Grammatica van het Spokaans © Rolandt Tweehuysen | Postbus 3774 | 1001 AN Amsterdam

<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 132 | Hoofdstuk 140 >>

13. Referentie

133. Determinanten


Opbouw van dit hoofdstuk:

133.??
verwijzingen in hfdst. 150

133.1

Een determinant is een semantisch ongespecificeerd woord dat een bepaalde syntactische, pragmatische of semantische functie of verhouding markeert. We kunnen de volgende taken onderscheiden:

  1. Een determinant markeert de semantische functie van een basiselement:

    • Ef mimpit kettelije paiS Lerdu ónE Elsa.
      Het boek wordt door Lerdu aan Elsa gegeven.

  2. Een determinant legt de logische relatie tussen een hoofdzin en een ondergeschikte bijzin vast:

    • Gress maREDEN tinde fesért, ef bidalilóme.
      Ik blijf thuis omdat het regent.

  3. Een determinant markeert de relatie tussen een element in de hoofdzin en een element in de bijzin:

    1. Eup plâge ki ef riyn fes eft šifer skrenn, eup erfe mip sener liftientur.
      Ze bewaart de ring, die ze van haar grootmoeder heeft geërfd, in een zilveren kistje.

    2. Eup plâge ef riyn fes ki eft šifer skrenn, eup erfe mip sener liftientur.
      Ze bewaart de ring in een zilveren kistje, dat ze van haar grootmoeder heeft geërfd.

  4. Een determinant drukt pragmatische, modale of polaire eigenschappen uit, zoals emfase, gewoonte, vragen en negatie:

    • Gress pitte ki fesért.   Ik FIETS naar huis toe. (i.p.v. lopen)
    • Gress pitte ra fesért.   Ik heb de gewoonte om altijd naar huis te fietsen.
    • Aftel tu pitte fesért?   Fiets jij naar huis toe?

  5. Een determinant legt de semantische relatie tussen twee elementen vast:

    • Óps leldâe lÿgiys, mârgrettas, qu jerrðes ur tûlpiys, tur qu mittof acÿr-ardekirs lâfse riyfain gesvint.
      Ze kweken anjers, margrieten, narcissen en tulpen, maar die bolgewassen (= narcissen en tulpen) verleppen altijd snel.

    (weglating van het determinantenpaar qu .. qu zou betekenen dat ook de anjers en margrieten tot de bolgewassen gerekend zouden worden)

  6. Een determinant herstelt het rijmschema:

    • Kost eits blôfe, kost fa ti fle.[noot]
      Mijn ogen zakken, mijn oren klimmen.'
133.2

De meeste determinanten determineren een bepaald woord of zinsdeel: zulke determinanten staan meestal vóór dit element, maar soms ook erachter, zoals ki en ra in § 133.1 4. Bij enkele determinanten is een relatie met een bepaald woord of zinsdeel geheel afwezig. Zo wordt een vraag ingeleid door aftel, dat aan het begin van de zin staat (punt 4.), en wordt een rijmschema hersteld door een determinant op een positie waar dit schema een extra syllabe vereist, zoals in punt 6.
Determinanten zijn reeds verspreid over verscheidene hoofdstukken ter sprake gekomen, en we zullen hieronder alle vormen en mogelijkheden nog eens op een rijtje zetten, aangevuld met nog niet eerder behandelde bijzonderheden.
Ook komt de vraag aan de orde in hoeverre een bepaald element wel een "echte" determinant is. Zo heeft het wed.vnw. sen 'zich' enerzijds eigenschappen die de categorie "wed.vnw." rechtvaardigen, maar anderzijds rechtvaardigt zijn gefixeerde positie onmiddellijk achter de zinskern, en zijn taak als reflexief-markeerder het gebruik van de term "determinant".

133.3

We kunnen de volgende (groepen van) determinanten (of determinant-achtige elementen) onderscheiden:

1.  pai, enn en ón(§ 133.4-8)
2.  ki(§ 133.9-41)
3.  qu .. qu(§ 133.42-54)
4.  ek en ra(§ 133.55-58)
5.  di(§ 133.59-60)
6.  onderschikkende determinanten    (§ 133.61-67)
7.  lo(§ 133.68-75)
8.  aftel(§ 133.76-78)
9.  nert(§ 133.79-80)
10.  expletiefpartikels(§ 133.81-83)
11.  sen, sena en prap(§ 133.84-89)
12.  ef(§ 133.90-92)
    
Verder wordt nog besproken:
    
13.  de ordening van determinanten(§ 133.93-95)
    

133.4   ad § 133.3   1. Determinanten pai, enn en ón

De functie van deze determinanten is:

paimarkeert subject
enn   markeert object
ónmarkeert echo
Elk basiselement wordt door een van deze 3 determinanten gemarkeerd, tenzij dit basiselement de functie van zinskern heeft. In een actieve zin is het subject de kern, dus dan blijft pai achterwege. In een object-passieve zin is het object subject, en dan komt enn niet voor; in een echo-passieve zin blijft ón achterwege. In een actieve zin blijft ook dikwijls enn achterwege. We volstaan hier met één voorbeeld (de onderstreepte elementen zijn de zinskernen):
  1. Jân kette [enn] ef mimpit ón Elsa.   Jân geeft het boek aan Elsa.
  2. Ef mimpit kettelije pai Jân ón Elsa.   Het boek wordt door Jân aan Elsa gegeven.
  3. Elsa kettelitâ pai Jân enn ef mimpit.   [Aan] Elsa wordt door Jân het boek gegeven.
    (vgl. Engels: Elsa is given the book by Jân.)
In de volgende twee paragrafen zal nog het een en ander gezegd worden over het gebruik van enn, maar voor de rest wordt verwezen naar Hoofdstuk 90, waar deze elementaire stof wordt uitgelegd.

133.5

De object-determinant enn blijft in actieve zinnen achterwege (dus zinnen waarin het subject de kern is). Uitzonderingen:

  1. Als de zin met een onderschikkend voegw. begint, is enn in de neut.tijd optioneel, en in de def.tijd en toek.tijd verplicht:

    neut.tijd:Lerdu melde ûserstriy, janof do perde Ø/enn sener jobiy.
    Lerdu is overspannen omdat hij zijn baan verliest.
    def.tijd:Lerdu melde ûserstriy, janof do enn sener jobiy perde.
    Lerdu is overspannen omdat hij zijn baan verloren heeft.
    toek.tijd:   Lerdu melde ûserstriy, janof perde do enn sener jobiy.
    Lerdu is overspannen omdat hij zijn baan zal verliezen.

  2. Als de zin met een secundaire bepaling1 begint, is enn in de neut.tijd zeer ongewoon, in de def.tijd verplicht, en in de toek.tijd optioneel:

    neut.tijd:Fes ef kles do minkede Ø/?enn ef riyn.
    In het gras vindt hij de ring.
     Hojelka tu riffe Ø/?enn ef tjokâsknociyr?
    Wanneer maak je de broodrooster?
    def.tijd:Fes ef kles do enn ef riyn minkede.
    In het gras heeft hij de ring gevonden.
     Hojelka tu enn ef tjokâsknociyr riffe?
    Wanneer heb je de broodrooster gemaakt?
    toek.tijd:   Fes ef kles minkede do Ø/enn ef riyn.
    In het gras zal hij de ring vinden.
     Hojelka riffe tu Ø/enn ef tjokâsknociyr?
    Wanneer zal je de broodrooster maken?

  3. Als de zin met een bijstelling2 begint, is enn in de neut.tijd zeer ongewoon, en in de def.tijd en toek.tijd optioneel:

    neut.tijd:Tranšô, do moje Ø/?enn ef kles.
    Bovendien, hij maait het gras.
    def.tijd:Tranšô, do Ø/enn ef kles moje.
    Bovendien, hij heeft het gras gemaaid.
    toek.tijd:   Tranšô, moje do Ø/enn ef kles.
    Bovendien, hij zal het gras maaien.

Zie ook § 90.7.

133.6

In alle gevallen mag enn toegevoegd worden als de structuur van een zin zo complex of uitzonderlijk is dat het niet direct duidelijk is welk element als object optreedt. Ook kan toevoeging van enn ambiguïteit voorkómen in zinnen als:

  • Elsa ufire apat Jân lo fesért. =
           
 
=  
 
a.  
b.
Elsa ufire apat enn Jân lo fesért.   Elsa rijdt roekeloos Jân naar huis.
Elsa ufire enn apat Jân lo fesért.   Elsa rijdt de roekeloze Jân naar huis.

In a. is apat een pred.add. dat iets zegt over de manier waarop Elsa Jân naar huis rijdt, in b. is apat een attr.add. dat een eigenschap van Jân uitdrukt. Merk verder op dat fesért optreedt als een obj.add. (gemarkeerd door lo, zie § 133.68) waarmee gezegd wordt dat Jân door de handeling van het "rijden" de eigenschap "thuis" krijgt: als Jân thuis is hoeft Elsa dat nog niet te zijn (die kan ergens anders wonen).[noot] Zie ook § 90.14-16.

133.7

We moeten een onderscheid maken tussen pai en ón als determinanten, en pai en ón als voorzetsels. Zo kan/moet een voorz. vervangen worden door het dode voorz. âs, maar een determinant niet. Vergelijk de a- en b-zinnen:

(1) a. Ef wuxos-furt félclelije pai eft dia-megg, tûre pai/*âs eft malodé-
megg.
b. Ef wuxos-furt félclare pai eft dia-megg, tûre âs/?pai eft malodé-
megg.
'De lezing wordt voorafgegaan door een diavoorstelling, maar niet door een
muziekuitvoering.'

(2) a. Lerdu marianaravy cÿrlÿo ón eft pleffy prensa, tur do marianare ral
ón/*âs eft tôgériy mingatra.
'Lerdu wil eigenlijk met een knappe prinses trouwen, maar hij trouwt nu
met een invalide werkster.'
b. Lerdu marianavy ón eft pleffy prensa, tur do mariane âs/?ón eft
tôgériy mingatra.
'Lerdu wil met een knappe prinses getrouwd zijn, maar hij is met een
invalide werkster getrouwd.'

133.8

In (1a) wordt de passieve vorm félclelije 'voorafgegaan worden' gevolgd door een subject dat als zodanig gemarkeerd is met de determinant pai; deze deterinant wordt in de bijzin herhaald. In (1b) staat het actieve prep.werkw. félclare pai flaju 'voorafgegaan worden door iets'; nu moet pai in de bijzin vervangen worden door het dode voorz. âs.
In (2a) staat het echo-trans.werkw. marianare ónDtE rast 'trouwen met iemand'; in de bijzin blijft de determinant ón gehandhaafd. In (2b) staat het prep.werkw. mariane ónVZ rast 'getrouwd zijn met iemand', en nu wordt het tweede ón door âs vervangen (zie ook Blok 90.28 voor prep.werkw.n met het voorz. ón).

133.9   ad § 133.3   2. Determinant ki

De determinant ki wordt in de volgende gevallen gebruikt:

a. in de combinaties terat .. ki 'heel, erg' en oras .. ki 'heel erg'
b. als markeerder van het antecedent bij een betr.vnw.
c. als markeerder van het antecedent van een lexicale variant of pers.vnw.
d. bij "extralocatie" (focus- en afterthought-constructies)
e. als uitdrukker van contrastieve emfase

In a. en b. is het gebruik van ki verplicht. In c., d. en e. is het gebruikt optioneel. Geval c. is typisch schrijftaal, en e. is typisch spreektaal.

133.10   ad § 133.9   a. Ki bij terat en oras

Ki in combinatie met de versterkende additieven terat en oras bepaalt de cat.III-functie van terat en oras (zie § 43.12-13):

(1) terat hupster ki 'heel groot; erg groot'
(2) oras hupster ki 'heel erg groot'
(3) ef oras heldertelira ki hurt 'de verschrikkelijk blaffende hond'

Zonder ki fungeren terat en oras als markeerders voor de trappen van vergelijking (Hoofdstuk 43):

hupster terat 'groter'
hupster oras '[het] grootst'

133.11   ad § 133.9   b. Antecedent bij betr.vnw.

Een antecedent bij een betr.vnw. wordt met ki gemarkeerd, tenzij dit antecedent als zinskern optreedt (§ 124.5).1 Ki verschijnt altijd áchter de determinanten pai, enn en ón en áchter voorz.s (§ 124.7). Voorbeelden (betr.vnw. en antecedent zijn cursief):

a. Jân cÿrlôpe Petriy, melde kost frera.
'Jân, die mijn broer is, groet Petriy.'
b. Jân cÿrlôpe ki Petriy, melde kost frera.
'Jân groet Petriy, die mijn broer is.'

a. Ef chat zirde kaf ef mikar ferdu, kirro erfe mip ef om.
'De kat, die wij van oma geërfd hebben, ligt op de kostbare stoel.'
b. Ef chat zirde kaf ki ef mikar ferdu, kirro erfe mip ef om.
'De kat ligt op de kostbare stoel, die wij van oma geërfd hebben.'

