Grammatica van het Spokaans
| © Rolandt Tweehuysen | Postbus 3774 | 1001 AN Amsterdam |
|
<< Inhoudsopgave |
Registers >>
<< Hoofdstuk 131 | Hoofdstuk 133 >> 13. Referentie132. Sporen
132.??
132.??
132.pa1
132.$$
132.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de zogenoemde sporen behandeld. Sporen kunnen in twee soorten onderverdeeld worden:
132.2 Als een element twee keer in dezelfde zin vóórkomt en een simpele deletie van het herhaalde element niet is toegestaan, kan het door een spoor vervangen worden.[noot] Vergelijk:
Een spoor kan toegevoegd worden omdat er anders in de zin een onbezette positie zou zijn. Er zijn twee belangrijke redenen waarom een positie in een zin onbezet kan blijven:
132.4 De volgende sporen zullen behandeld worden:
Maar eerst zal wat over lexicale varianten en het ontstaan van sporen verteld worden. 132.5 Lexicale sporen en lexicale varianten Sporen kunnen in twee groepen onderverdeeld worden:
Vanuit diachronisch oogpunt zijn alle sporen ooit lexicale sporen geweest. Er is dus een historische ontwikkeling gaande waarbij een lexicaal woord steeds vaker als spoor gebruikt gaat worden en dan steeds meer zijn oorspronkelijke betekenis verliest. Bij sommige woorden is deze ontwikkeling nog steeds gaande, en dan kan het moeilijk zijn om te bepalen tot welke van de twee groepen uit § 132.5 zo'n woord gerekend moet worden. Zo is ôc bijna altijd een vrij spoor, maar marginaal kan het met 'idem' of 'dito' vertaald worden. Is zo'n vertaling een indicatie dat ôc ook iets betekent? Of zijn het Nederlandse idem en dito even betekenisloos als ôc, en dus eveneens vrije sporen? Wij zullen ons met dergelijke theoretische vragen verder niet bezighouden. 132.7 Sporen moeten onderscheiden worden van lexicale varianten. Een lexicale variant is een betekenisdragend element (meestal een subst. of werkw.) dat als coreferent in Z2 het oorspronkelijke element vervangt. Uiteraard moet de lexicale variant een zodanige semantische waarde hebben dat het ook als coreferent begrepen kan worden. Als we in het volgende voorbeeld het vette element in de onderliggende structuur (tussen {..}) vervangen door de lexicale variant ef pûl belp 'het stomme beest', is de coreferentie met sener hâst 'haar hond' in Z1 duidelijk (in (a)). Als we echter voor de lexicale variant ef kleter mennmenester 'de nieuwe minister-president' kiezen, resulteert dit in een onzinnige of op zijn minst beledigende uitspraak (in (b)):
{Entola bôrade sener hâst riyfain kest sers zurt, ur dus sener hâst Omdat de semantische componenten van ef pûl belp in (a) verenigbaar zijn met de semantische eigenschappen van sener hâst (een "hond" kan "stom" zijn en een "hond" is een "beest"), kan ef pûl belp als coreferent, en dus als lexicale variant, begrepen worden. De semantische componenten van ef pûl mennmenester in (b) zijn echter niet verenigbaar met het begrip "haar hond", en daarom kan het vette element in (b) nooit begrepen worden als coreferent; het is in deze constructie dus geen lexicale variant. 132.8
De onzinnigheid van zin (b) uit de vorige paragraaf is een indicatie dat menn=
c. Entola bôrade sener hâst riyfain kest sers zurt, ur dus ef pûl tiyn Deze zin is correct, hoewel de feitelijke betekenis van tiyn 'ding' is en dus niet aan een levend wezen refereert. In tegenstelling tot mennmenester heeft tiyn een zodanig spoor-karakter gekregen dat het als element zonder een intrinsieke semantische inhoud geïnterpreteerd kan worden. Dat is niet altijd zo geweest: nog in 1893 beklaagde de toenmalige bekende Pegrevische grammaticus Peül Pejaönje zich erover dat in de spreektaal steeds vaker tiyn gebruikt werd om aan levende wezens te refereren. Voor hem was dit subst. nog een semantisch element met de betekenis 'voorwerp' dat hoogstens frequent als lexicale variant werd gebruikt, maar niet als spoor. En evenmin als je een hond een "ministerpresident" kunt noemen, is het adequaat om een hond een "voorwerp" te noemen. 132.9
Een lexicale variant is een element dat toegevoegd kan worden als er behoefte bestaat om het antecedent in Z1 op een andere wijze te omschrijven, uit te breiden, van extra informatie te voorzien, enzovoort. Meestal wordt een synoniem van dit antecedent gebruikt, al dan niet uitgebreid met add.n.
Do trempe Ârmyllex ef kleter român, tûre gress tiffe strâ mittof ylâm-tiyn. Merk het contextuele aanw.vnw. mittof (Blok 52.3) in bovenstaande zinnen op. In de spreektaal wordt dikwijls ook een lidw. of deiktisch aanw.vnw. gebruikt. Vinsenn Gajener-Kârder (1988) constateert dat het neutrale deiktische aanw.vnw. dena tegenwoordig meer en meer in plaats van mittof gebruikt wordt als het aan personen refereert (zie ook § 131.2 voorbeeld a.). 132.10 Als twee zinskernen corefereren, is de neiging groot om dit op de een of andere manier syntactisch aan te geven, bijvoorbeeld door pronominalisatie of door deletie van de tweede kern. Zo'n coreferentie-markering die als eigenschap heeft dat de kern in vorm en inhoud gereduceerd wordt, staat in contrast met het gebruik van een lexicale variant, waarbij de kern juist in vorm en inhoud pregnant aanwezig is. Daarom zal een zinskern niet gemakkelijk als lexicale variant, dus als corefererend met een andere kern, begrepen worden als die kern pregnant aanwezig is. In (1) is het uitgesloten om "de koning" en "de wrede luiaard" als één en dezelfde persoon te zien; hier is sprake van disreferentie. In (2) is een coreferentiële lezing mogelijk vanwege het gebruik van het contextuele aanw.vnw. mittof:
(1) Ef jabâr zuf obezjere, ef juvel bylâ kassilóme ra ef slaviys. 132.11 Voor velen zijn constructies als § 132.10 (2), waarin een lexicale variant als kern optreedt, weinig acceptabel, omdat zij veel waarde hechten aan de regel dat een tweede kern die corefereert met een eerste kern, zo veel mogelijk gereduceerd (pers.vnw. of deletie) moet worden. Zij zullen dan de voorkeur aan passivisering geven, zodanig dat het corefererende element zijn kernfunctie verliest. Vergelijk (2) met:
(3) Ef jabâr zuf obezjere, ef slaviys kassilomije ra pai mittof juvel bylâ. 132.12 In Hoofdstuk 130 is pronominalisatie besproken, en in Hoofdstuk 131 staat alles over deletie. Alle markeringen van coreferentie kunnen in de volgende hiërarchie gerangschikt worden: (1) lexicale variant > spoor > pronominalisatie > deletie
De syntactische noodzaak om een van de markeringen van coreferentie uit (1) toe te passen neemt in de hiërarchie toe; de semantische lading neemt in de hiërarchie af. De stilistische vrijheid is links in de hiërarchie volop aanwezig; aan de rechterzijde heeft de taalgebruiker bijna geen vrijheid meer om voor een bepaalde vorm te kiezen. 132.13 De hiërarchie kan met de volgende voorbeelden verduidelijkt worden:
a. Kost frera krÿša lelmo gurt, janof dena ék cvyster tumavy 1000 132.14 In (a) is kost frera in de janof-bijzin vervangen door de lexicale variant dena ék cvyster: een stilistische en informatieve keus waarmee "mijn broer" extra gespecificeerd wordt. In (b) staat het lexicale spoor ef tiyn in de plaats van "mijn broer": er wordt in semantisch opzicht niets nieuws toegevoegd aan het concept "mijn broer", maar er is een subst. achter het add. ék nodig omdat dit add nooit zelfstandig gebruikt kan worden. Het spoor tiyn laat zich hier niet goed in het Nederlands vertalen. We hebben voor "jongen" gekozen, maar dit woord heeft feitelijk te veel semantische inhoud in vergelijk met tiyn. In (c) vindt pronominalisatie plaats: aan "mijn broer" wordt gerefereerd met de zinskern do 'hij'. Dit is de meest neutrale oplossing, maar ook ambigu, omdat do ook aan een andere mannelijke persoon kan refereren dan aan "mijn broer". In (d) tenslotte is de zinskern in de bijzin gedeleerd (aangegeven met "Ø"). Dit betekent per definitie dat de subjecten in bijzin en hoofdzin dezelfde referent hebben. 132.15 ad § 132.4 a. De sporen tiyn en šôt
De subst.n ef tiyn en ef šôt (primaire betekenis 'het ding') worden graag gebruikt na add.n, als uit de context opgemaakt kan worden wat het fundament bij dit add. is.1 Deze context kan binnen de taaluiting gegeven zijn (het fundament is al eerder genoemd), maar kan ook buitentalig zijn (de spreker wijst het fundament aan).
Do larde ef mesâ geffy ur gress larde ef mindefit tiyn. 132.16 Tiyn en šôt komen verder voor als fundament in een voorz.bepaling:
(1) Ef korninlot melde kusamat ef šôt! In (1) is sprake van deiktische referentie: de spreker wijst naar de kast, en šôt krijgt dus de betekenis van "kast". In de andere twee voorbeelden zien we vormen van coreferentie: strikte coreferentie met šÿrtycs in (2), en semantische coreferentie met dydiy-sako in (3). De verschillende vormen van coreferentie zijn uitgelegd in § 130.11. Merk verder op dat er sprake is van een getalscongruentie tussen de sporen tiyn en šôt enerzijds, en de coreferent anderzijds: zo vinden we in (2) het meervoudige tiyns, omdat het corefereert met het eveneens meervoudige šÿrtycs. 132.17 Vergelijk de voorbeelden uit § 132.16 met de volgende varianten, waarin voor pronominalisatie i.p.v. toevoeging van een spoor is gekozen:
(1') Ef korninlot melde kusamat mittof!
Zin (1') wordt bij voorkeur gebruikt als mittof corefereert met een element in een hiervoor gedane taaluiting. Bij deiktische referentie zoals bedoeld bij (1), is pronominalisatie niet natuurlijk. 132.18 Bekijk de volgende zin, waarin de fundamenten in Z1 en Z2 corefereren:
(1) Gress feldre kaf ef bankres tur Elsa giffe kusamat ef tiyn. Deze zin is ambigu omdat ef tiyn zowel een strikte als een semantische coreferent kan zijn: in het eerste geval gaat het om één bank, in het andere geval om twee banken. Deze ambiguïteit verdwijnt bij het gebruik van onbepaalde lidw.n:
(2) a. Gress feldre kaf eft mesâ bankres tur Elsa giffe kusamat ef tiyn. In (2a) gaat het om één bank, in (2b) om twee banken waarvan er in ieder geval één groen is.1 132.19 Ook hoofd- en rangtelwoorden worden graag door tiyn of šôt gevolgd. Hier kunnen deze subst.n een meer concrete betekenis van 'ding, stuks, voorwerp' krijgen, zodat zij feitelijk geen "spoor" meer zijn (zie ook § 132.34):
Ef stovyatjen qualostiye ef kÿponfâstos furt 5 tiyns ri'ef 12 herco. In het laatste voorbeeld is het meer emfatische karakter van šôt in het Nederlands weergegeven door de toevoeging van "aller-". 132.20 In de spreektaal worden zelfst.vnw.n wel vervangen door een onb.vnw. + tiyn/šôt; bijvoorbeeld:
A: Aftel tu miype den Lerdu enn ef smurf kuntiyre?
