Een complete Nederlands-
talige grammatica van het
Spokaans, geschreven
vanuit een Nederlands
perspectief.

Grammatica van het Spokaans

Home       Inhoud       Registers       Hoofdmenu SPARC       Taalmenu SPARC


<< Hoofdstuk 123 | Hoofdstuk 125 >>

12. Samengestelde zinnen

124. Relatieve bijzinnen


Opbouw van dit hoofdstuk:
  1. Betrekkelijke voornaamwoorden
  2. Relatieve -lira-constructie
Blok:

124.1

Relatieve bijzinnen kunnen op twee manieren worden gevormd:

  1. met behulp van een betrekkelijk voornaamwoord (betr.vnw.)
  2. met behulp van het verbale suffix -lira (vanaf § 124.46)

Omdat de constructies met -lira reeds in § 100.50-66 behandeld zijn, zullen ze nu minder uitgebreid aan de orde komen.

124.2   ad § 124.1   A. Betrekkelijke voornaamwoorden

De betrekkelijke voornaamwoorden behoren, tezamen met de vragende voornaamwoorden (Hoofdstuk 150), tot de groep van grammaticale voornaamwoorden.
Betr.vnw.n zijn in feite "substantiefvervangend", en daarom worden zij in sommige grammatica's bij de pronominale groep van substantiefvervangende vnw.n ondergebracht (zie § 70.1). Wij pleiten voor de invoering van de groep "grammaticale vnw.n", omdat betr.vnw.n, in tegenstelling tot bijvoorbeeld pers.vnw.n, altijd binnen een specifieke syntactische omgeving moeten opereren, namelijk binnen een relatieve bijzin, en daarbij per definitie aan een constituent in de matrixzin (ofwel hoofdzin) moeten refereren. De aanwezigheid van bijvoorbeeld pers.vnw.n wordt daarentegen voornamelijk door semantische of stilistische criteria bepaald: een specifieke syntactische omgeving is nu niet relevant. Generaliserend kunnen we ook zeggen: het gebruik van substantiefvervangende vnw.n is in syntactisch opzicht optioneel maar het gebruik van een betr.vnw. is syntactisch obligatorisch.

124.3

Alle Spokaanse betr.vnw.n met hun afleidingen zijn opgenomen in het volgende Blok:

Betrekkelijke voornaamwoorden
 
nominaal
verbaal
CONCR. +
STOFF.
ABSTR. +
SEMI-CONCR.
MEERV. +
STOFF.
basisvorm
genitief
 
resultatief
 
persoon
niet-persoon
 

téx
técÿr
tét[te]
sem
-
semÿr
semme
mit
mitex
mitÿr
mitte
wân
-
-
-

Stoffelijke subst.n worden voor wat betreft de keuze van het betr.vnw. behandeld alsof ze CONCREET of MEERVOUD zijn. Semi-concrete subst.n worden beschouwd alsof ze ABSTRACT zijn.
Het verbale betr.vnw heeft als antecedent een gehele matrixzin, of het predikaat van deze matrixzin, zie vanaf § 124.46.

124.4

Uit Blok 124.3 blijkt dat de betr.vnw.n ook genitiefvormen kennen. Hiervan is alleen mitex regelmatig. In alle andere gevallen is het genitief-suffix gereduceerd: -ex wordt -x in téx; -ecÿr wordt -cÿr in técÿr of -ÿr in semÿr en mitÿr. Daar er geen abstracte subst.n bestaan die een persoon aanduiden, bestaat er geen gen.vorm *semex. Zie § 124.23 voor het gebruik van deze genitiefvormen.

124.5   Nominale betr.vnw.n

De relatieve bijzin wordt altijd achter de matrixzin geplaatst en het antecedent van de nominale betr.vnw.n , sem en mit is altijd de kern van de matrixzin, tenzij een andere constituent met ki gemarkeerd is, dan is dat het antecedent. Vergelijk (Dysse is in alle gevallen de zinskern; het antecedent is vetgedrukt):

  • Dysse ðale ef mecratjen ón Jân, lelperre eft musstasiy ralfort.
    Dysse roddelt de smid aan Jân, die heeft een snor tegenwoordig
    Dysse die tegenwoordig een snor heeft roddelt over de smid tegen Jân.
  • Dysse ðale ki ef mecratjen ón Jân, lelperre eft musstasiy ralfort.
    Dysse roddelt over de smid die tegenwoordig een snor heeft, tegen Jân.
  • Dysse ðale ef mecratjen ón ki Jân, lelperre eft musstasiy ralfort.
    Dysse roddelt over de smid tegen Jân die tegenwoordig een snor heeft.

