Grammatica van het Spokaans © Rolandt Tweehuysen | Postbus 3774 | 1001 AN Amsterdam

<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 127 | Hoofdstuk 131 >>

13. Referentie

130. Pronominalisatie


Opbouw van dit hoofdstuk:

130.1

Onder pronominalisatie verstaan we in dit hoofdstuk twee dingen:

  1. de vervanging van een lexicaal element door een voorn.woord, omdat dit lexicale element reeds eerder in de taaluiting is genoemd; Noot 1
  2. de toevoeging van een voorn.woord in een constructie om aan bepaalde syntactische voorwaarden te kunnen voldoen.
      Noot 1 In dit hoofdstuk betekent "lexicaal element" altijd een element dat niet gepronomi-naliseerd is. Lexicale elementen zijn altijd eigennamen of substantieven.

130.2   ad § 130.1   i. Pronominalisatie als vervanging

Pronominalisatie volgens § 130.1 definitie i. kan geļllustreerd worden met de volgende voorbeelden, waarin tussen {..} de onderliggende structuur wordt aangegeven (die niet per se grammaticaal hoeft te zijn):

  1. {Eeriys zāre qubājo kirro, tur gress zerfe Eeriys pordel kvā.} >
    > Eeriys zāre qubājo kirro, tur gress zerfe do pordel kvā.

    Eeriys woont bij ons in de buurt, maar ik zie hem bijna nooit.

  2. {Ef letra melde fes ef feldariy, tur ef feldariy melde closs.} >
    > Ef letra melde fes ef feldariy, tur mittof melde closs.

    De brief ligt in de kast, maar deze zit op slot.

  3. {Ōga ur gress ytende beri tupplipe helkara ef Spana. Ef értef tim melde den Ōga ur gress vende šōnos helkara zirrot.} >
    > Ōga ur gress ytende beri tupplipe helkara ef Spana. Ef értef tim melde den kirro vende šōnos helkara zirrot.

    Ōga en ik zijn van plan om naar Spanje te gaan. Het is de eerste keer dat wij samen op vakantie gaan.
We hebben in deze gevallen te maken met twee zinnen (in 1. en 2. een hoofdzin, gevolgd door een bijzin met het voegw. tur (maar); in 3. twee aan elkaar gerelateerde hoofdzinnen), en een pronominalisatie die uitgelokt wordt door coreferentie: in 1. zijn Eeriys en do coreferent met elkaar; in 2. is er sprake van coreferentie tussen ef feldariy en mittof, en in 3. corefereren Ōga ur gress en kirro met elkaar.

130.3   ad § 130.1   ii. Pronominalisatie als toevoeging

Pronominalisatie volgens § 130.1 definitie ii. kan geļllustreerd worden met de volgende voorbeelden, waarin tussen {..} de onderliggende - ongrammaticale - structuur wordt aangegeven:

  1. {Fes ef foltos tu trempecū, tu lutterafecū kluft fes dena belt-s’rt.} >
    > Fes ef foltos tu trempecū, kluft tu lutterafecū tem fes dena belt-s’rt.

    In het foldertje kun je lezen, wat je [allemaal] in dit stadje kunt bezichtigen.
    (het stadje heeft dus meerdere bezienswaardigheden)

  2. {Ef nert knōfe, ef moplariy pai lomp quglelije.} >
    > Ef nert knōfe, lomp ef moplariy pai stus quglelije.

    Het is niet bekend door wie het ongeluk is veroorzaakt.
In 1. en 2. is een syntactisch conflict geļllustreerd dat opgelost kan worden met de toevoeging van een voorn.woord. Dit conflict wordt veroorzaakt door de volgende twee regels:
  1. een voegw. moet altijd aan het begin van een zin staan (zie § ??);
  2. een object in een actieve zin en een subject in een passieve zin staan nooit op een initiėle positie (zie Blokken 90.8-10).
Als nu een bepaald zinsdeel zowel voegw. als object/subject is, kan niet aan beide regels tegelijk worden voldaan. In dat geval geldt de volgende oplossing: zet het voegw. vooraan de zin (kluft in 1. en lomp in 2.), en introduceer een pers.vnw. op de plaats waar object of subject feitelijk hadden moeten staan (tem in 1. en pai stus in 2.). Merk op dat in 2. de subject-markeerder pai (door) niet mee gaat naar de initiėle positie, maar achterblijft op de oorspronkelijke subject-positie.

130.4

Pronominalisatie met betrekking tot coreferentie (§ 130.2) wordt uitgebreid behandeld vanaf § 130.5. Pronominalisatie onder syntactische druk (§ 130.3) komt vanaf § 130.73 aan de orde.

130.5   Pronominalisatie als uitdrukking van coreferentie

Het Spokaans kent twee belangrijke strategieėn om uit te drukken dat een constituent (zeg: X2) aan dezelfde entiteit of groep van entiteiten refereert als een andere, reeds eerder genoemd constituent (zeg: X1): 1. pronominalisatie (X2 wordt vervangen door een voornaamwoord) en 2. deletie (X2 wordt weggelaten).
Pronominalisatie betreft primair het gebruik van persoonlijke vnw.n (wat dit betreft kan dit hoofdstuk gezien worden als een uitbreiding van Hoofdstuk 70), maar ook andere voornaamwoorden, zoals betr.vnw.n, zelfst.vnw.n of bez.vnw.n kunnen een rol bij de pronominalisatie spelen. Deletie van X2 wordt in Hoofdstuk 131 besproken.
Als twee constituenten (X1 en X2) aan dezelfde entiteit of groep van entiteiten refereren, zijn beide constituenten coreferenten van elkaar. Echter, in dit hoofdstuk zal coreferentie ook in een iets ruimere zin worden opgevat: we zullen ook van "coreferentie" spreken als twee werkw.n dezelfde (soort van) handeling uitdrukken, of als een element aan (een deel van) de inhoud van een eerder geproduceerde zin refereert.

130.6

Pronominalisatie als gevolg van coreferentie is in principe van twee factoren afhankelijk:

  1. het soort pragmatische domein waarbinnen de coreferentie zich manifesteert (vanaf § 130.7);
  2. het type van coreferentie (vanaf § 130.11).
130.7   ad § 130.6   a. Pragmatisch domein

Coreferentie manifesteert zich in één pragmatisch domein: van een "pragmatisch domein" is sprake als twee of meer zinnen een hechte relatie met elkaar hebben, zodanig dat weglating van één zin leidt tot onduidelijkheid van een andere zin. Dikwijls wordt binnen een pragmatisch domein voor een syntactische band in de vorm van een onderschikking, nevenschikking, relatieve bijzin of nominalisatie gekozen, maar ook losse zinnen kunnen een hechte pragmatische relatie hebben met elkaar hebben, zoals in de volgende mededeling:

  • Kost frera gress kr’še lelmo gurt. Do lelperre eft kleter jobiy.
    Vanochtend heeft mijn broer me gebeld. Hij heeft een nieuwe baan.
130.8

In gesproken taal kan deze koppeling bestaan uit een gesprekssituatie waarin spreker A iets zegt en spreker B daarop inhaakt, zoals in:

  • A:  
Hojelka tu enn Petriy méte ’t?
Wanneer heb je Petriy voor het laatst ontmoet?
    B:
Lāst mink gress enn do zerfe velk fes ef lorerde-s’rt.
Verleden week heb ik hem nog in de supermarkt gezien.
130.9

Soms moet "gesprekssituatie" wel heel ruim opgevat worden. In de roman Ef gōl vildul ("De kale boom", 1876) van Bochōc Fāga wordt de volgende situatie beschreven: het leven van een boerenechtpaar verloopt voornamelijk in zwijgzaamheid. Als de boer op een dag tijdens het hooien de mededeling doet dat de dochter van de molenaar met haar haar in een tandrad van de molen is blijven vastzitten, reageert de boerin aanvankelijk in het geheel niet. Pas drie dagen later (in het boek is dat 2 hoofdstukken verder) komt de boerin met een reactie. Ondanks de lange tijd die er tussen de mededeling en de reactie liggen, is hier sprake van een pragmatisch domein. Zou dat niet zo zijn, dan had de boer nooit kunnen begrijpen aan wie er met eup werd gerefereerd:

  • boer (terloops tijdens het hooien):
    Ef clalōerer ūsto zléfto ur vende lef ef mirs zléf eft spetsklan.
    De dochter van de molenaar is met haar haren in een tandwiel vast blijven zitten.
    boerin (3 dagen later onder het eten):
    Aftel eup gōle ral?   Is ze nu kaal?
    boer (direct reagerend):
    Siy - ur idemut kerru.   Ja - en gevild ook.
130.10

Het pragmatische domein waarbinnen de coreferentie zich afspeelt bestaat altijd uit (minimaal) twee zinnen, die we Z1 en Z2 zullen noemen. De ene coreferent staat in Z1, en de andere in Z2.
Z1 en Z2 kunnen de volgende syntactische banden met elkaar hebben (de coreferenten zijn met een subschrift gemarkeerd. De syntactische band is vet):

  1. Z1 en Z2 zijn syntactisch geheel onafhankelijk van elkaar:

    • Kost frerai pe Eeriysi. Er ér zemper doi zāre ber Hirdo.
      Mijn broer heet Eeriys. Sinds een jaar woont hij in Hirdo.
    • Tu ef flappai wóspain’ra? - We, gress efi pilde fes ef trekk.
      Waar heb je de vulpen gelaten? - O, die heb ik in de la gelegd.

  2. Z1 en Z2 zijn d.m.v. een nevenschikkend voegw. met elkaar verbonden:

    • Gress lelperre eft frerai ur doi zāre ber Hirdo.
      Ik heb een broer en hij woont in Hirdo.
    • Toje Elsai scemre ef lilt-terat tof, fra n’f tiyns arfine cupp eupi.
      Of Elsa schreeuwt de godganselijke dag of er komt geen stom woord uit.
      (lett. "... of er komt helemaal niets uit haar")

  3. Z2 is met een onderschikkend voegw. aan Z1 verbonden:

    • Kost frerai zāre ber Hirdo, janof doi ’rōme fes Depārtemen rifo Kolestiy.
      Mijn broer woont in Hirdo omdat hij op het Ministerie van Onderwijs werkt.
    • Doi zjoffe, den doi rinne quista kusama.
      Hij beweert dat hij daar goed verdient.

    De ondergeschikte zin kan ook vóór de matrixzin staan, in dit geval staat Z2 dus vóór Z1 (de labels "i" en "j" in Z1 en Z2 geven dus niet de volgorde van beide zinnen aan, maar hun onderlinge syntactische hiėrarchie):

    • Taufen Jānesi fespāre Elsaj, eupj marianaravy kiykirot ón doi.
      Hoewel Jānes een hekel heeft aan Elsa, wil zij toch met hem trouwen.

  4. Z2 is met een conjunctieve determinant en een -ilóme-constructie aan Z1 verbonden:

    • Kost frerai ker gvārce eft lelpiru jobiy, doi rinnilóme quista fes ef depārtemen.
      Mijn broer zoekt een andere baan, hoewel hij goed verdient op het ministerie.

  5. Z2 is d.m.v. een betr.vnw. met Z1 verbonden:

    • Ef ūserstriy keltei ki ef aerrf vlemóte, doi lorerdo dur terrats blūmt ef.
      De overspannen boer heeft het paard geslacht dat hij drie dagen eerder gekocht had.

  6. Z2 is met een -lira-constructie aan Z1 verbonden:

    • Ef ūserstriy keltei vlemóta ef aerrf, doi lorerdolira dur terrats blūmt ef.
      De overspannen boer heeft het paard geslacht dat hij drie dagen eerder gekocht had.
    • Petriyi zjoffe, doi rinnelira quista kusama.
      Petriy beweert dat hij daar goed verdient.

  7. Z2 is een genominaliseerde constructie (hier vet) die als zinsdeel van Z1 optreedt:

    • Petriyi zjoffe j’ršen Elsaex ef ’hattos enn doi.
      Petriy beweert voortdurend dat Elsa hem haat.
    • Yvonni šuzye eupexi ef ’heltaros enn ef boerts.
      Yvonn met.tegenzin.doen haar het melken van de koeien
      Yvonn melkt met tegenzin de koeien.

    • Lóf ef hupster arānkanolac-eksposišoexi ’quglelijos ber Ef Pārenkiy gress melde uze fes Nelandes, fittof gress nert quarderecū mittofi.
      Gedurende de tijd dat de grote spoorwegmaterieel-tentoonstelling in Ef Pārenkiy wordt gehouden, zit ik toevallig in Nederland zodat ik er niet heen kan.
130.11   ad § 130.6   b. Type van coreferentie

Een van de kernbegrippen in dit hoofdstuk is coreferentie: een zinsdeel, woordgroep of woord (kortom: element) Noot 1 dat aan dezelfde entiteit, of dezelfde groep van entiteiten, refereert als een ander element binnen hetzelfde pragmatische domein. Omdat dat andere element dan eveneens een coreferent is, zijn er per definitie altijd minimaal twee coreferenten in een en hetzelfde pragmatische domein aanwezig. Coreferentie tussen twee elementen wordt symbolisch weergegeven door: X1==X2.

      Noot 1 De noties "zinsdeel", "woordgroep" en "woord" zijn uitgelegd in § 120.11.

Coreferenten zijn onder te verdelen in:

  1. strikte coreferenten: twee coreferenten verwijzen naar dezelfde (groep van) entiteiten (de "entiteiten" kunnen personen, dieren, zaken enz. zijn); symbool: X1«»X2:

    • Petriy «» do:
      Petriy reppe den do paine-ral fes ef pitte-poh.
      Petriy zegt dat hij aan de fietstocht meedoet.
    • ef stūdents «» óps:
      Ef stūdents reppe den óps paine-ral fes ef pitte-poh.
      De studenten zeggen dat ze aan de fietstocht meedoen.
    • eup «» gress:
      Eup linna: "Aftel gress lardarog ef ardekirs?".
      Ze vroeg: "Mag ik de planten water geven?"

    Van "strikte coreferentie" is verder sprake als een element in Z2 (meestal een pers.vnw.) corefereert met de gehele semantische inhoud van zin Z1:

    • hols Petriy tisjano «» mittof:
      Hols Petriy tisjano, ur mittof melde rāviy. (vgl. § 130.32)
      Gisteren is Petriy gezakt, en dat is opmerkelijk.
      of:  Gisteren is Petriy gezakt, wat opmerkelijk is.

    Als we het in dit hoofdstuk over "coreferentie" hebben, wordt meestal "strikte coreferentie" bedoeld.

  2. gedeeltelijke coreferenten: de ene coreferent verwijst naar een groep van entiteiten, en de andere naar één of meer entiteiten die deel uitmaken van deze groep; symbolen: X1»»X2 (X1 is hoofdverzameling, X2 is deelverzameling hiervan) of X1««X2 (X1 is deelverzameling van de hoofdverzameling X2):

    • kirro »» gress en hurons »» rozas:
      Kirro lelperre pert hurons fes ef arābe, tur gress nert affionnose ef rozas.
      Wij hebben veel bloemen in de tuin, maar ik vind de rozen niet mooi.
    • Petriy «« óps:
      Petriy pilde den óps pratūs ral.
      Petriy vindt dat ze nu moeten vertrekken.
      ("ze" refereert aan een groep mensen inclusief Petriy)
    • lāen »» miterus lāen:
      Jānes sen interesere armt lāen, ur tenne do quardere eft wuxos-furt kura miterus lāen.
      Jānes interesseert zich voor ooievaars, en daarom gaat hij naar een lezing over bruine ooievaars.

    Van "gedeeltelijke coreferentie" is verder sprake als een element uit Z2 (meestal een pers.vnw.) corefereert met een deel van de semantische inhoud van Z1:

    • óps ytende beri qugle eft arābe-fenta ef pirhertel »» mittof:
      Óps ytende beri qugle eft arābe-fenta ef pirhertel, ur gress sen gladoe pip rifo mittof.
      Ze zijn van plan om volgende maand een tuinfeest te geven, en ik verheug me er al op.

    In dit voorbeeld is sprake van gedeeltelijke coreferentie omdat ik me niet verheug op het feit dat ze van plan zijn om een tuinfeest te geven, maar op de gebeurtenis die te omschrijven is als "ze geven volgende maand een tuinfeest".

  3. semantische coreferenten: de ene coreferent verwijst naar een entiteit of groep van entiteiten, en de andere verwijst naar hetzelfde soort entiteit of dezelfde soort van groep; symbool: X1~~X2:

    • chat ~~ tiyn:
      Gress lelperre eft grist chat ur Elsa lelperre eft doffiy tiyn.
      Ik heb een grijze kat en Elsa heeft een zwarte Ų.
    • zāreldurs ~~ šōts:
      Ef zāreldurs fes ef Korda-weg pónze eft kleter tojéns’, tur ef šōts fes ef Jakām-plep lelperre alt eft ditša-njamos.
      De bewoners aan de Kerkweg krijgen een nieuwe riolering, maar degenen aan de Veldlaan hebben nog steeds een lozing op de sloot.