£ Ef pramters cradef šôts fes ef kul ðobiyre fes qu'âxÿs.2 132.21 Een onb.vnw. + tiyn is ook in de schrijftaal heel acceptabel indien tiyn duidelijk corefereert met een eerder genoemd element, zoals in:
Petriy lelperre eft tÿrtzerfi-camera ur gress lelperre teâk kerru tiyn. 132.22 Een bijzonder gebruik van tiyn en šôt vinden we bij semi-trans. werkw.n. Zulke werkw.n zijn in semantisch opzicht intrans., maar kunnen desalniettemin een object bij zich dragen, voornamelijk om een def.tijd middels inversie te kunnen uitdrukken. Toevoeging van zo'n "leeg" object in de neut.tijd drukt expliciet een presens (§ 111.5) uit. Bijvoorbeeld:
Eup ef tiyn/šôt arkette. 'Ze heeft gehuild.' De extra emfase die šôt in de laatste constructie heeft, zou in het Nederlands weergegeven kunnen worden met 'Ze is bezig een deuntje te huilen'. Sem.trans.werkwoorden worden verder besproken in § 80.3. 132.23 Tiyn en šôt kunnen ook verschijnen om het pers.vnw. ef te vermijden. Een spoor als ef tiyn is stilistisch vaak beter dan het simpele ef (omdat ef door zijn algemeenheid en kortheid gemakkelijk "verloren gaat" tussen meer pregnante elementen). In sommige gevallen voorkomt ef tiyn ook ambiguïteit, zoals in:
(1) Do fara pliyfone tevi cafer, ef martelilóme ra. Betekenis (1b) kan expliciet uitgedrukt worden door het neutrale ef te vervangen door ef tiyn: (2) Do fara pliyfone tevi cafer, ef tiyn martelilóme ra. Ef tiyn refereert het liefst aan een eerder genoemde entiteit, en het ligt voor de hand om in (2) ef cafer als coreferent te beschouwen. 132.24 Let ook op de ambiguïteit van:
(3) Do tóte beri trempe Ârmyllex ef kleter mimpit, tûre gress tiffe ef. Daar ef tiyn nooit aan de inhoud van een gehele zin kan refereren, kan betekenis (3b) als volgt expliciet uitgedrukt worden:1 (4) Do tóte beri trempe Ârmyllex ef kleter mimpit, tûre gress tiffe ef tiyn. 132.25 Theoretisch is ook zin (5) ambigu, omdat ef šôt kan corefereren met hetzij Eeriys, hetzij sener hâst:
(5) Eeriys bôrade sener hâst riyfain kest sers zurt, ur dus ef šôt lâpéke Onze kennis van de wereld zegt dat de meest waarschijnlijke coreferent voor ef šôt die hond zal zijn, want het is nogal ongebruikelijk dat de baas van een hond op straat gaat kakken als hij die hond uitlaat. Merk verder op dat šôt een negatieve lading krijgt als het refereert aan een mens of dier (vgl. ook § 132.31). Er bestaat geen Nederlands equivalent dat een negatieve gevoelswaarde heeft en tegelijkertijd semantisch leeg is, maar woorden als "ellendeling" of "rotzak" benaderen dit. In ieder geval moet er voor een woord gekozen worden dat zowel aan een mens (Eeriys!) als aan een hond kan refereren. 132.26 Van de sporen tiyn en šôt bestaat ook een resultatieve vorm (zie Hoofdstuk 61), zoals blijkt uit de volgende voorbeelden:
(1) Ef kinur chat jumpetececû tôje kaf ef kelbrae frân rempe ef tiynne. In (1) eisen de richting-voorz.s kaf 'op' en rempe 'vanaf' beide een fundament in de resultatief (zie Blok 140.$$). In (2) en (3) betekent larde 'geheel opeten' indien het object een resultatieve vorm heeft. 132.27 Tiyn is in eerste instantie een [semi]concreet subst., en daarom is in principe alleen een coreferentiële verhouding met een ander [semi]concr.subst. mogelijk, zoals geïllustreerd in de vorige paragrafen. Coreferentie met een abstract subst. komt in de spreektaal wel voor, maar geldt als slordig taalgebruik, bijvoorbeeld:
£/? Ef arânkas jesfare ón pert haltoosz, tur stus nert umpaje den blul 132.28 Daarentegen behoort šôt niet alleen tot de categorie CONCREET maar ook tot ABSTRACT. Šôt is dus een geschikt spoor om te corefereren met andere abstr.subst.n. Vergelijk de voorbeelden hierboven met:
Ef arânkas jesfare ón pert haltoosz, tur stus nert umpaje den blul ðulen= 132.29 Coreferentie van tiyn en šôt met een stoffelijk subst. is dikwijls goed mogelijk, ondanks het feit dat tiyn en šôt niet gerekend worden tot de categorie STOFFELIJK (maar we zouden kunnen zeggen dat stoffelijke subst.n tegelijkertijd een concrete entiteit uitdrukken, hoewel "concreet" hier opgevat moet worden als een fysieke eigenschap, niet als een grammaticale categorie), bijvoorbeeld:
Lelmos pleko melde grûva oiba dus bôs tiyn. Merk op dat het enkelvoudige tiyn bepaald wordt door het meervoudige aanw.vnw. bôs. Dit soort constructie is typerend bij stoff.subst.n (§ 52.4 laatste voorbeeld), dus we kunnen hier aannemen dat tiyn als een stoff.subst. optreedt. 132.30 Stoff.subst.n verschijnen dikwijls zonder lidwoord of lidw.-vervangend woord, dit in tegenstelling tot concr. en abstr.subst.n. Nu doet het probleem zich voor dat tiyn en šôt nooit zonder lidw. of lidw.vervangend element gebruikt kunnen worden (evenmin als concr. en abstr.subst.n dat kunnen). Wat dit betreft passen tiyn en šôt zich dus niet aan het stoffelijke karakter van de coreferent aan. Daarom zijn de volgende a-zinnen onmogelijk, en zit er niets anders op dan het stoff.subst. te herhalen (b-zinnen):
a. * Mindefit ciytravint lâputte vluf ropja dus blakker tiyn/šôt paine.
a. * Gress pliyfone ra fyg weinô, tur Leon preferere grum tiyn/šôt. 132.31 Er bestaat geen enkel bezwaar om tiyn en šôt te laten corefereren met een mens of dier, maar beide sporen zijn dan niet geheel uitwisselbaar want šôt heeft bij levende wezens al gauw een wat negatieve betekenis in de geest van 'wezen, type, sujet, figuur'. Vergelijk:
a. Aftel ef keša merater enn ef platiranu kuntiyre? - Noft, ef cÿret tiyn 132.32 Soms refereert tiyn/šôt niet aan het gehele concept dat bij de coreferent hoort, maar aan slechts een deel ervan. Vergelijk § 132.31 (a) met:
c. Aftel ef knojolâ enn ef platiranu kuntiyre? - Noft, ef cÿret tiyn In (a) vervangt tiyn het eerder genoemde merater: het gaat om de tegenstelling tussen "een dikke man" en "een magere man". In (c) daarentegen kunnen we niet stellen dat tiyn het subst. knojolâ vervangt, maar het is veeleer het geval dat tiyn alleen aan de eigenschap "man" refereert die inherent aan "dikkerd" is. Knojolâ moet hier dus beschouwd worden als een soort samentrekking van keša + merater. 132.33 Nog een voorbeeld (zie ook laatste voorbeeld in § 132.21):
(1) Tek lelperro eft hordâ kélbÿ-colyos, tur eup enn cradef tiyns póbare. Hier corefereert cradef tiyns met een deel van het concept dat bij kélbÿ-colyos hoort, namelijk alleen met de impliciet bedoelde "kandelaars". Het ligt voor de hand om aan te nemen dat Tek de kandelaars per stuk heeft verkocht, en niet als complete verzameling. In dat laatste geval was variant (2) adequater geweest:
(2) Tek lelperro eft hordâ kélbÿ-colyos, tur eup enn ef pijâ tiyn póbare. 132.34 Tiyn en šôt hebben lang niet altijd de status van "spoor". Zij kunnen ook als gewoon subst. in de betekenis van 'ding, zaak, voorwerp, type, persoon' gebruikt worden. De meervoudsvorm tiyns betekent dikwijls 'vracht, goederen, bagage', vooral in samenstellingen (§ 21.17). De meervoudsvorm šôts kan ook in de betekenis van 'spullen' gebruikt worden. Enkele voorbeelden:
Do melde eft tnefer šôt. 'Hij is een vreemd type, rare snuiter.' 132.35 Tiyn en šôt komen ook in een aantal idiomatische uitdrukkingen voor, zoals:
ef paine ef [pert] tiyns ón flaju '[veel] werk van iets maken' Bij dergelijke idiomatische uitdrukkingen kunnen tiyn en šôt niet door elkaar gebruikt worden. Zouden we in (1) šôt gebruiken, dan krijgen we: Do nôtice riyfain ef šôts. Dit kan alleen concreet opgevat worden, in de betekenis van 'Hij maakt altijd aantekeningen van de spullen'. Zouden we in (2) tiyn gebruiken, dan krijgen we: Ef tiyn nert zirde naponto, met de concrete betekenis 'Het ding ligt niet aan de overkant'. 132.36 De subst.n tiyn en šôt kunnen ook als laatste lid in samenstellingen gebruikt worden (zowel scheid. als onscheid.). Samst.n met tiyn zijn heel algemeen (en soms ook productief), maar die met šôt zijn zeldzaam. Zie hiervoor verder § 20.10 en § AT.149. 132.37 ad § 132.4 b. Het spoor idem Als twee zinnen (Z1 en Z2) neven- of ondergeschikt geschikt zijn, en bovendien een parallelle syntactische structuur hebben, kan het spoor idem (eigenlijk een add.) het predikaat in Z2 vervangen, als dit identiek is aan het predikaat in Z1. Onder "parallelle syntactische structuur" verstaan we dat Z1 en Z2 uit dezelfde soort zinsdelen zijn opgebouwd, en ook in dezelfde volgorde zijn gerangschikt. Bijvoorbeeld (tussen {..} de onderliggende structuur die vanwege de twee identieke werkw.n nauwelijks als taaluiting acceptabel is):
(1) {Quny affionnose geffys ur Quly affionnose leffys.} >
(2) {Gress trempe ef jazy lelmo luppor fes Bôrâ-tÿden, oft mas gress
(3) {Gress bladide beri zerfe eft enelandes omâstây ur Tek bladide beri
(4) {Do kafte noi sener nota, tur gress kafte iftam ef seniy.} >
In (2) is niet alleen het werkw. trempe door idem vervangen, maar bovendien zijn de corefererende kern gress en het "zwakke" object ef gedeleerd; zie § 131.9 en § 131.35 voor kerndeletie resp. objectdeletie. Er valt ook wat voor te zeggen om aan te nemen dat idem hier een vervanging is voor de gehele cluster kern + werkw. + object (gress trempe ef). Argumenten hiervoor worden besproken in de studie van Ursula Bradforth (1984). 132.38 Omdat voegw.n altijd buiten de neven- of ondergeschikte zinnen Z1 en Z2 staan (zie ook Blok 120.48), heeft zo'n voegw. geen invloed op de parallelle structuur van Z1 en Z2. Als een voegw. echter vervangen wordt door een onderschikkende determinant (Blok 122.16), gaat de parallelle structuur verloren en is idem onbruikbaar. Vergelijk:
a. Hamja trempe eft ðalpit, tussef Leena idem eft plâksmiyp român. In (a) is er sprake van een parallelle structuur: zowel Z1 als Z2 zijn opgebouwd volgens het stramien: KS-P-O, waarbij P in beide gevallen de vorm trempe heeft. In (b) zorgt de determinant âs ervoor dat Z1 een andere structuur heeft dan Z2. Bovendien moet het predikaat van Z2 de onderschikkings-markeerder -ilóme bevatten, en die is door het gebruik van idem verdwenen. In (b) is de parallelliteit dus door twee dingen aangetast, zodat idem hier niet gebruikt kan worden. 132.39 Idem kan ook alleen het finiete deel van een predikaat vervangen:
{Elsa aenollafyto beri obezjere ur Tek aenollafyto beri tlypje.} > 132.40 Een met beri gemarkeerde infinitief kan in stijve schrijftaal door idem vervangen worden. Ook beri blijft nu achterwege. In wat vlottere taal wordt er de voorkeur aan gegeven om zo'n infinitief door het spoor-werkw. paine te vervangen (nu blijft beri behouden), zie ook § 132.119. Vergelijk:
a. $$ Ef snÿ finna beri téje pip fes marše, tur ef pica revusa idem velk 132.41 Als idem een geheel predikaat vervangt, staat dit spoor altijd direct áchter de zinskern, ongeacht een eventuele temporele inversie. Vergelijk:
(1) a. Pâskel ef hurt byte, ur Pôlfer idem ef chat.
(2) a. Stinde gress ef letra mas, âme tu idem ef trofiy-kinner ral. In de (b)-zinnen staat idem op de positie die het werkw. in Z1 inneemt. Dit is ongrammaticaal. Omdat idem alleen gebruikt wordt bij een parallelle structuur, mogen we aannemen dat Z2 in (1a) evengoed een onderliggende inversie voor de def.tijd kent als Z1. En dat Z2 in (2a) evengoed een onderliggende inversie voor de toek.tijd heeft als Z1, of met andere woorden: (1a) Z2 is een def.tijd en (2a) Z2 is een toek.tijd. 132.42 Soms kan er aan getwijfeld worden of Z1 en Z2 nog wel voldoende "syntactische parallelliteit" vertonen om het gebruik van idem te rechtvaardigen. Hier volgen twee twijfelgevallen:
(1) ? Pâskel ef hurt byte, ur Pôlfer idem ef chatte. (vgl. § 132.41 (1))
(2) ? Stinde gress ef letra mas, âme tu idem ef trofiy-kinner ón sener
In (1) wordt de parallelliteit geweld aangedaan doordat het object in Z2 een resultatief is die aan het werkw. byte de betekenis 'doodslaan' geeft, terwijl er in Z1 van gewoon "slaan" sprake is. 132.43 Idem kan ook een identiek voornaamwoord vervangen:
Do cradef geffys ur idem leffys larde. 132.44 Het dode voorzetsel âs (§ 132.144) blijft voor idem achterwege, vergelijk:
a. Do zerfo fes cradef quolâe ur âs cradef fjatôns. Idem vervangt dus feitelijk het onb.vnw. plus het voorzetsel. 132.45 Idem vervangt soms een identiek add. in een nevenschikking. Dit is gewenst als het add. geen meervoud-s kan krijgen (zoals geografische namen, zie § 42.20-21), of als een nevenschikking op woordniveau niet mogelijk is, vergelijk:
(1) a. Do affionnose ef lomky sectâ ur idem léf.