  • Do hatre ki ef cho'atô, sem fesqurstoxe do.
    hij haat DET de wanhoop, die ontmoedigt hem
    Hij haat de wanhoop die hem ontmoedigt.

  • Ef câtoliycers rotjule ef ergynners lo ef ret, mit melde oibaniy.
    de Katholieken mijden de Ergyners als de pest, die zijn minderheid
    De Katholieken, die in de minderheid zijn, mijden de Ergyners als de pest.
  • Ef câtoliycers rotjule ki ef ergynners lo ef ret, mit melde vluftiy.
    de Katholieken mijden DET de Ergyners als de pest, die zijn meerderheid
    De Katholieken mijden de Ergyners, die in de meerderheid zijn, als de pest.

124.6

Het betr.vnw. staat altijd op de plaats die zijn syntactische functie (subject, object, echo, voorz.constituent) vereist. Vergelijk:

  • Ef tubôs melde gerlas-lenkera, idequppe do.
    de vrouw is bus-chauffeuse, die beduvelt hem
    De vrouw die hem beduvelt is buschauffeuse.   (de vrouw beduvelt de man)
  • Ef tubôs melde gerlas-lenkera, do idequppe .
    De vrouw die hij beduvelt is buschauffeuse.   (de man beduvelt de vrouw)

  • Ef merater melde kost ÿksaner, gress kette ef mimpit ón .
    de man is mijn buurman, ik geef het boek aan die
    De man aan wie ik het boek geef is mijn buurman.

  • Kirro ki ef ferdu erfe mip ef om, ef chat zirde kaf .
    wij DET de stoel erven uit de oma, de kat ligt op die
    Wij hebben de stoel, waarop de kat ligt, van oma geërfd.

124.7

De markeerder ki verschijnt in principe vóór de constituent die als antecedent van het betr.vnw. optreedt. Hierop bestaat echter een uitzondering: ki verschijnt achter de markeerders pai, enn en ón, en achter voorzetsels. Vergelijk:

  • Ef gekker kette ef mimpit ón ki ef bellart, té zâre fes eft kents.
    De leraar geeft het boek aan de leerling, die in een commune woont.
    (niet  * ... ki ón ef bellart, ...)

  • Gress melde rofonos, janof do enn ki ef letra koldre-tijâ, gress probaro beri trempe velk té.
    ik ben boos omdat hij DtO DET de brief gooit-weg, ik wilde INF lezen nog die
    (niet  * ... janof do ki enn ef letra ...)
    Ik ben boos, omdat hij de brief heeft weggegooid, die ik nog wilde lezen.

  • Ef chat zirde kaf ki ef mikar ferdu, kirro té erfe mip ef om.
    (niet  * Ef chat zirde ki kaf ef mikar ferdu, ...)
    De kat ligt op de kostbare stoel, die wij van oma geërfd hebben.

Uit het laatste voorbeeld blijkt dat ki in voorz.constituenten vóór het zogenoemde "fundament" (zie § 140.$$) geplaatst wordt.

124.8

Er zijn twee gevallen waarin de markering van een niet-zinskern met ki achterwege blijft:

  1. voor nem (bep.aank.vnw.) en de afleidingen van nem;
  2. in constructies met het voorlopige subject ef.

124.9   ad § 124.8   a.

Het bep.aank.vnw. nem, diens resultatief nemme en de gen.vormen nemer en nemÿr zijn opgenomen in Blok 73.2 en behandeld vanaf § 73.13. De woorden nem, nemme, nemer en nemÿr worden nooit gemarkeerd met ki. Vergelijk:

  • Do zaare nem, té ef pitter kuntiyre.
    (niet  * Do zaare ki nem, té ...)
    Hij scheldt degene uit die de fiets heeft gestolen.

  • Eup sen henke fes nem, gress cÿrtiro mit. Noot 1
    (niet  * Eup sen henke fes ki nem, gress ...)
    Zij stoort zich aan degenen, die ik geholpen heb/die door mij geholpen zijn.

  • Lerdu paine nem, té melde ðobo.
    (niet  * Lerdu paine ki nem, té ...)
    Lerdu doet dat wat verkeerd is.


