggende structuren:
a. ef mimpit {rifo ef 'jan} Dit verschil in structuur is de reden dat (1) correct is en (2) door velen als vreemd ervaren wordt:
(1) ef mimpit rifo ef 'jan ur ef plata âs ef 'nin In (1) kan het tweede rifo vervangen worden door het dode voorz. âs, in (2) kan volgens veel taalgebruikers dit dode voorz. niet gebruikt worden. Zowel in het Spokaans als in het Nederlands vormen een kwantificatie met zijn hoofd (een kist zand) en een voorwerp met een nadere bepaling (een kist met het zand) de uiterste polen van een glijdende schaal met afnemend "kwantificatie-gevoel". Vergelijk:
a. eft quola rifo pleko 'een kist zand' Het voorz. rifo (overeenkomend met geen enkel voorz. in het Nederlands) drukt altijd een kwantificatie uit (variant a.; refereert aan "zand" in de hoeveelheid die in de kist past). Daarom is toevoeging van de lidw.n ef en het hier ongrammaticaal (in b.). Variant c. refereert aan een kist gevuld met zand, en hier kunnen pleko en zand door een lidw. voorafgegaan worden. Variant d. herinnert vanwege het lidw.-loze pleko aan a. (dus een kwantificatie), maar herinnert vanwege het voorz. lef tevens aan d. (dus een specificatie). Of er sprake is van kwalificatie of specificatie kan aangetoond worden in de volgende zinnen:
(1) Tek jiyxe eft quola rifo pleko kura ef glal mirra. Zin (1) is correct: deze drukt uit dat Tek een hoeveelheid zand over de weg strooit die in een bepaalde kist past. Zin (2) is semantisch raar, want hier staat dat Tek een kist over de weg strooit, en dat die kist zand bevat.1 Zin (3) is acceptabel als deze net zo geïnterpreteerd wordt als (1). Sommige Spokaniërs verwerpen echter het gebruik van een ander voorz. dan rifo en keuren (3) dan ook af, omdat deze alleen als synoniem van (2) begrepen kan worden. 141.51 Vergelijk nu:
a. eft zjut 'jan 'een rare jongen' a. en b. komen in zoverre met elkaar overeen dat we kunnen zeggen dat zowel zjut als zjut frenvu nadere specificaties bij 'jan zijn. Toch is er een belangrijk syntactisch verschil: in a. hoort het lidw. eft bij 'jan, in b. echter bij frenvu. Dit blijkt als we 'jan vervangen door het stoffelijke pleko 'zand', dat nooit door eft voorafgegaan kan worden:
a'. * eft grûva pleko * 'een grof zand'2 141.52 Bij kwantificaties bestaat het hoofd altijd uit een stoff.subst. of een meervoudig niet-stoff.subst.:
(1) a. dur amârs rifo sement 'drie emmers cement' Bij kwalificaties bestaat het hoofd altijd uit een stoff.subst. of een enkelvoudig niet-stoff.subst.:
(2) a. eft quista wétriyn rifo sement 'een goede kwaliteit cement' 141.53 In (2b) heeft plâciy feitelijk het karakter van een stoff.subst. gekregen, want er ontbreekt een lidw. en een meervoudige vorm is onmogelijk. Dit stoffelijke karakter werd tot halverwege de vorige eeuw expliciet uitgedrukt met het circumfix to--ÿ (§ 21.5), en ook heden ten dage komen we deze suffigering nog tegen in archaïsch of poëtisch taalgebruik. Vergelijk (2b) met: †P eft tildâ wétriyn rifo toplâciyÿ '(idem)' 141.54 Als rifo een kwalificatie/kwantificatie met een hoofd verbindt, mag dit hoofd uit een infinitief bestaan, en is een nominalisatie niet nodig. Dit is een rechtstreeks gevolg van het feit dat rifo geen voorz.bep. met de infinitief vormt, maar een element in de kwalificatie/kwantificatie is. Vergelijk:
(1) a. * Gress melde pÿr furt ef tupplipe. Zin (1a) is fout omdat er na het voorz. furt een genominaliseerde vorm met het circumfix ÿ--os noodzakelijk is (vgl. (1b)). Dit is uitgelegd in § $$ (zie ook Hoofdstuk 126). Maar (2a) is correct omdat het voorz. rifo hier een kwalificatie (dena frenvu 'deze vorm') met het hoofd verbindt. Een nominalisatie in de trant van (2b) wordt niet door iedereen goedgekeurd. 141.55 ad § 141.1 H. Deel van grotere verzameling Om uit te drukken dat een entiteit deel uitmaakt van een grotere verzameling entiteiten, wordt het voorz. mip gebruikt. Het Nederlandse equivalent is meestal 'van':2
cradef bellarts mip ef cÿrt 'alle leerlingen van/uit de klas' 141.56 Als de mip-constructie zoals bedoeld in § 141.55 een overtreffende of minste trap bevat, kan de voorz.bep. met mip ook onmiddellijk achter deze trap verschijnen. We hebben dan met een zg. adjectivische voorz.bep. te doen. Vergelijk het laatste voorbeeld in de vorige paragraaf met: ef hupster oras mip ef wertlâ sért 'het grootste huis van de wereld' Andere voorbeelden:
Tu melde ef pûl oras bellart mip ef cÿrt. =
Ef pâxbariy tom zeces mip Spooksoliy tóte beri melde Thedor. = 141.57 Verwar deze mip-constructies niet met lÿ-constructies bij vergelijkingen:
a. Groft sért melde hupster oras mip ef zeces. In onverzorgde spreektaal komt in zulke constructies de voorz.bep. wel eens op de verkeerde plaats, zodanig dat de volgordes van a. en b. verward worden. We kunnen dan zinnen horen als:
a'. ?£ Groft sért melde mip ef zeces hupster oras. 141.58 Omdat zowel mip als lÿ de betekenis van 'uit' kunnen hebben, is het niet verwonderlijk dat deze twee voorz.s in slordig taalgebruik door elkaar gehaald worden in de constructies uit de vorige paragraaf. We kunnen dan zinnen horen als:
a''. ?£ Groft sért melde hupster oras lÿ ef zeces. Vergelijk ook:
a. ??£ Groft sért melde lÿ ef zeces hupster oras. Zin a. betekent letterlijk: "zijn huis is het grootste dan het dorp", analoog aan b.: 'zijn huis is groter dan het jouwe', wat natuurlijk semantische onzin is. 141.59 Bij onregelmatige overtreffende en minste trappen is een adjectivische voorz.bep. de enige grammaticale mogelijkheid. Vergelijk:
* Tu melde ef guldâ bellart mip ef cÿrt.