(2) a. Do bliynt Frânser ur groft idem tubôs cÿrtire. 132.46 Dat zin (2b) ongrammaticaal is wordt duidelijk als we de onderliggende structuur bekijken: (2) b'. * do bliynts {[Frânser] UR [groft tubôs]} cÿrtire In (2b') is sprake van de nevengeschikte objecten Frânser en groft tubôs, die samen als een vol-object door het add. bliynt[s] bepaald worden. De representatie in (2b') kan alleen afgeleid zijn van (2b''), waarin bliynt twee maal voorkomt: één maal als bepaling bij het linker nevengeschikte lid, en één maal als bepaling bij het rechter nevengeschikte lid: (2) b''. * do {[bliynt Frânser] UR [bliynt groft tubôs]} cÿrtire Echter, (2b'') is ongrammaticaal omdat het rechter nevengeschikte lid een verkeerde rangschikking heeft, want het add. moet tussen het bez.vnw. en het subst. geplaatst worden, dus groft bliynt tubôs, en niet * bliynt groft tubôs. 132.47 Vergelijk (2b) uit de vorige paragraaf nu met het correcte:
(3) Do bliynts Frânser ur Yvonn cÿrtire. Hiervan is de onderliggende structuur gegeven in (3a), en deze structuur is afgeleid van (3b):
(3) a. do bliynts {[Frânser] UR [Yvonn]} cÿrtire Zie verder § 120.40. 132.48 Bijzondere aandacht verdient het gebruik van idem in vergelijkende constructies van het type:
(1) Petriy chafoste gulder dus idem Yvonn. Veel grammatici hebben zich al het hoofd over deze constructies gebroken. Het is duidelijk dat idem hier geen zuivere werkw.-vervanger is, want dan had dit add. op de predikaatpositie moeten staan, volgens:
(1') * Petriy chafoste gulder dus Yvonn idem. (1') en (2') zijn echter ongrammaticaal. 132.49 Bij § 132.48 (1) kunnen we ons nog voorstellen dat dus idem zoiets betekent als "dan het geval is bij", zodat (1) geparafraseerd kan worden als: "Petriy zingt beter dan het geval is bij Yvonn". Deze analyse wordt onder meer gegeven in Lântmân (1979), maar lijkt niet erg adequaat, omdat idem feitelijk niet onmiddellijk achter het vergelijkende voegw. staat, maar direct vóór het nominale deel. Dit blijkt uit (2). Zou Lântmân's analyse kloppen, dan moest (2) eruit zien als: (2'') * Eup obezjere fitfara idem kost sientur. (2'') is echter ongrammaticaal. Het is duidelijk dat idem optreedt als add.bepaling bij de "vergelijkende subjecten" (1) Yvonn en (2) kost sientur, maar het is niet duidelijk hoe dat in een onderliggende structuur syntactisch is te verklaren. Deze vergelijkende constructies worden verder behandeld in Hoofdstuk 141. 132.50 ad 132.4 c. Het spoor ôc Het add. ôc betekent primair 'idem, dito' en is derhalve een synoniem van het add. idem. Maar in tegenstelling tot idem kan ôc gebruikt worden als lid in een scheid.samst. om herhaling van identieke elementen binnen één pragmatisch domein1 te voorkomen. Ôc vervangt altijd het tweede identieke element en drukt in principe uit dat het om twee verschillende entiteiten/acties gaat. Bijvoorbeeld:
(1) tyšu-ierquâ ur quft-ierquâ ~ tyšu-ierquâ ur quft-ôc 132.51 Ôc kan ook bij samengestelde add.n gebruikt worden, zoals:
eft ten-kanasiy sut ur eft dur-ôc tiyn 132.52 Bevat een nevenschikking het voegw. én, dan is er sprake van één entiteit met twee verschillende eigenschappen of functies. Vergelijk § 132.50 (1) en (2) met:
(1') tyšu-ierquâ én quft-ôc 'konijne- en vossejacht'
De expliciete uitdrukking van één entiteit is niet mogelijk bij andere voegw.n dan ur/én, zoals bij oft in (3). Bij (4) zou het gebruik van én uitdrukking kunnen geven aan één handeling waarbij op hetzelfde moment in- en uitgeademd wordt. Dit lijkt fysiek echter onmogelijk. Hier herinnert de betekenis van én aan die in een nevenschikking op voorz.-niveau, waarbij sprake is van een ongedeelde verzameling (zie § 120.80). 132.53 Bij onscheid.samst.n is het gebruik van ôc onmogelijk:
lardanomit ur sértmit ~ * lardanomit ur sért-ôc 132.54 Ôc kan wel gebruikt worden als het een identiek element vervangt dat geen deel is van een samst., zoals in:
Ef lôx, óps lelperrelira fes ef sértmit, melde eft cÿrot-ôc. Zie ook (2) en (3) in § 132.55. 132.55 Hoewel ôc een add. is, kent het in scheid.samst.n een meervoudsvorm:
(1) a. ef zjol-lôset ur cÿrot-ôc 'de kolenkachels en houtkachel'
(2) Ef efantys merrÿt dalotoje, tur ef belt-ôcs wencatûs ef sért.1 132.56 Wordt in een nevenschikking middels én uitgedrukt dat het om één entiteit gaat, dan behoudt ôc zijn enkelvoudige vorm. Vergelijk:
ef stinde-kelbras ur trempe-ôcs 'de schrijftafels en leestafels' 132.57 Een meervoudsvorm van ôc is begrijpelijk als ôc optreedt als hoofdelement van een samst., zoals in § 132.55-56. In § 21.17 is uitgelegd dat sommige secundaire elementen in een samst. in het meervoud verschijnen, zoals in tiyns-garrent 'goederenstation' of in huldus-vildul 'kersenboom'. Wordt zo'n secundair element door ôc vervangen, dan blijft de meervoudsvorm gehandhaafd:
tiyns-garrents ur ôcs-kuls 'goederenstations en -loodsen' 132.58 Als ôc het basiselement in een samst. is, kan het ook een resultatieve vorm aannemen (enk. ôcce, mv. ôcses), behalve als er sprake is van een nevenschikking met én die één entiteit uitdrukt. Vergelijk:
a. Gress zerfe ef burelira hôsta-kulle ur idem tjaga-ôcce.1
a. Ef tânk lâufire ef telefonos-paliyses ur elek-ôcses. 132.59 Het is niet altijd te voorspellen of een samenstelling nu scheidbaar of onscheidbaar is. In geschreven taal moet de keuze gemaakt worden tussen (i) aan elkaar schrijven of (ii) een filâsto tussenvoegen, maar in de spreektaal is er vaak geen enkele indicatie. In dat geval worden dikwijls fouten gemaakt bij het gebruik van ôc. Een sprekend voorbeeld is het volgende:
(1) a. furt-bent ur blef-ôc 'voor- en achterband' Veel sprekers zullen geneigd zijn om vorm (1c) te gebruiken, geheel analoog aan (1a). Maar officieel mag dat niet, want furtmét en blefmét zijn onscheidbaar. 132.60 Vergelijk § 132.59 (1) nu met:
(2) a. furt-bâlcon ur blef-ôc 'voor- en achterbalkon'
De vette vocalen geven het hoofdaccent aan. In principe ligt het hoofdaccent binnen de voorlaatste lettergreep, maar in scheid.samst.n ligt het accent binnen de voorlaatste (of enige) lettergreep van het eerste lid. Dit accentverschil tussen scheid. en onscheid.samst.n wordt in (1) geëlimineerd, want het accent valt hoe dan ook op de u van furt of de e van blef. 132.61 Ôc kan ook optreden als vervanger van een eerder genoemd add. In dit geval is het synoniem met idem, zoals besproken in § 132.45. Bijvoorbeeld:
Ef mimpits lelperre kleter caribôsta ur ôc/idem utyketts. Als ôc gebruikt moet worden in een samst., wordt een add. liever door idem vervangen, omdat een herhaling van ôc (maar met twee verschillende functies) stilistisch niet fraai is. Vergelijk het eerste voorbeeld in § 132.58 met de minder fraaie variant:
a'. ? Gress zerfe ef burelira hôsta-kulle ur ôc tjaga-ôcce. 132.62 Op het niveau van nevengeschikte zinsdelen kan ôc een identiek fundament in een voorz.bepaling vervangen, maar zulke constructies worden wel tot de vlotte spreektaal gerekend, bijvoorbeeld (zie ook § 120.45):
£ Ef flappa melde kaf ef kelbra oft kusamat ôc. Bij nevengeschikte zinnen of bij andere syntactische banden dan nevenschikkingen moeten de sporen tiyn of šôt gebruikt worden. 132.63 In twee idiomatische gevallen wordt ôc gebruikt in de plaats van tiyn of šôt, zoals besproken in § 132.15-36: ôc voorkomt hier een herhaling van een ideoantoniem:
Quista eûrtsz noi eksistere ðÿm tildâ ôcs. Voor de ideoantoniemen eûrts en missna, zie § 161.$$-$$. 132.64 ad 132.4 d. Het spoor fit Het add. CAT.III fit 'zo' kan in één geval als add.spoor optreden omdat een ander add. ontbreekt, en wel achter het voorz. fes als dit uitdrukt dat de eigenschap van het add. in zo'n sterke mate aanwezig is dat dit een nader te omschrijven gevolg heeft. Vergelijk:
a. Ef wyde-'jans vâpje ef 'nin fes graviy, eup finnelira beri arkette. In zulke constructies wordt de bijzin van gevolg altijd met -lira uitgedrukt. Dit wordt verder behandeld in § 141.$$. 132.65 ad 132.4 e. Het spoor ef Het pers.vnw. ef wordt algemeen als subject-spoor gebruikt bij de volgende soorten predikaten: 1. Werkw.n voor weersgesteldheden:
Ef bidale; ef omeleche. 'Het regent; het waait.' 2. Geverbaliseerde pers.vnw.n, gevolgd door een relatieve bijzin: Ef turre, té paina. 'Jij hebt het gedaan.'
3. Koppelwerkw.n met een pred.comp.1 dat een algemene eigenschap,
Ef melde hordâ wónzol. 'Het is mooi weer.'