133.12

Vergelijk ook:

a. Ef zomar šutavy gopirus poikoffon peplân, ur kerru velk ki cradef
ypriys, mit ajare pai eft graviy natriyche-kinâ.
'De gemeente wil enkele halfdode populieren, en ook nog alle iepen die
aangetast zijn door een ernstige schimmelziekte, rooien.'

b. Ef zomar šutavy cradef ypriys ur kerru velk ki gopirus poikoffon
peplân, mit ajare pai eft graviy natriyche-kinâ.
'De gemeente wil alle iepen, en ook nog enkele halfdode populieren die
aangetast zijn door een ernstige schimmelziekte, rooien.'

c. Ef zomar šutavy ki cradef ypriys ur kerru velk gopirus poikoffon
peplân, mit ajare pai eft graviy natriyche-kinâ.1
'De gemeente wil alle iepen en ook nog enkele halfdode populieren die aan-
getast zijn door een ernstige schimmelziekte, rooien.'

In (a) zijn alleen de iepen aangetast, in (b) alleen de populieren, maar in (c) beide boomsoorten. Het verschil tussen (a) en (b) kan feitelijk alleen uitgedrukt worden door een verschil in volgorde van de beide leden van de nevenschikking A ur kerru velk B.

133.13

Als de zinsdelen A en B nevengeschikt zijn, en ze eisen beide een ki-markering, dan kan dit op vier manieren gebeuren:

basisvorm plechtige schrijftaal spreektaal slechte spreektaal

ki A oft ki B = qu ki A oft qu B = ki A oft B = ki A oft âs B
toje ki A fra ki B = toje qu ki A fra qu B = ki toje A fra B = toje ki A fra âs B

In de basisvorm wordt elk lid van de nevenschikking door ki gemarkeerd; in plechtige schrijftaal wordt het eerste ki door qu gemarkeerd en het tweede ki door een tweede qu "vervangen" (voor qu .. qu, zie § 133.53). In gewone spreektaal markeert ki de gehele nevenschikking (volzinsdeel); en in onverzorgde spreektaal wordt ki als een voorz. behandeld, zodat het de tweede keer door het dode voorz. âs vervangen wordt (§ 132.144).

133.14

In het volgende voorbeeld is (1) de basisvorm, (2) plechtige schrijftaal, (3) gewone spreektaal, (4) onverzorgde spreektaal:

(1) Slare ef polišo tôje ki ef negenunn tneferdesz frân ki ef kuranyxem=
jers, mit pildelitâ blul enn ef clémos frópjÿ ef kainôsta.
(2) $$ Slare ef polišo tôje qu ki ef negenunn tneferdesz frân qu ef kura=
nyxemjers, mit pildelitâ blul enn ef clémos frópjÿ ef kainôsta.
(3) £ Slare ef polišo ki tôje ef negenunn tneferdesz frân ef kuranyxem=
jers, mit pildelitâ blul enn ef clémos frópjÿ ef kainôsta.
(4) ££ Slare ef polišo tôje ki ef negenunn tneferdesz frân âs ef kura=
nyxemjers, mit pildelitâ blul enn ef clémos frópjÿ ef kainôsta.
'De politie zal noch de illegale buitenlanders noch de krakers, die voor de
vernielingen aansprakelijk worden gesteld, op straat zetten.'

133.15

Voor (1)..(4) gelden de volgende onderliggende structuren:

(1') {TÔJE [ki ef n. tneferdesz] FRÂN [ki ef kuranyxemjers]}
(2') {TÔJE [qu ki ef n. tneferdesz] FRÂN [qu ef kuranyxemjers]}
(3') ki {TÔJE [ef n. tneferdesz] FRÂN [ef kuranyxemjers]}
(4') {TÔJE [ki ef n. tneferdesz] FRÂN [âs ef kuranyxemjers]}

In (3)=(3') is ki buiten de gehele nevenschikking geplaatst.

133.16

Echt ingewikkeld wordt het als ki toegevoegd wordt in een nevenschikking waarbij ook een van de determinanten pai, enn of ón aanwezig is, of bij een nevenschikking van twee voorz.bep.n. De verschillende posities van ki leiden tot 4 verschillende mogelijkheden, zoals aangetoond in de vorige paragraaf. Maar omdat de determinanten pai, enn en ón, en de voorz.s op twee verschillende manieren aan een nevenschikking kunnen deelnemen, zijn er totaal 8 verschillende mogelijkheden, zoals in de volgende stramiens is verduidelijkt:

(5) a. basisvorm DV ki A 6 DV ki B
b. plechtige schr.taal DV qu ki A 6 DV qu ki B
c. spreektaal * ki [DV A 6 DV B]
d. slechte spreektaal DV ki A 6 DV âs B

(6) a. basisvorm DV [ki A 6 ki B]
b. plechtige schr.taal DV [qu ki A 6 qu ki B]
c. spreektaal DV ki [A 6 B]
d. slechte spreektaal DV [ki A 6 âs B]

DV = determinant pai, enn of ón, of voorz.
6 = voegw.

133.17

In (5) is de determinant DV een onderdeel van zowel het linker als rechter lid in de nevenschikking; hier geldt het stramien DV A 6 DV B (volbasiselement: type II.b, zie § 120.59). In (6) staat determinant DV buiten de nevenschikking volgens het stramien DV [A 6 B] (nevenschikking van nominale elementen: type III.a, zie § 120.32a/36a (Hoofdstuk 220)). In (5/6) a. t/m d. is ki ingepast volgens de 4 manieren uit § 133.13. Omdat ki hoe dan ook áchter de determinant DV moet komen (§ 133.11) is (5c) ongrammaticaal. Wordt niet alleen ki, maar ook DV buiten de nevenschikking gehouden, dan hebben we met stramien (6c) te doen. Ook hier moet ki áchter DV staan. (5) en (6) gelden ook voor nevenschikkingen met voorz.bep.n, zie ook Blok 120.48 types II.e en III.a.

133.18   ad § 133.9   c. Lexicale variant of pers.vnw.

Ki kan het antecedent van een lexicale variant (§ 132.7-14) markeren. Hier heeft ki een refererende functie, analoog aan qu .. qu (§ 133.43-51). In de volgende voorbeelden zijn de vetgedrukte delen lexicale varianten van de cursieve delen:

a. Brôepwet kost frera enn ef plûmbûmtiy krÿše lelmo gurt, janof dena
ék hânc reparerecû flâjû lo quista.
'Vanochtend heeft mijn broer de loodgieter alweer gebeld, omdat die ver-
velende vent niks goed kan repareren.'

b. Brôepwet kost frera enn ki ef plûmbûmtiy krÿše lelmo gurt, janof
dena ék hânc reparerecû flâjû lo quista.
'Vanochtend heeft mijn broer de loodgieter alweer gebeld, omdat die ver-
velende vent niks goed kan repareren.'

133.19

In (a) bedoel ik met "die vervelende vent" mijn broer, omdat kost frera de zinskern is. In (b) is het object ef plûmbûmtiy met ki gemarkeerd, wat aangeeft dat ik met "die vervelende vent" de loodgieter bedoel.
Zin (a) kan adequaat zijn in een situatie waarin mijn broer herhaaldelijk probeert een lekke waterleiding te repareren, wat hem niet lukt. Het ergert mij dat hij er niet direct een loodgieter bij haalt, maar dat pas doet als het al te laat is.
Zin (b) past in een situatie waarin de loodgieter zijn werk verkeerd doet, zodat mijn broer hem telkens opnieuw moet laten komen. Wellicht vindt mijn broer de loodgieter een vervelende vent, en niet ik. Deze zin wordt eerder in de schrijftaal dan in de spreektaal verwacht, omdat toevoeging van ki vereist dat de schrijver/spreker reeds in een vroeg stadium weet dat er een lexicale variant gaat volgen. Schrijvers hebben meer tijd om dat van te voren te plannen dan sprekers.
In dergelijke constructies is het gebruik van ki geheel analoog aan het gebruik als markeerder van het antecedent bij een betr.vnw. (§ 124.5). Alleen is toevoeging van ki verplicht bij een betr.vnw., en optioneel bij een lexicale variant.
Lexicale varianten worden besproken in § 132.7-14. Daar wordt ook ingegaan op het verschil tussen zulke vormen enerzijds en sporen en pronominalisaties anderzijds.

133.20

Vergelijk de ambiguïteit in (1) met de opheffing ervan in (2):

(1) Ef pôrtatjens ef gâm ho póbare ra ón ef stovyatjens, ef polišo
kurrilóme beri lelde mittof juvel tomeraterÿ.
'De stropers hebben het wild aan de marktkooplieden verkocht, vóórdat de
politie deze wrede boevenbende kon arresteren.'
(a. tomeraterÿ refereert aan ef pôrtatjens, dus de politie probeerde de
stropers te arresteren)
(b. tomeraterÿ refereert aan ef stovyatjens, dus de politie probeerde de
marktkooplieden te arresteren)

(2) Ef pôrtatjens ef gâm ho póbare ra ón ki ef stovyatjens, ef polišo
kurrilóme beri lelde mittof juvel tomeraterÿ.
(alleen betekenis (1b))

133.21

Merk op dat ki niet gebruikt kan worden om betekenis (1a) uit te schiften, want dan zou ki de zinskern moeten markeren, en dat leidt altijd tot een ongrammaticale constructie. Een expliciete uitdrukking van betekenis (1a) is daarom alleen mogelijk met behulp van passivisering, waarbij ef pôrtatjens een niet-kern wordt, en dan met ki gemarkeerd kan worden:

(3) Ef gâm pai ki ef pôrtatjens ho póbarelije ra ón ef stovyatjens, ef
polišo kurrilóme beri lelde mittof juvel tomeraterÿ.
'Het wild is door de stropers aan de marktkooplieden verkocht, vóórdat de
politie de wrede boevenbende kon arresteren.'
(interpretatie alleen volgens (1a))

Zinnen als (3), waarin passivisering plaatsvindt om ki te kunnen toevoegen, teneinde dat element te kunnen markeren waaraan een element uit Z2 moet refereren, komen voornamelijk voor in doorwrochte schrijftaal, waarbij de schrijver zich al in een vroeg stadium een beeld heeft kunnen vormen van het verloop van de volzin.

133.22

Een antecedent bij een pers.vnw. kan soms als zodanig door ki gemarkeerd worden als er anders ambiguïteit zou ontstaan. Vergelijk:

a. Do zerfe quoss sener follus, brâ do melde dâlnese lilt.
'Hij1 ziet zijn vader2 nauwelijks, want hij1 is vaak in het buitenland.'
b. Do zerfe quoss ki sener follus, brâ do melde dâlnese lilt.
'Hij1 ziet zijn vader2 nauwelijks, want deze2 is vaak in het buitenland.'

In (a) bestaat er coreferentie tussen beide do's die beide een zinskern zijn. Deze prototypische coreferentie wordt in (b) expliciet ongedaan gemaakt door de markeerder ki. In (a) wordt de voorkeur aan deletie van het tweede do gegeven (§ 131.9).

133.23

Het antecedent van een lexicale variant of pers.vnw. kan natuurlijk nooit met ki gemarkeerd worden als Z1 en Z2 een gesproken sequentie vormen, waarbij verschillende sprekers betrokken zijn. Want hoe kan de spreker van Z1 reeds weten dat de spreker van Z2 een lexicale variant gaat gebruiken? De volgende sequentie (uit de roman Wâveta nunas 'Verwijfde nonnen' van Lenne Ladi, 1985) doet daarom onnatuurlijk aan omdat hier gesuggereerd wordt dat Moederoverste (M) bij haar vraag reeds wist dat zuster Orana (O) met de lexicale variant mittof vogilys zou gaan refereren aan fiysor én rôzet bûlfe en niet aan kafšoveliran én ytra=
iyn strûts:

M: Aftel ne'âma kafšoveliran én ytraiyn strûts, ur ki fiysor én rôzet
bûlfe zâre kusami, oft aftel gress métog curmel iftams'ter eft
presÿr én dvâren urzôg fes ef tults?
'Wonen hier alleen arrogante, op iedereen neerkijkende struisvogels en
stiekeme, geslepen raven, of mag ik misschien ook nog eens een gewone
nederige mus in de gangen tegenkomen?'

O: Dus den Kult Quista Rater enn kerru mittof vogilys qummerte!
'Alsof Onze Lieve Heer ook niet deze vogels heeft geschapen!'

133.24

Uit de context valt op te maken dat zuster Orana met "deze vogels" alleen op de stiekeme en geslepen raven doelt, en niet op de struisvogels of mussen (want eerder in het verhaal is Orana van achterbaksheid en geslepenheid beschuldigd). Kennelijk wist Moederoverste dat Orana aan die raven zou gaan refereren, anders was er geen reden geweest om het antecedent van "deze vogels" met ki te markeren. Of moeten we ki hier beschouwen als een soort leesteken dat de schrijver ten behoeve van de lezer toevoegt, en niet als een taalelement dat Moederoverste gebruikt?