* Óps vende riyfain helkara ef qury póntel mip ef zeces. 141.60 Als de mip-bepaling erg lang of complex is, leidt plaatsing ervan achter de onregelmatige trap tot een slechte constructie, zoals in:
(1) ? Gress cônsidere Elsa ef ðônt lo ef apecc mip ef pijâ Daar achteraanplaatsing van de vette mip-bepaling eveneens tot een ongrammaticale zin leidt (apecc is immers een onregelmatige minste trap), kan (1) alleen grammaticaal gemaakt worden met behulp van een bepalingaankondigende constructie: achter mip volgt een bep.aank.vnw., en de oorspronkelijke mip-bepaling volgt als relatieve bijzin achter de hoofdzin:
Gress cônsidere Elsa ef ðônt lo ef apecc mip nem mimpit, té melde ef 141.61 ad § 141.1 I. Bezitsrelaties Bezit wordt uitgedrukt door:
(a) genitief (zie Hoofdstuk 60) 141.62 ad § 141.61 (b) Het voorz. rifo met als hoofdbetekenis 'van' is het meest algemene, minst gemarkeerde voorz. in het Spokaans. Het kan in bijna alle gevallen een gen.constructie vervangen zonder dat dit grammaticale, stilistische of pragmatische consequenties heeft. Vergelijk:
Lerduex ef pitter = ef pitter rifo Lerdu 141.63 Als een bezitsuitdrukkende bepaling (gen.- of rifo-constructie) antecedent is bij een relatieve lira-constructie, ontstaat er een betekenisverschil omdat de lira-bijzin altijd onmiddellijk achter het antecedent volgt. Vergelijk a. met b. (het antecedent is vet):
(1) a. ef kinâecÿr laboros, ef medikiy nert unerelira
(2) a. Gress ef šergecÿr ké, Tek flectarolira, koldre fesdu ef todirtÿlot. Zie ook § 124.41-42 voor dit verschil tussen gen.-constructie en voorz.bep.1 141.64 ad § 141.61 (c) Het voorz. pai kan een bezitsrelatie uitdrukken als er tevens een "passieve relatie" gevoeld wordt. Dit is het geval bij een samengesteld subst., waarvan het eerste lid een infinitief is, bijvoorbeeld:
Ef zâre-sért pai Syrell Oleema-Flofariy1 melde ralfort eft musém. De "passieve relatie" is te verklaren door aan te nemen dat een "woonhuis" een huis is om te "bewonen" en dat dit "bewonen" gedaan werd door S. O-F, zodat het als "zijn eigen" huis fungeerde. 141.65 Vergelijk de verschillende vertalingen van "van":
a. Gress ef letra rifo sener sour pónze.1 141.66 ad § 141.1 J. Voorzetselbepaling met additivisch karakter
Een stuk of 30 voorz.bep.n zijn zodanig geïdiomatiseerd dat zij het karakter van een additief hebben gekregen. De meest algemene zijn:
fes pelat proba
lef querret spinn
lef stent
lef zel 141.67 Sommige van deze kunnen ook adjectivisch optreden. Dit gaat met name gemakkelijk bij constructies die uit slechts twee woorden bestaan: een voorz. en een (lidwoordloos) subst. Vergelijk:
a. ef šefetiy clûma 'de onrustige menigte'
a. eft terat ypâramiy ki trânslatašo 'een zeer nauwkeurige vertaling'
a. ef flacÿr oras arpinzol 'het bijzonderste plan' Uit het laatste voorbeeld blijkt dat dergelijke idiomatische voorz.bep.n ook aan de trappen van vergelijking kunnen deelnemen. 141.68 Als het subst. een lidw. draagt, wordt vooropplaatsing moeilijker, en vooropplaatsing wordt onmogelijk bij nog langere constructies. Vergelijk:
a. eft kinur mosjeus 'een zieke vrouw'
a. eft topûl remarcos 'een ondoordachte opmerking'
a. eft ôpalefiy reo 'een overvloedige maaltijd' In deze gevallen kan de voorz.bep. beter als "echte" voorz.bep. achter het antecedent geplaatst worden:
b. eft mosjeus luft ef kvâlo 'een ongestelde vrouw' Hier hebben we te doen met normale additivische voorz.bep.n zoals besproken in § 142.$$. 141.69 Vanwege hun additivische karakter kunnen/moeten deze voorz.bep.n ook met lo gemarkeerd worden, volgens de regels gegeven in § 40.11 en § 40.17-22. Vergelijk:
a. Do dÿfe ef nios lo gÿtrâs. 'Hij maakt de reparatie slordig af.'
a. Elsa pjôle [lo] klata rifo ef feminesmiyecÿr hâc. (vgl. § 40.17) 141.70 Als een voorz.bep. zijn concrete betekenis behoudt (dus niet geïdiomatiseerd is), is toevoeging van lo nooit mogelijk, vergelijk:
* Do lâfâstoe ef ferdu lo lef ef manceste. (vgl. § 141.129/144) In een enkel geval kan een voorz.bep. een adverbiale relatie aangaan, analoog aan een adv.add., zoals in: ef purfillus graviy moplariy 'het verschrikkelijk ernstige ongeluk' Let op de volgende parallellitieit: zowel adj.add.n als adv.add.n staan vóór het element dat zij nader specificeren, en zowel adj.voorz.bep.n als adv.voorz.bep.n staan áchter het element dat zij nader specificeren (zie ook § 141.56-59). Een adverbiale relatie van een voorz.bep. komt voor bij de trappen van vergelijking, in constructies als:
Petriy melde ef hupster oras mip ef zeces efanty. 141.72 ad § 141.1 K. Voorzetsels vs. andere woordsoorten Voorz.s zijn dikwijls afgeleid van of gerelateerd aan andere woordsoorten, met name van/aan additieven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat we constructies tegenkomen waarin een voorz. tevens additivische eigenschappen bezit, en andersom. Iets dergelijks wordt ook besproken met betrekking tot voorz.bep.n met een additivisch karakter, zie § 141.66-71. Het Spokaans kent ook enkele gevallen waarin het karakter van voorz. zich vermengt met dat van een voegw. of determinant. Dit wordt in de volgende paragrafen besproken. 141.73 Van alle voorz.s die tevens een add. cat.III zijn (de traditionele bijwoorden, zie Blok 140.33) kunnen we aannemen dat de additivische functie aan een oorspr. voorz. is toegevoegd. Deze gebruiksuitbreiding is een gevolg van het feit dat het voorz. eerst deel uitmaakt van een voorz.bep. met een semantisch vaag fundament (bijvoorbeeld ef 'het'), waarna dit fundament achterwege kan blijven. De voorz.bep. die dan nog slechts uit een voorz. bestaat, wordt nu als additief opgevat. Vergelijk de aflopende semantische duidelijkheid van het fundament, met als resultaat dat het voorz. een bijwoord is geworden:
(1) a. Petriy zâre hogorit eft spiryter. 'Petriy woont boven een alkoholist.' 141.74 Echter, niet alle voorz.s hebben zo'n bijwoordelijke functie. Een vorm als kusamat 'naast' kan alleen als voorz. optreden; vergelijk (1) met:
(2) a. Petriy zâre kusamat eft spiryter. 'Petriy woont naast een alkoholist.' Zowel in het Spokaans als in het Nederlands is een bijwoordelijk gebruik van kusamat resp. naast ongrammaticaal (zie (2d)).1 Volgens Irenn Gâres (1989) komt dit doordat "naast" geen antoniem kent, zoals "boven" dat kent: tegenover "boven" staat "beneden", en daarom heeft het zin om deze plaatsbepalingen als bijwoorden te gebruiken. Tegenover "naast" staat niets, zodat een constructie als (2d) niet informatief kan zijn (dit impliceert dat (1d) alleen informatief is voor zover we hadden kunnen denken dat Petriy wellicht beneden woonde. Het is de vraag of "naast" niet als oppositie van "boven" beschouwd kan worden, zodat (2d) een correcte mededeling is als contrast van (1d)). 141.75 Merk op dat in de volgende voorbeelden wel sprake is van antonymiteit, namelijk van "achter" vs. "voor":
(3) a. Petriy zâre blef ef korda. 'Petriy woont achter de kerk.'