    De term "semantische coreferentie" zal in dit hoofdstuk ook gebruikt worden als er sprake is van een identieke semantiek bij andere woordsoorten dan die welke naar entiteiten verwijzen. Semantische coreferentie kan ook bestaan bij werkw.n, additieven of voorz.s:

    • ustjāge ~~ paine:
      Gerrelt ustjāge h’et sener frera, tur ef frera nert paine Gerrelt. Noot 1
      Gerrelt bedriegt zijn broer herhaaldelijk, maar die broer doet dat niet bij Gerrelt.
      (lett. "... maar de broer doet Gerrelt niet")

    • kolai ~~ idem:
      Irtava sener pitter verfute lo kolai ur ral Lerfa lelperravy eft idem pitter. Noot 2
      Irtava heeft haar fiets geel geverfd, en nu wil Lerfa ook zo'n fiets hebben.
      (lett. "... en nu wil Lerfa een gelijksoortige fiets hebben")

    • fes ~~ ās:
      Ef cātoliyc Tigofzārs ur Lomkyzārs munke eft poriy crusa fes ef hall, tur ef Plefōzārs lelperre eft hóc présizor crusa ās ef sértmit.
      De katholieke bewoners van Tigof en Lomky hangen een sober kruis in de hal op, maar die van Plefō hebben een kunstig bewerkt kruis in de woonkamer.

    • feldre ~~ idem en kaf ~~ ās:
      Petriy feldre kaf ef kelbra, ur gress idem ās ef feldariy.
      Petriy zit op de tafel, en ik [evenzo] op de kast.

    Merk op dat semantische coreferentie graag uitgedrukt wordt met een spoor in Z2 (in plaats van pronominalisatie of deletie). Sporen worden verder behandeld in Hoofdstuk 132.

      Noot 1 Let op dat het Spokaanse werkw. paine hier een zuivere vervanger (coreferent) van ustjāge (bedriegen) is. Paine treedt dan ook op als een trans.werkw. met Gerrelt als object. Daarentegen is het Nederlandse werkw. doen géén equivalent van bedriegen, maar refereert aan de gehele beschreven gebeurtenis "Gerrelt bedriegt zijn broer herhaaldelijk". Deze gebeurtenis wordt middels "doen" geabstraheerd tot zoiets als "er bestaat een actie die omschreven kan worden als iemand bedriegt herhaaldelijk een ander". Deze abstracte voorstelling lijkt nu de referent van "doen" te zijn, waarbij de hier relevante participanten, Gerrelt en zijn broer op syntactische wijze ingepast worden. Omdat "doen" geen trans.werkw. is, zodanig dat het "Gerrelt" als object kan hebben, wordt een parafrase met "bij Gerrelt" gebruikt. Het is vooralsnog niet duidelijk hoe de Nederlandse constructie syntactisch en semantisch beschreven moet worden, maar omdat dit een grammaticaboek van het Spokaans is - en niet van het Nederlands - zullen we deze kwestie hier laten rusten.

      Noot 2 We mogen aannemen dat de kleur "geel" hier alleen kan bestaan als er een voorwerp is dat die kleur draagt. Omdat hier sprake is van 2 verschillende voorwerpen (t.w. Irtava's fiets en Lerfa's fiets) zijn er ook "twee verschillende verschijningsvormen van de kleur geel". Van één "verschijningsvorm van de kleur geel" (ofwel: één kleurenbegrip "geel"), en dus van strikte coreferentie, is sprake in:
  • Peoll ef kelbra lo kolai verfute, tūre mittof marās insule gress.
    Peoll heeft de tafel geel geschilderd, maar die kleur bevalt me niet.

130.12   Mogelijke coreferentiėle verhoudingen

Een willekeurig zinsdeel in Z1 wordt X1 genoemd, en een willekeurig zinsdeel in Z2 is X2. Het symbool "X" kan nader gespecificeerd worden, aldus:

    K1 resp. K2: de zinskernen van Z1 resp. Z2;
    B1 resp. B2: een basiselement in Z1 resp. in Z2;
    C1 resp. C2: een overig element in Z1 resp. Z2.
    Z1: de inhoud van de gehele zin Z1.
130.13

Tussen een element in Z1 en een element in Z2 kan een coreferentiėle verhouding bestaan. We kunnen de volgende verhoudingen onderscheiden:

  aa. K1==K2       ba. B1==K2       ca. C1==K2       da. Z1==K2
  ab. K1==B2bb. B1==B2cb. C1==B2db. Z1==B2
  ac. K1==C2bc. B1==C2cc. C1==C2dc. Z1==C2

Merk op dat een element in Z2 wel kan refereren aan de inhoud van de gehele voorafgaande zin Z1 (da., db., dc.), maar dat de inhoud van Z2 nooit kan corefereren met een enkel element in Z1. Bijvoorbeeld:

  • Jānes kinure graviy, ur gress chōne furt mittof.
    Jānes is erg ziek, en ik maak me daarover ongerust.
In deze zin refereert mittof (dat) aan de gehele Z1, dus: "ik maak me ongerust over het feit dat Jānes ernstig ziek is".

130.14   Kern in Z1 corefereert met element in Z2

In deze en de volgende 3 paragrafen zullen we alle mogelijkheden zoals opgesomd in § 130.13 onder de loep nemen. Coreferentie waarbij de inhoud van een gehele zin is betrokken (de gevallen da., db. en dc.) worden behandeld in § 130.32-46.
In de volgende paragrafen zijn corefererende elementen vet gedrukt:

aa.   K1==K2:

  1. Ef letras melt’ra? - Tem melde fes ef feldariy.
    Waar liggen de brieven? - Die liggen in de kast.
  2. Bereng sen sōlisitera tukst ef kleter jobiy, tūre do kadyrelije pai ef firma.
    Bereng heeft naar de nieuwe baan gesolliciteerd, maar hij wordt niet aangenomen door het bedrijf.
  3. Petriy zjoffe doex ef ’hattos enn Elsa.
    Petriy beweert dat hij Elsa haat.
  4. Lerduex ef frinta hyra uokke ral eft sigarett, eup uokkilóme ra sigarrs.
    Lerdu's vriendin rookt nu een sigaret, terwijl zij [anders] altijd sigaren rookt.
Als Z1 en Z2 een syntactische verbinding hebben, zoals in 2., 3. en 4., dan is pronominalisatie van K2 weliswaar correct, maar meestal zal de voorkeur aan deletie van K2 gegeven worden; zie § 131.??.

ab.   K1==B2:

B2 = object:

  • Bereng sen sōlisitera tukst ef kleter jobiy, tūre ef firma nert kadyravy do.
    Bereng heeft naar de nieuwe baan gesolliciteerd, maar het bedrijf wil hem niet aannemen.
B2 = echo:
  • Yvonn melde terat flifados ki, tur Lerdu crule riyfain ón eup.
    Yvonn is heel aardig, maar Lerdu gaat altijd tegen haar te keer.
B2 = subject:
  • Ef monercō enn ef villa ker lorerde, ef bjeltafiy perkilóme beri zaloelije velk pai do.
    De burgemeester heeft de villa gekocht, hoewel het contract nog door hem ondertekend moet worden.

ac.   K1==C2:

C2 = fundament van voorz.bepaling:

  • Ef kleter cōmputers pai SpoDat xagdelije lāst mink, tur rāste ’rōmavy na tem.
    De nieuwe computers zijn verleden week door SpoDat geļnstalleerd, maar niemand wil met ze werken.
  • Ef domenn znyntare 7 km-tr ur kaf mittof nert ér vildul lelde.
    Het landgoed beslaat 7 km² en er groeit niet één boom op.
C2 = genitief:
  • {Gyder colyo āntikiyn ataren tuksof Gyderex ef koffona.} >
    > Gyder colyo āntikiyn ataren tuksof sener koffona.

    Gyder verzamelde antieke atlassen tot zijn dood.
Een genitief wordt gepronominaliseerd met een bez.vnw. Bez.vnw. zijn reeds behandeld in Hoofdstuk 51.
Secundaire elementen kunnen feitelijk alleen gepronominaliseerd worden als zij een fundament in een voorz.- of gen.-bepaling zijn. Alle andere secundaire elementen (zoals plaats- en tijdsbepalingen) worden bij coreferentie door een spoor vervangen. Dit wordt behandeld in Hoofdstuk 132.

130.15   Basiselement in Z1 corefereert met element in Z2

Het basiselement kan zijn: subject (in passieve zin), object (in actieve of echo-passieve zin) of echo (in actieve of object-passieve zin).

ba.   B1==K2:

B1 = object:

  • Gress ef ārtycele armtstūdere; efs nert ’rgefūše pert kleter informaša.
    Ik heb de artikelen bestudeerd; ze bevatten niet veel nieuwe informatie.
B1 = echo:
  1. Hamja eft rofonos letra stinde ón ef prest, taufen do nert tāgare ef pošah.
    Hamja heeft een boze brief aan de directeur geschreven, hoewel hij niets afweet van de zaak.
  2. Tu šale riyfain Lerdu ón Irtava, tur eup nert tiffe jazy do.
    Je roddelt altijd over Lerdu tegen Irtava, maar ze kent hem niet eens.
B1 = subject:
  • Ef poitiyn brā wuxelije-furt pai eft pegrefyte āktōra, eup tiffilóme terat quista ki ef poit.
    Het gedicht wordt voorgedragen door een Pegrevische actrice, want zij kent de dichter erg goed.
bb.   B1==B2:

De coreferentie tussen B1 en B2 kan opgesplitst worden in de volgende mogelijkheden (S=subject; O=object; E=echo):

    B1=S en B2=S
    B1=S en B2=O
    B1=S en B2=E
    B1=O en B2=S
    B1=O en B2=O
    B1=O en B2=E
    B1=E en B2=S
    B1=E en B2=O
    B1=E en B2=E
We zullen slechts een paar van deze combinaties illustreren:

B1 = object; B2 = object:

  • Aftel tu enn ef éttels lukte? - Siy, gress tem šobiyre pip fesdu ef horp kerru.
    Heb je de borden gewassen? - Ja, ik heb ze ook al in de kast gezet.
B1 = object; B2 = echo:
  1. Do ten pūps kette ón sener sientur, tūre eup kettavy wanefts ón óps.
    Hij heeft twee katjes aan zijn moeder gegeven, maar ze wil die niet verzorgen.
  2. Elsa pai do kettelitā enn ten pūps, tūre eup kettavy wanefts ón óps.
    Aan Elsa zijn door hem twee katjes gegeven, maar ze wil die niet verzorgen.
B1 = subject; B2 = echo:
  • Crados c’rtirelije pai Yvonn, tur Lerdu crule riyfain ón eup.
    Iedereen wordt door Yvonn geholpen, maar Lerdu gaat altijd tegen haar te keer.
B1 = echo; B2 = subject:
  • Kirro chaquindara ef mōntyos ón Irtava, tur flājū pai eup painelije leldelira.
    We hebben over het probleem met Irtava gesproken, maar er is niet door haar ondernomen.
In bb. zin 1. is sprake van coreferentie tussen het object in Z1 en de echo in Z2. Bovendien corefereert de echo in Z1 (sener sientur) met de K2 eup (zie § 130.15).

bc.   B1==C2:

We zullen ons hier beperken tot C2 in de hoedanigheid van fundament in een voorz.bepaling:

B1 = object:

  1. Eup cōnsidere Eits lo eft ieacc māgazynn, tur ajir fōtōe melde net-katō fes ef.
    Ze vindt Eits een vulgair blad, maar er staan helemaal geen vieze foto's in.
    (lett. "... maar vieze foto's staan helemaal niet in het")
B1 = echo:
  1. Tu kluft fesreppe ón kost frera? - Den nert prate gress šām do.
    Wat heb je aan mijn broer beloofd? - Dat ik niet zonder hem zal vertrekken.
  2. Tu kluft fesreppe ón kost frera? - Den nert prate gress šām perd’r tu.
    Wat heb je aan mijn broer beloofd? - Dat ik niet zonder jullie zal vertrekken.
Zin 3. is een voorbeeld van gedeeltelijke coreferentie volgens het schema: kost frera «» tuMV (vgl. § 130.11  2.). Om expliciet aan te geven dat tu aan meer dan één persoon refereert (dus "jullie", en niet "jou") is perd’r toegevoegd.

130.16   Secundair element in Z1 corefereert met element in Z2

ca. C1==K2:

C1 = fundament in voorz.bepaling:

  1. Ef letra melde fes ef feldariy, tur mittof melde closs.
    De brief ligt in de kast, maar deze zit op slot.
  2. Ef gekker revuse beri pjōle lef dena roiyer ūsto, janof eup fespāre ef cātoliycers fes ef zeces.
    De leraar weigert te praten met de dochter van de boswachter, omdat zij een hekel heeft aan de katholieken in het dorp.
C1 = genitief:
  1. Lerduex ef frinta uokke eft sigarett, tussef do qu’e fes ef tult.
    Lerdu's vriendin rookt een sigaret, terwijl hij in de gang wacht.
  2. Ef gekkera revuse beri pjōle lef dena roiyer ūsto, janof do fespāre ef cātoliycers fes ef zeces.
    De lerares weigert te praten met de dochter van de boswachter, omdat hij een hekel heeft aan de katholieken in het dorp.
  3. Tuksof Gyderex ef koffona, do āntikiyn ataren colye.
    Tot Gyders dood verzamelde hij antieke atlassen.
Vergelijk zin 3. met § 130.14 aa. zin 4. Vergelijk 4. met 2.
Ook de Nederlandse vertalingen van 3. en 4. kunnen zo geļnterpreteerd worden dat het vette do aan de gen.-bepaling refereert: in 3. kan het Lerdu zijn die in de gang wacht; in 4. kan het zo zijn dat de lerares weigert te praten met de boswachter. Echter, de Nederlandse vertaling van 5. sluit uit dat Gyder antieke atlassen verzamelde: het Nederlands eist hier een duidelijke disreferentie tussen "Gyder" en "hij". In het Spokaans daarentegen kan er wel van coreferentie sprake zijn.

cb.   C1==B2:

C1 = fundament in voorz.bepaling; B1 = object:

  1. Hamja tiffe, ef letras meldelira fes ef feldariy, tūre eup dare beri tuffese mittof.
    Hamja weet dat de brieven in de kast liggen, maar ze durft dieENK niet open te maken.
  2. Lerdu wa'ére fes ef kokmit Elsaex ef ’verfutos enn mittof.
    Lerdu ontkent in de keuken Elsa's het schilderen van die Lerdu ontkent in de keuken dat Elsa die gaat schilderen.
In 2. corefereert het fundament C1 ef kokmit met het object B2 in de cursieve genominaliseerde constructie.

cc.   C1==C2:

  • Lerdu wa'ére fes ef kokmit Elsaex ef ’xagdos enn eft tijā-fōltser fes mittof.
    Lerdu ontkent in de keuken Elsa's het installeren van een afzuigkap in die
    Lerdu ontkent in de keuken dat Elsa daarin een afzuigkap gaat installeren.
  1. Fara ef kōbo n’le, dus kirro larde riyfain fes ef arābe, tur Firm ur Tek feldre kvā ās ef. Noot 1
    Als de zon schijnt eten wij altijd in de tuin, maar Firm en Tek zitten er nooit in.
Zin 1. is ambigu omdat C2 ās ef zowel strikt coreferentieel (C1«»C2) als semantisch coreferentieel (C1~~C2) kan zijn. Voor opheffing van deze ambiguļteit, zie § 130.58.

      Noot 1 In Z1 staat het voorz. fes; in Z2 is dit voorz. vervangen door ās, dat als coreferent van fes optreedt. Het zogenoemde dode voorz. ās wordt behandeld in § 132.??.

130.17   Ambiguļteit na pronominalisatie

In § 130.14-16 zijn de voorbeelden bewust zo gekozen dat zij maar voor één interpretatie vatbaar zijn: het gepronominaliseerde element in Z2 kan maar met één element in Z1 corefereren. Noot 1 Zijn er meer elementen in Z1 waarmee X2 kan corefereren, dan is er in principe sprake van ambiguļteit. Tot op zekere hoogte wordt een tweeduidige lezing tegengewerkt door de volgende vier tendenzen:

     T1.     een voorn.woord in Z2 corefereert het liefst met een identiek
voorn.woord in Z1;
     T2. K2 corefereert het liefst met K1;
     T3. X2 corefereert het liefst met een element in Z1 dat een identieke
syntactische functie heeft;
     T4. X2 corefereert het liefst met een element in Z1 dat zo ver mogelijk
aan het eind van Z1 staat.

De vier tendenzen kennen de volgende hiėrarchie: T1 heeft groot overwicht over alle andere tendenzen; T2 heeft overwicht over T3 en T4; T3 heeft nauwelijks overwicht over T4..
Deze tendenzen en hun onderlinge verhoudingen zijn onder de notie syntactische coreferentiedwang beschreven in Charlotte Hermans' artikel Ideāmbiguere-qurstoxuriys luft roni-riffos ("Disambigueringsstrategieėn bij pronominalisatie", 1985).

      Noot 1 Zie echter § 130.21-26 voor deiktische coreferentie, d.w.z. dat een voorn.woord dikwijls kan refereren aan een buitentalige entiteit, in plaats van aan een entiteit in Z1.