133.25   ad § 133.9   d. Linkse en rechtse extralocatie

Extralocatie, en het verschil met dislocatie, worden behandeld in § AT.$$. Omdat extralocatie inhoudt dat een element buiten de zinsstructuur geplaatst wordt, ontstaat er in de matrixzin een onbezette positie. Deze positie kan nu met een "dummy" gevuld worden: een pers.vnw. of betr.vnw. indien het buitengeplaatste element nominaal is, en elementaire add.n als dus 'dan' of k'ma 'daar' als het buitengeplaatste element een tijds- of plaatsbepaling is. Al deze "dummy's" mogen door ki gemarkeerd worden, ook als de dummy een zinskern is.1 Ki kan in dergelijke constructies nooit het zinsaccent dragen. Vergelijk (de dummy's zijn vet):

(1) a. Leon cÿrtire kirro riyfain. 'Leon helpt ons altijd.'
b. Leon, [ki] do cÿrtire kirro riyfain. 'Leon, die helpt ons altijd.'

(2) a. Ef Bribâbof-korda melde ber Hirdo. 'De Bribâbof-kerk staat in Hirdo.'
b. Frópjÿ ef Bribâbof-korda, [ki] ef melde ber Hirdo.
'Wat de Bribâbof-kerk betreft, die staat in Hirdo.'

(3) a. Fes teâk ajir wik gress nert feltavy! 'In zo'n vies bad wil ik niet zitten.'
b. Teâk ajir wik, gress nert feltavy fes [ki] ef!
'Zo'n vies bad, daar wil ik niet in zitten!'
c. £ Fes teâk ajir wik, gress nert feltavy [ki] kusama!
'In zo'n vies bad, daarin wil ik niet zitten!'

(4) a. Kirro vende ef pirmink helkara zirrot.
'We gaan volgende week met vakantie.'
b. Ef pirmink, [ki] dus kirro vende helkara zirrot.
'Volgende week, dan gaan we op vakantie.'

(5) a. Gress Leon méte jazy hols. 'Ik heb Leon gisteren nog gezien.'
b. Leon, [ki] do pai gress mételije jazy hols.
'Leon, die heb ik gisteren nog gezien.'

In (5b) is een passieve vorm noodzakelijk om het object Leon als zinskern buiten de zinsstructuur te kunnen plaatsen (zie § AT.$$). Zie § 133.28 voor een analyse van (3b/c).

133.26

In één soort constructie kan een basiselement als topic optreden, zonder dat het de kernfunctie heeft, en wel in Imperatieven (die immers niet gepassiviseerd kunnen worden). Nu is toevoeging van ki verplicht:

a. Armtkette-tûe jazy dena flappa ón gress!
'Geef me die vulpen eens aan!'
b. Dena flappa, armtkette-tûe jazy ki ef ón gress!
'Die vulpen, geef me die eens aan!'

133.27

Bij rechtse extralocatie wordt een element als "afterthought" of "tail" aan de rechterzijde buiten de zin geplaatst, meestal nog voorafgegaan door een herhaling van het corefererende pers.vnw. of door een aanw.vnz. (zie ook § AT.$$). In dat geval mag het rechts geplaatste element door ki gemarkeerd worden. Vergelijk de "afterthought"-varianten in (b) hieronder met de "topic"-varianten in § 133.25 (1b).. (4b):

(1) a. Leon cÿrtire kirro riyfain. 'Leon helpt ons altijd.'
b. Siy, do cÿrtire kirro riyfain, do [ki] Leo.
'Ja, hij helpt ons altijd, [die] Leon.'

(2) a Ef Bribâbof-korda melde ber Hirdo. 'De Bribâbof-kerk staat in Hirdo.'
b. Ef melde ber Hirdo, [ki] mittof Bribâbof-korda.
'Hij staat in Hirdo, die Bribâbof-kerk.'

(3) a. Fes teâk ajir wik gress nert feltavy! 'In zo'n vies bad wil ik niet zitten!'
b. Fes mittof ki gress nert feltavy, [ki] teâk ajir wik!
'Dáár wil ik niet in zitten, [in] zo'n vies bad!'
c. £ Kusama ki gress nert feltavy, fes [ki] teâk ajir wik!
'Dáár wil ik niet [in] zitten, in zo'n vies bad!'

(4) a. Kirro vende ef pirmink helkara zirrot.
'We gaan volgende week met vakantie.'
b. Kirro vende dus helkara zirrot, [ki] ef pirmink.
'We gaan dan met vakantie, de volgende week.'

133.28

Ook in § 133.27 (1)..(4) kan ki nooit het zinsaccent dragen. Let op het cursieve ki in (3b) en (3c): dit is toegevoegd als markeerder voor emfase (§ 133.30); de eraan voorafgaande elementen mittof resp. kusama krijgen het zinsaccent, in het Nederlands uitgedrukt door de accenttekens op áá. Bovendien zorgt het clitische gedrag van ki ervoor dat in kusama het accent op de laatste lettergreep valt (alsof er één woord had gestaan: [kusamaki]; zie § 133.36). Verder kan er bij (3b/c) hetzelfde onderscheid gemaakt worden als bij § 133.25 (3b/c): in (b) is het fundament buitengeplaatst, en de lege matrixpositie gevuld met een pers.vnw. In (c) is de gehele voorz.bep. buitengeplaatst en de lege positie gevuld met het plaatsbepalende add. kusama 'daar'. Deze tweede oplossing is typisch spreektaal (en zou nóg spreektaal-achtiger worden als we kusama door k'ma of ta vervangen).
Merk tenslotte nog op dat ki in § 133.25 (3b) áchter het voorz. fes verschijnt (zoals ook al geconstateerd is in § 133.11).

133.29

Een rechtse extralocatie wordt gebruikt als de spreker zijn zin reeds heeft voltooid, en zich dan pas realiseert dat het een en ander niet duidelijk genoeg uitgedrukt is. Er volgt dan een "afterthought" die een onduidelijkheid in de zin nader specificeert. Omdat een rechtse extralocatie dus nooit van te voren voorzien wordt, kan de matrixzin ook geen elementen bevatten die zo'n extralocatie zouden kunnen aankondigen. Een markeerder als ki is dus per definitie altijd afwezig in de matrixzin. Vergelijk:

(1) a. Tek melde eft dôchâmp. 'Tek is een raar mens.'
b. Tek, [ki] eup melde eft dôchâmp. 'Tek, dat is een raar mens.'
c. Eup melde eft dôchâmp, eup [ki] Tek. 'Ze is een raar mens, die Tek.'
d. ?? Ki eup melde eft dôchâmp, eup [ki] Tek.

Zin (1d) doet onnatuurlijk aan, omdat het eerste (vetgedrukte) ki reeds markeert dat de zin gevolgd gaat worden door een rechtse extralocatie.1 Als de spreker reeds bij het zeggen van "eup" vermoedt dat het wellicht onduidelijk is aan wie dit pers.vnw. refereert, zou hij in plaats van "eup" direct al "Tek" gezegd hebben (zie (1a)). (1d) kan daarom alleen zo begrepen worden dat de spreker bewust in het ongewisse laat welke vrouw er een raar mens is, om dan na afronding van de zin met de verrassende oplossing te komen: het is Tek!

133.30   ad § 133.9   e. Contrastieve emfase

De determinant ki wordt in de spreektaal dikwijls gebruikt om contrastieve emfase uit te drukken. Ki staat meestal achter het benadrukte element, en het zinsaccent ligt dan op dit element. Als het emfatische element een subst. of add. is, kan ki er ook voor staan. In dat geval ligt het zinsaccent op ki. In de volgende voorbeelden is het element met zinsaccent cursief:

(1) Gress pitte ki fesért, tûre farte. 'Ik FIETS naar huis, maar/en loop niet.'
(2) Do nert larde, do svûlge ki. 'Hij eet niet, hij vréét.'
(3) A: Aftel tu bladide grum sectâ oft idem fyg?
'Wil je zoete of droge wijn?'
B: Gress preferere fyg ki sectâ. = Gress preferere ki fyg sectâ.
'Ik geef de voorkeur aan DROGE wijn.'
(4) Gress pliyfone fyg sectâ ki. = Gress pliyfone fyg ki sectâ.
'Ik drink droge WIJN.' (en geen droge sherry)
(5) Noft, do stinde eft letra ki. = Noft, do stinde eft ki letra.1
'Nee, hij schrijft een BRIEF.' (en geen rapport)
(6) Ef chat feldre zjoba ki ef kelbra. 'De kat zit ONDER de tafel.' (i.p.v. erop)
(7) Do ki paina! 'HIJ heeft 't gedaan!'

133.31

In alle voorbeelden van § 133.30 gaat het om een contrast: "niet A is het geval, maar B". Zo'n contrast kan in de taaluiting expliciet aanwezig zijn, zoals in (1)..(3), maar kan ook contextueel bepaald zijn, zoals in (4)..(7). Bij afwezigheid van zo'n contrast kan ki in de spreektaal als korte vorm voor terat .. ki (§ 133.10) begrepen worden. Vergelijk (a) met (b):

a. ef terat hupster ki sért = b. £ ef hupster ki sért
'het hele grote huis'
a. ef terat póbaror ki mimpits = b. £ ef póbaror ki mimpits
'de goed verkochte boeken'

Zie ook § 43.14.

133.32

In geschreven Spokaans, waar het zinsaccent niet wordt gemarkeerd, kan ambiguïteit optreden als ki tussen een add. en een subst. in staat, vergelijk:

Gress pliyfone fyg ki sectâ.
a. 'Ik drink droge WIJN.'
b. 'Ik drink DROGE wijn.'

Ligt het zinsaccent op ki, dan geldt interpretatie a., ligt het zinsaccent op fyg, dan geldt interpretatie b.

133.33

Dezelfde soort ambiguïteit is ook aanwezig bij:

Noft, ralfort do trânslatere ki mimpits.
a. 'Nee, tegenwoordig vertaalt hij BOEKEN.' (en geen rapporten)
b. 'Nee, tegenwoordig VERTAALT hij boeken.' (in plaats van schrijven)

Ligt het zinsaccent op ki, dan geldt interpretatie a., ligt het zinsaccent op trâns= latere, dan geldt interpretatie b.

133.34

Het accentverschil zoals bedoeld in de vorige twee paragrafen is gemakkelijker te begrijpen als we ki beschouwen als een prefix of suffix, en we kiezen monosyllabische add.n of subst.n:

Gress pliyfone grumki léf. ~ Gress pliyfone grum kiléf.
'Ik drink ZOET bier.' ~ 'Ik drink zoet BIER.'

Bij grumki ligt het accent op grum, maar bij kiléf ligt het accent op ki. Het cliticizerende gedrag van ki zorgt dus voor een accent-onderscheid dat zich ook handhaaft in die gevallen waarin accentregels niet relevant kunnen zijn omdat het add.n en subst.n betreft met meer dan 1 lettergreep. Zie verder § 133.36-41.

133.35

Vergelijk:

a. Do uokke ne'âma mikar ki sigarrs. 'Hij rookt alleen DURE sigaren.'
b. Do uokke ne'âma terat mikar ki sigarrs.
'Hij rookt alleen hele dure sigaren.'

In (a) is ki een emfase-determinant bij mikar, waarbij mikar het zinsaccent draagt. In (b) vormt ki met terat een eenheid met de betekenis "heel" (§ 133.10); hier draagt terat het zinsaccent. Hoewel er hier voor het moderne Spokaans dus twee verschillende onderliggende structuren worden aangenomen (zie (1)), is ki historisch gezien zowel in (a) als in (b) een determinant bij mikar (zie (2)). In (b) is het versterkende element terat nog toegevoegd.

(1) taalsynchronisch: a. [mikar ki] sigarrs
b. [terat] mikar [ki] sigarrs
+----+
(2) taaldiachronisch: a. [mikar ki] sigarrs
b. terat [mikar ki] sigarrs

In (1b) vormen terat en ki samen een discontinu element.