Het bijwoordelijke gebruik van "achter" is in het Nederlands correct, hoewel het de specifieke betekenis van "in het achterste gedeelte van het huis" heeft, en het niet zonder meer "achter een gebouw" betekent. In het Spokaans bestaat deze connotatie niet.
(4) a. Petriy inue ðô1 ef moplariy. 'Petriy rent op het ongeluk af.' 141.76 Voorz.s die tevens als additieven cat. I gebruikt kunnen worden, gedragen zich primair als additieven cat. III (zie § 141.73), maar zij kunnen ook adjectivisch optreden, zoals in:
Ef tekaréa efantys baniyle ef otlôgt scemrelira câpytenn. Het is niet geheel duidelijk waarom sommige add.n tot cat.III behoren, terwijl andere tot cat.I gerekend kunnen worden terwijl ze een vergelijkbare betekenis hebben. 141.77 Enkele voorz.s hebben dezelfde vorm als een voegw. of determinant. Deze homonymiteit kan aanleiding geven tot verwarring. Vergelijk allereerst het voorz. fes met de determinant fes. Het voorz. kan samengaan met een -lira-constructie, en de voegw.determinant gaat samen met -ilóme. De determinant fes kent de variant fés, welke in het moderne Spokaans algemener is dan fes. Fés is feitelijk de emfatische vorm van fes, en een dergelijke emfase is begrijpelijk omdat alle voegw.determinanten het zinsaccent krijgen (zie ook § 122.45). Vergelijk:
a. Do merfe fes hups, gress pónzelira rofonos. 141.78
Het is de vraag in hoeverre fes in zin a. (§ 141.77) nog als voorz. beschouwd moet worden. Ten eerste is het fundament een additief, en ten tweede is er een semantische parallelliteit met constructies als fit hupster 'zo groot' of graviy mindefit 'erg rood', waarin een add.I nader gespecificeerd wordt door een add.III.
Petriy melde ðÿm/šâm kinur. 'Petriy is helemaal niet ziek.' 141.79 ad § 141.1 L. pai, enn en ón als voorzetsel of als determinant
De woorden pai, enn en ón zijn niet alleen de determinanten om respectievelijk een subject, een object en een echo te markeren (Hoofdstuk 90), maar kunnen ook als voorz. optreden. 141.80 Pai als voorzetsel Soms komt een met pai gemarkeerde constituent in een blul-passief voor. Deze pai-constituent kan dan géén subject (agens) zijn (want anders zou blul niet aanwezig kunnen zijn). In dit geval is pai dus een "gewoon" voorz., bijvoorbeeld:
Pai ef Dôrcâ-analyss1 blul vro'egielije ef kûf-zârer-aupross Vergelijk dit met: Ef kûf-zârer-aupross vro'egielije pai ef Dôrcâ-analyss ... waarin Dôrcâ-analyss het subject is: 'Door de Dôrcâ-analyse wordt ...' 141.81 Ook kan pai verschijnen zónder dat er van een passief sprake is:
Fes 1975 pai Eeriys Dôrcâ ef stûderafiy Kûf-zârer-aupross fes Hier moet pai Eeriys Dôrcâ als impliciete agens gezien worden, n.l. degene die het artikel geschreven heeft. 141.82 In de constructie
Ef mimpits, trempâx pai ef stûdents, ... is pai ef stûdents geen (met de determinant pai gemarkeerd) subject, maar een voorz.bep., want er is hier sprake van een bijstelling, niet van een relatieve bijzin. Zou het een subject zijn, dan was er sprake van een passief, maar dan had -lije moeten verschijnen, bijvoorbeeld:
Ef mimpits ..., mit pai ef stûdents trempelije. 141.83 Ook in nominalisaties gedragen pai, enn en ón zich als "gewone" voorz.s, wat onder meer blijkt uit het feit dat ze door âs vervangen kunnen/moeten worden. Dit is in § 126.10-20 en § 132.150 besproken. Vergelijk:
a. Gress vraboe, den ef quizz-lydres kette ef rôbinn ón ef clalôera ur
a. Do nute, den ef efanty bytelije bent pai ef follus ur dus pai/*âs ef 141.84
Bij nominalisaties (zoals farte > ef ÿfartos 'lopen' > 'het geloop'; zie Hoofdstuk 126) blijft de intransitieve of transitieve structuur van het oorspronkelijke werkw. in tact. Dat wil zeggen, het subject wordt met pai gemarkeerd, het object met enn en de echo met ón. Alleen, bij nominalisaties gedragen pai, enn en ón zich niet als determinant, maar als voorz. Dat is in de vorige paragrafen besproken. 141.85 Als een subst. op -os weinig lexicalisatie vertoont, kan er dikwijls nog een agens bij gedacht worden, die de actie van het verwante werkw. uitvoert. Zo'n agens kan met het voorz. pai uitgedrukt worden. Vergelijk:
a. ef echuos pai ef merater 'het gepomp van/door de man' Bij een geringe lexicalisatie kan men zich afvragen of zo'n agens wel/niet mogelijk is, zoals bij: ? ef missos pai ef merater 'de dank van/door de man' Ef missos staat qua betekenis al zo ver af van het werkw. misse '[be]danken', dat een agentieve bepaling met pai feitelijk onacceptabel is. 141.86 Wat in de vorige paragraaf gezegd is over een mogelijke agens bij een subst. op -os, geldt evenzeer voor een mogelijk object bij zo'n subst. Objecten bij een genominaliseerd werkw. worden door het voorz. enn uitgedrukt. Maar bij een subst. op -os kan zo'n object alleen als een "erbij betrokken" element genoemd worden, en dan wordt het universele voorz. rifo gebruikt. Vergelijk:
a. Do vlemóte [enn] ef boerts. 'Hij slacht de koeien.' In a. kan het object ef boerts al dan niet door de determinant enn gemarkeerd worden (voor de precieze regels, zie § 90.7). Bij de nominalisatie in b. wordt het object ef boerts met het voorz. enn aan het genominaliseerde werkw. verbonden. In c. is vlemótos geen nominalisatie, maar een "echt" subst. Dit kan niet gevolgd worden door enn, ook niet als enn een voorz. is. Hiermee wordt het beperkte gebruik van enn in de hoedanigheid van voorz. geïllustreerd. In plaats van c. kan d. gezegd worden, waarin het subst. vlemótos middels het universele voorz. rifo met het potentiële1 object boerts verbonden wordt.2 141.87 Als een subst. met -os van een intrans.werkw. is afgeleid, kan er een agens bij genoemd worden in een voorz.bep. met pai. Dit verschilt niet met trans.werkw.n zoals uitgelegd in § 141.84. Maar een potentieel object is nu onmogelijk. Vergelijk (we gaan uit van niet-gelexicaliseerde subst.n op -os, omdat er anders hoe dan ook geen agens uitgedrukt kan worden):
a. Ef âng laeše. 'De bult zwelt op.' In het Nederlands kan eventueel het voorz. van gebruikt worden, maar het Spokaanse equivalent rifo is in c. onmogelijk, omdat een woord als âng nog te veel als potentiële agens bij laeše gevoeld wordt. Bij toenemende lexicalisatie neemt dit "agens-gevoel" zo af, dat het universele rifo gebruikt kan worden, zoals in:
a. Ef šem natriyche. 'De jam beschimmelt.' De gelexicaliseerde betekenis van natriychos 'schimmel' (en niet "het beschimmelen") sluit uit dat er een agens bij gedacht kan worden. Daarom is c. ongrammaticaal. Daarentegen is d. correct. 141.88 In d. (§ 141.86) is het gebruik van rifo vanuit een Nederlands perspectief begrijpelijk, omdat het Nederlands hier van gebruikt, en rifo nu eenmaal prototypisch met 'van' wordt vertaald. Vergelijk nu:
a. Ef menester wôlpie [enn] ef tastânts. Omdat wôlpie evenals vlemóte in § 141.86 een transitief werkw. is, gedraagt de nominale afleiding wôlpios zich analoog aan vlemótos, ofwel: het voorz. rifo geeft een verwijzing naar het object, en het voorz. pai naar het subject. Het gebruik van rifo en pai komt bij vlemóte overeen met van en door bij slachten. Maar bij wôlpie komt het gebruik van rifo en pai niet overeen met de voorz.s die bij ingreep horen. Dit komt omdat ingrijpen een intrans. prep.werkw. is, terwijl wôlpie gewoon trans. is. 141.89 ad § 141.1 M. ÿr in plaats van (trans)locationeel voorz. + betr.vnw. Als voorz.s van plaats (Blok 140.6) optreden in een voorz.bep. met een betr.vnw. als fundament, kan in de spreektaal de gehele bepaling vervangen worden door het betr.vnw. ÿr 'waar', zoals in:
(1) a. Gress minketecû éfti ki ef garage-sÿrt, kaf té gress ef oto garage.