130.18

Vergelijk:

  1. Berengi informera nurpel Hernegj kura ef pošah, brā doi/j prate pip mas 'kara Nie-York.
    Bereng heeft Herneg direct geļnformeerd over de zaak, want hij vertrekt morgen al naar New York.
  2. Hernegi pai Berengj informerelije nurpel kura ef pošah, brā doi/j prate pip mas 'kara Nie-York.
    Herneg is door Bereng direct geļnformeerd over de zaak, want hij vertrekt morgen al naar New York.
  3. Berengi informera nurpel doj kura ef pošah, brā do?i/j prate pip mas 'kara Nie-York.
    Bereng heeft hem direct geļnformeerd over de zaak, want hij vertrekt morgen al naar New York. (Het vette do in Z1 refereert hier aan "Herneg" en is het resultaat van een eerdere pronominalisatie)
Op de vraag "wie vertrekt er naar New York?" zullen de meesten bij zin a. "Bereng" noemen, en bij de zinnen b. en c. "Herneg". De sterke voorkeur voor "Bereng" in a. is een gevolg van de tendenzen T2 en T3:

     T2.     bij K2 do wordt K1 Bereng als coreferent gekozen;
     T3. bij subject do wordt subject Bereng als coreferent gekozen.

De minder sterke voorkeur voor "Herneg" in b. is een gevolg van T2: bij K2 do wordt K1 Herneg als coreferent gekozen. Hierbij wordt T3 overschaduwt: bij subject do wordt subject Bereng als coreferent gekozen.
Bij zin c. speelt tendens T1 de belangrijkste rol: er is dan ook een zeer sterke voorkeur om Z1 do en Z2 do als coreferenten te beschouwen. Voor sommige Spokaniėrs is het uitgesloten dat Z2 do ooit aan Z1 Bereng zou kunnen refereren: T1 schakelt T2 en T3 dus geheel uit. Noot 1

      Noot 1 In het geval van coreferentie tussen K2 do en K1 Bereng kan het beste voor deletie van K2 gekozen worden: Berengi informera nurpel doj kura ef pošah, brā Ųi prate pip mas 'kara Nie-York. Zie verder § 131.??.

130.19

Vergelijk § 130.15 ba. zin 1. met:

  1. Tu šale riyfain Lerdui ón Jānesj, tur tu nert tiffe jazy doi/j.
    Je roddelt altijd over Lerdu tegen Jānes, maar je kent hem niet eens.
Zin a. is ambigu, omdat Z1 twee basiselementen bevat (Lerdu en Jānes) die in aanmerking komen als referent voor do in Z2. Tendens T3 (§ 130.17) zal echter voorspellen dat do het liefste corefereert met Lerdu (beide zijn object). Maar T4 zal voorspellen dat do wil corefereren met Jānes (de laatst genoemde kandidaat in Z1, die het dichtste bij do staat). Omdat T3 en T4 ongeveer even krachtig zijn, blijft de ambiguļteit in a. sterk aanwezig, en zal de spreker een of andere disambigueringsstrategie moeten toepassen.

130.20

Vergelijk § 130.16 ca. zin 1. met:

  1. Ef smurf-skrenni melde fes ef feldariyj, tur mittofi/j melde closs.
    Het geldkistje staat in de kast, maar dit/deze zit op slot.
In ca. zin 1. is de coreferentie tussen feldariy en mittof logisch omdat "kasten" nu eenmaal op slot kunnen, en "brieven" niet. Variant a. is echter ambigu omdat ook een "geldkistje" op slot kan. De tendenzen T2 en T3 voorspellen echter dat mittof het liefst smurf-skrenn refereert (beide zijn kern en beide zijn subject). Coreferentie tussen mittof en smurf-skrenn kan expliciet uitgedrukt worden door K2 te deleren (zie § 131.??); Coreferentie tussen ef feldariy en mittof kan expliciet uitgedrukt worden door ef feldariy voor coreferentie te markeren (zie § 130.51).

130.21   Contextuele en deiktische coreferentie

Alle vormen van coreferentie, zoals besproken in § 130.14-20, vallen onder de contextuele coreferentie. Hiermee wordt bedoeld dat beide coreferenten binnen één talige context aanwezig zijn. Met name in de spreektaal kan het voorkomen dat slechts een van de coreferenten genoemd wordt, terwijl de andere coreferent alleen begrepen wordt, omdat spreker en hoorder dezelfde "kennis van de wereld" bezitten. Stel de volgende situatie: Yvonn vindt de sleutelbos van Petriy op tafel; Petriy is de deur uitgegaan; Elsa is er getuige van dat Yvonn de sleutels vindt en zij weet dat Petriy vertrokken is. In dit geval is zin 1. (gesproken door Yvonn) geheel begrijpelijk voor Elsa:

  1. Ral do enn sener kés ufege pipwet!
    Nou heeft hij alweer zijn sleutels vergeten!
Gezien de situatie, ofwel de buitentalige context, begrijpt Elsa dat do aan "Petriy" moet refereren. In dit geval is do dus de ene coreferent, en de persoon van wie de gesprekspartners weten dat hij de deur is uitgegaan, de andere coreferent. Deze buitentalige coreferent zullen we de deiktische coreferent noemen. Het onderscheid contextueel~deiktisch wordt hier op dezelfde manier gebruikt als bij aanw.vnw.n, zoals uitgelegd in § 52.2.

130.22

Een ander voorbeeld van een deiktische coreferent is te vinden in 2b. hieronder. Vergelijk dit met de contextuele coreferent in 2a.:

  1. a. Gress nert kuntiyre ur do paine noi kerru.
        Ik steel niet, en hij doet dat ook niet.
    b. Nert paine-tūe!   Doe [dat] niet!; Niet doen!
In 2. hebben we te maken met semantische coreferentie zoals bedoeld in § 130.11  3.. In 2a. verwijzen kuntiyre (stelen) en paine (doen) naar dezelfde soort handeling "stelen". In 2b. daarentegen is de coreferent bij paine alleen te begrijpen uit de buitentalige context, bijvoorbeeld de volgende situatie: een moeder is met haar kind in de winkel, en het kind pakt een appel. De moeder zegt zin 2b. tegen haar kind. Nu refereert paine aan de handeling van "pakken" of "stelen". Merk op dat paine voorkomt zónder een object. Daarmee geeft de moeder te kennen dat zij ook meer in het algemeen de handeling die het kind verricht verbiedt, ongeacht wat dat kind pakt/steelt. Meer over het werkw. paine, met en zonder object, is te vinden in § 132.pa1-pa2.

130.23

Als Z2 een pers.vnw. 3e persoon bevat, is coreferentie tussen dit pers.vnw. en een element in Z1 nooit per definitie zeker, want elk pers.vnw. 3p kan ook aan een buitentalige entiteit refereren, ofwel: er kan altijd een deiktische coreferent in het spel zijn. Deiktische coreferentie is echter uitgesloten bij gress (ik), resp. tuENK (jij) en g’rsENK (u), want deze pers.vnw.n kunnen alleen refereren aan de spreker, resp. de toegesprokene; vergelijk (het subschrift "j" refereert aan een buitentalige coreferent, daarom ontbreekt een tegenhanger van "j" in Z1):

  1. Do/Petriyi tinde fesért, brā doi/j ’rōmāt velk pert.
    Hij/Petriy blijft thuis, want hij moet nog veel werk doen.
  2. Gressi tinde fesért, brā gressi/*j ’rōmāt velk pert.
    Ik blijf thuis, want ik moet nog veel werk doen.
  3. Ef melde gulder den tu/g’rsi tinde fesért, fara tu/g’rsi/*j ’rōmāt velk fit pert.
    Het is beter dat je/uENK thuisblijft, als je/uENK nog zo veel werk moet doen.
130.24

Echter, als tu en g’rs een meervoud uitdrukken, is referentie aan buitentalige entiteiten goed mogelijk. Om de precieze betekenis van de meervoudige vormen tu en g’rs te kunnen definiėren, maken we gebruik van de volgende symbolen:

    A = aangesprokene[n] (dus: "jij" of "jullie")
    R = buitentalige referent[en] (dus: "hij", "zijENK" of "zijMV")
De pers.vnw.n tu en g’rs kunnen nu, voor zover zij een meervoudige interpretatie hebben, aan de volgende groepen van entiteiten refereren:
    tu/g’rs = A   of   tu/g’rs = A+R
Deze 2 verschillende interpretaties die tu en g’rs kunnen hebben, impliceren dat elke taaluiting waarin sprake is van coreferentie tussen tu/g’rs in Z1 en tu/g’rs in Z2, in principe ambigu is. Bijvoorbeeld (vergelijk § 130.23 zin 3.):
  1. Ef melde gulder den tu/g’rsi tinde fesért, fara tu/g’rsi/j ’rōmūs velk fit pert.
    a. Het is beter dat jullie/uMV thuisblijven, als jullie/uMV nog zo veel werk
        moeten doen.
    b. Het is beter dat je/uENK thuisblijft, als jullie/uMV nog zo veel werk
        moeten doen. Noot 1
Indien K1 tu/g’rs als meervoudig wordt opgevat geldt lezing a. In dit geval kan 1. zo geļnterpreteerd worden dat K1 refereert aan de personen X en Y (tegen wie de zin wordt gezegd). K2 tu/g’rs kan dan bijvoorbeeld refereren aan X+Y (strikte coreferentie: K1«»K2); of aan X+Y+Z (gedeeltelijke coreferentie: K1««K2).
Indien K1 tu/g’rs als enkelvoudig wordt opgevat geldt lezing b. Nu kan 1. zo geļnterpreteerd worden dat K1 refereert aan persoon X (tegen wie de zin wordt gezegd), terwijl K2 tu/g’rs refereert aan X+Y (in ieder geval moet X erbij zijn). We hebben hier weer met gedeeltelijke coreferentie te maken: K1««K2.

      Noot 1 In Z2 kan tu/g’rs alleen maar meervoudig zijn, gezien de congruerende meervoudsvorm ’rōmūs (moeten werken).

130.25

Iets dergelijks is ook aan de hand bij kirro. Voor de beschrijving van dit pers.vnw. zijn niet alleen A en R nodig (zie boven), maar bovendien S = spreker (dus "ik"). Voor kirro kunnen nu de volgende groepen van entiteiten gedefinieerd worden:

    kirro = S+A   of   kirro = S+R   of   kirro = S+A+R
Deze 3 verschillende "betekenissen" die kirro kan hebben, impliceren dat elke taaluiting waarin sprake is van coreferentie tussen kirro in Z1 en kirro in Z2, in principe dubbel ambigu is. Vergelijk § 130.23 zin 2. met:
  1. Kirroi tinde fesért, brā kirroi/j ’rōmūs velk pert.
    We blijven thuis, want we moeten nog veel werk doen.
Stel dat K1 kirro refereert aan X (de spreker) en Y (aangesprokene), dan kan K2 kirro refereren aan X+Y (strikte coreferentie: K1«»K2), aan X+Y+Z (gedeeltelijke coreferentie: K1««K2), of aan X+Z (ook gedeeltelijke coreferentie, maar dan zo dat een deel van de verzameling van K1 corefereert met een deel van de verzameling van K2).

130.26

Als tu/g’rs zowel in Z1 als in Z2 expliciet enkelvoudig is (wat kan blijken uit een enkelvoudig modaal suffix), dan is alleen strikte coreferentie mogelijk (want beide tu/g’rs in Z1 en Z2 refereren aan dezelfde aangesproken persoon), en is er dus geen sprake van ambiguļteit, zoals in:

  • Tui rafanāt piti Petriy, den tui/*j trempavy groft mimpit h’.
    Je moet aan Petriy vertellen dat je zijn boek nog een keer wil lezen.
130.27   De tweede coreferent wordt een voorn.woord; de eerste blijft een lexicaal element

Als twee constituenten corefereren, zal de eerste constituent nooit in aanmerking kunnen komen voor pronominalisatie. Pronominalisatie is alleen mogelijk als de entiteit in kwestie reeds als zodanig is geļntroduceerd. Omdat X2 meestal achter X1 staat, wordt X2 dus meestal een voorn.woord en blijft X1 een lexicaal element. Vergelijk:

  1. Kost frerai zāre ber Hirdo ur doi ’rōme ber Blort.
    Mijn broer woont in Hirdo en hij werkt in Blort.
  2. Doi zāre ber Hirdo ur kost freraj ’rōme ber Blort.
    Hij woont in Hirdo en mijn broer werkt in Blort.
  1. Ef 'jani scemrelira ón ef menestera ur tenne ef āpip ’rtrjōmpe doi. Noot 1
    De jongen staat tegen de (vrouwelijke) minister te schreeuwen en daarom stuurt de politieagent hem weg.
  2. Doi scemrelira ón ef menester ur tenne ef āpip ’rtrjōmpe ef 'janj.
    Hij staat tegen de minister te schreeuwen en daarom stuurt de politieagent de jongen weg.
  1. Eup šobiyre sener waleri kaf eft wāriy, janof doi enn ef weinoh koldre-kest.
    Ze geeft haar zoon een standje, omdat hij het glas wijn heeft omgegooid.
  2. Eup šobiyre doi kaf eft wāriy, janof sener walerj enn ef weinoh koldre-kest.
    Ze geeft hem een standje, omdat haar zoon het glas wijn heeft omgegooid.
  1. Gress ’réste armt Lāferi, brā Enel enn doi lajete fit.
    Ik heb met Lāfer te doen, want Enel heeft hem zo uitgescholden.
  2. Gress ’réste armt doi, brā Enel enn Lāferj lajete fit.
    Ik heb met hem te doen, want Enel heeft Lāfer zo uitgescholden.
Zoals de subschriften in deze voorbeelden aangeven, wordt do in de a-zinnen geļnterpreteerd als corefererent van de voorafgaande vette constituent. In de b-zinnen kan do nooit corefereren met de vette constituent: hier is sprake van disreferentie. De disreferentie die in de b-zinnen expliciet (d.w.z. op syntactische wijze) wordt uitgedrukt, kan in conflict komen met de coreferentie die men vanuit semantisch oogpunt zou wensen. Dit is goed waarneembaar in voorbeeld 2b.: deze zin is niet bepaald logisch als we aannemen dat de politieagent een jongen wegstuurt omdat een ander tegen de minister staat te schreeuwen. Toch is dit de enige interpretatie die de Spokaanse zin kan hebben. Noot 2

      Noot 1 Hier is voor de vrouwelijke vorm menestera gekozen, om te voorkomen dat deze voorbeeldzin dubbel-ambigu zou worden: immers, do had ook aan een mannelijke minister kunnen refereren, zodat we de ietwat vreemde situatie krijgen dat de jongen staat te schreeuwen, maar de minister weggestuurd wordt!

      Noot 2 In het Nederlands lijkt disreferentie zich minder sterk op te dringen als een pers.vnw. vóór een expliciet genoemde entiteit staat. Een zin als Hij staat tegen de minister te
schreeuwen en daarom stuurt de politie de jongen weg
kan heel goed zo geļnterpreteerd worden dat het initiėle "hij" aan de verderop in de zin genoemde "jongen" refereert. Nog duidelijker is dat in een zin als Als je hem zo zit aan te staren wordt Piet zenuwachtig. Hier kan "hem" heel goed met "Piet" corefereren.

130.28

Als een ondergeschikte bijzin vóór de matrixzin staat, wordt X1 gepronominaliseerd, en blijft X2 een lexicaal element. Vergelijk:

  1. Ef polišo ef wegi cjolare, janof mittofi plitiye pijā.
    De politie heeft de weg afgesloten omdat deze geheel overstroomd is.
  2. Janof ef wegi plitiye pijā, ef polišo mittofi cjolare.
    Omdat de weg geheel overstroomd is, heeft de politie deze afgesloten.
130.29

Ook bij genominaliseerde constructies is het mogelijk dat X2 vóór X1 komt te staan. In dat geval moet X1 gepronominaliseerd worden en blijft X2 een lexicaal element. Vergelijk a. (herhaling van § 130.16 cb. 2.) met b.:

  1. Lerdu wa'ére fes ef kokmiti Elsaex ’verfutos enn mittofi.
    Lerdu ontkent in de keuken dat Elsa die gaat schilderen.
  2. Lerdu Elsaex ’verfutos enn ef kokmiti wa'ére fes mittofi.
    Lerdu heeft in de keuken ontkent dat Elsa die gaat schilderen.
In beide voorbeelden treedt de cursief gedrukte genominaliseerde zin (Z2) op als object bij het Z1-werkw. wa'ére. Het object (B2) in de genominaliseerde Z2 corefereert met het fundament van de voorz.bepaling in Z1 (C1 = ef kokmit). Omdat Z2 in de def.tijd vóór P1 wa'ére staat (voorbeeld b.), komt ook B2 vóór C1 te staan. In dat geval moet C1 gepronominaliseerd worden, want het corefererende pers.vnw. moet altijd įchter de lexicale coreferent komen.