133.36   Clitisch gedrag van ki

Ki als emfase-markeerder heeft de neiging om zich in de gesproken taal te hechten aan het element dat emfase moet hebben. Staat ki achter zo'n element, dan gedraagt het zich als een suffix; staat het ervoor, dan gedraagt het zich als een prefix. Een suffix is in staat om bij polysyllabische woorden het woordaccent een lettergreep naar rechts te trekken; een prefix kan bij monosyllabische woorden het accent een lettergreep naar links trekken. Beide processen zijn een gevolg van het feit dat het accent altijd op de vóórlaatste lettergreep moet liggen (bij woorden met een gefixeerd accent geldt dit alles natuurlijk niet). Vergelijk:

geen accentverschuiving wel accentverschuiving
a. fyg [fyg] ~ fyg ki [fygki] keša [keša] ~ keša ki [kešaki]
b. berkiy [beRkî] ~ ki berkiy [kibeRkî] bûst [bûst] ~ ki bûst [kibûst]

133.37

In de volgende twee zinnen is geïllustreerd hoe ki hetzij als een soort suffix, hetzij als een soort prefix de accentueringen beïnvloedt:

a. keša ki 'nins = [kešaki] [nins]
Do affionnose ne'âma keša ki 'nins.
'Hij houdt alleen van DIKKE meisjes.'

b. keša ki 'nins = [keša] [kinins]
Do affionnose ne'âma keša ki 'nins.
'Hij houdt alleen van dikke MEISJES.'

133.38

Het cliticizerende gedrag van ki is niet bij iedereen even goed waarneembaar. Sprekers uit gebieden waar graag gebruik wordt gemaakt van clitische pers.vnw.n achter voorz.s (Zuid-Liftka, Tigof, Lomky; § 70.44-47) hebben meer neiging om ook ki als clitic te behandelen, dan sprekers uit andere gebieden. In verzorgde spreektaal wordt ki het liefst in het geheel niet als een clitic behandeld, maar als een apart woord dat géén invloed op de accentuering van de aangrenzende elementen uitoefent. Als ki een discontinu element met terat of oras vormt, verdwijnt het clitische gedrag van ki altijd (ook op Zuid-Liftka, Tigof en Lomky). In het volgende voorbeeld wordt ki dan ook duidelijk als apart woord uitgesproken, zonder dat het het accent van keša of 'nins beïnvloedt:

c. terat keša ki 'nins = [terat] [keša] [ki] [nins]
Do affionnose ne'âma terat keša ki 'nins.
'Hij houdt alleen van hele dikke meisjes.'

133.39

Hoewel ki op een clitische wijze uitgesproken wordt, is het niet correct om ki als suffix aan te hechten; het moet als een apart woord geschreven worden. Er is echter één uitzondering: als ki uitsluitend dient om emfase op een voorz. uit te drukken, mag het aan dit voorz. gehecht worden, als er bij het los schrijven ambiguïteit kan ontstaan omdat ki ook als antecedent-markeerder kan worden opgevat:

Kirro sena paina jojelkimiyn tukst cônsonent-grups feski ef wufta.
'We hebben ons voornamelijk beziggehouden met consonantclusters binnen
het woord.'

Zouden we fes ki ef wufta schrijven, dan lijkt het of er nog een betrekkelijke bijzin volgt met een betr.vnw. dat aan ef wufta refereert.

133.40

Vergelijk:

a. Ef keldus locâteše luft ef weg kafki ef tex, té blôfarelira ral.1
'De boerderij, die nu aan het verzakken is, bevindt zich bij de weg op
de dijk.' (en bijv. niet bij de weg onder langs de dijk)
b. Ef keldus locâteše luft ef weg kaf ki ef tex, té blôfarelira ral.11
'De boerderij bevindt zich bij de weg op de dijk die nu aan het verzakken is.'
(de dijk is aan het verzakken)

Het aangehechte ki in kafki in (a) geeft emfase op het voorz. kaf, om een contrast uit te drukken met een antonieme plaatsbepaling (zoals "onder langs").
Het betr.vnw. kan in (a) daarom alleen aan de zinskern ef keldus refereren.
In (b) is ki een determinant bij ef tex. Het betr.vnw. refereert dus aan ef tex, en niet aan de kern ef keldus.

133.41

Tussen (a) en (b) is een verschil in zinsaccent: in (a) ligt dit op kafki, in (b) op tex. Bij voorz.s met meer dan één lettergreep leidt aanhechting van ki altijd tot accentverschuiving, vergelijk fesdu ki [fesdu ki] en fesduki [fesduki]; vergelijk kusamat ki [kusamat ki] en kusamatki [kusamatki].

133.42   ad § 133.3   3. Determinantenpaar qu .. qu

De determinanten qu .. qu wordt altijd twee aan twee gebruikt, en kunnen de volgende functies hebben:

a. refererende functie: de entiteit of groep van entiteiten die met het ene qu gemarkeerd wordt, valt binnen de verzameling van entiteiten die met het andere qu gemarkeerd wordt; dit kan uitgedrukt worden met de formule:

qu1 A ... qu2 B, waarbij A(B of B(A

b. reducerende functie: het tweede qu vervangt een element dat identiek is aan het element achter het eerste qu; dit kan uitgedrukt worden met de formule:

qu1 A ... qu2, waarbij qu2=A

c. verbindende functie: het eerste qu staat vóór een adjectivisch gebruikt teg.dw. en het tweede qu markeert de positie in een relatieve bijzin waar het teg.dw. als betr.vnw.-vervangende -lira-constructie zou moeten staan; hiervoor kan de volgende formule gebruikt worden:

qu1 A-lira ... qu2, waarbij qu1=Ø en qu2=A-lira

133.43   ad § 133.42   a. Refererende functie

Als qu .. qu een refererende functie heeft wil dit zeggen: de entiteit of groep van entiteiten die met het ene qu gemarkeerd wordt, valt binnen de verzameling van entiteiten die met het andere qu gemarkeerd wordt. De onderlinge volgorde van de door qu gemarkeerde delen is niet van belang, ofwel: de deelverzameling kan zowel voor als achter de hoofdverzameling staan. Bijvoorbeeld (de beide verzamelingen zijn cursief):

(1) Qu ef zâreldurs fes ef Korda-mirra blaffe eft qurubor krosos, janof
qu ef liftkaroiy én ef bliynters nert dare beri krose ef centys mirra.
'qu De bewoners van de Kerkstraat eisen een beveiligd zebrapad, omdat qu
de bejaarden en de blinden de drukke straat niet durven oversteken.'

Merk op dat qu in tegenstelling tot ki ook in een zinskern voor mag komen.

133.44

Het eerste qu markeert de verzameling "bewoners van de Kerkstraat" en het tweede qu markeert de verzameling "bejaarden en blinden". Hierdoor begrijpen we dat de bejaarden en blinden tot de bewoners van de Kerkstraat gerekend moeten worden, ofwel "bejaarden en blinden" is een deelverzameling van "bewoners van de Kerkstraat". We hebben hier met een vorm van gedeeltelijke coreferentie1 te doen, zoals beschreven in § 130.11 2.
Zouden we qu .. qu weglaten, dan kan (1) ook zo begrepen worden dat de bewoners van de Kerkstraat een andere groep personen is dan de bejaarden en blinden: de bejaarden en blinden wonen wellicht ergens anders, en staan geheel buiten de eis om een zebrapad aan te leggen.

133.45

In het volgende voorbeeld staat de deelverzameling vóór de hoofdverzameling:

Luft qu goe cucers blul hyra pildelije ef tustus fes eft lelpiru
bij QU LW koekoeken DET TERWIJL leggen-OBPASS de eieren in een ander
vogiliyatur, mittof nert lelperrilóme ef progrâm luft qu goe
nest, dat niet hebben-ONDERSCH het programma bij QU LW
ðârlo vogilys.
meeste vogels
'Koekoeken leggen hun ei in een ander nest, terwijl de meeste vogels zoiets
niet doen.'
(lett. "bij koekoeken wordt het ei in een ander nest gelegd, terwijl dat bij de
meeste vogels niet geval is")

Om aan te geven dat ook "koekoeken" tot de "vogels" gerekend worden (ofwel: "koekoeken" is een deelverzameling van "vogels") wordt er gebruik gemaakt van de refererende functie van qu .. qu.

133.46

In het volgende voorbeeld zou toevoeging van qu .. qu tot de foutieve mededeling leiden dat ook vleermuizen tot de vogels gerekend moeten worden. Hier blijft een dergelijke refererende markering dus bewust achterwege:

Luft goe grûmiyls ef zelfÿs hyra lelperre iyc-quglos cÿr lóf
bij LW vleermuizen de vleugels TERWIJL hebben rendement zowel gedurende
ef preip solft is âs ef cor tiyn, mittof nert lelperrilóme
de opwaartse beweging als VZ de neerwaartse DING, dat niet hebben-OND
ef progrâm luft goe ðârlo vogilys.
het programma bij LW meeste vogels
'Bij vleermuizen geven de vleugels zowel bij de opwaartse als bij de neerwaartse
beweging rendement, terwijl dat bij de meeste vogels niet het geval is.'

133.47

Als twee zinnen neven- of ondergeschikt zijn, en de kern in Z2 is een pers.vnw., dan wordt dit pers.vnw. in principe zo geïnterpreteerd dat het refereert aan de kern in Z1. Deze interpretatie kan ongedaan gemaakt worden door toevoeging van qu .. qu, zodanig dat het eerste qu de referent van het pers.vnw. markeert. Vergelijk § 133.43 (1) met:

(2) Ef zâreldurs fes ef Korda-mirra blaffe eft qurubor krosos furt qu ef
liftkaroiy én ef bliynters, janof qu óps nert dare beri krose ef
centys mirra.
'De bewoners van de Kerkstraat eisen een beveiligd zebrapad voor qu de
bejaarden en de blinden, omdat qu ze de drukke straat niet durven
oversteken.'

Als een van de qu's aan een pers.vnw.refereert, is er bijna altijd sprake van een strikte coreferentie. In (2) is het niet duidelijk of "bewoners van de Kerkstraat" en "bejaarden en blinden" al dan niet dezelfde (deel)verzamelingen zijn. De meest natuurlijke interpretatie is dat het hier om twee verschillende groepen van mensen gaat.

133.48

Indien een pers.vnw. meer dan 1 keer in een zin voorkomt, kan worden volstaan met een qu-markering van alleen het laatste pers vnw:

(3) Ef zâreldurs fes ef Korda-mirra blaffe eft qurubor krosos furt qu ef
liftkaroiy én ef bliynters, janof [qu] óps nert dare beri krose ef
centys mirra, ur tenne qu óps nert šâstecos ef trem-ÿstôpiy.
'De bewoners van de Kerkstraat eisen een beveiligd zebrapad voor qu de
bejaarden en de blinden, omdat [qu] ze de drukke straat niet durven over-
steken, en qu ze daarom de tramhalte niet kunnen bereiken.'

De qu-markering van het tweede óps wordt voldoende geacht om aan te geven dat ook het eerste óps aan het cursieve deel refereert, want het ligt niet voor de hand om aan te nemen dat het eerste óps een ander antecedent zou hebben dan het tweede.

133.49

Bijzonder is het gebruik van qu .. qu in het volgende geval: het ene qu staat vóór een deel van een reeks of opsomming en het andere qu staat voor een element dat tot dit deel van de reeks/opsomming gerekend kan worden.
Vergelijk het verkeerde gebruik van qu .. qu in (a) met de correcte variant in (b):

a. * Óps leldâe qu lÿgiys, mârgrettas, jerrðes ur tûlpiys, tur qu ef acÿr-
ardekirs lâfse riyfain gesvint.
? 'Ze kweken anjers, margrieten, narcissen en tulpen, maar de bolgewassen
verleppen altijd snel.'

b. Óps leldâe lÿgiys, mârgrettas, qu jerrðes ur tûlpiys, tur qu mittof acÿr-
ardekirs lâfse riyfain gesvint.
'Ze kweken anjers, margrieten, qu narcissen en tulpen, maar qu die bol-
gewassen (= narcissen en tulpen) verleppen altijd snel.'

Weglating van het determinantenpaar qu .. qu is even ongrammaticaal (of liever: even grote semantische onzin) als de verkeerde plaats van het eerste qu in (a): het zou betekenen dat ook de anjers en margrieten tot de bolgewassen gerekend zouden worden.

133.50

Ook in het volgende voorbeeld markeert het eerste qu een deel van de reeks, terwijl het tweede qu een element markeert dat met dit deel corefereert:

Ef spâklâns rifo veldur-otos, tiyns-otos, qu hupspitters ur fradâsz kaftûs
ef kûtâ futtof 1 mai; ef spâklâns rifo qu ef aðiyk klâsz ytûs eft tâx-
kafpainos fes 5%.
'De eigenaren van personenauto's, vrachtauto's, qu motorfietsen en tractors
moeten de motorrijtuigenbelasting voor 1 mei betalen; de eigenaren van qu de
laatste twee categorieën (= motorfietsen en tractors) moeten rekening houden
met een belastingverhoging van 5%.'

In de Nederlandse vertaling is "twee" toegevoegd, om duidelijk te maken om welke categorieën het gaat. Het Spokaans en het Nederlands verschillen dus op het volgende punt van elkaar: in het Spokaans wordt bij voorbaat al een scheiding in de opsomming gemaakt. Het eerste qu maakt ons erop attent dat aan wat er nu komen gaat verderop in de zin gerefereerd zal worden. Zo'n hint krijgt de Nederlandse lezer niet: deze moet eerst de hele zin tot zich nemen, om vervolgens in de eerder genoemde reeks de twee laatste elementen "eruit te lichten".