4. Koppelwerkw.n met een pred.comp. dat een nadere specificatie geeft
Ef melde gulder, den tu tinde. 'Het is beter dat je blijft.' 132.66
In dergelijke constructies heeft ef geen antecedent, ofwel, het pers.vnw. is semantisch leeg. Zijn enige taak is om een anders onbezette subjectpositie (in dit geval tevens kernpositie) op te vullen. In de gevallen 1., 2. en 3. is de subjectpositie onbezet omdat er geen element aanwezig is dat als subject kan optreden. In geval 4. is er semantisch gezien wel een subject, namelijk de inhoud van de den-bijzin, maar syntactisch gezien treedt deze bijzin niet als subject bij het koppelwerkw. op, en daarom wordt de subjectpositie met het spoor ef gevuld. 132.67 ad § 132.65 1. Werkw.n voor weersgesteldheden Weersgesteldheden kunnen beschreven worden met zogenoemde "weers-werkw.n". Deze zijn dikwijls semi-trans. (§ 80.3) en soms intrans. Sommige weers-werkw.n kunnen een scheid.samst. aangaan. Bijvoorbeeld:
a. Ef bidale; plurre; denme. 'Het regent; sneeuwt; hagelt.' 132.68 Sem.trans. weers-werkw.n kunnen een dummy-object bij zich hebben dat in de geïnverteerde volgorde een def.tijd uitdrukt. De aanwezigheid van zo'n dummy-object drukt in alle gevallen emfase uit; vergelijk:
a. Ef bidale ef šôt. 'Het regent flink.' 132.69 Omdat de zinskern altijd het pers.vnw. ef is, en een dummy-object altijd het lidw. ef bevat, ontstaat de ongelukkige situatie dat er bij de inversie-vormen twee keer ef achter elkaar volgt. In snelle spreektaal is het dan mogelijk dat beide ef's samengetrokken worden tot één vorm, waarin de e wordt verlengd. Dit kan geschreven worden als eff [e:f].1 In wat slordiger spreektaal kan zelfs deze verlenging achterwege blijven, zodat er feitelijk een situatie ontstaat waarin de zinskern geheel geëlimineerd is (als we aannemen dat het overblijvende woordje ef als lidw. behouden is). Vergelijk b. en c. uit de vorige paragraaf met:
b'. £ Eff šôt bidale. ~ ££ Ef šôt bidale. 'Het heeft flink geregend.' De vocaalverlenging in eff zorgt ervoor dat ook het zinsaccent op dit woord valt. Bij een korte e van ef valt het zinsaccent normaliter op šôt: Eff šôt bidale. ~ Ef šôt bidale. 132.70 Soms kunnen weers-werkw.n zoals getoond in de vorige paragraaf uitgebreid worden met een "weers-substantief", bijvoorbeeld:
a. Ef bidale snÿ. 'Er valt natte sneeuw.' (lett. "het regent sneeuw") 132.71 Hoewel de status van de vetgedrukte elementen niet geheel duidelijk is, kunnen deze subst.n wel als een soort subject op de plaats van ef verschijnen (althans in de spreektaal); merk op dat bij sommige het lidw. ef mogelijk of noodzakelijk is. Deze transformatie, waarbij een element op de kernpositie vóór het werkw. verschijnt (en daarbij het spoor ef overbodig maakt) wordt promotie van dat element genoemd. Bijvoorbeeld:
a'. £ Snÿ bidale.3 132.72 Er bestaat een principieel verschil tussen (i) het dummy-object ef šôt dat in de def.tijd vóór het predikaat komt te staan, en (ii) een onduidelijk element dat in de neut.tijd als zinskern vóór het predikaat komt te staan. In het eerste geval kan het spoor ef verdwijnen omdat het onmiddellijk gevolgd wordt door een identiek lidw. In het tweede geval moet het spoor ef verdwijnen omdat er een andere kern voor in de plaats komt. Vergelijk:
(i) Ef bidale snÿ. > Snÿ bidale. 132.73 ad § 132.65 2. Geverbaliseerde pers.vnw.n Emfase van een pers.vnw. kan uitgedrukt worden met een verbale afleiding van dit pers.vnw., waarbij de oorspronkelijke zin als relatieve bijzin toegevoegd wordt, bijvoorbeeld:
Tu paina. ~ Ef turre, té paina. Zulke constructies zijn besproken in § 71.10/13/16. 132.74 Emfase, zoals bedoeld in de vorige paragraaf, is een typisch spreektaal-verschijnsel, maar komt soms ook in de geschreven taal voor, meestal met een pers.vnw. in de 3e persoon, bijvoorbeeld:
Ef kindis-marianten ef kleter flipflor ber Lift quardere. Ef doere, té 132.75 In zeer ambtelijke taal kan het spoor ef dat dient als grammaticaal "subject" bij het geverbaliseerde pers.vnw. vermeden worden door de relatieve bijzin tot subject te promoveren. In dat geval krijgt de bijzin een genominaliseerde vorm (voor nominalisatie, zie ook Hoofdstuk 126). Vergelijk het voorbeeld uit de vorige paragraaf met de zeer ambtelijke variant:
$$ Ef kindis-marianten ef kleter flipflor ber Lift quardere. Doex ef ÿcha= De transformatie die in deze constructie heeft plaatsgevonden, kan als volgt gesymboliseerd worden:
132.76 Als een genominaliseerd pers.vnw. gevolgd wordt door een ander soort zin dan een relatieve bijzin met té, is een transformatie als bedoeld in de vorige paragraaf onmogelijk, zoals: Ef nert gressere, tur do paino. 'Niet ik, maar hij heeft het gedaan.' Hier kan de bijzin .. tur do paino nooit gepronominaliseerd worden, zodanig dat het spoor ef vermeden kan worden. 132.77 ad § 132.65 3. Pred.comp. specificeert algemene eigenschap of situatie Constructies met een koppelwerkw., gevolgd door een pred.comp., kunnen als zinskern het spoor ef bevatten, indien een algemene eigenschap of situatie gespecificeerd wordt. Prototypisch gaat het hier om uitdrukkingen van weer en tijd, maar er zijn ook andere mogelijkheden. In de spreektaal is het mogelijk om het pred.comp. naar de kernpositie te promoveren, zodat deze het spoor ef vervangt. Hier volgen wat voorbeelden:
Ef melde hordâ wónzol. ~ £ Hordâ wónzol melde. 'Het is mooi weer.' Zie ook § 102.13-14 en § 102.72-73. 132.78 Promotie als in § 132.77 gaat het beste bij de modaal-neutrale koppelwerkw.n melde 'zijn', tinde 'blijven' en tinkere/pónze 'worden', en bij het koppelwerkw. met "zwakke" modaliteit loke 'lijken'. In slordige spreektaal is promotie ook mogelijk bij ÿrmoie 'schijnen [te zijn]' en frute 'zou wel eens kunnen zijn'. Bij râgtage 'blijken [te zijn]' is zo'n promotie altijd ongrammaticaal. Vergelijk:1
a. Ef ÿrmoie yôff wónzol. ~ £ Yôff wónzol ÿrmoie. 132.79
De grammaticaliteit van dergelijke gepromoveerde constructies lijkt af te hangen van het gewicht van de semantische lading van het koppelwerkw.: hoe meer dit koppelwerkw. "betekent", hoe meer de betekenis van het pred.comp. op de achtergrond wordt gedrukt, en hoe minder de promotie ervan is toegestaan. In (c) en (d) drukt frute het vermoeden van de komst/aanwezigheid van iets ergs/onaangenaams uit, en daarom is frute hier semantisch pregnanter dan in (b) waarin slechts een neutrale veronderstelling wordt uitgedrukt. Vandaar dat de promotie in (b) acceptabeler is dan die in (c) en (d). 132.80 Als het pred.comp. tezamen met het koppelwerkw. een geïdiomatiseerde uitdrukking vormt, is promotie onmogelijk. Bijvoorbeeld:
Ef pónze pén fes Lerduex ef cubu. ??/
Ef melde ybervelira lef ÿvânas kusami.1 ??/ 132.81 ad § 132.65 4. Pred.comp. specificeert inhoud van den-bijzin Het gaat hier om de volgende soort constructies:
(1) Ef melde gulder, den tu tinde. 'Het is beter dat je blijft.' In al deze constructies specificeert het pred.comp. de inhoud van de eropvolgende den-bijzin. Hier zijn er drie strategieën mogelijk om van het onpersoonlijke ef "af te komen": ze worden in de volgende paragrafen besproken. 132.82 Strategie 1: zowel in de spreek- als in de schrijftaal is het gebruikelijk om een onpersoonlijke ef-constructie zoals bedoeld in de vorige paragraaf te vervangen door een zogenoemde onpersoonlijke add.-constructie waarin het (subjectieve) add. op de plaats van het spoor ef komt. Voorwaarde is wel dat de constructie een semantisch leeg koppelwerkw. bevat. Koppelwerkw.n met een sterke semantische inhoud, zoals râgtage 'blijken te zijn', staan zo'n transformatie niet toe. Dit is reeds uitgelegd in § 132.78. Vergelijk (1)..(6) met:
(1') Gulder melde, den tu tinde. 132.83 Strategie 2: met name in de schrijftaal kunnen onpersoonlijke ef-constructies vervangen worden door een genominaliseerde constructie waarbij de den-zin als genominaliseerd element als subject in de plaats van ef optreedt. Vergelijk § 132.81 (1)..(6) met:
(1'') $ Tuex ef ÿtindos melde gulder. Merk op dat genominaliseerde constructies geen uitdrukking van tijd hebben. De def.tijd die in (4) en (5) bestaat is derhalve in (4'') en (5'') afwezig. 132.84 Strategie 3: in de spreektaal kan de den-bijzin vooraan geplaatst worden en aldus het onpersoonlijke ef vervangen, mits de den-bijzin niet te lang en/of complex is:
(1''') £ Den tu tinde, melde gulder. Deze strategie is ook genoemd in § 100.69. 132.85 Promotie van predikatieve additieven Het min of meer ongewenste spoor-pers.vnw. ef kan niet alleen vervangen worden door een pred.comp., maar ook door sommige predikatieve add.n, en dan met name die welke als plaats- of tijdsbepaling fungeren. Vergelijk:
Ef bidale ân. = Ân ef bidale. ~ Ân bidale. 132.86 Ook bij idiomatische constructies is het mogelijk om een plaats- of tijdsbepaling te promoveren, zoals in: Kusami melde ybervelira lef ÿvânas. 'Hier is het vergeven van de wespen.' Vergelijk de restrictie bij idiomatische uitdrukkingen in § 132.80. 132.87 Is er zowel een plaats- als een tijdsbepaling aanwezig, dan zijn er twee oplossingen mogelijk, al naar gelang de nadruk die de spreker wil leggen:
Ef plurre ral flâme.1 ~ 'Het sneeuwt nu nergens.'
Ef tinkere kusami eft gaôs velk kelt.37 ~ 132.88 Promotie van een plaats- of tijdsbepaling is alleen mogelijk als zo'n bepaling een additief is. Voorz.bep.n en dergelijke kunnen het spoor ef niet vervangen (maar ze kunnen wel vooraan geplaatst worden met behoud van ef):
Ef pónze martel fes ef ðarmiy. ~ * Fes ef ðarmiy pónze martel. Wel grammaticaal zijn:
a. Pip lóf fâr terrats ef melde eft gaôs kusami. In (a) is de lange tijdsbepaling vooraan geplaatst (met behoud van het spoor ef); in (b) is het spoor ef vervangen door het gepromoveerde pred.comp. (zoals besproken in § 132.77. 132.89 Plaats- of tijdsbepalingen met een meer of minder gelexicaliseerde betekenis kunnen zich als een add. gedragen, en dan als ef-vervanger optreden:
Lelmo tof ef pónze martel. ~ Lelmo tof pónze martel. 132.90 Terwijl fes ogust 'in augustus' kennelijk zo gelexicaliseerd is dat het als ef-vervanger kan optreden, is dat niet het geval met het synonieme fes ef ogust: * Fes ef ogust bidale riyfain. ~ Fes ogust bidale riyfain. Kennelijk verhindert de aanwezigheid van het lidw. ef een gelexicaliseerde interpretatie, zodanig dat de tijdsbepaling gelijkgesteld kan worden aan een add. 132.91 Bestaat er de keus tussen ef-vervanging door een plaats- of tijdsbepaling, en ef-vervanging door een pred.comp. (of "weers-subst."), dan geniet een vervanging door een plaats- of tijdsbepaling de voorkeur. Vergelijk a. met b.:
(1) a. Ral melde hordâ wónzol. 'Nu is het mooi weer.'
(2) a. Ân tinde kjupt velk. 'Overal blijft het nog warm.'
(3) a. Kusami cryre yšen. 'Het ijzelt hier.'
(4) a. Kusama melde alt eft gaôs. 'Hier is het nog steeds een chaos.' 132.92 Status van gepromoveerde elementen Elementen die gepromoveerd zijn tot spoor-vervanger op de kernpositie, kunnen als volgt gegroepeerd worden: 1. "weers-subst.n" bij "weers-werkw.n" (§ 132.70-71): Ef bidale snÿ. ~ Snÿ bidale. 'Er valt natte sneeuw.' 2. substantivische pred.comp.n (§ 132.77/82):
Ef melde hordâ wónzol. ~ Hordâ wónzol melde. 'Het is mooi weer.' 3. additivische pred.comp.n (§ 132.77/82):
Ef pónze martel. ~ Martel pónze. 'Het wordt koud,' 4. den-bijzin als zodanig (§ 132.84):
Ef melde gulder, den tu tinde. ~ Den tu tinde, melde gulder. 5. genominaliseerde den-bijzin (§ 132.83):
Ef melde gulder, den tu tinde. ~ Tuex ef ÿtindos melde gulder. 6. genominaliseerde relatieve bijzin (§ 132.75): Ef turre, té paina. ~ Tuex ef ÿpainos turre. 'Jij hebt het gedaan.' 7. predikatieve additieven (plaats- en tijdsbepalingen; § 132.85):
Ef bidale ân. ~ Ân bidale. 'Overal regent het.' De vetgedrukte elementen in de voorbeelden van 1. t/m 7. staan alle op de prototypische kernpositie vóór het predikaat, maar daarmee is nog niet gezegd dat ze ook werkelijk een zinskern of subject zijn. Er bestaan verscheidene testen om te kijken of een element werkelijk een zinskern of subject is, en we zullen hier 4 testen behandelen om aan te tonen dat de vetgedrukte elementen in de meeste gevallen géén "echte" kernen of subjecten zijn. 132.93 TEST A: Kan de toek.tijd met inversie uitgedrukt worden? Zo ja, dan is er sprake van inversie van kern en predikaat, zo nee, dan is er geen kern aanwezig: Van de gevallen 1. t/m 7. uit de vorige paragraaf komt alleen geval 5. voor inversie in aanmerking:
Tuex ef ÿtindos melde gulder. > Melde tuex ef ÿtindos gulder.
Ef notarrsex ÿklâfos enn eft idevlazzos râgtage trufô. > Bij de nominalisatie in 6. is inversie ongrammaticaal:
Doex ef ÿstindos enn ef letra doere! > In alle andere gevallen leidt inversie tot een volgorde waarin het vette element weer áchter het predikaat staat. Dit is nu precies door de promotie ongedaan is gemaakt. Inversie en promotie zijn dus onverenigbaar, bijvoorbeeld:
Eft prô'uta tinkere. > * Tinkere eft prô'uta. De geïnverteerde variant zal niet als zodanig geïnterpreteerd worden, maar veeleer als een onpersoonlijke constructie waarin het spoor ef ontbreekt (Ef tinkere eft prô'uta.). 132.94 TEST B: Vertoont een modaal suffix getalscongruentie? Zo ja, dan is er sprake van een kern die deze congruentie uitlokt, zo nee, dan is er geen kern aanwezig: Deze test is niet in alle gevallen uitvoerbaar. Zo zijn genominaliseerde constructies per definitie enkelvoudig, dus het gedrag van een meervoudige variant kan niet getest worden. Maar áls deze test mogelijk is, blijkt altijd dat getalscongruentie afwezig is; vergelijk:
Eft prô'uta tinkerecû. ~ Prô'utas tinkerecû.
Kviksiy meltecû kusami. ~ Kviksiy ur agreseff meltecû kusami.