130.30

Een bijzonder geval is geļllustreerd in:

  • Lerdui zjoffe den ópsi+j enn ef letra kettare kvā, ur Tekj reppe den eup enn ef koldre-tijā, tur tersasi+j merfe. (zie ook § 130.64)
    Lerdu beweert dat ze de brief nooit ontvangen hebben, en Tek zegt dat ze die weggegooid heeft, maar ze liegen alletwee.
Óps corefereert met Lerdu (Lerdu «« óps), en het pers.vnw. staat geheel volgens de regels achter de lexicale coreferent. Maar óps corefereert eveneens met Tek, wat volgens § 130.27 nooit zou mogen. De gedeeltelijke coreferentie óps »» Tek is mogelijk omdat óps reeds vanwege de (gedeeltelijke) coreferentie met Lerdu geļntroduceerd is, en omdat we weten dat Lerdu en Tek als één "verzameling" beschouwd kunnen worden, is het mogelijk om ook Tek als coreferent van óps te zien, zodra het element Tek in de zinsconstructie verschijnt. Merk verder op dat ook tersas een gedeeltelijke coreferent met zowel Lerdu als Tek is.

130.31   X1 is bez.vnw. en corefereert met X2

Disreferentie die in het Spokaans zo prominent aanwezig is als een persoonlijk vnw. vóór een lexicaal element staat, is niet per se aanwezig bij bezittelijke vnw.n. Vergelijk:

  1. Tuksof doi/*j tijāfarto armt kānks, Gyderj enn āntikiyn ataren colye.
    Totdat hij aan kanker bezweek, verzamelde Gyder antieke atlassen.
  2. Tuksof grofti/j koffona, Gyderi enn āntikiyn ataren colye.
    Tot zijn dood, verzamelde Gyder antieke atlassen.
Zin a. kan alleen zo geļnterpreteerd worden dat iemand anders dan Gyder aan kanker is bezweken (in het Nederlands is een coreferentiėle lezing wčl mogelijk).
Zin b. daarentegen is ambigu: óf Gyder is zelf dood, óf een ander is dood.

130.32   Z1==X2   (X2 corefereert met inhoud van gehele Z1)

Pronominalisatie, zoals bedoeld in de vorige paragrafen, houdt in dat een coreferent in Z2 door een pers.vnw. (soms betr.vnw.) wordt uitgedrukt. De andere coreferent is een element in Z1. Het is ook mogelijk dat (de inhoud van) de gehele Z1 als andere coreferent optreedt; in dat geval kent het Spokaans een pronominalisatie met mittof (het, dat) (en niet met het meer algemene ef). In het Nederlands kan soms ook een relatieve bijzin met het voegw. "wat" gebruikt worden. Dit gebruik van mittof is reeds in § 70.23 en § 70.33-34 aan de orde gekomen, en we zullen er nu wat dieper op ingaan. Bekijk eerst de volgende voorbeelden:

  1. Hols Petriy tisjano, ur mittof melde rāviy.
    Gisteren is Petriy gezakt, en dat is opmerkelijk.
    of:  Gisteren is Petriy gezakt, wat opmerkelijk is.

  2. Petroa ker lorertavy eft florta, ef mariant sen nert vonilóme mittof.
    Petroa wil een ezel kopen, hoewel haar man het daarmee niet eens is.

  3. Hānes ker zurtputto pipwet, ef gekker mittof elkianilóme clerr katō ón do.
    Hānes heeft alweer gespijbeld, hoewel de leraar hem dat uitdrukkelijk verboden heeft.

  4. Ef ’ksanera cradef miflifs ma kirture beri c’rbare rifo wōx, belt insūcōm mittof xafolléilóme ump eup.
    De buurvrouw heeft alle ramen van tralies laten voorzien, omdat haar verzekeringsmaatschappij haar dat opgedragen heeft.
130.33

We kunnen aantonen dat mittof in voorbeelden 1.-4. aan de gehele inhoud van Z1 refereert door Z2 een vraagvorm te geven. Het antwoord bevat dan alle componenten die in Z1 zijn terug te vinden. Bij 1. resulteert dit in: "wat is er opmerkelijk?". Antwoord: "dat Petriy gisteren gezakt is". Bij 2. geldt: "waarmee is de man het niet eens?". Antwoord: "dat Petroa een ezel wil kopen". Bij 3. geldt: "wat heeft de leraar Hānes uitdrukkelijk verboden?". Antwoord: "dat hij (=Hānes) alweer spijbelt". En bij 4. kunnen we ons het volgende vraag/antwoordspel voorstellen: "wat heeft de verzekeringsmaatschappij aan de buurvrouw opgedragen?". Antwoord: "dat zij (=de buurvrouw) alle ramen van tralies laat voorzien".

130.34   Z1»»X2   (X2 corefereert met inhoud van deel van Z1)

Mittof kan ook gebruikt worden om aan een deel van Z1 te refereren waarbij in ieder geval het hoofdwerkw. betrokken is. Vergelijk 1.-4. in § 130.32 met de volgende voorbeelden, waarin de coreferent van mittof is onderstreept:

  1. Jān rafana den Petriy tisjano, ur mittof melde rāviy.
    Jān vertelde dat Petriy gezakt is, en dat is opmerkelijk.
    of:  Jān vertelde dat Petriy gezakt is, wat opmerkelijk is/was.

  2. Petroa ker lorertavy eft kleter vākumm, ef mariant mittof painilóme pip.
    Petroa wil een nieuwe stofzuiger kopen, hoewel haar man dat al gedaan heeft.

  3. Hānes ker zurtputto pipwet, ef gekker mittof elkianilóme clerr katō.
    Hānes heeft alweer gespijbeld, hoewel de leraar dat uitdrukkelijk verboden heeft.

  4. Ef ’ksanera cradef miflifs ma kirture beri c’rbare rifo wōx, eup quppilóme mittof lo qurubo terat.
    De buurvrouw heeft alle ramen van tralies laten voorzien, omdat ze dat veiliger acht.
130.35

In de vorige paragraaf blijkt hoe grillig de coreferent van mittof in Z1 verwerkt kan zijn. In zin 1. is de performatieve bijzin zo'n coreferent: op de vraag "wat was opmerkelijk?" moet hier geantwoord worden "dat Petriy gezakt is", en niet: "dat Jān vertelde dat Petriy gezakt is".
Bij 2. kan de vraag gesteld worden: "wat heeft Petroa's man al gedaan?". Het antwoord is: "een nieuwe stofzuiger kopen". Hier vallen zowel het subject Petroa als het modale suffix -avy buiten het coreferentie-domein van mittof. Noot 1
In 3. heeft de leraar iets verboden aan al zijn leerlingen (en niet alleen aan Hānes, zoals in zin 3. van § 130.32). "Wat heeft de leraar verboden?". Antwoord: "om te spijbelen". Het ligt hier voor de hand om zowel Hānes als pipwet buiten het coreferentie-domein van mittof te houden.
Bij 4. tenslotte kunnen we vragen: "wat acht de buurvrouw veiliger?". Het meest voor de hand liggende antwoord is: "ramen die van tralies zijn voorzien". Het is hier onzin om de causatieve handeling uitgedrukt met kirture (laten) of de buurvrouw zelf te betrekken bij het veiligheidsaspect dat ze nastreeft.

      Noot 1 In § 132.?? wordt de dubbelzinnigheid van paine (doen) besproken. Dit werkw. kan op twee manieren optreden: i. als een semantisch lege dummy die alleen toegevoegd wordt om een onbezette werkw.-positie te vullen; ii. als een vervanger van het predikaat in Z1. In geval i. refereert het object mittof aan (een deel van) Z1; in geval ii. refereert mittof eventueel aan het object in Z1. We nemen bij voorbeeld 2. aan dat paine volgens i. gebruikt wordt. Wordt paine volgens ii. gebruikt, dan moet de Spokaanse vraag Petroaer merater kluft paine pip? begrepen worden als "Wat heeft Petroa's man al gekocht?", zodat het enige juiste antwoord is: eft vākumm (een stofzuiger).

130.36

Uit de analyse in de vorige paragraaf blijkt de enorme syntactische variatie van de coreferent van mittof in Z2. We kunnen eigenlijk niet spreken van één corefererend Z1-element of één reeks elementen die als coreferent optreedt, omdat er verschillende delen van Z1 tot de coreferentie kunnen behoren: niet alleen zinsdelen, maar ook woorden en zelfs woorddelen. Het is vooralsnog niet geheel duidelijk in hoeverre de precieze coreferent van mittof te voorspellen is. Geeneg Sandman-Seftāc heeft in zijn artikel Ef wišos rifo ef painoronis "ef" ur "mittof" ("De referentie van de persoonlijke voornaamwoorden 'ef' en 'mittof'", 1988) een poging gedaan om dit probleem met behulp van een syntactische en semantische analyse van Z1 en Z2 op te lossen, maar ook hij is daar niet geheel in geslaagd.

130.37

Mittof refereert aan een gehele zin (of deel ervan), maar als we alleen aan een hoofdwerkw. willen refereren kunnen met name in de spreektaal ook ef of mit gebruikt worden. Voorwaarde is dan wel dat ef en mit na een hulpwerkw. volgen, en dus op de positie staan die feitelijk bestemd is voor een infinitiefcomplement (beri + hoofdwerkw.). Bijvoorbeeld (het vette pers.vnw. refereert aan het vette zinsdeel):

  1. £ Aftel stus geldre beri uokke kusami? - Noft, stus nert geldre ef/mit.
    Mag men hier roken? - Nee, dat mag men niet.
  2. £ Aftel stus kurre beri riffe ef oto? - Siy, stus kurre ef/mit.
    Kan men de auto maken? - Ja, dat kan men.
  3. £ Kabra trije beri ides’rte ef ihyt luktotomat, tūre eup eftarse ef/mit.
    Kabra probeert de zware wasautomaat te verplaatsen, maar het lukt haar niet.
  4. £ Hena orefante fes ef ses jadāk tof, brā eup affionnose jazy ef/mit.
    (vgl. § 130.65 zin 4.)
    Hena zwemt elke dag in het meer, want ze houdt er zo van.
  5. £ Gress riffe kol eft koffon cōmputer? - Nert lappe-tūe kafonn mittof: tu kurre liyche ef/mit.
    Hoe repareer ik een kapotte computer? - Begin daar niet aan: je kan dat toch niet.
  6. £ Jeto jola-xlāte riyfain fara prinsypp ur Olyva paine ef/mit kvā.
    (vgl. § 130.65 zin 6.)
    Jeto rijdt in principe altijd zwart (zonder een kaartje te kopen) en Olyva doet dat nooit.
130.38

Het gebruik van ef en mit als referenten aan een hoofdwerkw. is in 1.-3. (vorige paragraaf) het minst omstreden, en wel omdat ef/mit refereert aan een infinitiefcomplement: zowel in Z1 als in Z2 gaat het om een hulpwerkw., gevolgd door een infinitief, en in Z2 is deze infinitief gepronominaliseerd. Een dergelijke pronominalisatie is begrijpelijk als we ons realiseren dat infinitieven verwantschap tonen met subst.n (ze kunnen ook door het lidw. ef gemarkeerd worden, zie § 50.35). In voorbeeld 6. is sprake van semantische coreferentie: jola-xlāte ~~ ef/mit. I.p.v. een hulpwerkw. is hier de "hulp-dummy" paine gebruikt. Zie § 132.??.
De voorbeelden 4.-6. zijn niet voor iedereen acceptabel, omdat ef/mit de positie van een infinitiefcomplement inneemt (namelijk na een hulpwerkw. resp. "hulp-dummy"), maar tegelijkertijd refereert aan een finiete vorm. Bovendien hebben finiete vormen geen verwantschap met subst.n, dus een pronominalisatie is nogal vreemd. Toch worden constructies als 4., 5. en 6. (waarin ef/mit aan een finiete vorm refereert) steeds vaker in gesproken Spokaans aangetroffen. Kojen-Pōt (1963) en Ripau (1965) keurden zulke constructies absoluut af, maar Tiffug-Queriše (1983) noemt ze terloops als volledig acceptabel.
Sommige sprekers laten ef of mit geheel weg; dit gebeurt met name bij een aantal specifieke werkwoorden. Zie hiervoor § 131.mit.

130.39

De constructies volgens § 130.37 1.-6. dienen in verzorgde schrijftaal hoe dan ook vermeden te worden. Hier gebruikt men liever constructies met het werkw. paine als vervanger van het hoofdwerkw. in Z1. De voorbeelden uit § 130.37 zijn hieronder als de a-zinnen herhaald. Vergelijk ze met de b-varianten:

  1. £ Aftel stus geldre beri uokke kusami? - Noft, stus nert geldre ef/mit.
  2. Aftel stus geldre beri uokke kusami? - Noft, stus nert geldre beri paine.
  1. £ Aftel stus kurre beri riffe ef oto? - Siy, stus kurre ef/mit.
  2. Aftel stus kurre beri riffe ef oto? - Siy, stus kurre beri paine.
  1. £ Kabra trije beri ides’rte ef ihyt luktotomat, tūre eup eftarse ef/mit.
  2. Kabra trije beri ides’rte ef ihyt luktotomat, tūre eup eftarse beri paine.
  1. £ Hena orefante fes ef ses jadāk tof, brā eup affionnose jazy ef/mit.
  2. Hena orefante fes ef ses jadāk tof, brā eup affionnose beri paine jazy.
  1. £ Gress riffe kol eft koffon cōmputer? - Nert lappe-tūe kafonn mittof: tu kurre liyche ef/mit.
  2. Gress riffe kol eft koffon cōmputer? - Nert lappe-tūe kafonn mittof: tu kurre beri paine liyche.
  1. £ Jeto jola-xlāte riyfain fara prinsypp ur Olyva paine ef/mit kvā.
  2. Jeto jola-xlāte riyfain fara prinsypp ur Olyva paine kvā.
Merk op dat paine in de b-voorbeelden een vervanger voor het vette werkw. in Z1 is, en niet een lege "dummy". Een Spokaanse vraag als Kabra nert eftarse beri paine kluft? moet dan ook begrepen worden als "Wat lukt Kabra niet om te verplaatsen?". Het antwoord is dus "de zware wasautomaat". Deze Spokaanse vraag kan dus niet vertaald worden met "Wat lukt Kabra niet om te doen?", want dan zou het antwoord moeten luiden: "de zware wasautomaat verplaatsen".
Extra aandacht verdienen de varianten 6a. en 6b.: in 6a. is paine een toegevoegde dummy terwijl ef/mit met jola-xlāte corefereert. In 6b. is paine een vervanger van jola-xlāte. Zie verder § 132.?? voor deze dubbele betekenis van paine.

130.40

Vergelijk § 130.37 voorbeelden 1. en 2. ten slotte nog met:

  • Aftel stus gelde beri uokke kusami? - Mittof melde posibla.
    Mag men hier roken? - Dat is mogelijk.
  • Aftel stus geldre beri uokke kusami? - Gress nert tiffe mittof.
    Mag men hier roken? - Dat weet ik niet; Ik weet het niet.
Hier refereert mittof aan de gehele Z1. Dit is besproken in § 130.32.

130.41   Inhoud ~ taaluiting

Het verschil tussen i. de inhoud van Z1 en ii. Z1 als taaluiting kan met het volgende voorbeeld verduidelijkt worden: stel dat A tegen B zegt: "Charlotte vindt jou een klootzak". Als B hierop reageert met: "Dat vind ik niet aardig", dan kan B twee dingen bedoelen: i. B vindt het niet aardig dat Charlotte hem een klootzak vindt (B refereert nu aan de inhoud), of ii. B vindt het niet aardig dat A dit zegt (B refereert nu aan de taaluiting gedaan door A). Dit onderscheid komt in het Nederlands niet tot uitdrukking (omdat het pers.vnw. "dat" in B's reactie ambigu is), maar in het Spokaans wordt er wel een onderscheid gemaakt.

130.42

In § 130.32 is uitgelegd hoe mittof aan de inhoud van Z1 refereert. Als we daarentegen aan Z1 als taaluiting willen refereren, gebruiken we het zelfst.vnw. pana Noot 1. Vergelijk de reacties van Biyx en Ciyx met elkaar:

    Akel:   
Zita cōnsidere tu lo eft zollū.
Zita vindt jou een kluns.
    Biyx:
Gress cōnsidere mittof lo eft missis-rāviy.
Dat vind ik een rotopmerking.
    Ciyx:
Gress cōnsidere pana lo eft missis-rāviy.
Dat vind ik een rotopmerking.

Het antwoord van Biyx refereert aan datgene wat Zita heeft gezegd (dus aan de inhoud van Akels taaluiting). Biyx neemt het Zita kwalijk dat zij hem een kluns vindt. Daarentegen wijst Ciyx met pana op de zojuist gedane taaluiting van Akel; Ciyxi neemt het Akelj dus kwalijk dat dezej zegt dat Zita hemi een kluns vindt.

      Noot 1 Het zelfst.vnw. pana is in Blok 73.2 opgenomen en het meest algemene gebruik ervan is uitgelegd in § 73.4 noot 9.

130.43

Nog een voorbeeld:

    moeder:   
Gress elkiane den tu ’rba'eke velk lelmo luppor.
Ik verbied je om vanavond nog weg te gaan.
    kind A:   
Mittof hāftere velk vluf.
Dat gebeurt wel vaker.
    kind B:   
Pana hāftere velk vluf.
Dat gebeurt wel vaker.