133.51

Als het eerste qu halverwege een reeks toegevoegd wordt, en het tweede qu een element markeert dat de desbetreffende elementen uit de reeks als het ware samenvat, dan wordt er wel gezegd dat qu .. qu hier een resumerende functie heeft. Wij hebben ervoor gekozen om deze resumerende functie te behandelen als een variant van de refererende functie. Soms is een "achterwaartse" resumerende functie mogelijk; in dat geval markeert het eerste qu de samenvatting, en zet het tweede qu de scheidslijn in de reeks, van waar af de samenvatting geldt. Bijvoorbeeld:

Eft ÿrfótelira eksposišo kura tijâðéor axaratjens én quA platiraners
plânelije pai ef Sÿrt-museem; lelperre qummertiyns pai Jûmer-Uleff,
Quzoji-Prÿr, quB Gloprin, Xâsma-Slÿr ur Lafayette-Domel ef progrâm.1
'Er is een interessante tentoonstelling over vergeten beeldhouwers en qu schilders
gepland door het Stadsmuseum; er zal voornamelijk werk van Jûmer-Uleff,
Quzoji-Prÿr, qu Gloprin, Xâsma-Slÿr en Lafayette-Domel getoond worden.'

In deze zin geeft quB een scheidslijn in de reeks personen aan. Uit quA kunnen we opmaken dat de namen links van quB de beeldhouwers moeten zijn, en rechts van quB staan de schilders. Voor kunstkenners is dit gebruik van qu .. qu wellicht redundant en belerend, voor de gemiddelde krantelezer kan het verhelderend werken. Zinnen waarin qu .. qu op een dergelijke manier is verweven, doen dikwijls nogal gekunsteld aan, en behoren zeker niet tot de spreektaal.

133.52   ad § 133.42   b. Reducerende functie

Dit is de enige functie van qu .. qu waarbij een van beide qu's geïsoleerd gebruikt worden (feitelijk is het een spoor, geen determinant):

Ef menester sen kobature lef tygrônsc qu ef wélfa'cosz rifo ef agrarišâ,
igt qu ef fabrokaliyto.
'De minister verdiept zich niet alleen in de ontwikkelingen van de landbouw,
maar ook in die (= ontwikkelingen) van de industrie.'

Het tweede qu vervangt hier feitelijk het gehele cursieve zinsdeel.

133.53

Nog enkele voorbeelden:

(1) a. Ef vilduls qu kusamat ef nar weg melde kviksiy terat dus ef
mirrâtats qu.
b. Ef vilduls kusamat qu ef nar weg melde kviksiy terat dus ef
mirrâtats âs qu.
'De bomen naast de smalle weg zijn gevaarlijker dan de lantaarns naast deze
smalle weg.'

(2) a. Qu ef brÿr cartôlks lÿ ef nutter melde gulder dus qu lÿ ef zutter.
b. Ef qu brÿr cartôlks lÿ ef nutter melde gulder dus qu efs lÿ ef
zutter.1
'De Brÿrse aardappelen uit het noorden zijn beter dan de Brÿrse aardappelen
uit het zuiden.'

In (1a) markeert het eerste qu de gehele cursieve voorz.bep.; het tweede qu staat dan ook in de plaats van deze voorz.bepaling. In (1b) markeert het eerste qu alleen het fundament van de voorz.bepaling. Dit fundament wordt door het tweede qu herhaald, wat betekent dat het voorz. alsnog toegevoegd moet worden. Dit is in (1b) gebeurd met het dode voorz. âs.
In (2a) omvat het eerste qu het gehele cursieve zinsdeel ef brÿr cartôlks, welke op de plaats van het tweede qu gelezen moet worden. Omdat in (2b) het tweede qu slechts brÿr herhaalt, moet er voor ef cartôlks een ander spoor gezet worden, in dit geval het pers.vnw. efs.
Zie verder nog § 133.14 (2) waarin het tweede qu in de plaats staat van ki.

133.54   ad § 133.42   c. Verbindende functie

Bij de verbindende functie koppelt qu .. qu een adjectivisch gebruikt teg.dw. en bijbehorende bepaling, als deze gescheiden staan, en feitelijk samen een relatieve bijzin vormen. In (a) staat een constructie met een -lira-bijzin (cursief), en in (b) is deze bijzin opgesplitst in twee delen: het teg.dw. en de rest:

a. Ef prest, ušelira riyfain eft palequeo cômputer lef wufta-revertos,
stinde ral na eft ferflappa.
b. $$ Ef qu ušelira prest stinde ral na eft ferflappa, qu riyfain eft
palequeo cômputer lef wufta-revertos.
'De directeur, die altijd een moderne computer met tekstverwerking gebruikt,
schrijft nu met een balpen.'

Variant (b) is alleen acceptabel in ambtelijke schrijftaal. Het gebruik van qu .. qu zoals in (b) is een strategie om een lange -lira-bijzin áchter de hoofdzin te krijgen, om zodoende een breuk in de hoofdzin te voorkómen. De meest algemene methode hiervoor is echter om een betr.vnw. te gebruiken, zoals:

c. Ef prest stinde ral na eft ferflappa, té uše riyfain eft palequeo
cômputer lef wufta-revertos.

Zie ook § 100.50-60.

133.55   ad § 133.3   4. Determinanten ek en ra

De determinanten ek en ra zijn reeds behandeld in § 110.88-100. We brengen hier in herinnering:

ek geeft een momentaan/actueel aspect
ra geeft een duratief/habitueel aspect

Ek en ra komen altijd direct áchter het predikaat.

133.56

Vergelijk:

a. Gress ÿrôme ek. 'Ik werk. = Ik ben op dit moment aan het werk.'
b. Gress ÿrôme ra. 'Ik werk. = Ik heb een baan.'

a. Óps obezjere ek terat hups ki.
'Ze lachen (op dit moment) heel hard; Ze zijn heel hard aan het lachen.'
b. Óps obezjere ra terat hups ki.
'Ze hebben altijd de gewoonte om heel hard te lachen.'

133.57

Ek en ra worden soms in ondergeschikte bijzinnen gebruikt om een onderschikkende determinant nader te specificeren. Vergelijk:

a. Gress nert fara ÿrômecû, Hâne pjôlilóme ek.
'Ik kan niet werken zolang Hâne praat.'
b. Gress nert fara ÿrômecû, Hâne pjôlilóme ra.
'Ik kan niet werken als Hâne praat.'

In (a) wordt het accent gelegd op een beperkte periode dat Hâne praat: gedurende die periode kan ik niet werken. Zin (a) impliceert dat ik weer aan het werk ga zodra Hâne zijn mond houdt.
In (b) wordt er een verband tussen twee gebeurtenissen gelegd zonder dat de tijdsduur van (een van) die gebeurtenissen relevant is. Zie verder § 122.19-23.

133.58

Dat beri twee werkw.n koppelt die samen één predikaat vormen, en den een bijzin (eventueel zonder kern) vormt blijkt onder meer uit de plaats van de determinanten ra en ek. Vergelijk:

Óps fara kelde eft pâlthudelira vobaros, óps probarilóme beri chaquinde
ra hudelira spokânda.
'Ze gebruiken een hypercorrecte vorm als ze correct Spokaans willen spreken.'

Óps fara kelde eft pâlthudelira vobaros, óps tracilóme ra den chaquinde
hudelira spokânda.
'Ze gebruiken een hypercorrecte vorm als ze correct Spokaans trachten te
spreken.'

Ra is hier toegevoegd om de determinant fara de betekenis 'als' te geven.

133.59   ad § 133.3   5. Determinant di

De determinant di is besproken in Hoofdstuk 111. Di wordt gebruikt om de toek.tijd uit te drukken, al dan niet gecombineerd met een speciaal suffix. Di wordt gevonden in de volgende constructies:

1. alleen di: een toek.tijd in korte spreektaal-zinnetjes; meestal is er ook een vorm van modaliteit (wens/belofte); zie ook § 111.58:

Siy, gress di trempe ef! 'Ja, ik zal 't lezen!'

2. di met toek.suffix -u: sterke uitdrukking van toek.tijd; meestal met modaal aspect (plan/belofte); zie ook § 111.55:

Gress di trempu ef mimpit. 'Ik zál het boek lezen.'

3. di met toek.suffix -ui: toek.tijd IIe niveau (plan in het verleden = werkelijk gebeurd feit in toekomst); zie ook § 111.68:

Gress di trempui ef mimpit.
'Ik zou het boek lezen.' (en dat heb ik ook gedaan)

133.60

De determinant di wordt na elke finiete vorm herhaald, ook als twee finiete vormen beschouwd kunnen worden als één nevenschikking op zinsdeelniveau (§ 120.59 type II.c). Bijvoorbeeld:

(1) Ef piratas di kalibatsu ur di preldu nyses mosjeusz, fara óps šarke
kusami.
'De zeerovers zullen gaan zuipen en alle vrouwen gaan verkrachten, als ze
hier aan land gaan.'

(2) Ârmyll di stindu ur di ÿrðu eft kleter mimpit.
'Ârmyll zal een nieuw boek gaan schrijven en uitgeven.'

Het modale aspect van (1) "voorspelling doen" en (2) "van plan zijn" zit opgesloten in de combinatie van di + -u; in het Nederlands is dit uitgedrukt met de toevoeging van "gaan". Let op het verschil in nevenschikking tussen (1) en (2): in (1) staan twee zinnen nevengeschikt (omdat het object nyses mosjeusz alleen bij het werkw. prelde hoort; in Z2 is de kern óps = ef piratas gedeleerd), in (2) staan twee predikaten nevengeschikt (omdat eft kleter mimpit object bij beide predikaten is). Dit kan als volgt verduidelijk worden:

(1') {[ef piratas di kalibatsu] UR di preldu nyses mosjeusz]}

(2') Ârmyll {[di stindu] UR [di ÿrðu]} eft kleter mimpit

133.61   ad § 133.3   6. Onderschikkende determinanten

Onderschikkende determinanten zijn behandeld in Hoofdstuk 122 (Blok 122.16), samen met de onderschikkende voegw.n. Het verschil tussen determinant en voegw. is geïllustreerd in de volgende voorbeelden:

(1) a. Gress tinde fesért, janof ef bidale.
b. Gress ma tinde fesért, ef bidalilóme.
'Ik blijf thuis omdat het regent.'

(2) a. Janof ef bidale, gress tinde fesért.
b. * Ef bidalilóme, gress ma tinde fesért.
'Omdat het regent, blijf ik thuis.'

Een voegw. leidt een ondergeschikte bijzin in, en deze bijzin kan zowel (1a) achter als (2a) vóór de matrixzin staan. Een onderschikkende determinant staat altijd vóór het matrixpredikaat en drukt de relatie tussen matrixzin en bijzin uit. De bijzin is als zodanig gemarkeerd met een suffix (in (2): -ilóme), en kan nooit vóór de matrixzin staan, zoals (2b) toont.

133.62

Oppervlakkig gezien zijn een voegwoord en een onderschikkende determinant synoniem aan elkaar, vergelijk janof en ma in § 133.61 (1). Het zou daarom voor de hand liggen om aan te nemen dat janof en ma beide de betekenis 'omdat' hebben, of om aan te nemen dat ze beide "semantisch leeg" zijn en alleen dienen als markeerder voor REDEN. De conventie wil dat janof behandeld wordt als een woord met een semantische inhoud, terwijl ma semantisch ongespecificeerd is, maar alleen de parameter REDEN aangeeft. Dit verschil wordt gereflecteerd in de volgende twee feiten:

133.63

Feit 1: een bijzin met een voegw. kan onafhankelijk van een matrixzin gebruikt worden, en heeft nog steeds een betekenis. Een bijzin na een ondersch. determinant kan nooit onafhankelijk gebruikt worden:

V: Aftel tu tinde fesért? 'Blijf je thuis?'
A1: Siy. Janof ef bidale. 'Ja. Omdat het regent.'
A2: * Siy. Ef bidalilóme.

Merk op dat antwoord van A2 een indicatie van REDEN mist. Deze indicatie zou in een matrixzin met ma gegeven moeten worden.

133.64

Feit 2: een voegw. kan gebruikt worden in een nevenschikking of geïsoleerde positie, en betekent dan nog steeds iets; een ondersch. determinant betekent "niets" als het niet verenigd is met een predikaat:

V1: Aftel Spooksoliy melde alt eft demokrašo, janof oft taufen ef kindis
lelperre eft hupster politiyca krabé?
'Is Spokanië nog steeds een democratie, omdat of ondanks dat de koning
een grote politieke invloed heeft?'
A1: Taufen. 'Ondanks dat.'

V2: * Aftel Spooksoliy ma oft ker melde alt eft demokrašo, ef kindis
lelperrilóme eft hupster politiyca krabé?
A2: * Ker.