(2) a. Ef kelbra lelperre ki eft kija fselk, fes té ef la'ymôr riyn melde.
(3) a. Ef lâgals melde kormondôtas fes ef drûft, zjoba mit gress hitse Omdat de vervanging door ÿr in de b-zinnen tot gevolg heeft dat alle semantische informatie uit het voorz. verloren gaat (behalve de informatie dat we met een plaatsbepaling te doen hebben), is het gebruik van ÿr alleen acceptabel als de verloren gegane informatie minimaal of voorspelbaar is. Dit betekent in de praktijk dat alleen die voorz.s door ÿr vervangen kunnen worden, die prototypisch (ofwel ongemarkeerd) zijn in de genoemde context. Daar men normaliter een auto op een park erterrein parkeert (en niet eronder of ernaast), zal alleen het voorz. kaf door ÿr vervangen kunnen worden. Daar men normaliter iets in een la stopt, zal ÿr in (2b) begrepen worden als de vervanger van fes. Daar men normaliter een deken gebruikt om onder te slapen, zal ÿr in (3b) begrepen worden als de vervanger van zjoba. 141.90 Zodra er aan een antecedent gerefereerd wordt met een minder prototypisch voorz., zal vervanging door ÿr achterwege blijven, omdat dan immers de informatie uit dit voorz. verloren gaat. Vergelijk (1) met:
(4) Gress minketecû éfti ki ef garage-sÿrt, kusamat té gress ef oto De gemarkeerde informatie dat ik de auto naast, en niet gewoon op de parkeerplaats heb geparkeerd, dient behouden te blijven, en daarom kan kusamat té niet vervangen worden door ÿr. 141.91 In één geval kan ook een voorz.bep. die een richting uitdrukt door ÿr vervangen worden. Echter, in dit geval blijft het voorz. gehandhaafd. Het gaat altijd om het universele voorz. helkara 'naar':
(5) a. Gress nert tiffe ki ef meraters, helkara mit do farte.
(6) a. Blul quglelije eft blof-stovy ber Fonistâ, helkara té pordel cradef De b-varianten zijn voornamelijk spreektaal op Berref. In de rest van Spokanië wordt de voorkeur aan de c-varianten gegeven, omdat de b-varianten hier als archaisch gevoeld worden. 141.92 Men zou verwachten dat de constructies met ÿr zich gemakkelijk kunnen uitbreiden tot andere voorz.s, omdat het voorz. immers gehandhaafd blijft, en daardoor de semantische informatie ervan niet verloren gaat. Vergelijk:
a. Stus enn ki eft brômqu roite, fesducupp té ef blofs zylûs. Varianten b. en c. verschaffen dezelfde informatie als a., maar toch komen zij in het Spokaans niet voor.1 141.93 Er zijn gevallen waarin de relatie tussen antecedent en betr.vnw. zo vaag is dat zelfs in de schrijftaal ÿr acceptabel is, bijvoorbeeld:
ef garrent, ÿr ef trenos ufire henn ur ðô
Aftel tu prabarecû ki ef wós, ÿr ef mimpit zirde? 141.94 Vergelijk ook het volgende:
a. Ef grâtyliys melde kusamass, kaf té ef pica melde fyg.
a. Do hitse beri feldre kusamiss, kaf té ef kôbo nÿle fit trojo fesdu. Achter kusamass en kusamiss volgt in meer officiële taal de locationele voorz.bep. kaf té 'waarop', waarbij de betekenis van kaf zeer vaag is geworden (het antecendent van té is kusamass/kusamiss). In de spreektaal komen we ook het betr.vnw. ÿr zonder voorz. tegen. 141.95 ad § 141.1 N. Pers.vnw.n 1e en 2e niveau De twee niveaus van pers.vnw.n zijn uitgelegd in § 70.49-67. Een aantal voorz.s kan alleen gecombineerd worden met pers.vnw.n 1e niveau, en een aantal alleen met die van het 2e niveau. Op twee na, behoren al deze voorz.s tot de categorie van BETREKKING (Blok 140.10). Het gaat om de volgende voorz.s:
Eerste niveau
Tweede niveau 141.96
Bij alle andere voorz.s mag zowel het 1e als het 2e niveau gekozen worden.