Merk op dat de hier gebruikte testzinnen hoe dan ook al geforceerd aandoen, omdat de zware semantische lading van het koppelwerkw. met modaal suffix een promotie feitelijk al in de weg staat. Zie ook wat er in § 132.78 gezegd is met betrekking tot semantisch zware koppelwerkw.n. 132.95 TEST C: Als twee zinnen Z1 en Z2 een syntactische band hebben, kan het element op de kernpositie van Z2 dan onder coreferentie met het element op de kernpositie van Z1 gedeleerd worden? Zo ja, dan zijn beide elementen kernen, zo nee dan is minstens één element geen kern: Vergelijk:
(1) a. Do dârte brâ do lelperre febbe. > b. Do dârte brâ Ø lelperre febbe.
(2) a. Kusama cryre brâ kusama melde graviy martel. > In (1b) is deletie van het tweede do geen enkel probleem. In (2b) leidt deletie van het tweede kusama tot een ongrammaticale constructie: hier wordt een element op de kernpositie van Z2 duidelijk gemist, en iemand die deze zin hoort, zal intuïtief het spoor ef willen toevoegen: Kusama cryre brâ ef melde graviy martel. Een herhaling van kusama is dus geen vanzelfsprekendheid, zodat we mogen aannemen dat dit add. geen echte kern is. 132.96 TEST D: Is een ontkenning met nert 'niet' vóór het predikaat mogelijk? Zo ja, dan staat nert tussen kern en predikaat; zo nee dan ontbreekt een kern: Deze test voorspelt dat Petriy in (1) een kern is omdat nert zich graag tussen een kern en het predikaat nestelt (§ 151.$$): (1) Petriy nert prate mas. 'Petriy vertrekt morgen niet.' Vergelijk nu:
(2) a. Ef nert melde quista, den tu tinde. 'Het is niet goed dat je blijft.'
(3) a. Ef nert melde hordâ wónzol. 'Het is geen mooi weer.'
(4) a. Ef nert bidalo snÿ. 'Er is geen natte sneeuw gevallen.' Uit de (b)-zinnen van (2)..(4) blijkt dat toevoeging van nert tot een ongrammaticale constructie leidt als de kernpositie bezet is door een gepromoveerd element. Dit is een indicatie dat er geen echte kern op de kernpositie staat. Uit (2c) blijkt dat een genominaliseerd element wel als echte kern beschouwd kan worden. 132.97
De 4 testen in § 132.93-96 geven een indicatie dat alleen genominaliseerde den-bijzinnen (geval 5. in § 132.92) als volwaardige zinskernen optreden, en dat alle andere gepromoveerde elementen weliswaar op de kernpositie staan, maar verder geen enkele status als zinskern hebben. Ook andere testen wijzen dit uit.1 132.98 Verbalisatie van koppelwerkwoorden In § 102.45 is de verbalisatie van add.n behandeld. Wij brengen hier het relevante schema in herinnering:
melde + add. > add. + -e Een dergelijke verbalisatie kan goed gecombineerd worden met zowel den-bijzinnen als de genominaliseerde variant ervan. Vergelijk:
a. Ef melda quista, den óps mipmuðe dena zjut arpinzol. >
a. Ópsex ef ÿmipmuðos enn dena zjut arpinzol melda quista. >
a. Ef pónze ék, den do merfe cÿrbé. > b. Ef ékare, den do merfe cÿrbé.
a. Doex ef cÿrbé ÿmerfos pónze ék. > b. Doex ef cÿrbé ÿmerfos ékare. 132.99 Contructies met een gepromoveerd additivisch pred.comp zijn uiteraard onmogelijk als het add. geverbaliseerd is, want dan is er geen add. meer om te promoveren:
Ef pónze martel. > Martel pónze. of Ef martelare. 'Het wordt koud.' Geverbaliseerde vormen als
(1) Ef kviksiye kusami. 'Het is hier gevaarlijk.' zijn syntactisch identiek aan de in § 132.85 besproken zinnen met predikatieve additieven. Daarom mogen plaats- en tijdsbepalingen als kusami en mas ook in deze constructies gepromoveerd worden, zodat het spoor ef verdwijnt:
(1') Kusami kviksiye. 132.100 Spreektaalconstructies als in § 132.84 staan geen geverbaliseerd add. toe. Dit is begrijpelijk omdat zo'n verbalisatie leidt tot een "zin" van één woord, wat vermeden dient te worden (hier geldt eenzelfde soort restrictie als bij -lira-constructies, die eveneens vermeden moeten worden als ze leiden tot zinnen van één woord; zie ook § 100.53-55 en § 124.49):
* Den do merfe cÿrbé, ékare. 'Dat hij voortdurend liegt wordt vervelend.' 132.101 Het spoor ef in valse passieven De passieve variant van het spoor-pers.vnw. ef is ófe, en deze vorm wordt als subjectspoor gebruikt in zogenoemde "valse passieven" (§ 91.24-29), als het onbekend, of niet van belang, is wie de handeling uitvoert/uitvoeren, bijvoorbeeld: Blul uokkelije ófe pert gy. 'Er wordt hier veel gerookt.' In deze zin is de lege objectpositie gevuld met het semantisch lege spoor ófe, en de eveneens lege kernpositie is gevuld met het spoor blul. Het werkw. heeft de passiefmarkering -lije. Zulke constructies worden verder besproken in § 132.134-136, in verband met het spoor blul. 132.102 Het spoor ef als object Zowel bij trans.werkw.n als bij intrans.werkw.n kan het pers.vnw. ef soms optreden als een soort "onpersoonlijk object". Voorwaarde is dan wel dat het predikaat nader bepaald wordt door een pred.add.:
(1) £ Kirro fisae pert ef. 'We vissen veel; We gaan veel uit vissen.' Dergelijke constructies zijn voornamelijk ongedwongen spreektaal en drukken een gewoonte uit. Dit habituele aspect wordt in meer officiële taal uitgedrukt met de duratieve determinant ra (zie § 110.89). Vergelijk (1) met:
(2) Kirro fisae ra pert. 132.103
Het pers.vnw. ef gaat in constructies als in (1) een clitische verbinding aan met het ervoor staande add. De combinaties pert ef, litel ef en kvâ ef worden uitgesproken als resp. [pertûf], [litelûf] of [litelf] en [kvâ:f].
£ Kirro fisae pert ûf. = Kirro fisae pertûf. Het suffix -ûf is genoemd in § 70.45-47, en daar wordt het als dialectisch (Zuid-Liftka, Tigof en Lomky) bestempeld, voor zover het een clitische verbinding met een voorz. aangaat. In de hierboven bedoelde constructies is dit suffix echter niet dialectisch, maar algemene spreektaal. 132.104 Vooral bij trans.werkw. moet onderscheid gemaakt worden tussen het "echte" object ef dat refereert aan een entiteit en het clitische ûf:
Do uokke pert ef. 'Hij rookt die veel.' (refererend aan een bepaald soort tabak) 132.105 Het "echte" object ef wordt daarentegen dikwijls weggelaten als het refereert aan (een element in) een vraag of opmerking van een andere spreker. Bijvoorbeeld:
Folarra zurt melde? - Gress nert tiffe [ef]. 132.106 Een andere taak voor ef als objectspoor is ter sprake gekomen in § 60.51/53 en uitgebreid behandeld in § 130.73-92. Het gaat om de opvulling van een lege objectpositie als het object in de vorm van een voegw. vooraan de zin moet verschijnen. Bijvoorbeeld: Gress nert tiffe, kluft do paine ef. 'Ik weet niet wat hij doet.' Hier staat de hoofdzin gress nert tiffe, gevolgd door een bijzin met het voegw. kluft 'wat', dat tegelijkertijd het object is. Als voegw. moet kluft aan het begin van de bijzin staan, maar als object zou het op de objectpositie achter paine moeten komen. Dit conflict wordt opgelost door de lege objectpositie te vullen met het spoor ef. Wij noemen hier het pers.vnw. ef omdat dit in deze afdeling in de hoedanigheid van spoor besproken wordt, maar een objectpositie die in een bijzin leeg blijft omdat het object als voegw. naar voren moet, kan in principe door elk pers.vnw. bezet worden, al naar gelang het getal, geslacht of de categorie van het antecedent. Dit is allemaal in Hoofdstuk 130 behandeld. Voor de behandeling van de voegw.n, zie Hoofdstuk 150. 132.107 ad § 132.4 f. Het spoor melde Diverse vaste frases en uitroepen bevatten het spoor melde, enkel om de predikaatpositie op te vullen, zodat er meer van een "volledige zin" sprake is. Bijvoorbeeld:
(1) Buss melde! '[Dat is] te gek!' 132.108 Dat melde in (1)..(3) niet een "gewoon" betekenisdragend werkw. is blijkt onder meer uit het volgende: (i) In (1) ontbreekt een subject. Zoiets is bij een normaal gebruik van een werkw. onmogelijk. We zouden er vanuit kunnen gaan dat (1) een variant is van de basisvorm ef melde buss! 'het is te gek!', waarbij het spoor ef door promotie van buss is verdwenen (zoals uitgelegd in § 132.77), maar in dat geval kan ef nergens aan refereren (want het is een spoor!) en betekent buss melde! zoiets als "de situatie waarin we verkeren is te gek!". Maar buss melde! kan ook gebruikt worden als kwalificatie voor een expliciet genoemd entiteit of gebeurtenis, zoals in:
Ef pirmink gress prate 'kara ef Ameriy. - Buss melde! In dit geval kan nooit sprake zijn van een geëlimineerd ef-spoor, want hier is buss melde feitelijk een elliptische variant van Mittof melde buss! waarin mittof refereert aan "volgende week ga ik naar Amerika". (ii) In (3) staat melde geheel achteraan de zin. De plaatsbepaling fes ef arâbe en het subject eft doffiy zreg worden dus als één geheel opgevat. Dit is een indicatie dat melde er als het ware op een later moment aan toegevoegd is. Zou melde een existentiële betekenis hebben (en dus als "echt" betekenisdragend werkw. optreden) dan hadden we moeten zeggen:
Zerfe! Eft doffiy zreg melde fes ef arâbe. 132.109 Over het algemeen treedt melde als spoor in de vorm van het teg.dw. meldelira op. Dit geldt meestal ook in uitroepen:1
Chÿt-wónzol meldelira! 'Wat een kloteweer!' 132.110 Meldelira wordt ook toegevoegd bij add.n van CAT.III, om een adjektivische positie mogelijk te maken, zoals in:
Óps zâre fes ef fraji meldelira sért. 'Ze wonen in één en hetzelfde huis.' 132.111 In al de constructies in de vorige paragraaf staat feitelijk een kort relatief bijzinnetje met een additivisch pred.comp. Het bijzinskarakter is dikwijls zo ver te zoeken, dat de gehele constructie ook vóór het antecedent geplaatst kan worden. Er zijn gevallen bekend van add.n die oorspronkelijk tot CAT.III behoorden, en dus met meldelira aan het subst. gehecht moesten worden, waarna er een ontwikkeling in de richting van CAT.I heeft plaatsgevonden en meldelira is komen te vervallen. Zie bijvoorbeeld de diachronische ontwikkeling van het add. habilem 'handig':
a. © ef mustrif ÿrôme habilem 'de schoenmaker werkt met rappe handen.' 132.112 Constructie (a) is een gereconstrueerde oervorm, waarin habilem (of liever: de Oerspokaanse vorm van dit add.) nog de betekenis had van "iets met rappe handen uitvoeren". Vanaf omstreeks 1300 raakt habilem zijn letterlijke betekenis kwijt ten gunste van de meer abstracte interpretatie "handig; met vaardige vingers". Zin (c) vinden we tot halverwege de 16e eeuw. In het Spokaans van die tijd was habilem van CAT.III, en vormde voornamelijk predikatieve bepalingen. Constructie (d) gaat al meer in de richting van een adjektivisch gebruik, en komen we tot eind 18e eeuw tegen. Pas na die tijd is habilem geheel tot CAT.I gaan behoren en kan het bijzinsvormende meldelira achterwege blijven. Deze diachronische reconstructie komt uit Urspokanisches Elementarbuch van Gertrude Daufenbach (1952). In dit boek worden vele additieven genoemd die een dergelijke ontwikkeling zouden hebben doorgemaakt. 132.113 Relatieve bijzinnen met meldelira zijn dikwijls noodzakelijke toevoegingen in Causatiefconstructies (Hoofdstuk 152). Zulke constructies kenmerken zich door het gebruik van een aangehecht passief pers.vnw. dat de Causee aanduidt. Een nominaal element moet dan als een bijzinnetje toegevoegd worden. Vergelijk:
(1) a. Ef rÿters ðesate sener blofs ur óps larde-ÿpse ef zâm kles.