Vraag V2 is ongrammaticaal vanwege de nevenschikking ma oft ker (twee determinanten laten zich niet nevenschikken). Antwoord A2 is ongrammaticaal vanwege het geïsoleerde gebruik van de determinant ker. Zie ook § 141.$$ (x), waarin twee voegw.n in een vergelijkende constructies vergeleken kunnen worden, maar niet twee determinanten.

133.65

Ondersch.determinanten moeten herhaald worden als twee matrixzinnen nevengeschikt zijn, en ze beide een relatie met de ondergeschikte bijzin hebben:

Ef argerats hyra perke beri verfutelije blul lo kolai ur ef ramiys hyra
perke beri stennelije blul, ef lugks nert revertilomije blul ral.1
'De deuren moeten geel geschilderd worden en de kozijnen moeten gebeitst
worden, terwijl de luiken nu niet behandeld worden.'

Ef myl di fara firu ur ef dôf di fara côšu, ef finnilóme beri tómare ra.
'De hond zal [gaan] janken en de kat zal [gaan] kotsen als het begint te
onweren.'

In het laatste voorbeeld is ook de toek.determinant di verplicht herhaald (zie § 133.60).

133.66

Door een determinant juist niet te herhalen, kan duidelijk uitgedrukt worden dat alleen de tweede nevengeschikte matrixzin een onderschikkende relatie aangaat. Vergelijk:

a. Gress stintât velk gopirus letras ur Tek ma tinde fesért, ef bidalilóme.
b. ? Gress ma stintât velk gopirus letras ur Tek ma tinde fesért, ef
bidalilóme.
'Ik moet nog wat brieven schrijven en Tek blijft thuis omdat het regent.'

Zin (b) is vreemd, omdat de regen niet alleen de reden is dat Tek thuisblijft, maar ook dat ik wat brieven moet schrijven. In (a) is het verband tussen de regen en mijn brieven schrijven afwezig.
Bij gebruik van een voegw. geldt altijd lezing (b), dus dat is vreemd:

c. ? Gress stintât velk gopirus letras ur Tek tinde fesért, janof ef bidale.1

In zulke gevallen verdient het gebruik van een ondersch.determinant dus de voorkeur.

133.67

Let op het gebruik van fes/fés in de volgende constructies:

(1) a. Dysse fes/fés ândyrre, gress pónsilóme tildâ prósiy.2
'Dysse treuzelt, zodat ik ongeduldig word.'
b. Dysse ândyrre fes graviy, gress pónzelira tildâ prósiy.
'Dysse treuzelt zó [erg], dat ik ongeduldig word.'

In (1a) staat de ondersch.determinant fes (met als variant fés), gevolgd door een bijzin met de markering -ilóme. Deze determinant drukt een GEVOLG uit.
In (1b) vinden we de idiomatische constructie fes X, Y-lira 'zó X dat Y' (= X bestaat in zo'n grote mate, dat Y het gevolg is). In (1b) is de status van fes nogal onduidelijk. Fes kan hier niet dezelfde ondersch.determinant zijn als in (1a), want in dat geval zou in (1b) ook de variant fés gebruikt moeten kunnen worden (dat kan niet). Bovendien staat een ondersch.determinant per definitie vóór het predikaat, en wordt gevolgd door een bijzin met een onderschikkingsmarkeerder (zoals -ilóme). Dat is in (1b) niet het geval.
Fes kan in (1b) evenmin het voorz. met de betekenis 'in' zijn, omdat graviy dan het fundament moet zijn, wat onmogelijk is omdat additieven nooit een fundament in een voorz.bep. kunnen zijn. Bovendien had fes in de hoedanigheid van voorz. bij herhaling vervangen kunnen worden door âs, bijvoorbeeld:

(2) Dysse ândyrre fes graviy ur Gâmpa reagere fes/*âs trag, gress
pónzelira tildâ prósiy.
'Dysse treuzelt zó erg en Gâmpa reageert zó traag, dat ik ongeduldig word.'

Daarom ligt het voor de hand om aan te nemen dat fes in (b) een soort "vergelijkende determinant"1 is, waarbij de notie van "determinant" opnieuw als een soort prullenbak gebruikt wordt waarin alle woorden met een onduidelijke status gestopt worden.
Constructies als (1b) worden verder besproken in Hoofdstuk 141 (Vergelijkingen).

133.68   ad § 133.3   7. Determinant lo

De determinant lo markeert (1) obligatorisch een objectief additief, en (2) optioneel een subjectief additief. Bij subj.add.n is lo verplicht (3) als er bovendien een pred.add. aanwezig is:

(1) Gress verfute ef krur lo mesâ. 'Ik verf de muur groen.'
(2) Ef vildul lelde [lo] lutt. 'De boom groeit krom.'
(3) Do scemre hups lo crôg. 'Hij schreeuwt zo hard dat hij hees wordt.'
(lett. "hij schreeuwt zich hard hees")

Dit is reeds besproken in 40.11-12 en 40.17-18. In de paragrafen hieronder wordt hieraan nog wat toegevoegd.

133.69

Lo is lang niet in alle gevallen een determinant die een subj.add. of obj.add. markeert. Zo kan lo ook een voorz. zijn (zie § 140.$$), of een vergelijkende determinant (§ 141.$$). Vergelijk de volgende constructies:

(1) a. Gress tiffe quista Ôrs. 'Ik ken Ôrs goed.'
b. * Gress tiffe Ôrs lo quista.

(2) a. Gress paine tiffelira Ôrs lo quista. 'Ik doe net of ik Ôrs goed ken.'
b. * Gress paine tiffelira quista Ôrs.

Normalerwijze vormt quista een bepaling bij het werkwoord tiffe (het "kennen" heeft de eigenschap "goed"). Dit wordt correct uitgedrukt in (1a). Als quista behandeld wordt als een obj.add. (zoals in (1b)), ontstaat een ongrammaticale constructie (want het is niet zo dat de eigenschap "goed" door de handeling van het "kennen" aan "Ôrs" wordt toegekend).
In de idiomatische constructie in (2a) is lo quista in tegenstelling tot de lo-loze vorm direct achter het predikaat wel correct. Dit komt omdat we hier met een idiomatische constructie te maken hebben, waarin lo een vergelijkende determinant met de betekenis 'zoals' is.

133.70

De grens tussen lo als markeerder voor een obj.add. en lo als vergelijkende determinant is niet altijd even duidelijk te trekken. Vergelijk:

(3) Gress verfute ef mecrequliy cjola lo doffiy.
'Ik schilder het smeedijzeren tuinhek zwart.'
(4) Gress cônsidere ef mecrequliy cjola lo hordâ.
'Ik vind het smeedijzeren tuinhek mooi.'
(5) Do paina leldelira ef prytusto lo habilem.
'Hij heeft het karwei handig aangepakt.'

In (3) is lo doffiy ontegenzeggelijk een obj.add., met lo als markeerder hiervoor, want hier geldt: door het "schilderen" krijgt het tuinhek de eigenschap "zwart". In (5) is lo habilem duidelijk een predikatieve bepaling: "handig" zegt iets over de manier van "aanpakken", maar is geen bepaling bij "karwei". Hier kan lo alleen een vergelijkende determinant zijn (zie § 141.$$). Maar zin (4) zit tussen beide uitersten in: (a) enerzijds is "mooi" een bepaling bij het object "tuinhek", maar (b) anderzijds kunnen we niet zeggen: * door het "vinden" krijgt het tuinhek de eigenschap "mooi". Hier geldt de conventie dat lo als markeerder voor een obj.add. beschouwd wordt, ondanks het feit dat (b) onmogelijk is.1 Zie verder § 140.$$ en § 141.$$.

133.71

Let op het verschil:

a. Petriy cônsidere ef platiranu lo hordâ. 'Petriy vindt het schilderij mooi.'
b. Petriy cônsidere ef platiranu meldelira hordâ.
'Petriy vindt dat het schilderij mooi is.'

In (a) is ef platiranu het object bij cônsidere, en lo hordâ een obj.add. In (a) geeft de spreker Petriy's impliciete opvatting weer (Petriy hoeft zelf niet met zoveel woorden gezegd te hebben: "ik vind het mooi").
In (b) is ef platiranu de subject-kern bij het koppelwerkw. melde, maar tegelijkertijd het object bij cônsidere: ef platiranu is hier een ambiject (zie § 100.92-95). Er is sprake van een hoofdzin (Petriy cônsidere ef platiranu) en een performatieve bijzin (ef platiranu melde hordâ). Nu geeft de spreker een expliciete uitspraak van Petriy weer (Petriy heeft gezegd, of althans duidelijk te kennen gegeven dat hij het schilderij mooi vindt).

133.72

Vergelijk:

(1) a. Gress riffe sener mirs lo ošo. 'Ik maak mijn haar nat.'
b. Gress sen riffe ošo. 'Ik maak mezelf nat.'
c. * Gress sen riffe lo ošo.

Variant (1c) (als alternatief voor (1b)) is ongrammaticaal omdat lo als determinant aangeeft dat de eigenschap "nat" aan een object moet worden toegekend. Dan zou het wed.vnw. sen een object moeten zijn, en dat is het niet. In feite vormt ošo via sen een bepaling bij de kern gress.

133.73

Vergelijk (1) hierboven met (2), waarin quandro 'zelf' is toegevoegd:

(2) a. Gress sen riffe quandro lo ošo. =
b. = Gress sen riffe quandro ošo.
'Ik maak meZELF nat.'

(2a) is correct omdat quandro als "echt" object beschouwd kan worden, waarbij het obj.add. ošo een bepaling vormt, en zin (2b) is correct omdat quandro semantisch bij sen hoort en ošo via sen .. quandro een bepaling bij de kern gress vormt, analoog aan de situatie in (1b). Quandro wordt verder besproken in § AT.$$.

133.74

Het met lo gemarkeerde obj.add. volgt altijd na het object, maar als het object het onbeklemtoonde ef is, kan het obj.add. ervóór staan (zonder lo):

(1) a. Do riffe ef kÿl lo tirdus. 'Hij maakt de pop kapot.'
b. Do riffe tirdus ef. 'Hij maakt het kapot.'

133.75

Als een obj.add. dat direct achter het predikaat staat ook als pred.add. of subj.add. opgevat zou kunnen worden, dient het obj.add. altijd áchter het object te verschijnen:

(2) a. Do reparere ef oto lo tildâ.??/
'Hij repareert de auto slecht.'
b. ??/ Do reparere tildâ ef.
i. ( 'Hij repareert die slecht.'
(= zodanig dat de auto er slecht van wordt)
ii. 'Hij repareert die slecht.' (= op slechte wijze)

(2b) kan niet, analoog aan (1b), zo opgevat worden dat "slecht" een eigenschap van het object "de auto" wordt. In (2b) kan "slecht" alleen een pred.add. zijn met de betekenis "op slechte wijze".

133.76   ad § 133.3   8. Vrag.vnw. aftel gezien als determinant

Het vrag.vnw. aftel leidt niet alleen een ja/nee-vraag in, maar kan ook als voegw. gebruikt worden in indirecte vragen. Vergelijk:

a. Aftel óps affionnose muslés? 'Houden ze van mosselen?'
b. Petriy linne, aftel óps affionnosûs muslés.
'Petriy vraagt of ze van mosselen houden.'

Merk op dat in de indirecte vraag van (b) een conjunctief op -ûs gebruikt moet worden (§ 150.$$).

133.77

Aftel onderscheidt zich van de overige vrag.vnw.n doordat het semantisch "leeg" is; aftel dient alleen om aan te geven dat er een ja/nee-vraag volgt. Vergelijk aftel met het semantisch gespecificeerde vrag.vnw. hojelka 'wanneer':

a. Aftel tu enn dena mimpit trempe? 'Ø Heb je dat boek gelezen?'
b. Hojelka tu enn dena mimpit trempe? 'Wanneer heb je dat boek gelezen?'

Een semantisch gespecificeerd vrag.vnw. als hojelka kan ook in een geïsoleerde positie gebruikt worden (vraag V1), maar aftel kan dat niet (vraag V2). Vergelijk (M = mededeling):

M: Gress dena mimpit trempe. 'Ik heb dat boek gelezen.'
V1: Hojelka? 'Wanneer?'
V2: * Aftel?

133.78

Voor veel grammatici is de betekenisloosheid van aftel een reden om dit woord tot de determinanten te rekenen. Het probleem bij een dergelijke benadering is dat aftel ondanks zijn determinant-status nog eigenschappen behoudt die typisch zijn voor vrag.vnw.n en voegw.n. Zo vereist aftel dat een object bij def.inversie met enn gemarkeerd wordt (zie ook § 133.5 2.):

a. Do ef mimpit trempe. 'Hij heeft het boek gelezen.'
b. Aftel do enn ef mimpit trempe? 'Heeft hij het boek gelezen?'