a. Eeriys melde eft flifados hânc, tur ef belt-tupplip lestôk do/*zirrel 141.97 Het voorz. piti 'tegen; tot; aan' krijgt bijna altijd een pers.vnw. 2e niveau; alleen in de spreektaal worden ook pers.vnw.n 1e niveau gebruikt. Vergelijk:
Petriy siytinte piti tsil. = £ Petriy siytinte piti gress. Uitzondering: in de volgende uitdrukking staat er achter piti altijd een pers.vnw. 1e niveau:
Ef falétt monslenpe ne'âma piti kirro, den prate. Deze uitdrukking bevat onmiddellijk na het pers.vnw. een den-bijzin waarin het subject corefereert met dit pers.vnw. Daarom is dit subject gedeleerd. Maar het voorafgaande pers.vnw. (= fundament van piti-bepaling) wordt vanwege de voorspelbare coreferentie kennelijk al zo sterk als subject gevoeld, dat een pers.vnw. 1e niveau hier op zijn plaats is (die van het 2e niveau kunnen nooit als subject optreden). Zie ook § 70.55. 141.98 Op Tigof en Lomky, waar pers.vnw.n achter een voorz. gereduceerd worden uitgesproken (en soms ook zo geschreven, zie § 70.44-47), wordt er nooit een pers.vnw. van het tweede niveau achter een voorz. gebruikt, ook al is dat bij sommige voorz.s in het standaard-Spokaans verplicht, zoals bij quiquiy 'ter ere van' of moôs 'in het bijzijn van' (Blok 140.10). Bijvoorbeeld:
Do vlazze eft fenta quiquiy tsil. =
Kirro nert zaloaves ef côntrakt moôs hifde. = Omdat de dialectische varianten in a. niet als zodanig herkenbaar zijn (dat blijkt alleen uit de gereduceerde uitspraak van gress en óps), en een critische lezer misschien mocht denken dat in deze constructies abusievelijk een pers.vnw. 1e niveau gebruikt is, wordt de voorkeur aan variant b. gegeven, waar de gereduceerde vorm, en dus het dialectische aspect, ook in de schrijftaal tot uitdrukking komt. 141.99 In sommige voorz.bep.n speelt het een rol of het fundament als zinskern begrepen kan worden of niet. Zo ja, dan is een pers.vwn. van het 1e niveau verplicht. Dergelijke voorz.bep.n hebben dikwijls het karakter van een nevenschikking, zoals:
Elsa ðônosef gress prate helkara Hirdo. en niet: * Elsa ðônosef tsil prate helkara Hirdo. Constructies als Elsa ðônosef gress worden ook als extern meervoudig beschouwd, wat blijkt uit het meervoudige modale suffix:
Elsa ðônosef gress prataves/*pratavy helkara Hirdo. Zie ook § 121.38-39. 141.100 Voorz.s die altijd een pers.vnw. 2e niveau eisen, kunnen dus niet gebruikt worden als het fundament als zinskern begrepen wordt. Vergelijk de voorbeelden uit de vorige paragraaf met:
Elsa ðônosfortiy *gress/*tsil prate helkara Hirdo. Het voorz. ðônosfortiy eist het pers.vnw. 2e niveau tsil, maar tegelijkertijd wordt de variant 1e niveau gress verlangd omdat dit fundament deel van de zinskern is. Deze tegenstrijdigheid kan opgeheven worden door de voorz.bep. uit het domein van de zinskern te halen, en (a.) achter het predikaat te plaatsen. Emfase kan uitgedrukt worden door (b.) de voorz.bep. geheel vooraan te plaatsen (linkse dislocatie); vergelijk:
a. Elsa prate ðônosfortiy tsil helkara Hirdo. 141.101 Ook in frases als ér mip óps 'een van hen'; dur mip tu 'drie van jullie', enz. (§ 141.55) kan alleen maar een pers.vnw. 1e niveau gebruikt worden als de gehele frase als zinskern optreedt:
Ér mip óps/*hift ef mimpit kuntiyre. Wel is mogelijk:
Ef mimpit pai ér mip hift kuntiyrelije. 141.102 ad § 141.1 O. Resultatief in voorzetselbepalingen Voorz.s die een grensoverschrijdende beweging uitdrukken (translocationele voorz.s), eisen een fundament in de resultatief indien dit voorz. tevens gebruikt kan worden om een plaats/beweging (locationeel) uit te drukken. Het gaat om de volgende voorz.s:
blef 'achter' minkÿr 'voorbij; langs' Het onderscheid tussen locationeel en translocationeel moet in het Nederlands dikwijls met verschillende voorz.s gemaakt worden, of met een extra toevoeging in de trant van heen of langs. In het Spokaans is de aan- of afwezigheid van de resultatief voldoende voor dit onderscheid. Vergelijk de basisvormen in a. met de resultatiefvormen in b.:
(1) a. Do feldre/farte blef ef kul. 'Hij zit/loopt achter de schuur.'
(2) a. Ef vogily zôle hogorit ef vilduls.
(3) a. Ef leéja menkerate rempe ef feldariy hiycce ef floôr. 141.103 Als een aparte res.-vorm voor het fundament ontbreekt, kan er ambiguïteit met betrekking tot de oppositie locationeel~translocationeel optreden, zoals in:
Ef vogily zôle hogorit ef zillepip. We kunnen aan zillepip niet zien of dit nu de basisvorm of de res.-vorm is. 141.104 Enkele res.-vereisende voorz.s hebben een synoniem zonder resultatief, vergelijk:
fundament in res. fundament in basisvorm Bij een mogelijke ambiguïteit kan nu voor het lange synoniem gekozen worden:
a. Tek tasse kaf ef zillepip. 'Tek valt op het dak.' Zin b. heeft alleen een translocationele lezing: Tek bevindt zich ergens boven het dak (bijvoorbeeld op een boomtak), en valt dan omlaag zodat ze op het dak terecht komt. Zin a. heeft theoretisch twee lezingen, maar in de praktijk zal alleen de locationele lezing gelden: Tek loopt over het dak en valt dan. 141.105 Een bijzonder betekenisverschil tussen de aan- en afwezigheid van een resultatief is te vinden bij de volgende idiomatische uitdrukking:
(1) Sulf njebope blef ef gÿppe.1 (1) is een net eufemisme voor "sterven"; daarentegen is de variant zonder resultatief een ironische, enigszins platte uitdrukking voor "dood zijn":
(2) Sulf njebope[lira] blef ef gÿp. 141.106 ad § 141.1 P. Combinatie van twee voorzetsels Soms kunnen 2 (of meer) voorz.s gecombineerd worden. Dit is vooral het geval met voorz.s van plaats en richting. Maar ook een combinatie van "betrekking" met een andere categorie is goed mogelijk. Zulke combinaties worden (PREPOSITIONELE) SAMENVOEGINGEN genoemd. Bijvoorbeeld:
eft ÿpégen frópjÿ ûqu nurp-ÿkatle 141.107 De samenvoegingen in de vorige paragraaf moeten niet verward worden met de NEVENSCHIKKING van twee voorz.s. Bij nevenschikking worden de twee voorz.s met een voegw. (bijvoorbeeld én) verbonden. Vergelijk:
a. Ef polišo ješo fes én kusamat ef sért. In a. is sprake van twee locaties: een in het huis, en een naast het huis; in b. is sprake van één locatie, die extra nauwkeurig gespecificeerd wordt: niet alleen buiten het huis, maar bovendien ernaast. 141.108 De volgende constructie is ongrammaticaal:
(1) * Ef oto ufire lagitofot minkÿr ef tolôbâÿ/tolôbâe. want minkÿr vereist een resultatief (zoals tolôbâe) en lagitofot niet. Beide voorz.s zijn dus niet in één voorz.bep. samen te voegen. Een grammaticale variant van (1) zou kunnen zijn:
(2) Ef oto ufire lagitofot ef tolôbâÿ ur minkÿr iyffe. In (2) staan twee nevengeschikte voorz.bep.n waarvan de tweede de resultatieve vorm iyffe draagt. 141.109 In § 140.22 is uitgelegd dat sommige voorz.s een samenstelling van twee andere voorz.s zijn, bijvoorbeeld:
Eft hâpyja-tebbel farte miplango/langomip ef arâbe-barera. Het is niet gebruikelijk om twee aparte voorz.s samen te voegen als zo'n samenstelling reeds gebruikelijk is. In plaats van miplango zal dus nooit *mip lango gezegd worden. 141.110 Daarentegen hebben met name sprekers van Berref en Teujan de neiging om alle gecombineerde voorz.paren als een vaste samenstelling te behandelen. Vergelijk (? = dialecten van Berref en Teujan):
Eft peplele melde mip kusamat ef arâbe-barera. 141.111
Samengevoegde of samengestelde voorz.s kunnen niet altijd met de Nederlandse equivalenten van deze voorz.s apart vertaald worden. Omdat het Nederlands zulke samenvoegingen en samenstellingen niet kent, zullen twee naast elkaar geplaatste voorz.s in het Nederlands als een sequentiële gebeurtenis geïnterpreteerd worden, in de zin van: eerst gebeurt er iets met betrekking tot het ene voorz. en daarna iets met betrekking tot het andere voorz. Het tweede voorz. beschrijft dus (een verandering van) een situatie die door het eerste voorz. bewerkstelligd is.