Noot 1 Nem is ongemarkeerd voor de oppositie enkelvoud ~ meervoud. Maar het betr.vnw. mit drukt expliciet uit dat het hier om een meervoudige entiteit gaat.

124.10

Voor de gen.vormen nemer en nemÿr, zie ook § 73.18. Vergelijk:

  • Do zaare nemer frint, té ef pitter kuntiyre.
    (niet  * Do zaare ki nemer frint, té ...)
    Hij scheldt de vriend van degene uit die de fiets heeft gestolen.

  • Eup sen henke fes nemer efantys, gress cÿrtiro mit.
    (niet  * Eup sen henke fes ki nemer efantys, gress ...)
    Zij stoort zich aan de kinderen van degenen, die ik geholpen heb.

  • Gress šaze tsazi nemÿr ðÿny, do té lorerde hols.
    (niet  * Gress šaze tsazi ki nemÿr ðÿny, do ...)
    Ik ben verbaasd over de prijs van datgene wat hij gisteren heeft gekocht.

124.11   ad § 124.8   b.

In constructies met het voorlopige subject ef (zie ook § 70.36) blijft ki voor het object achterwege, omdat het voorlopige subject ef nooit als antecedent in aanmerking kan komen:

  • Ef nert melde kost frint, té arfinavy.
    (niet  * Ef nert melde ki kost frint, té arfinavy.)
    Het is niet mijn vriend, die wil komen.

  • Ef ÿrmoie ef ten Enelandos, ef glûfiy kurrtôpe ón mit.
    (niet  * Ef ÿrmoie ki ef ten Enelandos, ...)
    Het schijnen [de] twee Engelsen te zijn, met wie het bedrijf onderhandelt.

We gaan er hier gemakshalve van uit dat in bovenstaande voorbeelden ef het subject is, en kost frint, resp. ef ten Enelandos, het object. Zie verder de discussie in § 131.$$.

124.12

Als een betr.vnw. "overstemd" dreigt te worden door complexe constituenten in de onmiddellijke nabijheid, of als het betr.vnw. in een lange bijzin geheel aan het eind een verloren indruk dreigt te maken, wordt de voorkeur aan kern-wisseling gegeven, zodanig dat het betr.vnw. nu zinskern wordt en dus vooraan, op een prominente plaats, komt te staan. We hebben dus met een passief te doen. Vergelijk a. met b., waarin b. telkens de voorkeur verdient:

  1. Do ufirare ki eft oto, do kurre beri wencate fes ef âskân fes
    mént ovap-omelech tjâg ef tuffianto graviy hupster kika.
  2. Do ufirare ki eft oto, kurre beri wencatelije fes ef âskân pai
    hij berijdt DET een auto, die kan INF houden-SxO in het spoor door
    do fes mént ovap-omelech tjâg ef tuffianto graviy hupster kika.
    hem in sterk zijwind door de slechts ernstig groot moeite
    Hij rijdt in een auto, die hij bij sterke zijwind slechts met de grootste
    moeite op de weg kan houden.

  1. Gress nert tiffe ki ef mosjeusz, kost nelatiyca frera kette ef mikar
    én ojic huron-mûsolls ón mit.
  2. Gress nert tiffe ki ef mosjeusz, mit kettelitâ pai kost nelatiyca
    ik niet ken DET de vrouwen, die geven-SxE door mijn attent
    frera enn ef mikar én ojic huron-mûsolls.
    broer DtO de duur en schitterend boeketten
    Ik ken de vrouwen niet, aan wie mijn attente broer de dure, schitterende boeketten geeft.

In de b-varianten dient de passieve -lije-vorm dus voornamelijk om de relatie tussen antecedent en betr.vnw. te accentueren, en niet om de handeling vanuit een andere optiek te benaderen. In § 92.26 is reeds uiteengezet dat dergelijke passieven daarom met een actief equivalent in het Nederlands vertaald mogen worden.

124.13

Een andere mogelijkheid is om kernwisseling in de matrixzin toe te passen, zodanig dat het antecedent achteraan komt te staan. Vergelijk:

  1. Mariy byte Elsa, melde kost ÿksanera.
    Mariy die mijn buurvrouw is, slaat Elsa.
  2. Elsa bytelije pai ki Mariy, melde kost ÿksanera.
    Elsa wordt door Mariy, die mijn buurvrouw is, geslagen.
    of  Mariy, die mijn buurvrouw is, slaat Elsa.