(2) a. Gress lukte-dôe riyfain ef oto. 'Ik laat hem altijd de auto wassen.' In (2b) is het bijzins-karakter van het vetgedrukte deel zo vaag dat dit zinsdeel zonder pauzes (komma's) tussengevoegd wordt. 132.114 Een interessante passage is te vinden in de roman Ef câðy-prest ('De kroeg-directeur'; 1979) van Dorteje Jertek:
Eup paine-épe meldelira Latroma, meldalira kva sener harbatjen, alt Het vette deel van deze zin bevat het spoor meldelira, analoog aan zin (2b) in de vorige paragraaf. Maar hierachter volgt een echte relatieve bijzin (cursief) als nadere bepaling bij "Latroma". In § 124.67 5. is geconstateerd dat twee relatieve -lira-constructies elkaar niet op mogen volgen. Dat de zin van Jertek toch acceptabel is komt doordat alleen het cursieve deel als relatieve bijzin beschouwd wordt, en het vette deel niet meer is dan afgesleten idioom. 132.115 In Causatieven kan meldelira zijn spoor-karakter verliezen als het een tijdsmarkering krijgt. Vergelijk § 132.113 (2b) met:
(3) Gress lukte-dôe, meldalira ef ÿksa-'jan, riyfain ef oto. In (2b) is het vette deel zonder pauzes in de matrixzin geïntegreerd. In (3) is er dank zij de expliciete uitdrukking van de def.tijd sprake van een echte relatieve bijzin, die bij voorkeur hoorbaar (pauzes!) en zichtbaar (komma's!) tussengevoegd wordt.1 132.116 De korte relatieve bijzinnetjes met meldelira die bij Causatieven vaak noodzakelijk zijn omdat de Causee alleen maar als een aangehecht passief pers.vnw. kan worden uitgedrukt, kunnen in andere zinnen optioneel toegevoegd worden. Vergelijk:
Petriy, kost frera, melde kinur. = Merk op dat de vetgedrukte delen ook zonder pauzes (dus komma's) tussengevoegd kunnen worden. In al deze gevallen kan er geen gebruik gemaakt worden van bijzinnetjes met een betr.vnw. (die zouden trouwens achteraan de matrixzin moeten komen). 132.117 Een andere gebruiksmogelijkheid van meldelira vinden we in zinnen waarin een deel in de hoedanigheid van topic1 links buiten de constructie is geplaatst. Tussen de topic en de matrix-zin kan een duidelijke scheiding aangebracht worden door toevoeging van het spoor meldelira; vergelijk:
(1) a. Spâke kvâ Kârle smurf piti gress.
(2) a. Yvonn paine pipar na dena kleter cômputer. Toevoeging van het spoor meldelira is in (1c) natuurlijker dan in (2c).1 Dit komt doordat in (1b) de sequentie van Kârle en spâke ook zo opgevat zou kunnen worden dat Kârle de subjectkern bij spâke is. Hier is een duidelijke scheiding tussen beide elementen zeer gewenst. Daarentegen is in (2b) de scheiding tussen dena kleter cômputer en Yvonn al vanzelf aanwezig. 132.118 Let op hoe de plaats van één komma (en dus een verschil in intonatie) voor een geheel andere betekenis kan zorgen:
a. Ef pôrer orycc meldelira, Elsa paine pipar furt hópsat. In (a) is sprake van een topicalisatie waarbij we mogen aannemen dat hópsat en ef pôrer orycc met elkaar corefereren. In (b) vormt Elsa een tussenvoeging achter ef pôrer orycc: het arme weeskind heet dus Elsa, en zij doet alles voor een niet nader gespecificeerd vrouwelijk persoon (hópsat). 132.119 ad § 132.4 g. Het spoor paine We moeten onderscheid maken tussen twee soorten sporen paine:
1. paine corefereert met een eerder genoemd werkw. en wordt gebruikt om de herhaling van twee identieke werkw.n te voorkómen; 132.120 Paine corefereert met eerder genoemd werkwoord Het gebruik van paine kent veel minder restricties dan dat van idem. Paine kan als werkw.-vervanger in vrijwel alle gevallen gebruikt worden om een herhaling van twee werkw.n te voorkomen. Dit spoor kan zowel één werkw. in een predikaat als het gehele predikaat vervangen. Enkele voorbeelden:
(1) Dysta ef ardekirs lardare lelmo tof; aftel tu painavy tem curmel mas?
(2) Gress lorerde tem hurons gâšâ hift ardef, ur noi paine âs hift marâs.
(3) Tek reppe ón sener waler, do perkelira beri larde sener geffy, ur do
(4) Hânes ma stinde ef letra na eft flappa, do probarilóme beri paine 132.121 Opmerkingen bij de voorbeelden uit de vorige paragraaf: Zin (1): paine vervangt het werkw. lardare, maar is tevens drager van het modale suffix -avy 'willen' (meer over paine als drager van tijd of modaliteit is te vinden in § 132.126 3.). Let verder op dat paine gevolgd wordt door het object tem 'ze' dat corefereert met ef ardekirs. In het Nederlands wordt doen gevolgd door het, dat samen met doen refereert aan een abstracte situatie die in Z1 is beschreven, namelijk "het water geven aan de planten". Het Nederlandse doen is dan ook geen vervanger van het eerder genoemde predikaat water geven. Zin (2): paine vervangt hier het werkw. lorerde. Verder zijn in Z2 de kern en het object onder coreferentie met de kern en het object in Z1 gedeleerd. Ook kan er nog op gewezen worden dat het voorz. gâšâ in Z2 vervangen is door het spoor âs; dit wordt in § 132.144 uitgelegd. Zin (3): paine vervangt hier het werkw. larde, dus slechts een deel van het predikaat perkelira beri larde. Verder is het corefererende object achter paine gedeleerd (sener geffy). Zin (4): paine vervangt stinde, maar is zelf deel van een groter predikaat. Omdat "schrijven" (hier gerepresenteerd door paine) ook als intrans.werkw. kan optreden, ligt het voor de hand om aan te nemen dat paine gewoon zonder object is gebruikt, en dat er dus geen sprake is van object-deletie. Vergelijk (4) in dit verband met (4'), waarin achter paine een expliciet object volgt, dat corefereert met ef letra in Z1:
(4') Hânes ma stinde ef letra na eft flappa, do nert probarilóme beri In (4) drukt Z2 een algemene gewoonte van Hânes uit, in (4') refereert Z2 aan een concreet geval waarin Hânes geen ander schrijfgerei wil gebruiken.1 132.122 Koppelwerkw.n kunnen nooit door paine vervangen worden, daarom is (b) fout:
a. Lerdu melde terat honesty ki, tur Moffain melde har ef tork âmjegus. 132.123 Als werkw.-vervanger herinnert paine aan het spoor idem, zoals uitgelegd in § 132.37-49. In tegenstelling tot bij idem, wordt er bij paine niet vereist dat Z1 en Z2 een parallelle structuur vertonen. Bovendien kan paine ook gemakkelijker een deel van een predikaat vervangen. Het betekenisverschil tussen beide sporen kan worden uitgelegd aan de hand van de volgende voorbeelden:
(1) a. Tek larde eft geffy ur Ôrs idem eft leffy.
(2) a. Gress trempe ef jazy lelmo luppor fes Bôrâ-tÿden, oft mas idem 132.124 Hoewel de meeste Spokaniërs feilloos aanvoelen wanneer idem en paine wel of niet gebruikt kunnen worden en wat hun betekenisverschil is, is niemand er nog in geslaagd om een precieze regelgeving te formuleren. Van de bekende grammaticaboeken beperken Kojen-Pôt (1977, 1980) en Lântmân (1979) zich tot de opmerking dat idem refereert aan een gelijkwaardige verbale constructie, en dat paine een eerder genoemd en identiek werkw. vervangt,2 en Ripau (1965) snijdt de hele kwestie niet eens aan. 132.125 Als we § 132.123 (1) en (2) nader beschouwen lijken de volgende eigenschappen relevant te zijn voor de keuze tussen idem en paine:
1. Idem corefereert niet zozeer met een eerder genoemd werkw., maar refereert veeleer aan een eerder beschreven situatie, die met andere participanten op dezelfde manier kan plaatsvinden (vandaar dat het gebruik van idem een syntactische parallelliteit vereist);
Het betekenisverschil dat er bestaat tussen (1a) en (1b), en tussen (2a) en (2b) kan als volgt omschreven worden: in de (a)-zinnen wordt benadrukt dat één en dezelfde situatie op twee verschillende manieren gestalte kan krijgen; in de (b)-zinnen staan twee verschillende situaties nevengeschikt, zonder dat ze in situationeel opzicht aan elkaar gerelateerd worden. 132.126 Paine vult lege werkwoordpositie Werkw.-posities (of liever: predikaatposities) die leeg dreigen te blijven worden prototypisch gevuld met een koppelwerkw. In deze gevallen kan paine nooit gebruikt worden (zie § 132.122). Alleen in de volgende gevallen zouden we kunnen stellen dat paine een lege werkw.positie opvult: 1. In vergelijkende constructies van het soort:
(1) a. Gress quardere hajiy ef dokerats dus Elsa.
(2) a. Moffain larde vluf dus gress. Dit zijn feitelijk de enige soort zinnen waarin een verbaal element duidelijk ontbreekt, want het werkw. dat links van dus staat, kan rechts ervan nooit herhaald worden:
* Gress quardere hajiy ef dokerats dus Elsa quardere. Vergelijkende constructies worden verder behandeld in Hoofdstuk 141; zie ook nog § 132.127. 2. Bij Imperatieven die een verbod uitdrukken. Stel een situatie voor waarbij een klein kind de hete kachel wil aanraken en zijn moeder dan roept:
a. Noi! 'Nee!' We zouden variant (a) kunnen beschouwen als een zin met een lege werkw.positie, en in (b) is deze positie opgevuld met het spoor paine. Dit spoor heeft geen concrete betekenis, maar roept alleen associaties op met "de kachel aanraken" of "je hand tegen de kachel leggen". 3. Om de aanhechting van een temporeel of modaal suffix mogelijk te maken. Dit zijn marginale gevallen, zoals:
a. Petriy tintavy wân paina. 'Petriy wilde blijven. In (a) wordt de def.tijd met emfase gepresenteerd. Omdat de tijdsmarkeerder -a niet meer achter tinde geplaatst kan worden (want dit werkw. is al verrijkt met het modale suffix -avy 'willen'), wordt paine als tempusdrager toegevoegd. In (b) wil de spreker feitelijk twee modale suffixen in één adem aan het werkw. lardare hechten. Omdat dit onmogelijk is, wordt paine als drager voor het tweede suffix toegevoegd. 132.127 In § 132.126 1. is geïllustreerd hoe paine een lege werkw.-positie na het vergelijkende voegw. dus kan opvullen. We geven hier nog een voorbeeld en zullen dan uitleggen dat er een semantisch verschil tussen beide varianten bestaat:
a. Gress zâre cÿry rifonn sener ÿrôm dus Elsa. De afwezigheid van het spoor paine in (a) leidt tot de interpretatie dat de inhoud van Z1 (= de zin links van dus) zo veel mogelijk gecopieerd wordt naar Z2 (de rechter zijde van dus).1 De onderliggende structuur van (a) is daarom:
a'. {Gress1 zâre cÿry rifonn sener1 ÿrôm dus Elsa2 zâre rifonn sener1 Uit de labels blijkt dat sener zowel in Z1 als in Z2 aan gress moet refereren (sener is immers met zijn betekenis naar Z2 gecopieerd). Daarom moet het tweede sener door het bez.vnw. kost 'mijn' vervangen worden:
a''. {Gress1 zâre cÿry rifonn sener1 ÿrôm dus Elsa2 zâre rifonn kost1 132.128 In (b) vervangt het spoor paine het eerder genoemde werkw. zâre, en daardoor wordt voorkómen dat de inhoud van Z1 letterlijk naar Z2 gecopieerd wordt (zoals in (a) het geval is).1 Dankzij de aanwezigheid van paine wordt Z2 zo geïnterpreteerd dat alleen de structuur van Z1 gecopieerd wordt. Dit betekent dat de copiëring van sener zich beperkt tot de copiëring van de vorm, niet van de inhoud. Daarom refereert sener aan de zinskern van Z2, volgens de volgende onderliggende structuur:
b'. {Gress1 zâre cÿry rifonn sener1 ÿrôm dus Elsa2 zâre rifonn sener2
Vergelijk de volgende voorbeelden (a. is reeds in § 130.22 gegeven):
a. Nert paine-tûe! 'Doe [dat] niet!; Niet doen!'
Beide zinnen kunnen gezegd worden door een moeder tegen haar kind, dat een zetpil pakt om op te eten. Als de moeder variant (a) gebruikt, legt ze nadruk op de handeling van het "eten" zonder dat het object (dus wat er feitelijk gegeten wordt) er iets toe doet. Zin (a) is dus een parafrase van: Nert larde-tûe! 'Niet eten!', waarbij larde een deiktische coreferent is (zie § 130.21-23).
(1) a. Petriy1 larde2 eft bliyf-piyl3. > Do1 paine2 mittof3. 132.130 Echter, ook de Spokaanse zin Do paine mittof kan de Nederlandse betekenis hebben. Het Spokaans is deze zin dus ambigu: (1) c. (Petriy1 larde eft bliyf-piyl.)2 > Do1 paine mittof2. In (1a) kan mittof door een ander pers.vwn. vervangen worden, zoals ef of (spreektaal) kâ, omdat het refereert aan een concr.subst. (zie Blok 70.5). In (1c) is alleen mittof mogelijk, omdat het refereert aan een gehele zin (§ 70.23). 132.131 Als een Spokaniër mittof in (1a) of (1c) bevraagt, zijn er twee antwoorden mogelijk:
(2) a. Do paine kluft? - (i) [Do paine] eft bliyf-piyl.