Was aftel een zuivere determinant, dan zou enn in (b) nooit verplicht kunnen zijn. Wij zullen in deze grammatica aftel als vrag.vnw. en als voegw. behandelen, en vermijden om het onder de determinanten te rangschikken, omdat dit geen enkel voordeel met zich mee brengt, maar alleen voor verwarring zorgt.

133.79   ad § 133.3   9. Additief nert gezien als determinant

Het negatie-add. nert ontkent de aanwezigheid van de entiteit waar het voor staat. Staat nert voor het predikaat, dan wordt de gehele zinsinhoud ontkend. Vergelijk:

(1) Petriy nert trempe ef mimpit. 'Petriy leest het boek niet.'
(2) Petriy trempe nert ef mimpit.
'Petriy leest niet het boek.' (maar wel de krant)

In (1) wordt de gehele SvZ (Stand van Zaken, § 110.3-14) PETRIY LEEST HET BOEK ontkend. In (2) wordt de aanwezigheid van "het boek" ontkend. Merk op dat nert in (2) als markeerder vóór het zinsdeel ef mimpit optreedt, en niet als een pred.add. of subj.add. onmiddellijk achter het predikaat, zoals vita in:

(3) Petriy trempe vita ef mimpit. 'Petriy leest het boek snel.'

In (3) vormt vita een pred.bepaling bij trempe.

133.80

Omdat nert zelf geen semantische inhoud heeft, en bovendien altijd op een typische determinantenpositie staat (direct vóór het predikaat of vóór een ander zinsdeel) wordt nert wel een determinant genoemd. Daarmee onderscheidt nert zich van andere negatie-add.n, zoals noi, dat altijd op een typische add.positie staat, zoals op de positie voor een pred.add. direct achter het predikaat:

(4) Petriy trempe noi ef mimpit. 'Petriy leest het boek niet.'

In (4) is noi een pred.add., net zo als vita in (3) dat is. De betekenis van (4) is identiek aan die van (1), maar ánders dan die van (2).
Wij hebben ervoor gekozen om nert in eerste instantie te behandelen als een add. van cat.III, precies zo als ook noi behandeld wordt. In een enkel geval kan het handig zijn om nert als "determinant" te bestempelen, bijvoorbeeld als de relatie tussen nert en andere determinanten ter sprake komt, zoals in § 133.93-95.
Voor negatie wordt verder verwezen naar Hoofdstuk 151.

133.81   ad § 133.3   10. Expletiefpartikels

De determinanten ti en la worden gebruikt als expletiefpartikels. Zulke partikels dienen om een extra lettergreep aan een zin toe te voegen die nodig is om een bepaald metrum in stand te houden. Dit komen we bij spreekwoorden, gezegdes, rijmpjes en (oudere) poëzie tegen. Naast de zogenoemde vaste expletiefpartikels ti en la kent het Spokaans ook nog variabele expletiefpartikels, die gevormd worden met behulp van reduplicatie, wat wil zeggen dat een syllabe uit het woord met het zinsaccent geredupliceerd wordt. Bijvoorbeeld:

(1) Kost eits blôfe, kost fa ti fle.1 'Mijn ogen zakken, mijn oren klimmen.'
(2) Qunnde-ÿpse ef bukynâs! Dryche-ÿpse ef la drôms!2
'Laat de bazuinen schallen! Laat de trommen dreunen!'

(3) a. Aftel óps rupke furt ef diôser cÿrtiyr?
b. Aftel óps lôve furt ef jéftiyer qurtos miyr?
c. Noft, óps sôge zôcselira tepazzoste,
d. gûfquare kura sener te jéftiy.3
a. 'Roepen zij de hulp van de goden in?'
b. 'Bidden zij desondanks om de bepaling van hun lot?'
c. 'Nee, zij storten jammerend ter aarde'
d. 'en beklagen zich over hun lot.'

(4) Eft arâbe lef rozas, eft ar mittus lef qurts.
(lett. "een tuin met rozen, een kamer met doornen")
ongeveer: 'Een wolf in schaapskleren.'

(5) Vlôte rikbi vlôte rilko 'Spring naar rechts, spring naar links'
Lappe blef ur lappe furt 'Stap naar achter, stap naar voren'
Tôppe tiffugs, tâtle hentugs 'Stamp met voeten, klap met handen'
Gûnke knok, helderte hurt 'Knor als varken, blaf als hond'

133.82

In de dichtstrofes in (1) en (2) zijn de vaste partikels ti en la gebruikt.
De klaagzang in (3) bevat de geredupliceerde vorm te: in regel c. is dit een prefix, in regel d. wordt dit herhaald omwille van het rijmschema.
In (4) staat een spreekwoord waarin de eerste lettergreep van arâbe is geredupliceerd, om achter de komma evenveel lettergrepen te krijgen als ervoor.
Voorbeeld (5) is een aftelrijmpje1 met een zeer bijzonder expletiefpartikel, omdat het tevens de meervouds-s bevat die eigenlijk achter hent had moeten komen. Het partikel zelf is de geredupliceerde vorm van de laatste lettergreep van tiffugs.

133.83

Een idiomatisch geval, dat weinig met een rijmschema te maken kan hebben, is de volgende populaire spreektaalvorm:

£ Gress ti nert tiffe. 'Ik weet 't niet.'

Het is hier niet uit te maken of ti nu een vast expletiefpartikel is, dan wel een gevolg is van reduplicatie van de eerste lettergreep van tiffe.

133.84   ad § 133.3   11. De wed.vnw.n sen, sena en prap, gezien als determinant

De wed.vnw.n sen (enk.) en sena (mv.), hierna in één adem te noemen als sen[a] 'mezelf; jezelf; zich enz.' hebben een onduidelijke status, zodat er wat voor te zeggen is om ze als determinanten te beschouwen:
Op semantisch niveau gedraagt sen[a] zich als een object of echo, maar op syntactisch niveau is dit wed.vnw. heel eigenwijs: sen[a] verschijnt altijd direct achter de zinskern (§ 72.5), en het onderscheid tussen object en echo vervalt bij dit wed.vnw. (§ 72.18-19). Vergelijk:

(1) a. Petriy lukte ef baby. 'Petriy wast de baby.'
b. Petriy sen lukte. 'Petriy wast zich[zelf].'
c. Lukte Petriy sen. 'Petriy zal zich wassen.'

(2) a. Elsa kette ef mimpit ón sener sour.
'Elsa geeft het boek aan haar zuster.'
b. Elsa sen kette ef mimpit. 'Elsa geeft het boek aan zichzelf.'
c. Elsa sen ef mimpit kette. 'Elsa heeft het boek aan zichzelf gegeven.'

133.85

In (1c) staat lukte vóór de zinskern, en drukt daarmee een toek.tijd uit. Het wed.vnw. sen blijft direct achter de kern staan (wat in dit geval hetzelfde is als de objectpositie). In (2c) staat het object ef mimpit vóór het werkw. om een def.tijd uit te drukken. Ook nu weer blijft sen direct achter de kern staan.
De gefixeerde positie van sen[a] onmiddellijk achter de kern doet vermoeden dat dit wed.vnw. op de een of andere manier deze kern voor de eigenschap "reflexiviteit" markeert, zonder als zelfstandig zinsdeel aan de zinsstructuur deel te nemen. Deze eigenschap van sen[a] brengt veel grammatici ertoe om dit woord een determinant te noemen.

133.86

Dat sen[a] geen "echt" voornaamwoord is, en het karakter van een determinant heeft, blijkt ook uit zijn gedrag in voorz.bepalingen. Sen[a] kan zelf niet als fundament in een voorz.bep. optreden, maar moet altijd vervangen worden door de gereduceerde aangehechte vorm -siyn (§ 72.30):

Do byte ef nodâs trâksiyn. (= trâk sen) 'Hij slaat de muggen van zich af.'
Ef leldasts fes ef ér-kanas sels ventûs hennâ, den sena anie lefsiyn.
(= lef sena)
'De gevangenen in de eenpersoonscellen moeten zich met zichzelf zien te
vermaken.'

Het lijkt wel of het sterke determinant-karakter van sen[a] een combinatie met een voorz. in de weg staat.1

133.87

Let op dat ón in de functie van echo-determinant geen voorz. is, en daarom niet gesuffigeerd kan worden met -siyn:

* Do kette ef mimpit ónsiyn. ~ Do sen kette ef mimpit.
'Hij geeft het boek aan zichzelf.'

133.88

Wat hierboven gezegd is over sen[a], geldt ook voor de passieve variant prap (§ 72.25-29), die eveneens op de gefixeerde positie vlak achter de zinskern verschijnt (let op: na inversie is blul een zinskern; zie § 132.135-136/140):

Groft obléskrosz prap nert otrefarelije pai gress.
'Tegen zijn opvattingen verzet ik me niet.'
Rinâs prap miptreskelitâ riyfain pai Uder.
'Voor Rinâs slooft Uder zich altijd uit.'
Blul prap na'ôfelije ófe pert gy.
'Er worden hier veel vergissingen gemaakt.'
Na'ôfelije blul prap ófe pert gy.
'Er zullen hier veel vergissingen gemaakt worden.'

Maar er is een belangrijk verschil tussen prap en sen[a]: de gefixeerde positie van sen[a] onmiddellijk achter de kern reflecteert de reflexiviteit waaraan deze kern onderhevig is; ofwel: sen[a] markeert de reflexiviteit van het element waar het achter staat. Daarentegen drukt prap altijd de reflexiviteit van het subject (= niet-kern) uit, zodat de vaste positie direct achter de kern feitelijk niet gerechtvaardigd is. We zouden verwachten dat prap onmiddellijk achter het subject (= niet-kern) staat om de reflexiviteit van dat element te markeren.

133.89

Om het begrip "determinant" niet te veel te laten degraderen tot een vuilnisbak waarin alle onduidelijke gevallen gestopt kunnen worden, zullen we in deze grammatica vermijden om een element "determinant" te noemen, als een dergelijke kwalificatie niets bijdraagt aan de adequaatheid van de beschrijving van het Spokaans. In deze grammatica is het voor de bespreking van de woorden sen, sena en prap niet relevant om ze met de notie "determinant" te onderscheiden van de andere voorn.woorden, en daarom zullen we ze "wed.vnw." blijven noemen.

133.90   ad § 133.3   12. Het lidw. ef, gezien als determinant

In § 50.35 is vastgesteld dat nominaal gebruikte infinitieven altijd door het bep.lidw. ef worden voorafgegaan:

(1) Ef farte melde helt. 'Lopen is gezond.'
(2) Ef pjôle wencate gress lo kainot. 'Het praten/gepraat houdt me wakker.'

133.91

Dit lidw. kan nooit vervangen worden door een ander lidw. (zoals eft of goe), of door een lidw.-vervangende constructie (zoals een aanw.vnw.). Omdat ef wegens die onvervangbaarheid nooit een semantisch contrast kan uitdrukken met een ander element, drukt ef voor infinitieven feitelijk niets uit, behalve dan dat het de infinitief als zodanig markeert. Daarom geven sommige grammatici er de voorkeur aan om deze vorm van ef als een determinant (infinitief-markeerder) te beschouwen.

133.92

Er is nog een reden om het lidwoord-karakter van ef in (1) en (2) in twijfel te trekken, en ef daarom als determinant te beschouwen. Zou het een "echt" lidw. zijn dan is een infinitief als ef hiyste 'het hoesten' een normaal nominaal element, waarvan we mogen verwachten dat het ook andere functies dan die van subject-kern kan aannemen, geheel analoog aan bijvoorbeeld het echte subst. ef hiystos 'het gehoest, de hoestbui'. Inderdaad kan ef+infinitief als object optreden, maar als echo wordt de zin zeer twijfelachtig, en als fundament in een voorz.bep. is de zin ronduit ongrammaticaal. Vergelijk het CONCRETE subst. hiystos in (a) met de infinitief hiyste 'hoesten' in (b):

(3) a. Do nert nute ef hiystos. 'Hij hoort het gehoest/de hoestbui niet.'
b. Do nert nute ef hiyste.1 'Hij hoort het hoesten/gehoest niet.'

(4) a. Do siytinte ón ef hiystos. 'Hij moppert op het gehoest/de hoestbui.'
b. ? Do siytinte ón ef hiyste.2 'Hij moppert op het hoesten/gehoest.'

(5) a. Do reéde fes ef hiystos. 'Hij ergert zich aan het gehoest/de hoestbui.'
b. * Do reéde fes ef hiyste.1 'Hij ergert zich aan het hoesten/gehoest.'

Door aan te nemen dat ef in de b-zinnen geen lidw. is, maar een determinant, nemen we tevens aan dat hiyste hier geen echt nominaal basiselement is maar nog steeds een grote mate van "verbaliteit" bezit. Dit is dan de reden waarom (4b) en (5b) niet (geheel) correct zijn. Het valt buiten het bestek van dit hoofdstuk om te analyseren hoe deze "verbaliteit" en de ongrammaticaliteit van (5b) met elkaar samenhangen. Dit is te lezen in Kârle Kalâc-Marrée's artikel "The Spocanian Infinitive" (1989).