Echter, passivisering van de matrixzin leidt meestal tot een verandering in de optiek van waaruit de SvZ bekeken wordt. Dit is reeds behandeld in § 92.27-29.

124.14

Verscheidene grammatici stellen dat de vorm van de matrixzin altijd zo gekozen moet worden dat het antecedent zo dicht mogelijk bij het betr.vnw. staat, ook al is hiervoor een passiefconstructie noodzakelijk. Deze regel geldt echter niet als er in de matrixzin maar één constituent aanwezig is die, semantisch gezien, als antecedent in aanmerking zou kunnen komen, zoals in:

  • Mariy tânpe ef vasa, melde kost ÿksanera.
    Mariy laat.vallen de vaas, die is mijn buurvrouw
    Mariy, die mijn buurvrouw is, laat de vaas vallen.

Omdat in bovenstaand voorbeeld nooit kan refereren aan ef vasa (een vaas kan immers geen buurvrouw zijn), is nu een passiefconstructie die Mariy zo dicht mogelijk bij brengt niet noodzakelijk.

124.15

Passieve bijzinnen waarin het betr.vnw. niet als kern optreedt, doen geforceerd aan, en kunnen beter vermeden worden, bijvoorbeeld:

  • ? Gress nert tiffe ki ef 'jan, ef barera verfutelije pai té.
    Ik ken de jongen niet, door wie het hek geschilderd wordt.
    (liever  ..., té verfute ef barera.)

Een dergelijke passiefconstructie maakt de prominente plaats die het betr.vnw. in de actieve variant heeft, nu juist ongedaan, en wordt daarom afgekeurd. Vergelijk het tegengestelde proces in § 124.12.

124.16

In matrixzinnen waarin subject en object coreferentieel zijn, zoals bijvoorbeeld in zinnen met symmetrische werkw.n als melde (zijn), tinkere (worden), pe (heten) ed., zou, syntactisch gezien, ki voor het object achterwege kunnen blijven, omdat het betr.vnw. automatisch al aan het object refereert als het reeds aan het subject refereert. Toch wordt in sommige gevallen het object met ki gemarkeerd om een subtiel betekenisverschil uit te drukken, wat hieronder in de a- en b-variant is geïllustreerd:

  1. Jân melde kost frint, té affionnose belps.
    Jân die van dieren houdt, is mijn vriend.
  2. Jân melde ki kost frint, té affionnose belps.
    Jân is mijn vriend, die van dieren houdt.

In a. is er sprake van een uitbreidende relatieve bijzin: de primaire mededeling is: "Jân is mijn vriend", waaraan secundair toegevoegd wordt: "hij houdt van dieren". In b. lijkt er eerder sprake van een inperkende relatieve bijzin: het primaire gegeven is: "ik heb een vriend die van dieren houdt", en het secundaire gegeven is: "deze vriend die van dieren houdt, is/heet Jân".
Het onderscheid tussen "uitbreidende" en "inperkende" bepaling komt nader aan de orde vanaf § 124.68.

124.17

Nog een voorbeeld:

  1. Lerdu Eemânen tinkere kult kleter monercô, té zâre fes ef zeces-husof.
    Lerdu Eemânen, die in het dorpskasteel woont, wordt onze nieuwe burgemeester.
  2. Lerdu Eemânen tinkere ki kult kleter monercô, té zâre fes ef zeces-husof.
    Lerdu Eemânen wordt onze nieuwe burgemeester, die in het dorpskasteel woont.

In a. is er sprake van een uitbreidende relatieve bijzin: de primaire mededeling is: "L.E. wordt onze nieuwe burgemeester", waaraan secundair toegevoegd wordt: "hij woont in het dorpskasteel".
In b. is er sprake van een generaliserende bijzin, in de trant van "als er een nieuwe burgemeester gekozen is, zal hij in het dorpskasteel gaan wonen". Zo lang L.E. nog geen burgemeester is, woont hij dus nog ergens anders.

124.18

Toevoeging van ki leidt niet in alle gevallen tot een betekenisverschil, als subject en object coreferentieel zijn. Vergelijk:

  1. Yvonn tinkere teâk nuna-almuss, té hizjyše pip fara eup zerfe eft nucer merater.
    Yvonn wordt zo'n oude vrijster, die al begint te giechelen als ze een blote man ziet.
  2. Yvonn tinkere ki teâk nuna-almuss, té hizjyše pip fara eup ...
    (idem)

De bijzin kan in a. niet geïnterpreteerd worden als een secundaire bepaling, zoals de bijzinnen in de a-voorbeelden hierboven dat waren. De mededeling: "ze begint al te giechelen als ze een blote man ziet" is feitelijk een verklarende bepaling, die de reden geeft waarom de spreker vindt dat Yvonn zo'n oude vrijster wordt. Daarom is het niet relevant om middels een ki-markering deze bepaling expliciet aan het object te verbinden.