Het antwoord van kind A is dubbelzinning: i. A kan met mittof refereren aan de gehele inhoud van moeders taaluiting ("het gebeurt wel vaker dat de moeder het kind
verbiedt om 's avonds nog weg te gaan"), maar ook ii. aan een deel ervan ("het gebeurt wel vaker dat het kind 's avonds weggaat").
Het antwoord van kind B is veel duidelijker: pana kan alleen refereren aan het feit van de taaluiting zelf ("het gebeurt wel vaker dat de moeder dit verbod uitspreekt"). Omdat het karakter van de taaluiting (een verbod) ook als zodanig in de taaluiting genoemd staat ("ik verbied je"), is lezing i. van mittof feitelijk synoniem aan de betekenis van pana. Wil kind A expliciet zeggen: "het gebeurt wel vaker dat ik 's avonds wegga" (om de moeder erop te wijzen hoe inconsequent of zinloos dit verbod is), dan kan pronominalisatie met mittof beter achterwege blijven ten gunste van een meer inhoudelijke coreferent, bijvoorbeeld een nominalisatie als:

  • Gressex lupporas l’raba'ekos hāftere velk vluf.
    (lett. "mijn weggaan 's avonds gebeurt wel vaker")
Of, nog simpeler:
  • Lupporas gress ’rba'eke velk vluf.
    's Avonds ga ik wel vaker weg.
130.44

De precieze coreferenten van mittof en pana kunnen moeilijk begrepen worden indien een taaluiting de taaluiting van een ander weergeeft, zoals in:

    Ārnt:   
Linne Zita ón ki sener tojoredo, āl eup qugiavy ef wola.
Zita zal aan haar zusteri vragen of dezei de wol wil spinnen.
    Bāste:   
Eup paine liyche mittof.
Dat doet ze toch niet.
    Cārle:   
Eup paine liyche pana.
Dat doet ze toch niet.

Bāste kan met mittof aan twee verschillende dingen refereren: i. aan de inhoud van de gehele taaluiting gedaan door Ārnt ("het zal niet het geval zijn dat Zita aan haar zuster gaat vragen of deze de wol wil spinnen"), of ii. alleen aan de laatst genoemde bijzin ("het zal niet het geval zijn dat Zita's zuster de wol gaat spinnen"). Deze ambiguļteit is identiek aan die in § 130.43.
Bij Cārle daarentegen zou men, gezien de betekenis van pana, verwachten dat hij refereert aan de zojuist gedane taaluiting van Ārnt ("het zal niet het geval zijn dat Ārnt beweert dat Zita haar zuster zal vragen of deze de wol wil spinnen"). Om twee redenen lijkt dit onwaarschijnlijk: i. als Cārles reactie refereert aan Ārnts taaluiting, zou eup (zij) op Ārnt moeten slaan; dit is onmogelijk want Ārnt is een man; Noot 1 ii. verder deelt Cārle in dat geval mee dat Ārnt zijn uitspraak niet doet, wat onzin is omdat Ārnt zijn uitspraak zoėven wel heeft gedaan. De punten i. en ii. maken duidelijk dat Cārles reactie nooit kan slaan op de feitelijke taaluiting van Ārnt. Dit leidt ertoe dat de toehoorder gaat zoeken naar een andere taaluiting waarop pana zou kunnen slaan: deze wordt gevonden in de taaluiting die Zita doet (= de vraag die Zita aan haar zuster zal gaan stellen). Het pers.vnw. eup in Cārles reacties refereert dus aan "Zita", en Cārle deelt dus mee dat hij denkt/vindt dat Zita de vraag aan haar zuster niet zal stellen.

      Noot 1 Bovendien zou Ārnt dan in de 3e persoon aangesproken worden, wat als zeer onbeleefd wordt ervaren (zie § 70.10) en in het hier weergegeven gesprekje niet erg vanzelfsprekend zou zijn.

130.45

In de vorige twee paragrafen is geļllustreerd hoe mittof en pana gebruikt worden in een gesprekssituatie, waarbij pana aan een zoėven gedane taaluiting kan refereren. In § 130.44 is bovendien getoond hoe pana ook kan refereren aan een taaluiting die niet feitelijk gedaan is, maar die indirect beschreven is (er is beschreven hoe Zita iets zal vragen). Zo'n referentie aan een indirect beschreven taaluiting is ook mogelijk in geschreven taal, waar een gesprekssituatie natuurlijk afwezig is. Zie het volgende citaat uit een krantebericht:

  • Menester Gāmpa-Lajiy eft pry’llos paine hols, ef tangodām nert ytendelira beri prāne zōft fes ef ŠM-eren, tur pana melde n’f kletertiyns. Noot 1
    Minister Gāmpa-Lajiy heeft gisteren een verklaring afgelegd, dat de regering niet van plan is om spoedig aan het stelsel van de sociale voorzieningen te tornen, maar dat is niets nieuws.
Pana kan hier niet refereren aan een taaluiting die bestaat uit dit gehele citaat want er is geen gesprekssituatie, zodanig dat A een taaluiting doet en B met pana aan A's taaluiting kan refereren. Bovendien is pana zelf ingebed in de gehele constructie, en zou dus aan zichzelf moeten refereren. Daarom ligt het voor de hand om te zoeken naar de (indirecte) beschrijving van een taaluiting die als coreferent in aanmerking zou kunnen komen. Deze vinden we in de frase "minister Gāmpa-Lajiy heeft een verklaring afgelegd ...". Het afleggen van een verklaring kan hier als een taaluiting opgevat worden, en hieraan refereert pana: dat de minister een dergelijke verklaring aflegt, is dus voor de schrijver van dit citaat niets nieuws (ironisch bedoeld).
Zou de schrijver voor mittof gekozen hebben, dan is het citaat op dezelfde wijze dubbelzinnig als de uitspraak van Bāste in § 130.44: i. mittof kan refereren aan het feit dat de minister een verklaring met een bepaalde inhoud heeft afgelegd (in dat geval is mittof min of meer synoniem aan pana), of ii. mittof refereert alleen aan de inhoud van de verklaring (in dat geval is het dus niets nieuws dat de regering belooft om dat stelsel in tact te laten).

      Noot 1 Uit een bericht in de Amagene; mevrouw Laja Gāmpa-Lajiy was minister van Sociale Zaken (1984-1988).
ŠM-eren = š’m’rōmiy-mipzālbinasos-eren (stelsel van werkloosheidsuitkeringen).

130.46

Hier volgt nog een laatste voorbeeld van het gebruik van mittof en pana in geschreven taal:

  1. Jān rafana den Petriy tisjano, ur mittof melde rāviy.   (= § 130.34 1.)
  2. Jān rafana den Petriy tisjano, ur pana melde rāviy.
    Jān vertelde dat Petriy gezakt was, en dat is opmerkelijk.
    of:  Jān vertelde dat Petriy gezakt was, wat opmerkelijk is/was.
In zin a. refereert mittof aan de inhoud van de hoofdzin: het feit dat Petriy gezakt is, is dus opmerkelijk. In b. refereert pana aan de taaluiting zelf: het feit dat Jān vertelt dat Petriy gezakt is, is opmerkelijk (dat Petriy gezakt is hoeft daarom op zichzelf nog niet opmerkelijk te zijn). We hebben hier te doen met een "basis-uitspraak" (Petriy is gezakt) en met een "meta-uitspraak" (Jān vertelt dat {basis-uitspraak}).

130.47   Samentrekking van twee pronominalisaties

Als het laatste element van Z1 identiek is aan het eerste element van Z2, kunnen beide elementen samengetrokken worden, zodanig dat het slechts één keer genoemd wordt, en Z1 en Z2 niet meer van elkaar te scheiden zijn. Deze vorm van samentrekking komt met name in de spreektaal voor, maar wordt ook wel in archaļsche schrijftaal toegepast, zoals in de bijbel (voorbeeld 4. hieronder). In gesproken taal wordt zo'n samentrekking dikwijls uitgedrukt door
vocaalverlenging Noot 1 in het samengetrokken element, wat eventueel gepaard gaat met een sterke nadruk; soms wordt zelfs het zinsaccent op dit element gelegd:

  1. Eup fara mešane helkara tu, tu rupkilóme. >
    > £ Eup fara mešane helkara tu rupkilóme.
      (tu = [tu:])
    Ze komt naar je toe, als je roept.

  2. Do ta c’rtiravy gress, gress nert bladitilóme. >
    > £ Do ta c’rtiravy gress nert bladitilóme.
      (gress = [ge:s])
    Hij wil me helpen, hoewel ik dat niet wens.

  3. a. Petriy reppe ón eup, eup perkelira beri tinde fesért. >
    b. > £ Petriy reppe ón eup perkelira beri tinde fesért.   (eup = [e:p])
    Petriy zegt tegen haar, dat ze thuis moet blijven.

  4. Ur Do reppo: Lomp zeffa ón g’rs meldelira xnep?   (Gen. 3:11)
    (= Lomp zeffa ón g’rs, g’rs meldelira xnep?)
        wie heeft.verteld aan u, u zijnde naakt
    En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven dat gij naakt zijt?
      Noot 1 Vocaalverlenging is niet mogelijk bij de diftongen in g’rs (u) en óps (zij). Daarom worden deze pers.vnw.n wel uitgesproken als g’rse resp. ópse. Bij kirro (wij) wordt de o verlengd uitgesproken, omdat de i reeds lang is: [ki:ro:].

130.48

Bij het schriftelijk weergeven van spreektaal worden de vocaalverlenging en het zinsaccent wel gemarkeerd met een accent aigu, bijvoorbeeld:

  • Furra reppe dus: "Gress fara lorerde ef mimpit furt lelperrilóme ef mebartof."
    Furra zei toen: "Ik koop het boek voor hem, als hij jarig is."
In een populaire bijbel-uitgave, bedoeld om thuis voor te lezen, is een "Hongaarse umlaut" gebruikt om de combinatie van ’t (de "trema" op y) en accent aigu aan te geven; een teken dat in het Spokaans verder geheel onbekend is: Noot 1
  • Ur Do reppo: Lomp zeffa ón grs meldelira xnep?   (vgl. § 130.47 4.)
      Noot 1 Een zuiver theoretische - en niet geheel serieus bedoelde - discussie over dit gebruik van een accent aigu en van de Hongaarse umlaut in het bijbelcitaat is te vinden in Cales Dapozes (1990). De schrijver vraagt zich af hoe een accent aigu gecombineerd zou moeten worden met de ó in óps. Hij geeft een aantal typografische oplossingen, zoals ps, óéps, óeps en ps. Deze discussie moet eerder gezien worden als een uitdaging voor typografen dan als een bijdrage aan een taalkundig/orthografisch probleem.

130.49

Vergelijk § 130.47 zin 3. met:

  1. a. Petriy reppe, eup perkelira beri tinde fesért. >
    b. > Petriy reppe eup perkelira beri tinde fesért. Noot 1
    Petriy zegt dat ze thuis moet blijven.
In zin 3b. is sprake van een samentrekking waarbij de echo uit Z1 tevens dienst doet als subject in Z2. Dit is een typische spreektaalvorm. In 5b. daarentegen is sprake van promotie, waarbij het subject uit de perf.bijzin (Z2) "verheven" is tot object in de matrix-zin (Z1). Dit is ook in de schrijftaal een gangbare constructie. Zie hiervoor echter § 127.13.

      Noot 1 Bij een gepromoveerd element wordt géén vocaalverlenging toegepast.

130.50

Samentrekking komt alleen voor bij pers.vnw.n, want alleen deze kunnen twee keer onmiddellijk achter elkaar volgen. Zouden er twee niet-vnw.n achter elkaar volgen, dan wordt er in eerste instantie pronominalisatie toegepast, bijvoorbeeld:

  • {Petriy reppe ón Elsa, Elsa perkelira beri tinde fesért.} >
    > Petriy reppe ón Elsa, eup perkelira beri tinde fesért.

    Petriy zegt tegen Elsa, dat ze thuis moet blijven.
Een constructie als:
  • * Petriy reppe ón Elsa perkelira beri tinde fesért.
in de betekenis van "Petriy zegt tegen Elsa dat zij (=Elsa) thuis moet blijven." is dus altijd ongrammaticaal. Noot 1

      Noot 1 Deze zin is echter wel correct in de betekenis van "Petriyi zegt tegen Elsa dat hiji thuis moet blijven.". In dit geval zijn K1 en K2 coreferenten en is K2 gedeleerd. De onderliggende structuur is nu:
{Petriy reppe ón Elsa, Petriy perkelira beri tinde fesért}.
Voor deze deletie, zie § 131.kut.

130.51   Ki-markering bij ambiguļteit

Indien pronominalisatie tot ambiguļteit leidt (bijvoorbeeld indien er in Z1 meer basiselementen als antecedent voor het pers.vnw. kunnen dienen) wordt het antecedent in Z1 gemarkeerd met de determinant ki, tenzij het antecedent K1 is. (Vergelijk ook de ki-regel bij betr.vnw.n). Vergelijk 1. met 2.: Noot 1

  1. a. {Celf šale Hesta ón Pliy, tūre Celf tiffe Pliy.} >
    b. > Celfi šale Hesta ón Pliyj tūre Ųi tiffe doj.
        Celf roddelt over HestaVR tegen Pliy, maar hij kent hem niet.

  2. a. {Celf šale Hānes ón Pliy, tūre Celf tiffe Pliy. >
    b. > Celfi šale Hānesj ón Pliyk tūre Ųi tiffe doj/k.
        Celf roddelt over Hānes tegen Pliy, maar hij kent hem niet.
Zin 2b. is ambigu omdat do in Z2 twee mogelijke antecedenten in Z1 heeft: het object Hānes of de echo Pliy. Noot 2 De determinant ki lost deze ambiguļteit op:
  1. a. Celf šale Hānes ón ki Pliy, tūre tiffe do.   (Celf kent Pliy niet)
    b. Celf šale ki Hānes ón Pliy, tūre tiffe do.   (Celf kent Hānes niet)
      Noot 1 In 1. en 2. is K2 onder coreferentie met K1 gedeleerd. Dit is aangegeven met "Ų". Voor deze deletie, zie § 131.??.

      Noot 2 Do kan niet aan K1 Celf refereren, omdat het subject bij tiffe (K2) gedeleerd is, wat erop wijst dat K2 corefereert met K1, ofwel: "Celf" is de kern bij tiffe, en dan kan "Celf" geen andere basisfunctie bij tiffe meer hebben. Voor K2-deletie, zie § 131.??.

130.52

Omdat een taal als het Nederlands geen equivalent voor de ki-markering kent, moet de ambiguļteit in 2b. hierboven op een andere manier opgelost worden. Het meest voor de hand ligt om pronominalisatie achterwege te laten: Celf roddelt over
Hānes tegen Pliy, maar hij kent [die] Pliy niet
. Omdat Celf zowel het subject van Z1 als van Z2 is, leidt het gebruik van hij in Z2 niet tot verwarring. In tegenstelling tot in het Nederlands, is de aanwezigheid van twee identieke lexicale elementen (zoals 2× Pliy in het Nederlandse voorbeeld) in het Spokaans zeer gemarkeerd. Zie hiervoor § 130.67.

130.53

Vergelijk de volgende varianten:

  1. Tu Zāmrater Lānder-Vulāi, ma lelperre ef menesterj eft ygattos lef ef ātvisesk, doi/j/k nert kurrilóme beri tijā’tine ef kleter lacsplan.
    Op aandrang van Kamerlid Lānder-Vulā zal de minister een onderhoud hebben met de adviseur omdat hij zich niet kan verenigen met het nieuwe wetsvoorstel.

  2. Tu ki Zāmrater Lānder-Vulāi, ma lelperre ef menesterj eft ygattos lef ef ātvisesk, doi nert kurrilóme beri tijā’tine ef kleter lacsplan.
    (het kamerlid kan er zich niet mee verenigen)

  3. Tu Zāmrater Lānder-Vulāi, ma lelperre ef menesterj eft ygattos lef ki ef ātvisesk, dok nert kurrilóme beri tijā’tine ef kleter lacsplan.
    (de adviseur kan er zich niet mee verenigen)

  4. * Tu Zāmrater Lānder-Vulāi, ma lelperre ki ef menesterj eft ygattoslef ef ātvisesk, doj nert kurrilóme beri tijā’tine ef kleter lacsplan.
    (de minister kan er zich niet mee verenigen)

  5. Tu Zāmrater Lānder-Vulāi, ma lelperre ef menesterj eft ygattos lef ef ātvisesk, Ųj nert kurrilóme beri tijā’tine ef kleter lacsplan.
    (de minister kan er zich niet mee verenigen)
Zin a. heeft 4 lezingen omdat Z2 do kan refereren aan Zāmrater, aan menester, aan ātvises, en bovendien aan een buitentalige entiteit. Noot 1
In b., c. en d. is de determinant ki op verschillende manieren in Z1 toegevoegd, zodat de ambiguļteit op verschillende manieren is opgelost. Alleen is variant d. ongrammaticaal omdat zinskernen nooit met ki gemarkeerd mogen worden. Zin e. is de grammaticale variant van d.: hierin is K2 gedeleerd, wat altijd betekent dat K2 met K1 corefereert: de minister is dus de persoon die zich niet met het nieuwe wetsvoorstel kan verenigen.