(1) Ef chat jumpetece kaf kura ef kelbrae.
Er zijn twee simultane gebeurtenissen: (i) de kat springt over de tafel heen, en (ii) de kat springt bovenop de tafel. De aanwezigheid op de tafel is dus feitelijk een soort "tussenlanding" tijdens de totale beweging van het over de tafel heen springen. 141.112 ad § 141.1 Q. Trappen van vergelijking Sommige voorz.s kunnen in een soort trappen van vergelijking gebruikt worden. Deze worden gevormd met de additieven:
vluf 'meer' Bijvoorbeeld:
(1) Lerdu menkerate mip ef miflif. ~ Elsa menkerate vluf mip ef miflif. Merk op dat vluf hier géén bepaling is bij het werkw. menkerate, zoals het in het volgende voorbeeld een bepaling is bij pitte:
(2) Lerdu pitte helkara sener ÿrôm. ~ Elsa pitte vluf helkara sener ÿrôm. In (1) is sprake van een identieke wijze van "hangen" maar een verschillende mate van "uit"; in (2) is sprake van een identieke mate van "naar" maar een verschillende intensiteit van "fietsen". 141.113 Dat vluf in (1) bij het voorz. hoort, en in (2) bij het werkw., blijkt als we de zinnen in de toekomende tijd zetten, zodat het predikaat geheel links komt te staan (zie ook Blok 93.43):
Menkerate Elsa vluf mip ef miflif. 'Elsa zal meer uit het raam hangen.' De variant Menkerate vluf Elsa mip ef miflif is eveneens correct, maar betekent iets anders, namelijk 'Elsa zal vaker uit het raam hangen' ("meer hangen" = "vaker hangen"). De variant ? Pitte Elsa vluf helkara sener ÿrôm doet vreemd aan omdat de absolute betekenis van "naar" zich moeilijk in een vergrotende trap laat zetten (vergelijk dit met "doder", dat ook vreemd is omdat "dood" een absolute betekenis heeft). 141.114 Ander voorbeeld:
Do zâre vluf tarô ef garrent dus gress.
De toekomende variant * Zâre vluf do tarô ef garrent dus gress is fout omdat vluf hier een gradatie bij "wonen" aangeeft. Omdat "wonen" een absolute betekenis heeft (je woont wel of niet, maar nooit "een beetje") kan vluf geen bepaling bij zâre zijn, en is dus altijd een bepaling bij het voorz. tarô, dus correct is slechts: Zâre do vluf tarô ef garrent dus gress 'Hij zal dichter bij het station wonen dan ik'. * Do zâre danen ef garrent dus gress. Wel is mogelijk: Do zâre danen dus gress. 'Hij woont dichterbij dan ik.' Voor dergelijke vergelijkende constructies, zie § 143.$$-$$. 141.115 ad § 141.1 R. Prepositionele werkwoorden
Voorz.bep.n kunnen met een aantal werkwoorden een min of meer hechte eenheid vormen, die semantisch/idiomatisch is bepaald. We hebben hier met zogenoemde prepositionele werkwoorden (prep.werkw.n) te doen. Zie ook § $$, waarin onderscheid is gemaakt tussen perifere voorz.bep.n en inherente voorz.bep.n. 141.116 Hieronder volgen - bij wijze van voorbeeld - een dertigtal werkw.n met een inherente voorz.bep., zodat we van prep.werkw.n kunnen spreken.1 Let op het abstracte karakter van deze voorz.bep.n; het is niet te voorspellen welk voorz. er gebruikt moet worden, en de basisbetekenis van dit voorz. is nauwelijks relevant voor een goed begrip van het prep.werkw:
intransitief:
reflexief:
transitief:
semi-transitief: 141.117 In (1) staat het pred.add. geheel rechts (rechtse dislocatie), zoals blijkens Blok 93.17 in een toekomende tijd is. In (2) staat het pred.add. vóór de voorz.bep., en wel omdat deze voorz.bep. perifeer is en buiten de basiszin valt, terwijl het pred.add. een element binnen de basiszin is. Voor de duidelijkheid is in (2) tussen {..} aangegeven wat de basiszin is. In (3) tenslotte staat het pred.add. na de voorz.bep., omdat deze bepaling inherent is en zich als een soort echo gedraagt (dus deel is van de basiszin):
(1) Kette Jân ef mimpit ón Elsa cyriy. In (1) hebben we te maken met het echtrans.werkw. kette ón 'geven aan'; in (3) staat het prep.werkw. uše gâšâ 'gebruiken voor'. Maar in (2) is er géén sprake van een prep.werkw. *trempe fes 'lezen in'. Zie ook § 72.12. 141.118 De voorz.bep.n die bij prep.werkw.n horen komen zo dicht mogelijk bij dit werkw. te staan. Overige voorz.bep.n komen meer in de periferie. Vergelijk:
(1) a. Ôrs sûpriysavy sener fosies gâšâ eft guriatjof dinelo fes ogust.
(2) a. ? Ôrs missavy sener fosies gâšâ ef guriatjof dinelo fes ogust.
In (1) is sprake van het prep.werkw. sûpriyse gâšâ 'verrassen op/met', en daarom komt de gâšâ-bepaling onmiddellijk achter het object sener fosies. De tijdsbepaling fes ogust komt dan aan de periferie. Als de inherente gâšâ-bepaling aan de periferie geplaatst wordt, leidt dit tot een zo goed als ongrammaticale constructie, ondanks het feit dat regel 2 (§ 141.131) zegt dat concrete bepalingen vóór abstracte bepalingen staan; zie (1b). 141.119 Vergelijk nu:
a. Ef mašeccs quilšote fes ef klâk ur âs ef sti fes ef mindistiy-ruinn. Het predikaat quilšote wordt gevolgd door een inherente fes-bepaling (vet), en een perifere plaatsbepaling (cursief). Het gaat hier om het prep.werkw. quilšote fes X 'bedolven liggen onder X', waarbij X staat voor de materie waaronder iemand/iets ligt. Deze materie kan zich natuurlijk in een bepaalde locatie bevinden (zoals een hotelruïne). In a. bestaat die materie uit twee dingen: (i) puin, en (ii) modder. Beide zijn nevengeschikt in de bepaling {fes ef klâk} UR {fes ef sti}, waarbij het 2e fes vervangen is door het dode voorz. âs (zie § 132.144). Het voorz. fes in de plaatsbepaling kan niet door âs vervangen worden, omdat het hier om een voorz. van een heel andere categorie gaat. Bovendien kan deze plaatsbepaling niet vóór de inherente "materie"-bepaling geplaatst worden, zoals variant b. toont. 141.120 De inherente voorz.bep.n bij prep.werkw.n vinden we dikwijls terug bij subst.n op -os (§ 20.17-18) of -ašo (§ 20.30) die van zulke werkw.n zijn afgeleid. Vergelijk:
prap sôlisitere tukst 'solliciteren naar' >
akimore tukst 'benoemen tot' >
cônfrontere kaf/sumâ 'confronteren met' > 141.121 Ook subst.n die op improductieve wijze van een werkw. zijn afgeleid, kunnen soms samengaan met een inherente voorz.bep.:
sûpriyse gâšâ 'verrassen op' >
prap anie lef 'zich vermaken met' > 141.122 ad § 141.1 S. Plaats van voorzetselbepalingen in de zin In § 93.82-90 is uitgelegd dat voorz.bep.n in principe onmiddellijk voor of onmiddellijk achter de basis1 van een zin staan:
Laja kette ef mimpit ón Ôrs fes ef arâbe.