124.19

Soms wordt het meervoudige betr.vnw. mit gebruikt als het twee enkelvoudige antecedenten heeft (bijv. subject en object):

  1. a. Petriy nert tiffe Lerdu, Irtava chaquinde lef mit.
        Petriy niet kent Lerdu, Irtava spreekt met die
        Petriy kent Lerdu niet, met wie Irtava spreekt.   (Irtava spreekt met beiden)

Onder meer Kojen-Pôt (1980) en Lorjen (1974) verwerpen deze enigszins geforceerd aandoende constructie, die door Lorjen omschreven wordt als een "meervoudig betr.vnw. met een gespleten antecedent". Let op dat het idee van het dubbele antecedent niet meer opgaat als een van de antecedenten meervoudig is:

  1. a. Petriy ur Jân nert tiffe Lerdu, Irtava chaquinde lef mit.
        Petriy en Jân, met wie Irtava spreekt, kennen Lerdu niet.

We kunnen dus de volgende redenering opstellen: het betr.vnw. mit moet aan een meervoudig antecedent refereren (zoals in (2a)), maar als dit antecedent ontbreekt (zoals in (1a)) dan moet gezocht worden naar een combinatie van constituenten die met elkaar meervoudig zijn.

124.20

Een meervoudig betr.vnw. kan nooit een "gespleten" antecedent (zie hierboven) hebben als een van de matrix-constituenten met ki is gemarkeerd. Immers, ki geeft expliciet aan welke constituent als antecedent optreedt, en sluit daarbij elke andere constituent als antecedent uit. De volgende varianten van (1a) en (2a) hierboven zijn dan ook ongrammaticaal:

  1. a'. * Petriy nert tiffe ki Lerdu, Irtava chaquinde lef mit.
            Petriy niet kent DET Lerdu, Irtava spreekt met die
  2. a'. * Petriy ur Jân nert tiffe ki Lerdu, Irtava chaquinde lef mit.
            Petriy en Jân niet kennen DET Lerdu, Irtava spreekt met die

124.21

Een extra moeilijkheid ontstaat als de matrixzin een nevenschikking in de vorm van een volzinsdeel bevat (zie § 120.22 Type II.a), en een deel van dit volzinsdeel als antecedent optreedt. Vergelijk:

  1. Kost sour ur Lerdu chaquinde piti wâlkân, té eft kleter oto lorerde ÿrô.
    mijn zuster en Lerdu spreken tegen elkaar, die een nieuwe auto koopt zojuist
    Mijn zuster, die zojuist een nieuwe auto heeft gekocht, en Lerdu praten met elkaar.
    (mijn zuster heeft zojuist een nieuwe auto gekocht)
  2. Kost sour ur ki Lerdu chaquinde piti wâlkân, té eft kleter oto lorerde ÿrô.
    Mijn zuster en Lerdu, die zojuist een nieuwe auto heeft gekocht, praten met elkaar.
    (Lerdu heeft zojuist een nieuwe auto gekocht)

Omdat in a. een ki-markering ontbreekt, is per definitie de zinskern het antecedent bij . Maar omdat een enkelvoudig betr.vnw. is, en de zinskern vanwege de nevenschikking aan twee personen refereert ("mijn zuster" en "Lerdu"), kan alleen het eerste element van de zinskern als antecedent bij optreden: dat is "mijn zuster".
In b. echter markeert ki expliciet welk deel van de nevengeschikte zinskern als antecedent bij het enkelvoudige optreedt ("Lerdu").

124.22

Geen problemen zijn er natuurlijk indien gebruikgemaakt wordt van het meervoudige betr.vnw. mit: nu is de gehele zinskern het antecedent, wat zoveel wil zeggen als dat mijn zuster en Lerdu samen een nieuwe auto hebben gekocht:

  1. Kost sour ur Lerdu chaquinde piti wâlkân, mit eft kleter oto lorerde ÿrô.
    Mijn zuster en Lerdu, die zojuist een nieuwe auto hebben gekocht, praten met elkaar.