      Noot 1 Deze ietwat slordig geformuleerde zin komt uit een artikel in de Amagene. Echter, zowel contextuele informatie binnen dit artikel als "kennis van de wereld" vertelt de lezer dat do alleen kan corefereren met ef ātvises ("kennis van de wereld" is hier op te vatten als "kennis van de Spokanische staatsinrichting", want dan weten we dat wetsvoorstellen altijd gedaan worden door de adviseurs). Bij onze voorbeeldzin a. zullen we de kennis van context en staatsinrichting echter buiten beschouwing laten en de zin geļsoleerd bekijken.

130.54

Vergelijk de voorbeelden uit de vorige paragraaf met:

  1. Tu Zāmrater Lānder-Vulāi, ma lelperre ef menesterj eft ygattos lef ef ātvisesk,
    ef kleter lacsplan nert meltilóme t’šamiy fes ef politiyca bjafniy āfry doi/j/k.

    Op aandrang van Kamerlid Lānder-Vulā zal de minister een onderhoud hebben met de adviseur, omdat het nieuwe wetsvoorstel volgens hem in politiek opzicht niet haalbaar is.
Evenals bij b. en c., kan ook bij f. de determinant ki zodanig toegevoegd worden dat de coreferent van Z2 do expliciet hetzij Zāmrater L-V hetzij ef ātvises is. Maar coreferentie tussen ef menester en do is nu moeilijk uit te drukken: ten eerste kan ki niet bij de kern ef menester gebruikt worden, en ten tweede kan Z2 do nu niet gedeleerd worden, omdat deletie alleen toegestaan is als het een kern betreft. Als we expliciet willen uitdrukken dat het de minister is die vindt dat het wetsvoorstel politiek niet haalbaar is, dan kan f. gepassiviseerd worden, zodanig dat ef menester geen kern meer is, en dus met ki gemarkeerd mag worden, bijvoorbeeld:
  1. Tu Zāmrater Lānder-Vulāi, ma lelperrelije eft ygattos pai ki ef menesterj lef ef ātvisesk, ef kleter lacsplan nert meltilóme t’šamiy fes ef politiyca bjafniy āfry doj.
    Op aandrang van Kamerlid Lānder-Vulā zal er een onderhoud "gehad worden" door de minister met de adviseur, omdat het nieuwe wetsvoorstel volgens hem in politiek opzicht niet haalbaar is.
130.55

Ki kan in Z1 ook gebruikt worden als coreferentie in Z2 op een andere manier dan met pronominalisatie uitgedrukt wordt. Vergelijk (we nemen aan dat het bez.vnw. groft (zijn) hier refereert aan Saresten):

  1. Dānei mōrtéše ki Sarestenj ump groft follusk, tur ef pārpj amennāe flājū.
  2. Dānei mōrtéše Sarestenj ump ki groft follusk, tur ef pārpk amennāe flājū.
  3. Dānei mōrtéše Sarestenj ump groft follusk, tur ef pārpi/j/k/l amennāe flājū.

    Dāne hitst Saresten tegen zijn vader op, maar de sukkel heeft niets in de gaten.

In a. is Saresten de sukkel die niets in de gaten heeft; in b. is het zijn vader.
Extra gecompliceerd is variant c. waarin ki geheel achterwege blijft. In principe kan K2 ef pārp aan welke persoon dan ook refereren (zelfs aan iemand die in het geheel niet genoemd staat in Z1, dit is het subschrift "l"), maar juist de afwezigheid van ki activeert de tendenzen-hiėrarchie uit § 130.17, waarbij T2 als eerste tendens een rol kan spelen: K2 en K1 zijn dus coreferenten en c. moet dus zo begrepen worden dat Dāne de sukkel is.

130.56

Ki duidt altijd op strikte coreferentie. Het volgende voorbeeld (een variant van § 130.55 a.) is dus ongrammaticaal, of op zijn minst semantische onzin:

  • ? Dānei mōrtéše ki Sarestenj ump groft follusk, tur sest pārpsj amennāe kvā flājū.
    Dāne hitst Saresten tegen zijn vader op, maar zulke sukkels hebben nooit iets in de gaten.
Deze zin is raar omdat ki een indicatie is dat er aan de bijbehorende entiteit (Saresten) opnieuw gerefereerd zal worden in de volgende bijzin. Dit impliceert dat sest pārps (zulke sukkels) beschouwd zou moeten worden als strikte coreferent van Saresten. Wat er werkelijk bedoeld wordt is dat er een bepaald type mens bestaat (omschreven als "sukkel") dat nooit iets in de gaten heeft, en dat Saresten tot deze groep van "sukkels" gerekend kan worden. Hier is dus sprake van gedeeltelijke coreferentie volgens het schema B1««K2 (B1 is een deelverzameling van de hoofdverzameling K2; zie § 130.11  2.).

130.57

In § 132.?? wordt het gebruik van het determinantenpaar qu .. qu uitgelegd. We zullen hier slechts volstaan met de opmerking dat deze twee determinanten een
resumerende waarde kunnen hebben, wat wil zeggen dat het ene qu een verzameling definieert, en het andere qu een lid van deze verzameling. Als ki in het voorbeeld van § 130.56 vervangen wordt door qu .. qu, wordt de constructie grammaticaal:

  • $ Dāne mōrtéše qu Saresten ump groft follus, tur qu sest pārps amennāe kvā flājū.
    Dāne hitst Saresten tegen zijn vader op, maar zulke sukkels hebben nooit iets in de gaten.
Hier wordt expliciet uitgedrukt dat Saresten gerekend wordt tot de verzameling van sukkels die nooit iets in de gaten hebben. Het gebruik van qu .. qu is overigens een typische schrijftaalvorm.

130.58

In zin 1. van § 130.16 cc. is het volgende voorbeeld genoemd:

  1. Fara ef kōbo n’le, dus kirro larde riyfain fes ef arābei, tur Firm ur Tek feldre kvā ās efi.
    Als de zon schijnt eten wij altijd in de tuin, maar Firm en Tek zitten er nooit in.
Deze zin is ambigu omdat er sprake kan zijn van zowel strikte coreferentie (Firm en Tek zitten nooit in dezelfde tuin als wij), als semantische corefentie (Firm en Tek zitten nooit in hun tuin, maar wij altijd wel in de onze). Deze ambiguļteit kan opgeheven worden door toevoeging van ki, omdat deze determinant per definitie op strikte coreferentie wijst (zie § 130.56): Noot 1
  • Fara ef kōbo n’le, dus kirro larde riyfain fes ki ef arābe, tur Firm ur Tek feldre kvā ās ef.
    Als de zon schijnt, eten we altijd in de tuin, maar Firm en Tek zitten nooit in die [tuin].
      Noot 1 Deze ambiguļteit kan voor het andere deel opgeheven worden door de toevoeging van een bez.vnw.n; hiermee wordt semantische coreferentie (C1~~C2) uitgedrukt:
  • Fara ef kōbo n’le, dus kirro larde riyfain fes sener arābe, tur Firm ur Tek feldre kvā ās ef seniy.
    Als de zon schijnt, eten we altijd in onze tuin, maar Firm en Tek zitten nooit in de hunne.
130.59

Een onderscheid tussen strikte en semantische coreferentie lijkt ook te kunnen worden uitgedrukt door het al dan niet gebruiken van het dode voorz. ās: blijft het oorspronkelijke voorz. gehandhaafd, dan is er sprake van semantische coreferentie. Vergelijk 1. uit de vorige paragraaf met:

  1. Fara ef kōbo n’le, dus kirro larde riyfain fes ef arābe, tur Firm ur Tek feldre kvā fes ef.
    Als de zon schijnt eten wij altijd in de tuin, maar Firm en Tek zitten nooit in de hunne.
Zie verder § 132.qqr voor het al dan niet vervangen van een voorzetsel door ās.

130.60   Ki bij bez.vnw.n

In § 130.31 is het volgende voorbeeld gegeven, waarbij geconstateerd is dat deze zin ambigu is: óf Gyder zelf is dood, óf een ander is dood:

  1. Tuksof grofti/j koffona, Gyderi enn āntikiyn ataren colye.
    Tot zijn dood, verzamelde Gyder antieke atlassen.
De ambiguļteit kan opgeheven worden door het bez.vnw. expliciet voor coreferentialiteit te markeren, met ki:
  1. Tuksof ki grofti koffona, Gyderi enn āntikiyn ataren colye.
    Tot zijn dood, verzamelde Gyder antieke atlassen.
Merk op dat het reflexieve bez.vnw. sener, dat per definitie met de zinskern corefereert, in 2. niet gebruikt kan worden omdat dit bez.vnw. nooit vóór de zinskern mag staan (§ 51.18). Sener is in 2. echter wel bruikbaar (zelfs verplicht) als de woordvolgorde verandert; vergelijk: Noot 1
  1. a. Gyderi āntikiyn ataren colye tuksof seneri koffona.
        Gyder verzamelde antieke atlassen tot aan zijn dood.   (Gyder is dood)
    b. Gyderi āntikiyn ataren colye tuksof groftj koffona.
        Gyder verzamelde antieke atlassen tot aan zijn dood.   (ander is dood)
      Noot 1 Als we het "verzamelen van antieke atlassen" zien als een bezigheid die sterk geassocieerd wordt met de persoon van Gyder, is deze bezigheid onherroepelijk tot een einde gekomen als Gyder dood is. In dat geval is het beter om de def.tijd middels inversie te vervangen door een aoristus op -o (zie ook § 111.93-104):
  1. Gyder colyo āntikiyn ataren tuksof sener koffona.
Het gebruik van de aoristus in i. zorgt ook voor een disambiguering van een constructie als zin 1. Vergelijk 1. met:
  1. Tuksof grofti koffona, Gyderi colyo āntikiyn ataren.
Het onherroepelijke einde van het "verzamelen" zoals dat in ii. met colyo wordt uitgedrukt, roept automatisch een beeld van een dode Gyder op. Daarom ligt het voor de hand om groft te beschouwen als corefererend met "Gyder". Volgens Richard Ruigi (1984) wordt in het moderne Spokaans steeds vaker het tijdssuffix -o gebruikt als het bijbehorende subject overleden is. Hij noemt -o dan ook de "markeerder voor de doodstijd".

130.61   Betr.vnw. in plaats van pers.vnw.

Als reeds de neiging bestaat om de coreferent in Z1 met ki te markeren (omdat anders meerdere elementen als coreferent begrepen zouden kunnen worden), bestaat met name in vlotte spreektaal de tendens om de coreferent in Z2 als betrekkelijk vnw. uit te drukken. Dit betr.vnw. wordt feitelijk uitgelokt door het gebruik van ki, omdat deze determinant in de meeste gevallen inderdaad een relatieve bijzin aankondigt. De neven- of ondergeschikte Z2 wordt zodoende (tevens) een relatieve bijzin. Vergelijk de correcte a-zinnen met de spreektaalvormen in b.:

  1. Moffain vārne ki Lerdu den Odray trije beri idequppe do.
  2. £ Moffain vārne ki Lerdu den Odray trije beri idequppe .
    Moffain waarschuwt Lerdui dat Odray hemi probeert te belazeren.
  1. Celf ma šale Hesta ón ki Pliy, Ų hattilóme do.   (vgl. § 130.51)
  2. £ Celf ma šale Hesta ón ki Pliy, Ų hattilóme .
    Celfi roddelt over Hesta tegen Pliyj, omdat hiji diej haat.
  1. Do ki sener ārtycele zālbinase ón ef kleter mux-fortpit, tur gress ucōge den rāst trempavy tem.
  2. £ Do ki sener ārtycele zālbinase ón ef kleter mux-fortpit, tur gress ucōge den rāst trempavy mit.
    Hij heeft zijn artikeleni naar het nieuwe taaltijdschriftj gestuurd, maar ik voorspel dat niemand zei wil lezen.
In de a-zinnen is ambiguļteit opgeheven door de coreferent in Z1 met ki te markeren. In de b-zinnen is onder invloed van het aanwezige ki een betr.vnw. in de bijzin verschenen.

130.62

Dat de betr.vnw.n in de b-zinnen van § 130.61 een gevolg zijn van het gebruik van ki, wordt bevestigd door het feit dat het gebruik van een betr.vnw. in Z2 hoe dan ook ongrammaticaal is als ki niet gebruikt wordt. Dit is het geval als de kern van Z1 (K1) de coreferent is (§ 131.??). Vergelijk:

  1. Moffain reppe den Odray trije beri idequppe c’rbé do.
    Moffaini zegt dat Odray hemi voortdurend probeert te belazeren.
  2. * Ki Moffain reppe den Odray trije beri idequppe c’rbé do.
  3. * [Ki] Moffain reppe den Odray trije beri idequppe c’rbé .
Zin 1b. is ongrammaticaal omdat een zinskern als Moffain nooit met ki gemarkeerd mag worden. Dit leidt ertoe (zin 1c.) dat ook het gebruik van een betr.vnw. in plaats van een pers.vnw. in Z2 geblokkeerd wordt, zelfs als ki afwezig blijft.

130.63

Nog een voorbeeld:

  1. Elsa reppe ón Odray, den eup pónsecū ef kleter jobiy.
    Elsai zegt tegen Odrayj dat ziji/j/k de nieuwe baan kan krijgen.
  2. * Elsa reppe ón Odray, den pónsecū ef kleter jobiy.
    Elsai zegt tegen Odrayj dat ziji de nieuwe baan kan krijgen.
  3. £ Elsa reppe ón ki Odray, den pónsecū ef kleter jobiy.
    Elsai zegt tegen Odrayj dat zijj de nieuwe baan kan krijgen.
Zin 2a. is dubbel ambigu, omdat K2 eup kan refereren aan zowel K1 als B1 als een buitentalige entiteit. Noot 1 Zin 2b. is ongrammaticaal omdat refereert aan de zinskern Elsa. Deze referentie kan opgemaakt worden uit het feit dat determinant ki in 2b. Z1 ontbreekt, wat een indicatie is dat het betr.vnw. de kern als antecedent heeft. Zin 2c. is daarentegen wel grammaticaal (althans in de spreektaal), omdat het betr.vnw. aan "Odray" refereert (dit blijkt uit ki).

      Noot 1 Als eup met K1 corefereert, kan het beter gedeleerd worden, zie § 131.??.

130.64   Zelfst.vnw.n in plaats van pers.vnw.n

In § 130.41-46 is het zelfst.vnw. pana behandeld, dat zich van het pers.vnw. mittof onderscheidt, doordat pana aan het uiten van een stukje taal refereert, en mittof aan de inhoud van die taaluiting. Dit semantische verschil is op zich nog geen reden om pana en mittof bij verschillende woordsoorten onder te brengen. Het onderscheid tussen zelfst.vnw.n en pers.vnw.n is dan ook meer een formele kwestie, zoals uitgelegd in § 73.??.
Ook andere zelfst.vnw.n kunnen als coreferent optreden, bijvoorbeeld:

  1. Lerdu ur Tek zjoffe den óps enn ef letra kettare kvā, tur perd’rs merfe.
    Lerdu en Tek beweren dat ze de brief nooit ontvangen hebben, maar beiden liegen.
  2. Lerdui zjoffe den óps enn ef letra kettare kvā, ur Tekj reppe den eup enn ef koldre-tijā, tur tersasi+j merfe.   (zie ook § 130.30)
    Lerdu beweert dat ze de brief nooit ontvangen hebben, en Tek zegt dat ze die weggegooid heeft, maar ze liegen alletwee.
Zowel in 1. als in 2. is sprake van strikte coreferentie tussen Lerdu ur Tek enerzijds en perd’rs resp. tersas anderzijds. In 2. is de coreferent Lerdu ur Tek echter syntactisch gesplitst.

130.65

Vergelijk voorbeelden 4. en 6. in § 130.37 met:

  1. £ Hena ker orefante xnep fes ef ses jadāk tof, fitaju mófilóme kusami.
    Hena zwemt elke dag naakt in het meer, hoewel zoiets hier verboden is.
  2. £ Jeto jola-xlāte riyfain fara prinsypp, tur Olyva paine fitaju kvā.
    Jeto rijdt uit principe altijd zwart, maar Olyva doet zoiets nooit.
In 4. hierboven is sprake van semantische coreferentie tussen orefante xnep en fitaju en in 6. is sprake van semantische coreferentie tussen jola-xlāte en fitaju.
Fitaju refereert in deze zinnen niet aan de concrete handelingen die Hena of Jeto uitvoeren, maar aan "naakt zwemmen" en "zwartrijden" in het algemeen. Het werkw. paine in 6. dient als semantisch lege dummy (zie ook § 132.??).
In verzorgde schrijftaal wordt de coreferentie tussen fitaju en een verbaal element afgekeurd.

130.66

De meeste zelfst.vnw.n hebben een zodanige betekenis dat ze eigenlijk alleen maar semantische of hooguit gedeeltelijke coreferentie toelaten (zie Blokken 73.2-3). Strikte coreferentie is echter goed voorstelbaar bij dursas (alledrie), tersas (alletwee) en perd’rs (beide[n]).