Fes ef arâbe Laja ef mimpit kette ón Ôrs. De (vetgedrukte) locatie waar de gebeurtenis plaatsvindt staat normaliter aan het einde van de zin, maar bij emfase of contrast is ook een vooropplaatsing mogelijk (linkse dislocatie). Zie ook § 93.77 en § 93.88-90. 141.123 Een voorz.bep. kan daarentegen onmiddellijk achter het predikaat verschijnen als deze daarmee een idiomatische constructie vormt:
(1) Do sÿrte fes qurubos ef smurf. 'Hij brengt het geld in veiligheid.' Vergelijk (1) met:
a. Do sÿrte ef hurons fes ef vasa. 'Hij zet de bloemen in de vaas.'
a. Petriy iyziy-kette Laja fara belt mariant. In de b-zinnen kunnen de vetgedrukte voorz.bep.n niet onmiddellijk achter het predikaat verschijnen, omdat ze daarmee geen idiomatische verbinding vormen. 141.124
Echter, als het object uit niet meer dan een voorn.woord bestaat, gaat het principe van de complexiteit (§ 93.79-81) weer prevaleren en komt de voorz.bep. ondanks de idiomatische band met het predikaat buiten de basis te staan.
Do sÿrte ef fes qurubos. 'Hij brengt het in veiligheid.' 141.125 Voorz.bep.n kunnen optreden als nadere specificatie bij een subst. (of subst.vervangend element), precies zoals additieven dat kunnen. In dat geval staat de voorz.bep. het liefst direct achter het subst. Vergelijk:
a. Ef mindefit skotat melde tirdus. 'De rode zaklantaarn is kapot.'
a. Ef miljonarr ÿstrjôfje ef ântikiy rélâft ón ef aptoppat. 141.126 Let op de ambiguïteit van:
Ef miljonarr lorerde ef Rolls Royce-oto fes ef liftkar gara. Bij lezing i. is de vette voorz.bep. een specificatie bij Rolls Royce; bij lezing ii. is de voorz.bep. een onafhankelijke constituent die de gehele gebeurtenis op een locatie specificeert. Indien Rolls Royce-oto om de een of andere reden niet meer aan het eind van de basiszin staat, zal bij lezing i. de voorz.bep. mee verschuiven, maar bij ii. blijft deze aan de periferie. Vergelijk:
i. Ef miljonarr ef Rolls Royce-oto fes ef liftkar gara lorerde. 141.127 Voorz.bep.n kunnen deel uitmaken van een subject, object of echo. In (1) is het vette deel het object, en de voorz.bep. fes ef blakker iystenôsta is hier een deel van (zie ook § 124.43):
(1) Tu lardarât quista ki ef ardekirs fes ef blakker iystenôsta, gress mit 141.128 Dat fes ef blakker iystenôsta samen met ki ef ardekirs als een volconstituent met de functie van object optreedt, en niet een losse voorz.bep. is die buiten het object valt, kan op twee manieren aangetoond worden: (a) als het obj. in de definitieve tijd door inversie vóór het predikaat komt te staan, verhuist de voorz.bep. mee. Vergelijk (1) met:
Tu ki ef ardekirs fes ef blakker iystenôsta lardare bertert, gress mit (b) in de passieve variant verhuist de voorz.bep. mee naar de kernpositie. Vergelijk (1) met:
Ef ardekirs fes ki ef blakker iystenôsta lardarelije bertert pai tu, Zou in (1) de voorz.constituent fes ef blakker iystenôsta als apart staande voorz.bep. beschouwd worden, dan gaat het niet om de "planten in de witte bakken", maar om het feit dat "het water geven door jou in de witte bakken gebeurt". 141.129 Vergelijk ook nog de volgende zinnen: in a. hebben de vette elementen een adjectieve relatie, en deze elementen (1a) gaan na passivisering mee naar de positie van de zinskern (2a). In b. hebben de vette elementen een objectieve relatie, zodat zij na passivisering (2b) achter het predikaat verschijnen (zie ook Hoofdstuk 93):
(1) a. Do lâfâstoe ef ferdu lef ef ÿciyn lippiones.