Als de enkelvoudige vorm eft kleter oto in (1) veranderd wordt in goe kleter otos, dan betekent (1) dat zowel mijn zuster als Lerdu elk een auto hebben gekocht: het gaat dan om twee auto's, één per persoon. Voor het gebruik van goe, zie § 50.43.

124.23   Genitief van betr.vnw.

Voor de genitief-vormen van de betr.vnw.n gelden precies dezelfde regels als voor de basisvormen. Vergelijk de basisvorm van de betr.vnw.n in de a-zinnen met de genitief in de b-zinnen:

  1. Gress cÿrlôpe ki sener ÿksanera, melde bliynt.
    Ik groet mijn buurvrouw, die blind is.
  2. Gress cÿrlôpe ki sener ÿksanera, téx sour melde bliynt.
    Ik groet mijn buurvrouw, wier zuster blind is.

  1. Eup melde jalors lef nem, gress cÿrtiro mit.
    Zij is jaloers op degenen, die ik geholpen heb.
  2. Eup melde jalors lef nem, gress cÿrtiro mitex efantys.
    Zij is jaloers op degenen, wier kinderen ik geholpen heb.

124.24

Nog enkele voorbeelden:

  • Ef sért buro, técÿr zillepip melde rittiy.
    het huis afbrandde, datGEN dak is riet
    Het huis waarvan het (welks) dak van riet was, is afgebrand.
  • Petriy riffe ki eft fâkomm râviy, gress nert unere semÿr hâc.
    Petriy maakt DET een gemeen opmerking, ik niet begrijp dieGEN nut
    Petriy maakt een gemene opmerking, waarvan ik het nut (welks nut) ik niet begrijp.
  • Ef meraters lÿsselira fes ef póntel, mitex tubôsz ÿrômûs.
    de mannen luieren-LIRA in het café, dieGEN vrouwen werken-MOET
    De mannen wier vrouwen werken moeten, zitten te luieren in het café.

Zie ook § 60.1-9 en § 60.54.

124.25   Resultatief van betr.vnw.n

In welke gevallen er een resultatief gebruikt moet/kan worden, is uiteengezet in Hoofdstuk 62. In deze gevallen kan ook de resultatieve vorm van een betr.vnw. gebruikt worden. Zo vereist het werkw. treske (doven) een resultatief object (zie § 62.17):

  • Ef ðak eróvo purfillus, gress tét/tétte treske.
    de kaars stonk verschrikkelijk, ik dieRES doof
    De kaars die ik gedoofd heb stonk verschrikkelijk.

De korte vorm tét is voornamelijk schrijftaal. In de spreektaal is deze vorm gebruikelijk als het erop volgende woord met een vocaal begint, want in dat geval is de eind-t duidelijk hoorbaar. In alle andere gevallen wordt er in de spreektaal de voorkeur aan de lange vorm tétte gegeven, teneinde een duidelijk onderscheid te kunnen laten horen met de basisvorm .

124.26

In de volgende zin drukt de resultatief mitte de dood van de slaven uit (vergelijk ook § 62.2):

  1. Ef jabâr râmpnére ki ef slaviys, ef šarkonteggs mitte byte.
    de koning bespot DET de slaven, de landheren dieRES slaan
    De koning bespot de slaven, die door de landheren doodgeslagen zijn.

Vergelijk (1) nu met (2) waarin šarkontegges het res.object is:

  1. Ef jabâr râmpnére ki ef slaviys, mit ef šarkontegges byte.
    de koning bespot DET de slaven, die de landherenRES slaan
    De koning bespot de slaven, die de landheren doodgeslagen hebben.
    (de slaven hebben de landheren doodgeslagen)

124.27   Betr.vnw. in een spoorpassief

In § 91.6-14 is behandeld dat passiefconstructies zonder subject gemarkeerd kunnen worden door de determinant blul, en dat dit normaliter gepaard gaat met inversie. Vergelijk:

  • Ef mimpit trempelije pai Jân. >   Het boek wordt door Jân gelezen.
    (> Ef mimpit trempelije blul. >)
    > Blul trempelije ef mimpit.   Het boek wordt gelezen.

Deze inversie nu (regel II. in § 91.6) blijft achterwege in bijzinnen met een betr.vnw. Vergelijk:

  • ef mimpit, té trempelije blul />   het boek dat gelezen wordt
    /> * ef mimpit, blul trempelije té
  • ef 'nin, té kettelitâ blul />   het meisje aan wie gegeven wordt
    /> * ef 'nin, blul kettelitâ té

Zie ook § 100.43.