130.67   Identieke elementen; achterwege laten van pronominalisatie

Zowel (1.) strikte, (2.) gedeeltelijke als (3.) semantische coreferenten, zoals besproken in § 131.13, kunnen identiek zijn. Twee coreferenten heten "identiek" als ze een identieke morfologie hebben, ofwel, "ze zien er hetzelfde uit". Het identiek-zijn, ofwel de identiciteit van twee coreferenten is min of meer een vereiste als beide coreferenten gepronominaliseerde vormen zijn, zoals in:

  • Kost fosies ef smurf spāke ón Herneg, janof do farte fes fallos ur óps truste do.
    Mijn ouders hebben het geld aan Herneg geleend, omdat hij in de problemen zit en zij hem vertrouwen.
Alle vette elementen zijn strikte coreferenten, maar de twee woorden do zijn bovendien identieke elementen.

130.68

Als pronominalisatie achterwege blijft, is de aanwezigheid van identieke coreferenten zeer gemarkeerd, omdat een algemene regel zegt dat twee lexicale (= niet-gepronominaliseerde) elementen die identiek zijn in principe niet (strikt) corefereren, ofwel, er is sprake van disreferentie. Bijvoorbeeld:

  • Celf šale Hānes ón Pliy, tūre Ų tiffe Pliy.   (vgl. § 130.51)
    Celf roddelt over Hānes tegen Pliy, maar kent Pliy niet.
  • Gerrelt ustjāge h’et sener frera, tur ef frera nert paine Gerrelt.
    (zie ook § 130.11  3.)
    Gerrelt bedriegt zijn broer herhaaldelijk, maar die broer doet dat niet bij Gerrelt.
Zuiver syntactisch gezien gaat het in deze voorbeelden om twee personen die allebei Pliy heten, resp. om twee personen die allebei Gerrelt heten. Als de context of onze "kennis van de wereld" ons vertelt dat het hier om een en dezelfde persoon Pliy resp. Gerrelt gaat, zijn de constructies zeer gemarkeerd en drukken daarom ironie, afstandelijkheid of emfase uit (Celf heeft een grote hekel aan Pliy; die broer bedriegt Gerrelt weliswaar niet, maar hij heeft wel een hekel aan Gerrelt). In § 130.52 is geconstateerd dat zo'n herhaling van een identiek lexicaal element in het Nederlands veel minder gemarkeerd is, en gemakkelijk kan dienen om ambiguiteit op te heffen.

130.69

Vergelijk de volgende a- en b-variant:

  1. Petriy ef quiyrda trempe ur Mariy trempe ral ef.
    Petriy heeft de krant gelezen en Mariy leest hem nu.
  2. Petriy ef quiyrda trempe ur Mariy trempe ral ef quiyrda.
    Petriy heeft de krant gelezen en Mariy leest de krant nu.
Als Petriy de Amagene heeft gelezen en Mariy leest de Amagene nu, kan (1a) gezegd worden, maar (1b) is dan vreemd. Als Petriy de Amagene heeft gelezen en Mariy nu de Kleter Hirdoegg leest, kan 1b. gezegd worden, maar niet 1a. In 1b. is dus sprake van disreferentie. Deze disreferentie is een gevolg van het feit dat ef quiyrda een definiet zinsdeel is: in Z1 wordt met "de krant" aan één bepaalde krant gerefereerd, en in Z2 wordt met "de krant" eveneens aan één bepaalde krant gerefereerd. Omdat het achterwege blijven van pronominalisatie een indicatie is dat coreferentie niet aan de orde is, blijft alleen de interpretatie over dat er twee verschillende kranten in het spel zijn.

130.70

Vergelijk nu:

  1. Jānes quardere ef wuxos-furt kura lāen, brā óps qugle hupster tevitiff ón do.
    Jānes gaat naar de lezing over ooievaars, want die interesseren hem in hoge mate.
  2. Jānes quardere ef wuxos-furt kura lāen, brā lāen qugle hupster tevitiff ón do.
    Jānes gaat naar de lezing over ooievaars, want ooievaars interesseren hem in hoge mate.
In 2a. wordt tamelijk expliciet gezegd dat de ooievaars waarover in de lezing gesproken wordt, precies die ooievaars zijn waarvoor Jānes zich interesseert. Omdat het indefiniete lāen in 2a. zonder verdere context refereert aan alle ooievaars ter wereld, mogen we dus aannemen dat Jānes zich voor welke ooievaar dan ook interesseert.
In 2b. is in principe sprake van twee verzamelingen van ooievaars, die geacht worden disreferent te zijn, want pronominalisatie is achterwege gebleven. In Z1 omvat het indefinite, meervoudige, lāen de verzameling van alle ooievaars ter wereld, maar in Z2 geldt dat ook. De disreferentie die hier op syntactische wijze is uitgedrukt, wordt op semantische wijze tegengesproken (want twee verzamelingen van ooievaars die beide alle ooievaars op de wereld bevatten, bevatten per definitie dezelfde ooievaars). Daarom is er nauwelijks betekenisverschil tussen 2a. en 2b.; er is alleen verschil in emfase: de nadruk die in 2b. op juist de ooievaars wordt gelegd, kan zo begrepen worden dat Jānes zich voor niets anders interesseert.

130.71

Het emfatische verschil tussen 2a. en 2b. in de vorige paragraaf wordt een echt semantisch verschil als we de verzameling ooievaars in Z1 met een additief inperken:

  1. Jānes quardere ef wuxos-furt kura miterus lāeni, brā ópsi qugle hupster tevitiff ón do.
    Jānes gaat naar de lezing over bruine ooievaars, want die interesseren hem in hoge mate.
  2. Jānes quardere ef wuxos-furt kura miterus lāen, brā lāen qugle hupster tevitiff ón do.
    Jānes gaat naar de lezing over bruine ooievaars, want ooievaars interesseren hem in hoge mate.
De coreferentie in 3a. impliceert dat Jānes zich in hoge mate voor bruine ooievaars interesseert. De disreferentie Noot 1 in 3b. betekent echter dat Jānes zich voor alle ooievaars op de wereld interesseert (dus ook voor bruine).

      Noot 1 Vanuit syntactisch oogpunt is hier sprake van disreferentie, maar semantisch gezien gaat het om gedeeltelijke coreferentie, omdat "bruine ooievaars" een deelverzameling van "(alle) ooievaars (op de wereld)" is, dus C1««K2.

130.72

De volgende zin was te vinden in de regionale krant Grāt-marestjer:

  • Vufāfā regliše arfine tsazi lafulos oft nās-’zerfos enn lelpiru regliše, ziym kleter regliše arfine tsazi ’rreplašos enn liftkar regliše.
    Er komen steeds meer regels om andere regels aan te vullen en te wijzigen, in plaats van dat er nieuwe regels komen om oude regels te vervangen.
De herhaling van regliše (vier identieke elementen!) maakt de zin hoogst ironisch en druk op pregnante manier het bestaan van de enorme massa regels uit.
De duidelijke disreferentie die er dankzij de verschillende additieven tussen de vier identieke elementen bestaat verhindert pronominalisatie, maar de identieke elementen kunnen wel door een spoor vervangen worden, bijvoorbeeld (in het Nederlands kunnen de adjectieven gewoon zonder subst. gebruikt worden):
  • Vufāfā regliše arfine tsazi lafulos oft nās-’zerfos enn lelpiru tiyns, ziym kleter regliše arfine tsazi ’rreplašos enn liftkar tiyns. Noot 1
    Er komen steeds meer regels om andere Ų aan te vullen en te wijzigen, in plaats van dat er nieuwe regels komen om oude Ų te vervangen.
Sporen worden verder behandeld in Hoofdstuk 132.

      Noot 1 Het gebruik van sporen is een middel om een herhaling van identieke elementen te voorkómen. Echter, als er al te veel gebruik wordt gemaakt van een en hetzelfde spoor ontstaat er opnieuw een herhaling van identieke elementen, zoals bijvoorbeeld in:
  • Vufāfā regliše arfine tsazi lafulos oft nās-’zerfos enn lelpiru tiyns, ziym kleter tiyns arfine tsazi ’rreplašos enn liftkar tiyns.
De drievoudige herhaling van tiyns is dan ook stilstisch minder fraai, en drukt niet, zoals de herhaling van regliše, een ironie uit.

130.73   Pronominalisatie onder syntactische druk

In bovenstaande paragrafen hebben we gezien hoe een lexicaal element (meestal een subst., een eigennaam of een werkw.) vervangen wordt door een voorn.woord. het is ook mogelijk dat een voorn.woord als extra element toegevoegd wordt. In dat geval spreken we van een pronominalisatiespoor (pron.-spoor). We onderscheiden twee soorten van pron.-sporen:

  1. Een pron.-spoor verschijnt op een positie die onbezet is gebleven omdat het zinsdeel dat hier thuishoort zo complex is dat het buiten de zinsstructuur wordt geplaatst; zie § 130.74;
  2. Een pron.-spoor verschijnt op een subject-, object- of echopositie als deze positie onbezet blijft doordat subject/object/echo in de hoedanigheid van voegw. vooraan de zin moet staan (zie § 132.??). Zo'n pron.-spoor is noodzakelijk omdat een subject-, object- of echopositie nooit onbezet mag blijven; zie vanaf § 130.75.
130.74   ad § 130.73   a. Complex zinsdeel zorgt voor onbezette positie in matrixzin

Vergelijk de a- en b-varianten:

  1. Petriyex ef storās melde trufō.
    Petriy's verhaal is waar.
  2. Ef melde trufō den Petriy enn eft grūmiyl bzaée nucer-hentiy.
    Het is waar dat Petriy een vleermuis met zijn blote handen heeft gevangen.
  1. Mārje melde lóf ef zerfefes fes ef kurre ón flājū.
    Mārje is momenteel nergens toe in staat.   (lett. "in staat tot niets")
  2. Mārje melde lóf ef zerfefes fes ef kurre ón ef, den njore ef pijā wertlā.
    Mārje is momenteel in staat om de hele wereld te vermoorden.
  1. Óps ’rgyre Lerdu tukst doex negenunn laxos enn ef ’c.
    (zie § 126.3)
    Ze beschuldigen Lerdu van het illegaal omhakken van de eik.
  2. Óps ’rgyre Lerdu tukst ef, den do axe negenunn ef ’c.
    Ze beschuldigen Lerdu ervan, dat hij de eik illegaal omhakt.
De vetgedrukte delen in de a-varianten zijn qua lengte of syntactische structuur eenvoudig genoeg om de kernpositie (in 1a.), de echopositie (in 2a.) en de fundamentpositie (in 3a.) in te nemen.
De vetgedrukte delen in de b-varianten zijn "echte" zinnen: deze kunnen nooit de positie van een zinsdeel of fundament in een matrixzin bezetten, maar moeten als bijzin buiten de matrixzin geplaatst worden. De onbezette positie in de matrixzin wordt nu met het spoor ef gevuld. Als we ef beschouwen als corefererend met de den-bijzin, gaat het hier om een vorm van pronominalisatie. Als we ef beschouwen als betekenisloos spoor dat zijn karakter van pers.vnw. heeft verloren, gaat het hier om zuivere "dummy"-insertie. Dit laatste wordt uitgebreid besproken in Hoofdstuk 132.

130.75   ad § 130.73   b. Voegw. zorgt voor onbezette positie van basiselement

Tussen {..} staat de ongrammaticale onderliggende structuur waarin alle elementen hun juiste positie hebben. Hiervan wordt een grammaticale vorm afgeleid waarin het vette voegw. naar voren is gehaald, en de lege positie met een cursief pron.-spoor is gevuld:

  1. {Jānder nert rafanavy, groft frera paine kluft ber Lōnde.} >
    > Jānder nert rafanavy, kluft groft frera paine ef ber Lōnde.

    Jānder wil niet vertellen, wat zijn broer in Londen doet.

  2. {Fes ef foltos tu trempecū, tu lutterafecū kluft fes dena belt-s’rt.} >
    > Fes ef foltos tu trempecū, kluft tu lutterafecū efs/tem fes dena belt-s’rt.

    In het foldertje kun je lezen, wat je [allemaal] in dit stadje kunt bezichtigen.
    (het stadje heeft dus meerdere bezienswaardigheden)

  3. {Ef nert knōfe, Petriy c’rtiravy lomp.} >
    > Ef nert knōfe, lomp Petriy c’rtiravy do/eup/óps/belt.

    Het is niet bekend wieO PetriyS wil helpen.
130.76

Voor de pronominalisatie van het voegw. kluft (wat) mag in principe altijd het "universele" pers.vnw. ef gebruikt worden; ef is in zulke gevallen afgezwakt tot een betekenisloze "dummy" (zin 1. vorige paragraaf). Noot 1 Willen we expliciet uitdrukken dat kluft aan meer dan één entiteit refereert, dan kan voor de meervoudige pers.vnw.n efs of tem gekozen worden (zin 2. hierboven). Het emfatische karakter van efs/tem kan in het Nederlands weergegeven worden door toevoeging van "allemaal". Het gebruik van efs, en zeker van tem, als pron.-spoor wordt door velen als een typische schrijftaalvorm gezien. In de spreektaal wordt uitsluitend ef gebruikt.
Bij het voegw. lomp (wie) moet de spreker/schrijver zich ervan vergewissen welk geslacht de referent heeft en om hoeveel entiteiten het gaat. Vandaar dat er in 3. (hierboven) vier verschillende pron.-sporen zijn gegeven: (hem/haar/henNG/henVR). Omdat geslacht en getal meestal niet bekend zullen zijn bij het gebruik van lomp, kan ook het geslachts- en getals-neutrale zelfst.vnw. stus (men) gebruikt worden. In de spreektaal is ook het algemene ef acceptabel. Vergelijk 3. hierboven met:

  1. a. Ef nert knōfe, lomp Petriy c’rtiravy stus.
    b. £ Ef nert knōfe, lomp Petriy c’rtiravy ef.
Ook in de spreektaalvorm 4b. heeft ef feitelijk het karakter van pers.vnw. verloren, en fungeert het alleen als markeerder (determinant) van de objectpositie. Ef wil hier zo veel zeggen als "pas op, het reeds genoemde lomp is object". Blijft ef achterwege, dan moet lomp wel als subject geļnterpreteerd worden, en blijft er niets anders over dan Petriy als object te beschouwen. Aangezien dit element vóór het werkw. staat, hebben we dan met een definitieve tijd te doen:
  • Ef nert knōfe, lomp Petriy c’rtiravy.
    Het is niet bekend, wieS PetriyO heeft willen helpen.
      Noot 1 Zo'n markeerder heet in de Spokanische grammatica een "spoor". Voor ef als spoor wordt verwezen naar § 132.??. Het universele gebruik van ef als pers.vnw. komt ook voor in onbeklemtoonde positie na een voorz., in zinnen als:
  • Do ufirare eft pitter lef eft juklot blef ef.
    Hij rijdt op een fiets met een aanhangwagentje erachter.
Ook hier is ef feitelijk niet meer dan een spoor om een open positie op te vullen (in casu: de fundamentspositie achter een voorz.). Zie verder § 70.24.

130.77

De Nederlandse vertaling van zin 3. in § 130.75 is ambigu omdat ook "wie" als subject en "Petriy" als object opgevat kan worden. In dat geval zou het Spokaans echter de volgende constructie gebruiken:

  1. Ef nert knōfe, lomp c’rtiravy Petriy.
    Het is niet bekend wieS PetriyO wil helpen.
In 5. is er geen pron.-spoor omdat het subject lomp reeds op de goede subject-positie staat.

130.78

Een zinskern staat in de meeste gevallen vooraan de zin. Omdat dit tevens de positie voor een voegw. is, kan een kern dus zonder meer als voegw. optreden, zonder dat een pron.-spoor nodig is. Of beter: een pron.-spoor is niet eens mogelijk, want er is geen onbezette positie die door dit spoor gevuld zou kunnen worden; bijvoorbeeld:

  • Jānder nert rafanavy, kluft qugle jazy ānkest ón do.
    Jānder wil niet vertellen, wat hem zo bang maakt.
  • Ef nert knōfe, lomp enn Petriy c’rtire.   (vgl. § 130.77 5.)
    Het is niet bekend wieS PetriyO geholpen heeft.
130.79

Soms wordt een constructie gepassiviseerd, zodanig dat het voegw. de zinskern wordt. Op deze wijze kan een pron.-spoor vermeden worden. Vergelijk:

    {Gress trempa fes ef quiyrda, ef polišo minkedo kluft fes ef knoiyt.} >
  1. > Gress trempa fes ef quiyrda, kluft ef polišo minkedo ef fes ef knoiyt.
  2. > Gress trempa fes ef quiyrda, kluft minkedolije pai ef polišo fes ef knoiyt.
    Ik heb in de krant gelezen wat er door de politie in de loods is gevonden.
Voor veel Spokaniėrs geldt variant b. als verzorgde schrijftaal, terwijl zij a. meer als spreektaal beschouwen. Noot 1

      Noot 1 In Bōrā-t’den, een bekend avondblad op het eiland Berref, worden pron.-sporen zo veel mogelijk vermeden door van passiefconstructies gebruik te maken.