Antwoord (2a) (i) is goed als we paine beschouwen als coreferent met larde, en mittof als coreferent met bliyf-piyl. Antwoord (2a) (ii) is correct als we paine beschouwen als een leeg spoor, en mittof als coreferent van de complete actie Petriy larde eft bliyf-piyl. 132.132 Soms is het gewenst om de ambiguïteit in een vraag als Do paine kluft? op te heffen. Hiervoor bestaan de volgende strategieën:
a. Vervang het vra.vnw. kluft door kol 'hoe?': Do paine kol? "Hoe doet hij?" 132.133 In verband met de verschillende gebruiksmogelijkheden van het spoor paine is het nuttig om nog te wijzen op het gebruik van paine als lexicaal werkw. in de betekenis van 'doen, maken, stoppen'. Hier kan nog onderscheid gemaakt worden tussen een concreet en een idiomatisch gebruik. In het laatste geval kan de semantische lading zo gering zijn, dat paine bijna een spoor-karakter krijgt. In het volgende voorbeeld zijn het concrete en idiomatische gebruik beide geïllustreerd:
Do paine1 sener cradef smurf fesdu eft liftkar kors ur paine2 cradef Paine1 is concreet, maar paine2 maakt deel uit van de uitdrukking ef paine flaju fes sener âešoh 'iets aan zijn laars lappen'. Merk op dat beide paine's niet corefereren zodat paine2 hier niet gedeleerd kan worden. Deletie van paine2 zou leiden tot een constructie, even gek als de Nederlandse samentrekking ? Hij zit in de tuin en in de problemen. 132.134 ad § 132.4 h. De sporen blul, hyg en cÿry Constructies met de sporen blul, hyg en cÿry zijn uitgebreid aan de orde gekomen in de Hoofdstukken 91 en 92, en daarom zal hieronder alleen ingegaan worden op het spoor-karakter van deze drie woorden, zonder veel aandacht aan het grotere verband te besteden waarin ze voorkomen. Blul, hyg en cÿry kunnen we samenvatten onder de naam "passiefsporen", en ze treden altijd op in passiefconstructies waarin een subjectbepaling met de markeerder pai 'door' ontbreekt. We kunnen de volgende soort constructies onderscheiden: 1. Zinnen waarin het passiefspoor op de lege subjectpositie achter het predikaat staat; zulke zinnen zijn typisch spreektaal1 als blul gebruikt wordt, ongrammaticaal bij de archaïsch/dialectische variant hyg, en heel algemeen bij cÿry. Vergelijk het "echte" passief in (a) met de spoorpassieven in (b):
a. Ef mimpit trempelije pai Tek. 'Het boek wordt door Tek gelezen.' Hyg en cÿry zijn besproken in § 91.21-22. 2. Zinnen waarin het passiefspoor op de kernpositie vóór het predikaat staat, en de objectkern erachter. Dit is de inversie-variant van 1., en zulke zinnen zijn algemeen grammaticaal bij blul en hyg, maar zeer ongebruikelijk bij cÿry. Vergelijk de (b)-zinnen uit 1. met:
Blul trempelije ef mimpit. 'Het boek wordt Ø gelezen.' Als het object een pers.vnw. is, wordt in de inversie-variant de passieve vorm gebruikt; vergelijk:
£ Do lajetelije blul. ~ Blul/hyg lajetelije dôe. 3. Zinnen waarin het passiefspoor op de kernpositie vóór het predikaat staat, en de subjectkern erachter. Het gaat hier om passiefconstructies bij intrans.werkw., de zg. valse passieven (§ 91.24-29/41). Het subject is altijd een passief pers.vnw., en het spoor cÿry kan hier nooit gebruikt worden; vergelijk de actieve constructie in (a) met de valse passieven in (b) en (c):
a. Óps uokke pert gy. 'Ze roken hier veel.'
(b) en (c) leggen beide de nadruk op de situatie dat op de desbetreffende plek sprake is van een intensief gebruik van tabak. De feitelijke handeling van "roken" en de identiteit van de personen die die handeling verrichten zijn geheel naar de achtergrond gedrukt. In (b) wordt nog een indicatie gegeven dat er meerdere personen verantwoordelijk zijn voor de "intensieve rooksituatie", maar in (c) is zelfs die indicatie geheel verdwenen, want hier is het subject afwezig en is de open positie door het semantisch lege spoor ófe gevuld.1 Daarentegen moet óps in (a) refereren aan een specifieke groep personen waarvan de identiteit bij spreker en hoorder bekend is. 132.135 Door de inversie (punten 2. en 3. in § 132.134) wordt het passiefspoor feitelijk gepromoveerd tot zinskern, waarbij de oorspronkelijke kern - een object in 2. en een subject in 3. - degradeert tot een onduidelijke status achter het predikaat. Voordat de promotie een feit is, bestaat er een inversieloze fase. Bij "echte" passieven is deze fase een mogelijke taaluiting (gegeven in punt 1.), maar bij valse passieven hebben we slechts te doen met een theoretische onderliggende structuur. Tussen (a) en (b) in punt 3. kan daarom tussenfase (1b) gegeven worden:
(1) a. Óps uokke pert gy. > Valse passieven kenmerken zich dus primair doordat de subjectkern degradeert tot een soort "pseudo-object". De hierdoor ontstane afwezigheid van een subjectkern lokt een passieve syntaxis uit. 132.136 De promotie van een passiefspoor tot kern, en de hiermee verbonden degradatie van de kern is in (1)..(4) met labels verduidelijkt:
(1) £ OlyvaKo vlofjelije blulSP fes ef kelâr. Ko = objectkern; SP = spoor; K = spoorkern; O = object; S = subject Sommige linguïsten1 wensen twee verschillende sporen blul te erkennen: (1) een zuivere positievuller, zoals in (1) en (2), en (ii) een spoor dat altijd corefereert met het subject, zoals in (3) en (4). Omdat dit onderscheid niets bijdraagt aan een verbetering van de beschrijving van blul-constructies, zullen wij het in deze grammatica negeren. 132.137 Dat het element Olyva in (1) een kern is, maar in (2) niet, blijkt onder meer uit het volgende: Olyva mag onder coreferentie met een kern uit een eerdere zin gedeleerd worden bij (1), maar liever niet bij (2):
(1') Olyva vlofjelije blul fes ef kelâr, brâ Ø scemre fit hups. Zin (2') is twijfelachtig omdat Olyva in Z1 niet als kern optreedt, en de kern in Z2 niet gedeleerd kan worden als deze corefereert met een niet-kern in Z1. Zie ook § 92.47.1 132.138 Dat het element ÿpse in (3) geen kern is blijkt niet alleen uit de vorm (passieve pers.vnw.n kunnen nooit als kern optreden) maar ook uit het feit dat ÿpse onder coreferentie met een kern uit een andere zin niet gedeleerd kan worden. Vergelijk:
(3') Moffain ur Lerdu xliffašenelije pai sener côlegjes, janof blul uokkelije
Let op het subtiele semantische verschil tussen (3') en (5): in (3') wordt de nadruk gelegd op een "rooksituatie" die Moffain en Lerdu creëren. Deze situatie is de reden dat de collega's de twee rokers negeren. We kunnen hieruit opmaken dat die collega's geen zin hebben om in de rook te zitten (dus om passief mee te roken). 132.139 Dat het element ófe in (4) geen kern is blijkt allereerst uit de passieve vorm. De vraag of ófe al dan niet gedeleerd kan worden is geen relevante test om aan te tonen dat ófe al dan niet een kern is. Dit kan met de volgende voorbeelden verduidelijkt worden:
(4') Ef eróve kusami, brâ blul uokkelije ófe pert gy. Zin (4') is hoe dan ook correct. Hier vinden we het spoor ef in de hoedanigheid van zinskern, en het spoor ófe in de hoedanigheid van "pseudo-object". Maar (6) is eveneens correct (zij het voornamelijk in de spreektaal). We kunnen moeilijk stellen dat ófe hier gedeleerd is onder coreferentie met ef, omdat beide sporen semantisch leeg zijn en dus nooit aan een entiteit kunnen corefereren, laat staan dat ze beide aan dezelfde entiteit kunnen corefereren. Dat de deletie van ófe hier correct is, komt doordat dit spoor in alle gevallen achterwege mag blijven (dit is in § 132.134 voetnoot 50 geconstateerd). 132.140 Dat een passiefspoor na inversie tot kern gepromoveerd is, blijkt uit het feit dat dit spoor onder coreferentie met een andere kern gedeleerd kan worden; vergelijk:
Blul vlofjelije Olyva fes ef kelâr ur Ø abândénelije hepsatt kusama.1 132.141 Als inversie in één of beide zinnen achterwege blijft, is deletie van blul fout:
Tek nert invóbelije blul, janof blul/*Ø uokkelije ófe fit pert fes ef fenta. In het laatste voorbeeld is ook de corefererende zinskern gedeleerd. Dit is echter geheel grammaticaal. Voor het spoor hyg gelden precies dezelfde regels. Omdat cÿry zo goed als nooit in een inversie optreedt, zijn de hier gegeven regels voor dit spoor niet relevant. 132.142 De passiefsporen kunnen uitsluitend in subjectloze passieven gebruikt worden en hebben geen enkele referentiële waarde als locatief, zoals bijvoorbeeld het Nederlandse er (als gereduceerde vorm van daar) wel heeft. Zinnen die een locatie, situatie of existentie uitdrukken kunnen daarom nooit met zo'n passiefspoor gevormd worden. Vergelijk:
a. * Blul giffe eft ocantûm fes ef arâbe. Variant (b), zonder enige locatieve markering, is in alle gevallen correct. Variant (c) met het inleidende ta 'daar' is spreektaal, en (d) met het pseudo-werkw. k'mije 'zie daar' wordt algemeen als ouderwets ervaren.1 132.143 In het volgende voorbeeld refereert er aan "op het feest". Zo'n referentiële waarde kan het verplicht aanwezige blul nooit hebben, maar er kan wel een add. toegevoegd worden, zoals ta of kusama 'daar':
a. £ Janof blul uokkelije ófe fit pert fes ef fenta, Tek nert invóbelije Variant (a) is de inversieloze spreektaalvorm, variant (b) is de officiële vorm, waarbij het tweede blul onder coreferentie met het eerste blul (beide zinskern!) gedeleerd mag worden. Vermeldenswaard is nog dat het locatieve add. ta, dat in de spreektaalvorm dikwijls onmiddellijk achter blul verschijnt, gevoelig is voor cliticisatie. Het woordpaar blul ta klinkt dan als blultâ (en kan bij het weergeven van spreektaal ook zo geschreven worden). Analoog bestaat ook nog: blul + gy > blulgû.
132.144 ad § 132.4 i. Het spoor âs ///Het spoor âs vervangt een herhaald voorzetsel in een neven- of onderschikking, en is in de Spokanistiek bekend onder de term dood voorzetsel (ook behandeld in Hoofdstuk 140). Vergelijk:
a. Óps zâre fes eft sért ðÿm bâlcon ur ðÿm kelâr. Een herhaling van het voorzetsel (zoals in (a)) drukt meestal emfase uit, die in het Nederlands weergegeven kan worden met ook. De minst gemarkeerde en meest natuurlijke constructie in het Spokaans is (b), waarin ðÿm de tweede keer door âs is vervangen. 132.145 Het geheel weglaten van het tweede voorzetsel (zoals in het Nederlands gebruikelijk is) is in het Spokaans niet mogelijk. Wel mogelijk is daarentegen om twee nevengeschikte constituenten samen door één voorzetsel te laten voorafgaan. Let op het betekenisverschil in:
a. Kirro ufira lango ef bajuftô ur âs ef moziy. In (a) is sprake van twee nevengeschikte voorz.bep.n (Blok 120.48 type II.e); hier wordt uitgedrukt dat we eerst langs de beek reden, en vervolgens langs de bosrand. In (b) staan twee nevengeschikte subst.n (Blok 120.48 type III.a); hier loopt de beek langs de bosrand, en reden we langs beide tegelijk. Zie ook § 120.65. 132.146 De subject-, object- en echo-markeerders pai, enn en ón kunnen niet vervangen worden door âs, al komen we zo'n vervanging in onverzorgde spreektaal wel eens tegen indien de markeerder in een nevenschikking op volzinsdeelniveau (Blok 120.48 type II.b) aanwezig is:
(1) Ef efanty bytelije ment pai ef follus oft pai/?£âs ef frera.