124.28   Verbaal betr.vnw.

Het verbale betr.vnw. wân wordt vrijwel uitsluitend in de schrijftaal gebruikt en heeft hoe dan ook het predikaat in de matrixzin als antecedent, bijvoorbeeld:

  1. Ef cvôfs wala lóf ef pijâ miskof, wân fliynke terat frôsaliy ki.
    De wolven hebben de hele nacht gehuild, wat heel angstaanjagend klinkt.
    (dus "wolvengehuil" in het algemeen klinkt angstaanjagend)
  2. Jân verfute ef sért, wân melde eft hômber painos.
    Jân schildert het huis, wat een vermoeiende bezigheid is.
    (dus "schilderen" in het algemeen is vermoeiend)

124.29

De betekenis van de bijzin kan echter zodanig zijn dat het logischer is om een groter deel van de matrixzin dan alleen het "kale" predikaat als antecedent te beschouwen. Vergelijk allereerst (2) met (3):

  1. Jân verfute ef sért, groft tubôs tarpenne wân oras.
    Jân schildert het huis, wat zijn vrouw erg waardeert.

De meest voor de hand liggende interpretatie van (3) is dat Jâns vrouw het waardeert dat Jân het huis schildert, en niet dat Jân alleen maar schildert. Het antecedent in (3) is dus niet het kale predikaat, maar de combinatie van predikaat met object. Datzelfde geldt in (4):

  1. Pert hurts péke kaf ef klesblufk, ef piykniykatjens cônsidere wân lo sgâp.
    veel honden kakken op het grasveld, de picknickers vinden wat DET smerig
    Er kakken veel honden op het grasveld, wat de picknickers smerig vinden.

Het is bij (4) logischer om aan te nemen dat de walging van de picknickers eerder toe te schrijven is aan "honden die op grasvelden kakken", dan op de handeling van "kakken" zonder meer.

124.30

Als het predikaat met ki gemarkeerd wordt, wordt expliciet uitgedrukt dat alleen het predikaat als antecedent optreedt. Vergelijk:

  1. Óps ef torozaÿs snue, wân melde gulder dus ef ÿšutos.
    Ze hebben de rozestruiken gesnoeid, wat beter is dan ze te rooien.
  2. Óps ef torozaÿs ki snue, wân melde gulder dus ef ÿšutos.
    Ze hebben de rozestruiken gesnoeid, wat beter is dan rooien.

In a. kan wân ook refereren aan "het snoeien van de rozestruiken": in a. wordt dan beweerd dat het snoeien van deze specifieke struiken beter is dan het rooien van deze specifieke struiken (waarmee nog niet gezegd is dat snoeien in het algemeen beter is dan rooien). In b. daarentegen zorgt ki ervoor dat het antecedent van wân nooit meer kan zijn dan het begrip "snoeien". In b. wordt dan ook een generaliserende bewering gedaan, namelijk dat snoeien altijd beter is dan rooien. Noot 1


Noot 1 Een variant van b. wordt hieronder getoond, waarin de determinanten qu ... qu een duidelijke tegenstelling tussen "snoeien" en "rooien" uitdrukken:

  • Óps ef torozaÿs qu snue, wân melde gulder dus qu šute.
    Ze hebben de rozestruiken gesnoeid, wat beter is dan rooien.

Voor qu ... qu, zie verder vanaf § 131.$$.


124.31

Markering met ki is zelfs noodzakelijk indien het predikaat uit twee of meer nevengeschikte werkw.n bestaat waarvan er één als antecedent voor wân dient, zoals in:

  • Elsa svime én ki plônse fesdu ef picaiy knurfel, sener sientur cônsidere wân lo kviksiy.
    Elsa zwemt en duikt in het ijskoude water, hetgeen haar moeder gevaarlijk vindt.
    (haar moeder vindt "duiken" in het algemeen kennelijk gevaarlijk, het "zwemmen" niet)

124.32

Als de gehele matrixzin met de determinant qu gemarkeerd is (en ook wân deze qu-markering krijgt), moet de complete matrixzin als antecedent beschouwd worden:

  • Qu Elsa svime én plônse fesdu ef picaiy knurfel, sener sientur cônsidere qu wân lo kviksiy.
    Elsa zwemt en duikt in het ijskoude water, wat haar moeder gevaarlijk vindt.
    (de moeder vindt het gevaarlijk dat juist haar dochter zwemt en duikt in juist het
    ijskoude water)