130.80

Als de toek.tijd uitgedrukt wordt met inversie (§ 111.50-53), staat de zinskern niet meer op een initiėle positie, vergelijk:

  1. Petriy quamptūne ef mennpriss.   Petriy wint de hoofdprijs.
  2. Quamptūne Petriy ef mennpriss.   Petriy zal de hoofdprijs winnen.
Als deze kern nu de functie van voegw. heeft, ontstaat er een conflict: het voegw. wil een initiėle positie innemen, maar de uitdrukking van de toek.tijd vereist dat het werkw. deze initiėle positie inneemt. Er zijn nu in principe 4 oplossingen, elk met een eigen nadeel:
  1. Maak de zin passief, zodanig dat het voegw. geen zinskern meer is. Nu kan een pron.-spoor toegevoegd worden. Nadeel: passivisering is bij intrans.werkw.n onmogelijk;
  2. Plaats het werkw. įchter de kern, maar druk de toek.tijd uit met de determinant di (meestal samen het suffix -u). Nadeel: de toek.tijd. is nu sterk gemarkeerd en heeft een extra betekenis van "plan" of "belofte" (zie § 111.55-59);
  3. Plaats het voegw. vóór het werkw., maar vul de lege positie erachter in met een pron.-spoor. Nadeel: druist in tegen de regel dat zulke sporen nooit met kernen gecombineerd mogen worden;
  4. Handhaaf het voegw. įchter het werkw. Nadeel: druist in tegen de regel dat voegw.n een initiėle positie moeten innemen.
130.81

Voorbeelden van de 4 oplossingen uit de vorige paragraaf:

    {Ef melde velk yroppiy, quamptūne lomp enn ef mennpriss.} >

  1. > Ef melde velk yroppiy, lomp quamptūnelije enn ef mennpriss pai do/eup/stus. Noot 1
    Het is nog spannend, door wie de hoofdprijs gewonnen zal [gaan] worden.
  2. > Ef melde velk yroppiy, lomp di quamptūnu enn ef mennpriss.
    Het is nog spannend, wie de hoofdprijs zal [gaan] winnen.
  3. > * Ef melde velk yroppiy, lomp quamptūne do/eup/stus enn ef mennpriss.
    (als b.)
  4. > ?? Ef melde velk yroppiy, quamptūne lomp enn ef mennpriss.
    (als b.)
Oplossingen a. en b. zijn geheel correct, maar c. is ongrammaticaal, en d. is zeer twijfelachtig en wordt als "onverzorgd taalgebruik" beschouwd. Noot 2

      Noot 1 Zie § 130.82 voor de handhaving van de determinant pai op de positie van het pron.-spoor.

      Noot 2 Ripau (1965) noemt een constructie als d. een Pegrevisme, omdat voegw.n in het Pegrevisch niet zo'n strikte initiėle positie hebben als in het Spokaans. Daarom kan in het Pegrevisch een werkw. vóór een voegw. staan. Merk op dat deze relatief vrije positie voor een voegw. een neologisme is die alleen in het Pegrevisch voorkomt, niet in de overige Atlantische talen, en ook niet in het Oud-Atlantisch.

130.82

De markeerders pai, enn en ón blijven altijd op de positie staan die gereserveerd is voor het subject, resp. object, resp. de echo. Deze markeerders markeren dus het pron.-spoor, en niet het feitelijke subject, object of de echo. Vergelijk:

  1. {Gress tiffe, eup kette ef mimpit ón lomp.} >
    > Gress tiffe, lomp eup kette ef mimpit ón stus.

    (niet: * Gress tiffe, ón lomp eup kette ef mimpit [ón] stus.)
    Ik weet aan wie zij het boek gegeven heeft.

  2. {Ef nert knōfe, ef moplariy quglolije pai kluft.} >
    > Ef nert knōfe, kluft ef moplariy quglolije pai ef.

    (niet: * Ef nert knōfe, pai kluft ef moplariy quglolije [pai] ef.)
    Het is niet bekend, door wat (of: waardoor) het ongeluk veroorzaakt werd.

  3. {Ef nert knōfe, Elsa kettelitā pai do enn kluft.} >
    > Ef nert knōfe, kluft Elsa kettelitā pai do enn ef.

    (niet: * Ef nert knōfe, enn kluft Elsa kettelitā pai do [enn] ef.)
    Het is niet bekend, wat er door hem aan Elsa gegeven wordt.
130.83

De voorbeelden 1.-3. uit de vorige paragraaf illustreren hoe de feitelijke functie van de markeerders pai, enn en ón (namelijk het markeren van het subject, object of de echo) ondergeschikt is geraakt aan een secundaire functie, namelijk het markeren van de posities waarop subject, object en echo eigenlijk thuishoren. In de dialecten op Tigof en Lomky hebben deze markeerders hun oorspronkelijke functie nog behouden: zij geven aan welk element het subject resp. object resp. de echo is, en verschuiven mee naar een initiėle positie als dit voor een voegw. noodzakelijk is. Deze dialecten kennen dan ook geen pron.-sporen. Vergelijk 1.-3. met de dialectische vormen:

  1. æ Gress tiffe, ón lomp eup kette ef mimpit.
  2. æ Ef nert knōfe, pai kluft ef moplariy quglolije.
  3. æ Ef nert knōfe, enn kluft Elsa kettelitā pai do.
In deze dialecten worden de vette elementen net zo behandeld als voorz.bepalingen; deze verschijnen immers óók op een initiėle positie (zie § 130.89).

130.84

Object-markering met enn is verplicht als de zin met een onderschikkend voegw. begint en een def.tijd of toek.tijd uitdrukt (zie § 90.7). Deze regel geldt ook bij constructies waarin het subject als voegw. optreedt. Vergelijk:

  1. Ef nert knōfe, lomp c’rtiravy [enn] Petriy.
    Het is niet bekend wieS PetriyO wil helpen.
  2. Ef nert knōfe, lomp enn Petriy c’rtire.
    Het is niet bekend wieS PetriyO geholpen heeft.
Echter, in vlotte spreektaal wordt enn wel weggelaten bij zinnen in de def.tijd waarin de subject-kern tevens voegw. is. In plaats van b. wordt dan gezegd:
  • £ Ef nert knōfe, lomp Petriy c’rtire.
130.85

De genitiefvormen lomper (van wie) en kluftec’r (van wat, waarvan) komen met hun fundament op een initiėle positie, en op de oorspronkelijke subject-, object- of echopositie verschijnt het pron.-spoor ef, dat aan de gehele genitiefbepaling refereert:

  1. {Ef nert knōfe, do kuntiyro kluftec’r qu’e-trōchā.} >
    > Ef nert knōfe, kluftec’r qu’e-trōchā do kuntiyro ef.

    Het is niet bekend, waarvan hij het reservewiel gestolen heeft.
    (lett. "... het reservewiel van-wat hij gestolen heeft")

  2. {Gress nert tiffe, óps lomper mimpits trempe.} >
    > Gress nert tiffe, lomper mimpits óps enn ef trempe.

    Ik weet niet wiens boeken zij gelezen hebben.

  3. {Tek vraboe, óps póbaraves ef mimpits ón lomper frints.} >
    > Tek vraboe, lomper frints óps póbaraves ef mimpits ón ef.

    Tek vermoedt aan wiens vrienden zij de boeken willen verkopen.
In voorbeeld 2. is het spoor ef door enn gemarkeerd om de gehele constituent iets meer gewicht te geven teneinde de positie vóór het werkw. (def. tijd!) extra te benadrukken.

130.86

Vijf vrag.vnw.n die als voegw.n kunnen optreden worden attributief gebruikt: zij gaan dus samen met een fundament (zie ook Blok 150.??):

    kolpert
    folarra
    lompol
    kolpol
    folarkluft
    hoeveel
    welk
    wie van de (personen)
    welk/wat van de (zaken/dieren)
    wat voor een
130.87

Als voegw. verschijnen zij evenals de hierboven behandelde voegw.n in initiėle positie, maar het fundament mag op de oorspronkelijke positie achterblijven, vergelijk:

  1. £ Gress nert tiffe, folarkluft mimpit do trempe enn efPV.
  2. Gress nert tiffe, folarkluft do trempe enn efLW mimpit.
    Ik weet niet wat voor een boek hij leest.
Variant a. is typisch spreektaal en komt geheel overeen met de genitiefconstructies zoals besproken in § 130.85: het fundament gaat samen met het voegw. naar een initiėle positie, en op de oorspronkelijke objectpositie staat het pron.-spoor ef, voor object gemarkeerd door enn. Noot 1
In variant b. verschuift alleen het voegw. naar de initiėle positie terwijl het fundament als object op de oorspronkelijke objectpositie achterblijft, gemarkeerd door enn. De lidw.vervangende functie die het voegw. folarkluft in a. heeft, kan het vanwege zijn geļsoleerde positie in b. niet hebben, en daarom verschijnt het bep.lidw. ef hier voor mimpit. Merk op dat ef in a. een pers.vnw. (PV) is, maar in b. is ef een lidwoord (LW).

      Noot 1 Bij de genitiefvormen van de voegw.n is dit soort constructie de enig mogelijke en daarom niet alleen typisch spreektaal, maar ook schrijftaal. De spreektaalvariant in a. kan beschouwd worden als een analogievorming naar bedoelde genitiefconstructies. Variant b. is daarentegen de oorspronkelijke constructievorm, zoals ook nog in het Pegrevisch gebruikt wordt.

130.88

Nog enkele voorbeelden:

  1. £ Ef nert knōfe, lompol meraters do enn ef zerfe.
  2. Ef nert knōfe, lompol do enn ef meraters zerfe.
    Het is niet bekend wie van de mannen hij gezien heeft.
  1. £ Tu trempecū fes ef letra, folarra ofisser tu zālbinasāt ef fōrmeler ón ef.
  2. Tu trempecū fes ef letra, folarra tu zālbinasāt ef fōrmeler ón ef ofisser.
    Je kunt in de brief lezen, aan welke medewerker je het formulier moet sturen.
  1. £ Do nert tiffe, kolpert mosjeusz do lyelije pai ef.
  2. Do nert tiffe, kolpert do lyelije pai ef mosjeusz. Noot 1
    Hij weet niet door hoeveel vrouwen hij bemind wordt.
      Noot 1 Vergelijk:
  • Do nert tiffe, aršiyg do lyelije pai ef mosjeusz.
    Hij weet niet hoeveel/in welke mate hij door de vrouwen bemind wordt.
Het onafhankelijke voegw. aršiyg betekent "in hoeverre, in welke mate, hoeveel" (zie Blok 150.??). In deze betekenis kan kolpert nooit gebruikt worden.

130.89

In tegenstelling tot de determinanten pai, enn en ón, blijven voorzetsels altijd verbonden aan hun fundament. Bovendien verschijnen voorz.bepalingen met een voegw. op een initiėle positie zonder dat er verderop in de zin een pron.-spoor wordt gebruikt, want zulke sporen zijn alleen nodig als de positie van een basiselement onbezet blijft. Voorz.bepalingen zijn daarentegen geen basiselement; Noot 1 vergelijk de determinant ón in a. met het voorz. fes in b.:

  1. Gress tiffe strā, folarra fortpit zālbinase gress enn sener ārtycla ón ef.
    Ik weet nog niet aan welk tijdschrift ik mijn artikel zal sturen.
  2. Gress tiffe strā, fes folarra fortpit xuriyme gress enn sener ārtycla.
    Ik weet nog niet in welk tijdschrift ik mijn artikel zal plaatsen.
      Noot 1 Echter, voorz.bepalingen die bij een prepositioneel werkw. horen, hebben vaak het karakter van een basiselement. Zie hiervoor § 130.93-94.

130.90

Vergelijk ook nog de determinant pai in a. met het voorz. tjāg in b.:

  1. Ef medikiy nert tiffe, kluft dena yefna'ef kurre beri flomelije pai ef.
    De dokter weet niet waardoor deze kwaal genezen kan worden.
  2. Ef medikiy nert tiffe, tjāg kluft dena yefna'ef labore.
    De dokter weet niet waardoor deze kwaal ontstaat.
130.91

In de Blokken 90.28 en 90.29 zijn de werkwoorden opgenomen waarbij ón als voorz. beschouwd moet of kan worden. Zo is het onduidelijk of ón in de uitdrukking ef ’sše A ón B (A met B vergelijken) nu een determinant dan wel een voorz. is (§ 90.26). Deze onduidelijkheid brengt met zich mee dat zowel a. als b. acceptabel zijn:

  1. Gress dālme, lomp Moffain ’sše dena platiraner ón do.
    (lomp/ón do = echo)
  2. Gress dālme, ón lomp Moffain ’sše dena platiraner.
    (ón lomp = voorz.bep.)
    Ik vraag me af, met wie Moffain deze schilder vergelijkt.
Variant a. verschaft ons de extra informatie dat de persoon met wie Moffain de schilder vergelijkt een man is, want als pron.-spoor is voor do gekozen. In b. zou ook sprake van een vrouw kunnen zijn, met wie Moffain de schilder vergelijkt.

130.92

Uit Blok 90.29 blijkt dat ón in de uitdrukking ef quppe A ón B (A tot B rekenen) altijd een voorz. is. De varianten b. en c. zijn dus ongrammaticaal: Noot 1

  1. Feskoffe-gōrse fes tromlot D2, ón folarra klās g’rs quppavy ef fes-jalos fes tromlot B1.
    Geef in vakje D2 aan tot welke categorie u de inkomsten in vakje B1 wilt rekenen.
  2. * Feskoffe-gōrse fes tromlot D2, folarra klās g’rs quppavy ef fes-jalos fes tromlot B1 ón ef.   (vgl. § 130.88 2a.)
  3. * Feskoffe-gōrse fes tromlot D2, folarra g’rs quppavy ef fes-jalos fes tromlot B1 ón ef klās.   (vgl. § 130.88 2b.)
      Noot 1 De instructie in c. was in 1981 te vinden op een formulier gebruikt door de Spokanische Belastingdienst. De ambtenaar die dit schreef was kennelijk niet op de hoogte van het feit dat ón hier een gewoon voorz. is. We kunnen zijn fout ook beschouwen als een gevolg van hypercorrectie.

130.93   Pseudo-functies

Prepositionele werkw.n (zie § 80.28) gaan altijd - per definitie - gepaard met een voorz.bepaling die het karakter heeft van hetzij een object, hetzij een echo (als er reeds een "echt" object aanwezig is). Deze elementen met het syntactische karakter van object resp. echo heten "pseudo-object" resp. "pseudo-echo".
Door deze pseudo-functie kunnen zij niet zo gemakkelijk op elke willekeurige plek in een zin geplaatst worden als "gewone" voorz.bepalingen. Dit karakter van basis-element werkt ook door als zulke voorz.bepalingen een voegw. bevatten. Er zijn nu twee of drie syntactische oplossingen, vergelijk:

    ef axerme kura flaju (baat vinden bij iets):

  1. Gress nert tiffe, kura kluft Genell axerme.
    (kura kluft = voorz.bep.)
  2. Gress nert tiffe, kluft Genell axerme kura ef.
    (kluft/kura ef = pseudo-object)
    Ik weet niet waar Genell baat bij vindt.

    ef stunnare na rast/flaju (te maken krijgen met iemand/iets):

  3. Fes ef letra ef sen stinde, na folarra hut tu stunnare.
    (na folarra hut = voorz.bep.)
  4. £ Fes ef letra ef sen stinde, folarra hut tu stunnare na do.
    (folarra hut/na do = pseudo-object)
  5. Fes ef letra ef sen stinde, folarra tu stunnare na ef hut.
    (folarra/na ef hut = pseudo-object)
    In de brief staat met welke ambtenaar je te maken krijgt.

    ef sūpriyse rast gāšā flaju (iemand verrassen op iets):

  6. Do dālme, gāšā folarkluft kettos sūpriyse tu gress.
    (gāšā folarkluft kettos = voorz.bep.)
  7. £ Do dālme, folarkluft kettos sūpriyse tu gress gāšā ef.
    (folarkluft kettos/gāšā ef = pseudo-echo)
  8. Do dālme, folarkluft sūpriyse tu gress gāšā ef kettos.
    (folarkluft/gāšā ef kettos = pseudo-echo)
    Hij vraagt zich af, op wat voor cadeau jij mij zal verrassen.
130.94

De a-zinnen in de vorige paragraaf zijn correct als we aannemen dat de vette elementen gewone voorz.bepalingen zijn die zonder meer op een initiėle positie mogen verschijnen. De b-varianten zijn eveneens correct, omdat de vette constituenten als een soort basis-elementen beschouwd kunnen worden, daarbij een (cursief) pron.-spoor achterlatend (bij attributieve voegw.n is dit alleen in de spreektaal acceptabel). Ten slotte, de c-varianten zijn altijd correct bij attributieve voegw.n. Het voorz. treedt hier dan op als een pseudo-determinant analoog aan pai, enn en ón in § 130.82.

De voorz.bepaling die bij een prepositioneel werkw. hoort, kan in meerdere of mindere mate als een basiselement "gevoeld" worden. Hoe minder concreet de betekenis van het bijbehorende voorz. is, en hoe moeilijker de voorz.bepaling weggelaten kan worden, hoe meer de voorz.bepaling als basiselement beschouwd zal worden, dus hoe meer er de voorkeur aan de b./c.-varianten gegeven zal worden. In § 140.?? wordt hierop dieper ingegaan.


<< Inhoudsopgave | Registers >>
<< Hoofdstuk 127 | Hoofdstuk 131 >>