133.93   ad § 133.3   13. Ordening van determinanten

Veel determinanten worden onmiddellijk vóór het predikaat geplaatst. Omdat een zin meer dan één determinant kan bevatten, en er dus verscheidene determinanten tegelijk voor het predikaat kunnen verschijnen, moeten ze ook onderling geordend kunnen worden. De volgorde van de determinanten rondom het predikaat is in het volgende schema uitgedrukt:

(1) NEG - FUT - ONDERSCH - PRED - ASPECT 2

De gehele reeks wordt als één zinsdeel beschouwd: het uitgebreide predikaat.

133.94

Het is onmogelijk om de reeks in (1) met andere elementen te doorbreken. Bij inversie om de def.tijd of toek.tijd uit te drukken, doen alle elementen uit (1) aan de inversie deel:

(1) a. Óps sena nert ma lukte ek, ef knurflâftos meltilóme
zij zich niet REDEN wassen MOM de waterleiding is-ONDERSCH
koffon.
dood
'Ze wassen zich niet, omdat er geen water uit de kraan komt'.
b. Nert diyrâ lukte ek óps sena, ef knurflâftos di meltilóme koffon.
'Ze zullen zich niet wassen, als er geen water uit de kraan komt'.

(2) a. Ral Ôrs sen ma kette ef mimpit, [do] sen probarilóme beri zlÿše.
'Nu geeft Ôrs het boek aan zichzelf, omdat hij zich[zelf] wil verwennen.'
b. Hols Ôrs sen enn ef mimpit ma kette, [do] sen probarilóme beri
zlÿše.
'Gisteren heeft Ôrs het boek aan zichzelf gegeven, omdat hij zich[zelf]
wil verwennen.'

Let ook op de vaste positie van het wed.vnw. sen[a] achter de kernen (1) óps en (2) Ôrs.

133.95

In de volgende voorbeelden zijn alle vier determinanten aanwezig:

Óps sena nert di ho luktu ra, [óps] sena râsilóme.
zij zich niet FUT VTIJD wassen-FUT DUR, zij zich scheren-ONDERSCH
'Zij zullen zich niet wassen voordat zij zich scheren.'

Óps sena nert di ho probaru beri lukte ra, [óps] sena râsilóme.
'Zij zullen zich niet willen wassen voordat zij zich scheren.'

De determinant ra geeft hier een gewoonte aan.

NOTEN NOTEN NOTEN

      Noot 1 [1]Uit Tovildulÿ ('Geboomte') uit de bundel Poitiyns furt ef sompyrâ veldurs ('Gedichten voor de onnozele mensen', 1954) van Pârf Quggernees.
Het rijmschema is hier: -/-/- -/-/.

      Noot 1 [2]Ook vrag.vnw.n (inclusief aftel) worden tot de secundaire bepalingen gerekend; zie Blok 150.$$.

      Noot 1 [3]Dit is: een secundaire bepaling die met een pauze (komma) min of meer los van de eigenlijke zin staat.

      Noot 1 [4]Ufire kan ook intrans. gebruikt worden, en dan kan het nader gespecificeerd worden door het pred.add. fesért:

Elsa ufire fesért [lef Jân]. 'Elsa rijdt naar huis [met Jân].'

Nu komen Elsa en Jân beide (samen) thuis.

      Noot 1 [5]Voor de twee uitzonderingen, zie § 124.8-11.

      Noot 1 [6]Weglating van ki zou vanuit syntactisch oogpunt inhouden dat de zinskern, dus de "gemeente" door een schimmelziekte is aangetast. Maar dan had het betr.vnw. gebruikt moeten worden, en niet mit. Zin (c) zonder ki is dus grammaticaal incorrect. Voor sommigen is een semantische analyse belangrijker dan een syntactische. In dat geval dwingt het meervoudige betr.vnw. mit ons te zoeken naar een eveneens meervoudig antecedent, en wordt het idee dat de zinskern ef zomar wel eens antecedent kan zijn, zonder meer uitgeschakeld. Bij zo'n redenatie kan het achterwege laten van ki hier wellicht getolereerd worden, te meer daar het nogal absurd is om aan te nemen dat de gemeente last heeft van een schimmelziekte, en dat er daarom bomen gerooid moeten worden.

      Noot 1 [7]We brengen hier in herinnering dat ki nooit bij een kern gebruikt mag worden om een antecedent bij een betr.vnw. of bij een lexicale variant te markeren (§ 124.5 en § 133.21).

      Noot 1 [8]Omdat een zinskern per definitie nóóit met ki gemarkeerd wordt als deze kern een antecedent bij een betr.vnw. of een coreferent van een lexicale variant is, zal de hoorder van (1d) automatisch uitsluiten dat de matrixzin gevolgd wordt door een bijzin. De aanwezigheid van ki in een zinskern kan alleen maar begrepen worden als een markeerder voor extralocatie.

      Noot 1 [9]Ki als emfase-markeerder staat onmiddellijk voor het benadrukte element, en daarom achter het lidw. Ki als markeerder van een antecedent (zoals § 133.14 (1) en (4)), van een coreferent (zoals § 133.18 (b)) of van een extralocatie-dummy (zoals § 133.25 (2b)) staat in principe altijd voor het gehele zinsdeel, dus tevens voor het lidw. Een uitzondering vormt ki dat buiten een nevenschikking is geplaatst, zoals in § 133.14 (3).

      Noot 1 [10]Het betr.vnw. in (a) en (b) neemt de taak van markeerder voor een relatieve bijzin op zich; het suffix -lira in blôfelira heeft die taak dus niet, zodat we hiervoor een andere functie moeten bedenken. Het ligt het meest voor de hand om blôfelira te zien als een Progressieve vorm met de betekenis 'is bezig te verzakken' (zie § 100.6/8 en § 110.72a (Hoofdstuk 220)).

      Noot 1 [11]Qu .. qu drukt in principe nooit een strikte coreferentie uit. Willen we expliciet aangeven dat "de bewoners van de Kerkstraat" en "de bejaarden en blinden" precies dezelfde verzameling entiteiten is (ofwel, "de bejaarden en blinden" is een lexicale variant van "de bewoners van de Kerkstraat"), dan is een constructie met een contextueel aanw.vnw. hier op zijn plaats. Vergelijk (1) met:

(1') Qu ef zâreldurs fes ef Korda-mirra blaffe eft qurubor krosos, janof qu
mittofs liftkaroiy én bliynters nert dare beri krose ef centys mirra.
'De bewoners van de Kerkstraat eisen een beveiligd zebrapad, omdat deze
bejaarden en blinden de drukke straat niet durven oversteken.'

Vanwege de combinatie qu mittofs geeft (1') aan dat alle bewoners van de Kerk-
straat bejaard en blind zijn.

      Noot 1 [12]Uit een artikel in de Amagene.

      Noot 1 [13]Vergelijk (2b) met:

(2') Ef brÿr cartôlks lÿ ef nutter melde gulder dus efs lÿ ef zutter.
'De Brÿrse aardappelen uit het noorden zijn beter dan die uit het zuiden.'

Afwezigheid van qu .. qu leidt tot ambiguïteit: zin (2') kán hetzelfde betekenen als (2b), maar de meest natuurlijke lezing is dat met de "aardappelen uit het zuiden" alle aardappelen uit zuidelijkere streken buiten Brÿr bedoeld worden. Als we ons tot Spokanië beperken, moeten dit dus de aardappelen uit Tigof zijn (want op Lomky en Garos worden geen aardappelen verbouwd).

      Noot 1 [14]Deze zin komt uit een schriftelijke opdracht aan een schilder. In de spreektaal zouden we liever een bijzin met een voegw. kiezen, en de passiefvormen door een actief stus vervangen, in de trant van:

Stus verfutât ef argerats lo kolai ur stennât ef ramiys, tûre stus revertât ef
lugks ral.
'Men moet de deuren geel verven en de kozijnen beitsen, maar men moet de
luiken nu niet behandelen.'

      Noot 1 [15]Het is wel mogelijk om een duidelijke scheiding tussen beide nevenschikkingen aan te brengen, en om de bijzin juist zonder scheiding toe te voegen:

Gress stintât velk gopirus letras; ur Tek tinde fesért janof ef bidale.
'Ik moet nog wat brieven schrijven; en Tek blijft thuis omdat het regent.'

      Noot 1 [16]Prósiy is een ideoantoniem met de betekenis 'geduldig(ongeduldig'. Toevoeging van tildâ drukt expliciet de negatieve pool uit.

      Noot 1 [17]Dit neemt niet weg dat taaldiachronisch gezien de determinanten fes en fés oorspronkelijk voorz.s waren. We moeten ons hier een ontwikkeling voorstellen dat een parafrase als fes eft graviy vrôk 'op een erge manier' in de loop der eeuwen via fes graviy vrôk (lett. "op erge manier") afgesleten is tot fes graviy (lett. "op erge") dat uiteindelijke de betekenis van 'zo erg' kreeg. Dit is behandeld in Evergreen (1964).

      Noot 1 [18]Sommige grammatici geven er de voorkeur aan om lo bij cônsidere als een voorz. te behandelen, zodat we te maken hebben met het prep.werkw. cônsidere flaju lo X 'iets X vinden', maar dan moeten we accepteren dat het add. dat op lo volgt een fundament van een voorz.bep. is, terwijl add.n dat feitelijk niet kunnen zijn (zie ook § 133.67).
Als cônsidere als prep.werkw. behandeld wordt, moet een herhaling van lo voorkómen worden door het gebruik van het dode voorz. âs (zie (i)). Omdat wij er in deze grammatica van uitgaan dat lo bij cônsidere een determinant is, en geen voorz., moeten wij zin (i) verwerpen, en keuren wij alleen (ii) goed:

(i) * Petriy cônsidere ef platiranu lo hordâ, tur Yvonn paine ef âs ezanyjo.
(ii) Petriy cônsidere ef platiranu lo hordâ, tur Yvonn paine ef lo ezanyjo.
'Petriy vindt het schilderij mooi, maar Yvonn vindt het afschuwelijk.'

      Noot 1 [19]Uit Tovildulÿ ('Geboomte') uit de bundel Poitiyns furt ef sompyrâ veldurs ('Gedichten voor de onnozele mensen', 1954) van Pârf Quggernees.
Rijmschema: -/-/- -/-/.

      Noot 1 [20]Uit Ef Poiros fes ef Raiys ('Het Leven in de Boomtoppen', 1800) van Megt Kalis-Fandare. Rijmschema: /-/---/- /-/---/.

      Noot 1 [21]Vier strofen uit een klaagzang in de Sage van Rÿrða's dood, hoofdstuk VII, hym 12.

      Noot 1 [22]Hierbij moeten kinderen de genoemde bewegingen maken, en knorren als een varken of blaffen als een hond. Het kind dat bij het aftellen "het varken is" valt af, en het kind dat vergeet te knorren of te blaffen, moet het aftellen voortzetten.

      Noot 1 [23]In de 1e en 2e persoon kan -siyn vervangen worden door een pers.vnw., dat in tegenstelling tot sen[a] zonder meer als fundament kan optreden, bijvoorbeeld:

Gress byte ef nodâs trâksiyn. = Gress byte ef nodâs trâk gress.
'Ik sla de muggen van me af.'
Tu ventât hennâ, den sen anie lefsiyn. = Tu ventât hennâ, den sen anie
lef tu.
'Je moet je met jezelf zien te vermaken.'

      Noot 1 [24]Ook de object-passieve variant is geheel correct: Ef hiyste nert nutelije pai do. 'Het hoesten/gehoest wordt door hem niet gehoord.'.

      Noot 1 [25]De echo-passieve variant van deze zin is zo goed als ongrammaticaal: ??/* Ef hiyste siytintelitâ pai do. 'Op het hoesten/gehoest wordt door hem gemopperd.'.

      Noot 1 [26]De genominaliseerde variant van deze zin is wel grammaticaal: Do reéde fes ef ÿhiystos. Dit is in § 140.$$ uitgelegd.

      Noot 1 [27]Op Spokanische scholen wordt een ezelsbruggetje gehanteerd om deze volgorde te kunnen onthouden. Hierbij moeten we uitgaan van de Spokaanse terminologie:

negateff - Futuriy - Sukoffos
'ontkennend - futuur - onderschikking'

De vetgedrukte elementen laten zich lezen als: negt éfes 'gulzige vuurkever'. Deze "vuurkever" is ook al als ezelsbruggetje genoemd om te onthouden dat tijdsbepalingen vóór plaatsbepalingen staan. Zie § 93.89 voetnoot 8.


<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 132 | Hoofdstuk 140 >>