(2) a. Ef ferdu lef ef ÿciyn lippiones lâfâstoelije pai do. In de b-zinnen kan lef vervangen worden door tjâg (vgl. § 141.144); in de a-zinnen kan dit niet. 141.130 Complexe en/of lange structuren staan meestal meer aan de periferie dan eenvoudige en/of korte elementen. Daar een voorz.bep. meestal complexer en langer is dan een voorz.loze bepaling zoals een add., zal dit laatste element meestal tussen de voorz.bep. en de basis in staan:
Laja ef mimpit kette ón Ôrs hols fes ef arâbe.1 141.131 ad § 141.1 T. Onderlinge ordening van voorzetselbepalingen Er bestaat een "voorkeursordening" met betrekking tot voorz.bep.n, als er meerdere in één zin voorkomen. Als er geen reden is om een van de bepalingen vanwege een contrast- of emfase-werking geheel vooraan of achteraan de zin te plaatsen, dan gelden de volgende voorkeursordeningen:
1 een plaatsbepaling staat vóór een tijdsbepaling 141.132
De regels 1 t/m 3 kunnen in conflict zijn met 4 en 5, bijvoorbeeld: een plaatsbepaling kan langer zijn dan een tijdsbepaling. In dat geval zegt 1 dat plaats voor tijd moet komen, terwijl 5 zegt dat tijd (kort) voor plaats (lang) moet komen. Welke regel dan de overhand krijgt, hangt van diverse factoren af, zoals emfase of contrast, nieuwe informatie, ritme, stijl, enzovoort. 141.133
1 plaats voor tijd:
2 concreet voor abstract: 141.134 Ook in het volgende a-voorbeeld staat concreet voor abstract:
a. Lariy chaquindelira fes ef ÿrôme-mittus rifo sener arfinvelk. Maar nu lijkt deze volgorde gemarkeerd (ofwel: "in de werkkamer" heeft emfase), omdat de rifo-bepaling als inherente voorz.bep. bij chaquinde opgevat wordt. Daarom is de b-variant minder gemarkeerd:
b. Lariy chaquindelira rifo sener arfinvelk fes ef ÿrôme-mittus. 141.135 In het volgende voorbeeld staan 3 voorz.bep.n, elk met het voorz. fes 'in'. De meest natuurlijke (= minst gemarkeerde) volgorde is hier plaats - tijd - betrekking, want volgens regel 1 gaat plaats voor tijd, en volgens 2 gaat concreet voor abstract (we mogen hier aannemen dat "plaats" en "tijd" concreter zijn dan "betrekking"):
(1) Do trempa fes ef treno fes marše fes ef quiyrda, den ...1 141.136 De volgende variant klinkt onnatuurlijk, omdat quiyrda vanwege de positie vóór treno voorgesteld wordt als een locatie, en treno dientengevolge als een tekstdrager waarin men kan lezen:
(2) ? Do trempa fes ef quiyrda fes ef treno fes marše, den ... 141.137 Wil met een van de fes-bepalingen uit § 141.135 (1) extra emfase geven, dan kan deze het beste geheel naar voren gehaald worden, waarbij de volgorde van de overige twee gehandhaafd blijft zoals aangegeven in (1):
(3) a. Fes ef quiyrda do trempa fes ef treno fes marše, den ... 141.138
3 bron voor doel: Bij de schending van de iconiciteit, zoals in 3 b., is de neiging groot om de tweede voorz.bep. als een "afterthought" door een komma van de matrixzin te scheiden:
b'. Ef merater tasso kafonn ef lagitokôbo, rempe ef zillepipe. 141.139
4 kort fundament vóór complex fundament (het complexe fundament is Het vetgedrukte, complexe fundament bevat zelf ook weer een voorz.bep., namelijk kusamat ef torozaÿ 'naast de rozestruik'. Zin a. loopt soepeler dan b., ondanks het feit dat a. regel 2 (concreet vóór abstract1) schendt. 141.140 Als het verschil in complexiteit minimaal is, kunnen andere ordeningsregels gaan prevaleren, zodat een complex fundament vóór een simpel fundament kan komen te staan:
a. Ef kafbyter inuo helkara belt rempe ef zutter wóse blef ef gerlas- Voor veel Spokaniërs is b. even correct als a., omdat b. voldoet aan regel 3 (bron voor doel), ondanks het feit dat de voorz.bep. met het complexe fundament vóór de simpele bepaling helkara belt staat. 141.141 Een betrekkelijke bijzin die een fundament als antecedent heeft, komt het liefst direct achter dit fundament. Daar bijzinnen met een betr.vnw. altijd rechts van de matrixzin komen, verdient het de voorkeur om de voorz.bep. waarvan het fundament als antecedent optreedt, zo veel mogelijk naar rechts te plaatsen. Dus a. heeft de voorkeur boven b.:
a. Ef kafbyter inuo helkara ef telebôs rempe ef zutter wóse blef ki ef 141.142
5 simpel voorzetsel voor voorz.uitdr.: Het fundament in de voorz.bep. krÿmiy ef zecesecÿr hent-pérsa-zemperiy coðaros is in complexiteit gelijkwaardig aan het fundament in kaf gôrfjôc rifo ef Kriyndâ-kordaecÿr miskân lydos. Beide voorz.bep.n behoren tot de categorie "betrekkelijk", en zijn daarom even abstract. Verder is er geen sprake van iconiciteit. Het enige criterium waarom zin a. soepeler is dan b., is daarom het feit dat kaf gôrfjôc rifo complexer is dan krÿmiy. 141.143 In het volgende voorbeeld valt "Simpel voor complex" samen met de tendenzen "plaats voor tijd" en "concreet voor abstract":
a. Ef zeces-lûmpa eft hordâ chafost chafoste kaf ef juf furt ef cirre lef 141.144 Let op de volgorde van de drie voorz.bep.n in:
Do lâfâstoe ef ferdu lef ef ÿciyn lippiones na eft ântikiy hajimo tjâg ef mindefit manceste
.
Het vette deel is een nadere bepaling bij "stoel" en staat er daarom logischerwijze direct achter. Het cursieve deel drukt het instrument uit waarmee het "bekleden" plaatsvindt, en het onderstreepte deel drukt het complement van "bekleden" uit. 141.145 ad § 141.1 U. Uitbreking Onder UITBREKING verstaan we het verschijnsel dat het fundament van een voorz.bep. geheel vooraan de zin komt te staan, en de lege fundamentsplek in de voorz.bep. opgevuld wordt met een pers.vnw, volgens het schema: .... {VZ FUNDAMENT} > FUNDAMENT1 .... {VZ PV1} Deze uitbreking is, in vlotte spreektaal, mogelijk als het fundament vanwege emfase of contrast een prominente positie aan het begin van de zin moet hebben, vergelijk:
a. Noft, gress chaquindo kvâ lef ef kindista.
a. Kirro poiraves jazy fes teâk zeces. 141.146 Als een fundament uitgebroken is, wordt het pers.vnw. op de fundamentsplaats altijd gereduceerd uitgesproken (het voorz. krijgt de klemtoon). Eventueel kan dit ook zo geschreven worden (zie ook § 70.44-47):2
b'. £ Noft ef kindista, gress chaquindo kvâ lefûp. 141.147 In principe staat de voorz.bep. van een uitgebroken fundament altijd aan het eind van de zin, maar soms kan die ook vooraan staan, direct na het uitgebroken element. In dat geval is het pers.vnw. op de fundamentspositie beklemtoond, en kan het zwak betoonde ef nooit gebruikt worden. Ef kan wel vervangen worden door bijvoorbeeld mittof of pana, die zonder probleem de klemtoon kunnen krijgen:
a. Noft, lef ef kindista gress chaquindo kvâ.
a. Fes teâk zeces kirro poiraves jazy. 141.148 In een contrastieve constructie, waarin twee tegenpolen genoemd worden, kunnen eventueel twee uitbrekingen voorkomen. Vergelijk:
a. £ Eft buvjerr, gress mirravy kvâ lef ef, tur iftam âs eft hâpyhurt. Merk op dat in beide varianten het dode voorz. âs gebruikt wordt ter vervanging van het eerder genoemde lef. 141.149 In meer formele schrijftaal komen de hierboven besproken uitbrekingen niet voor. Maar zij kennen een variant welke ook in de schrijftaal acceptabel is: hierbij wordt de gehele voorz.bep. vooraan de zin geplaatst, en vervolgens in gepronominaliseerde vorm herhaald. Vergelijk de b-zinnen in § 141.145 met:
b'. Noft lef ef kindista, gress chaquindo kvâ lef eup. 141.150 Een typische stijlvorm in meer poëtische schrijftaal bestaat hieruit dat zowel de originele voorz.bep. als de gepronominaliseerde herhaling geheel vooraan geplaatst worden. Dit is feitelijk een variant van de b-zinnen in § 141.147; vergelijk die met:
b'. P Noft lef ef kindista, lef EUP gress chaquindo kvâ. Zulke constructies herinneren aan die waarin op twee verschillende manieren aan één en dezelfde entiteit wordt gerefereerd, door middel van een elliptische nevenschikking, zoals in:
Mas, wetestof tuffese ef monercô ef kleter lorerde-sentrym.1 Zie ook § $$. NOTEN NOTEN NOTEN
<< Inhoudsopgave | Registers >> << Hoofdstuk 140 | Hoofdstuk 142 >> |