(4) Ef sértater rofonose, janof firma Gemell-Jûmer enn sener lâcos lo In (1) is het gebruik van âs in plaats van het tweede pai marginaal mogelijk omdat pai ef follus en pai ef frera nevengeschikte basiselementen zijn; in (2) is sprake van nevengeschikte zinnen en in (3) en (4) vinden we een onderschikking. Hier kunnen ón, pai en enn nooit door âs vervangen worden. 132.147 Soms is een nevenschikking van subst.n mogelijk, zodanig dat de markeerder deze nevenschikking bepaalt. Let op het betekenisverschil tussen (1) en (1'):
(1') Ef efanty bytelije ment pai ef follus oft ef frera. Zin (1) suggereert dat er een bewuste keuze tussen de vader en de broer gemaakt wordt. Als het weer "tijd is" om het kind te slaan lijken vader en broer met elkaar af te spreken "doe jij het of doe ik het?". In (1') is zo'n keuze afwezig; hier wordt niet méér gezegd dan dat zowel de vader als de broer zich schuldig maken aan de mishandeling van het kind: de ene keer slaat de vader, de andere keer is het weer de broer. 132.148 Bij sommige werkwoorden is ón een voorzetsel, en bij andere een echo-markeerder (zie § 90.25-31; Blok 140.$$). Dit onderscheid heeft gevolgen voor het gebruik van âs:
(1) echo-markeerder:
(2) voorzetsel:
In (1a) is âs onverzorgde spreektaal (nevengeschikte basiselementen), en in (1b) is âs geheel ongrammaticaal (onderschikking). In (2a) is âs het meest natuurlijk, maar (2b) bij emfase is ook een herhaling van ón mogelijk. Bovendien (2c) mag een tweede ón achterwege blijven als er sprake is van nevengeschikte fundamenten (Blok 120.48 type III.a). 132.149 Pai is niet alleen een subject-markeerder, maar kan ook als voorz. gebruikt worden (§ 91.36-41; Blok 140.$$). Ook hier is er verschil bij het gebruik van âs:
(1) subject-markeerder:
(2) voorzetsel: Het voorzetsel pai wordt verder besproken in § 140.$$. 132.150 Hierboven is vastgesteld dat de markeerders pai, enn en ón niet door het dode voorz. âs vervangen mogen worden (behalve soms in onverzorgde spreektaal). Echter, in genominaliseerde constructies is een dergelijke âs-vervanging wel toegestaan (velen zeggen zelfs: verplicht). Vergelijk § 132.149 (1) met:
(1') Ef sértsex ef bent ÿplitelijos pai râfs-knurfel ur ef dus lastritelijos Hieruit kan opgemaakt worden dat nominalisatie tot gevolg heeft dat basiselementen zich als voorz.bep.n gaan gedragen, iets wat bij de zinskern duidelijk waarneembaar is omdat hier een genitief (= een typisch nominale vorm) verschijnt. Zie ook § 126.10-11. 132.151 Âs vervalt voor het spoor idem. We kunnen ook zeggen dat idem altijd het dode voorz. âs omvat. Dit is uitgelegd in § 132.44. 132.152
Zodra er bij twee voorz.s sprake is van identiciteit, wordt het tweede voorz. door âs vervangen. Onder "identiciteit" verstaan we: een identieke morfologische vorm. Hierbij wordt dus niet gekeken naar de betekenis van het voorz.
a. Petriy trempelira fes ef arâbe, ur Elsa zurrelira âs/*fes ef kokmit.
In (a) is er een duidelijke parallelliteit: zowel in Z1 als in Z2 specificeert fes een locatie waar de entiteit uit de zinskern iets zit te doen. Hier is herhaling van fes zo goed als ongrammaticaal en vervanging door âs verplicht. We hebben te doen met volledige semantische coreferentie.1 132.153 Vergelijk ook:
Ef prôta smÿze nebuch kaf sener beldrast wân zirde, ur nert tiff-pâre In Z2 is sprake van het prep.werkw. ef tiff-pâre kaf flaju 'weet hebben van iets'. Hierbij is de betekenis van kaf zo weinig concreet (vergeleken bij kaf in Z1) dat vervanging door âs onmogelijk is. 132.154 Als Z1 en Z2 beide een prep.werkw. bevatten, waarin de voorz.s een zeer abstracte betekenis hebben, zou men kunnen stellen dat er sprake is van een "identiciteit op abstract niveau". In zo'n geval is er wat voor te zeggen om het tweede voorz. door âs te vervangen, zoals in:
(1) Ef câpytenn cônfrontere ef ÿrðônt kaf ef plânor qurstoxuriy ur jesme
(2) Petriy chaquinde-mip sener nitros kura ef kleter toraniefa, tur do
In (1) gaat het om de twee prep.werkw.n ef cônfrontere rast kaf flaju 'iemand confronteren met iets' en ef jesme flaju kaf ... 'iets indelen in ...'. Voor veel Spokaniërs is het acceptabel om kaf in Z2 door âs te vervangen. 132.155 Bij idiomatische uitdrukkingen lijkt het voorz. zo'n hecht element in het geheel, dat vervanging door âs algemeen als ongrammaticaal ervaren wordt. Vergelijk het voorbeeld in § 132.154 met:
Groft eits chaquinde kaf ef korsta, zuf do enn ef wyde-'jan ðobiyre Hier betreft het de uitdrukkingen X chaquinde kaf Y 'uit X spreekt Y' (waarbij X = lichaamsdeel/lichaamshouding en Y = gemoedstoestand) en ef ðobiyre rast kaf eft wâriy 'iemand een standje geven'. 132.156 In § 130.16 cc. is de volgende zin behandeld:
Fara ef kôbo nÿle, dus kirro larde riyfain fes ef arâbe, tur Firm ur Tek Deze zin is ambigu omdat C1 fes ef arâbe en C2 âs ef zowel strikte als semantische coreferenten kunnen zijn. Strikte coreferentie kan expliciet uitgedrukt worden door toevoeging van de determinanten qu .. qu (zie § 133.$$), en semantische coreferentie kan met een parafrase uitgedrukt worden. Vergelijk:
a. Fara ef kôbo nÿle, dus kirro larde riyfain fes qu ef arâbe, tur Firm ur Meer over âs is te vinden bij de behandeling van de voorz.s in Hoofdstuk 140. 132.157 ad § 132.4 j. De sporen -[e]s en -[e]p De definitie die er in § 132.1 gegeven is voor de term "spoor", impliceert dat ook de suffixen -[e]s en -[e]p als sporen beschouwd kunnen worden, mits we ervan uitgaan dat de zinnen waarin deze suffixen voorkomen het resultaat zijn van bepaalde vormen van deletie (deze deletie roept immers deze suffixen in de hoedanigheid van spoor op). De suffixen -[e]s en -[e]p zijn uitgebreid besproken in § 42.12-14 en § 42.16-20, maar hieronder volgt nog een nadere beschouwing van hun spoor-eigenschappen, zoals onder meer in de transformationele benadering van Quela Pârdova (1980) is uiteengezet. 132.158 Het suffix -[e]s wordt aan een adn.add. (§ 40.2 A.) gehecht als dit add. een bepaling vormt bij een extern-meervoudige constituent. Daarom wordt dit suffix ook wel constituentmarkeerder genoemd. Zodra een add. een bepaling vormt bij slechts één element (subst. of eigennaam) van een constituent, komt -[e]s te vervallen. Vergelijk: (1) ef liftkars merater ur mosjeus 'de oude man en [oude] vrouw' 132.159 We kunnen ons voorstellen dat frase (1) als onderliggende structuur heeft: (1') ef {[liftkar merater] UR [liftkar mosjeus]} In (1') heeft dan deletie plaatsgevonden van het tweede add. liftkar. Een dergelijke deletie is toegestaan als beide add.n identiek en nevenschikkend verbonden zijn (§ 120.70). Echter, deletie heeft vaak het verschijnen van een spoor tot gevolg, en daarom kan -[e]s als dit spoor beschouwd worden. Hier wordt dus aangenomen dat de onderliggende structuur in (1') via de volgende stappen tot de oppervlaktestructuur in (1) komt:
Deletie van het tweede additief:
Toevoeging van het spoor -s om deze deletie te markeren: 132.160 Het suffix -[e]p wordt optioneel aan een pred.add. (§ 40.4 B.a.) gehecht als dit add. een bepaling vormt bij een predikaat dat een extern-meervoudig subject bij zich draagt, zoals:
(1) Petriy ur Welm sena ocÿrme fâkommep. 132.161 Volgens Pârdova kunnen we ons voorstellen dat (1) hierboven als onderliggende structuur heeft: (1') {[Petriy sen ocÿrme fâkomm] UR [Welm sen ocÿrme fâkomm]} In (1') heeft dan deletie plaatsgevonden van de eerste identieke reeks sen ocÿrme fâkomm: (1'') {[Petriy Ø] UR [Welm sen ocÿrme fâkomm]} Waarna -[e]p als spoor is toegevoegd om deze deletie te markeren. Bovendien krijgt het wed.vnw. sen de meervoudsmarkering -a: (1''') {[Petriy Ø] UR [Welm sena ocÿrme fâkommep]} De hier gegeven redenering is zeer aanvechtbaar. Ten eerste moeten er kunstgrepen uitgehaald worden om te verklaren waarom de -a in sena een gewoon meervoudssuffix (en geen spoor) is, terwijl -ep een spoor is, en niet gewoon een meervoudssuffix. Ten tweede moet er een ingewikkelde deletieprocedure aangenomen worden die gebaseerd is op de nevenschikking van twee zinnen (zoals in (1'')), terwijl het veel simpeler is om Petriy ur Welm te behandelen als een nevenschikking van twee kernen, zoals gesymboliseerd is (2): (2) {[Petriy] UR [Welm]} sena ocÿrme fâkommep
In deze grammatica wordt er de voorkeur aangegeven om nevenschikking zo te beschrijven dat deletie er zo min mogelijk bij nodig is. Daarom wordt hier de analyse in (1')..(1''') verworpen, wat betekent dat -[e]p hier niet als een spoor beschouwd wordt. 132.162 Sommige taalkundigen noemen een element alleen een "spoor", als het precies dezelfde positie inneemt als het gedeleerde element (zie ook Lerdu Heenôše-Lajto (1982)). Bij zo'n definitie kunnen -[e]s en -[e]p dus geen "spoor" genoemd worden, want zij verschijnen niet op de plaats van het gedeleerde additief, maar achter het nog aanwezige additief. Als we willen accepteren dat deze suffixen toch enig verband houden met het feit dat er elementen zijn gedeleerd, zijn ze dus feitelijk niet meer dan "deletie-markeerders" (maar dat willen wij niet accepteren).1 132.163 ad § 132.4 k. Enkele marginale gevallen Bekijk de volgende voorbeelden:
Jân sen ocÿrme lo eft merbôku, ur Elsa sen ocÿrme lo montiy.2
Do feldre kaf ef kelbra ur gress feldre kaf kerru. In feite gaat het hier om deletie van de cursieve corefererende fundamenten, waarbij de open positie achter het voorz. door een add. wordt opgevuld. Zulke add.n (altijd met een betekenis "ook", "en dergelijk", "eveneens" ed.) treden hier als een spoor op, en de voorspelling lijkt gerechtvaardigd dat het met een add. als kerru dezelfde kant op kan gaan als met een add. als ôc: de spoor-functie wordt steeds frequenter, en de betekenis vervaagt steeds meer, totdat het add. alleen nog maar als semantisch lege positievuller gebruikt kan worden (bij zo'n ontwikkeling kan verwacht worden dat een ander woord de oorspronkelijke betekenis van kerru gaat overnemen). 132.164 Dat montiy en kerru in de voorbeelden van § 132.163 nog geen volwaardige sporen zijn, blijkt uit het feit dat de voorz.s lo en kaf hier herhaald zijn, en niet vervangen zijn door het dode voorz. âs. De volgende varianten lijken niet erg correct:
?* Jân sen ocÿrme lo eft merbôku, ur Elsa sen ocÿrme âs montiy. De onmogelijkheid om âs te gebruiken lijkt een indicatie dat we lo montiy en kaf kerru als een soort eenheden moeten beschouwen Kennelijk "klampen" montiy en kerru zich aan het voorz. vast omdat hun spoor-functie nog niet uitgekristalliseerd is. Het is een algemene tendens dat elementen in een idiomatische omgeving een onduidelijke syntactische functie kunnen hebben, wat leidt tot de omgekeerde tendens: als een element een onduidelijke syntactische functie heeft, heeft het de neiging om een idiomatische omgeving te creëren, waarin het gebruik van zo'n woord gefixeerd is. 132.165 Coreferentie tussen tijds- en plaatsbepalingen Bekijk de volgende a- en b-voorbeelden:
(1) a. Eeriys bôrade sener hâst riyfain kest bloirâ sers zurt, janof Tek
(2) a. Gress bladide hajiy den feldre fes ef varânda, janof ef pânte jazy 132.166
In (1) corefereert het vetgedrukte element dusa met de cursieve tijdsbepaling. In (2) corefereert kusama met de cursieve plaatsbepaling. We zouden add.n van CAT. III als dusa en kusama dan ook "sporen" kunnen noemen, analoog aan woorden als tiyn en idem. In de b-zinnen is iets bijzonders aan de hand: in (1b) staat de voegwoordelijke bepaling ur dus 'en dan'; omdat dus hier terugwijst op de cursieve tijdsbepaling is de toevoeging van dusa aan het eind van de bijzin redundant. Deze redundantie (of liever: herhaalde referentie aan de tijdsbepaling) geeft emfase, in het Nederlands uitgedrukt met een accent op dán.
(2) b'. Gress bladide hajiy den feldre fes ki ef varânda, fes té ef pânte Voor ÿr als plaatsbepalend voegw., zie § 150.$$. NOTEN NOTEN NOTEN
<< Inhoudsopgave | Registers >> << Hoofdstuk 131 | Hoofdstuk 133 >> |