124.33

In de spreektaal wordt wân haast altijd vervangen door een nevenschikkende constructie, bijvoorbeeld met het voegw. ur en het pers.vnw. mittof, dat refereert aan een voorgaande matrix- of bijzin (deze wordt als een CONCREET element beschouwd; zie ook § 70.23).
Vergelijk de relatieve bijzin in a. met de nevenschikkingen in b. en c:

  1. $ Qu do eft flappa kuntiyre, gress cônsidere qu wân lo pûl.
    (lett.  "Hij heeft een vulpen gestolen, wat ik stom vind")
  2. £ Do eft flappa kuntiyre, ur mittof melde pûl âfry gress.
    (lett.  "Hij heeft een vulpen gestolen, en dat is stom volgens mij")
  3. £ Do eft flappa kuntiyre, ur gress cônsidere mittof lo pûl.
    (lett.  "Hij heeft een vulpen gestolen, en ik vind dat stom")
    Hij heeft een vulpen gestolen, wat ik stom vind.

124.34

In plaats van mittof kan soms ook het zelfst.vnw. pana (zie Blok 73.2) gebruikt worden. Let op het verschil:

  1. Jân rafana den Petriy tisjano, ur mittof melde râviy.
  2. Jân rafana den Petriy tisjano, ur pana melde râviy.
    Jân vertelde dat Petriy gezakt was, wat opmerkelijk was.

In a. refereert mittof aan de inhoud van de matrixzin: het feit dat Petriy gezakt is, is dus opmerkelijk. In b. refereert pana aan de taaluiting zelf: het feit dat Jân vertelt dat Petriy gezakt is, is opmerkelijk (dat Petriy gezakt is hoeft daarom op zichzelf nog niet opmerkelijk te zijn).
Het betr.vnw. wân is altijd equivalent aan mittof. Voor pana bestaat geen voornaamwoordelijk equivalent. Zie ook § 125.$$ voor het verschil tussen mittof en pana als ze beide aan een zin refereren.

124.35

Let nu op de verschillen in de volgende zinnen, die slechts door het soort betr.vnw. en de plaats ervan uitgedrukt worden:

  • Ef kleter zâreldur axe ef ombersót ÿc, ef zeces nert stârófe .
    De nieuwe bewoner, die niet op prijs gesteld wordt door het dorp, hakt de
    schaduwrijke eik om.
  • Ef kleter zâreldur axe ki ef ombersót ÿc, ef zeces nert stârófe .
    De nieuwe bewoner hakt de schaduwrijke eik om die niet op prijs gesteld
    wordt door het dorp.
  • Ef kleter zâreldur [ki] axe ef ombersót ÿc, ef zeces nert stârófe wân.
    De nieuwe bewoner hakt de schaduwrijke eik om, wat (hetgeen) het dorp
    niet op prijs stelt.
    (het dorp stelt het "omhakken [van bomen] in het algemeen" niet op prijs)
  • Qu ef kleter zâreldur axe ef ombersót ÿc, ef zeces nert stârófe qu wân.
    De nieuwe bewoner hakt de schaduwrijke eik om, hetgeen het dorp niet op prijs stelt.
    (het dorp stelt het niet op prijs dat juist deze schaduwrijke eik door juist de nieuwe
    bewoner omgehakt wordt)

124.36

Sommige voegwoorden kunnen ook als betr.vnw. fungeren, en wel:

fara 
den
ÿr
wanneer; als
wanneer; als
waar (meestal spreektaal
(Blok 122.16; § 122.19)
(§ 123.1)
(Blok 122.16; § 122.34)

124.37

Bijvoorbeeld (£ = spreektaal):

  1. ef tof, fara do prate   de dag als/wanneer/dat hij vertrekt
  2. ef tof, den de prate   (idem)
  3. £ ef garage-sÿrt, ÿr do garage ef oto
    het parkeerterrein waar hij de auto parkeert

Zin (3) kent als meer officiële schrijftaalvorm:

  1. ef garage-sÿrt, kaf té do garage ef oto
    het parkeerterrein waarop hij de auto parkeert

In (4) is dus sprake van een voorz.constituent met een "echt" betr.vnw.

124.38

Dat fara en den in (1) en (2) betr.vnw.n zijn, en geen voegw.n, blijkt uit het feit dat ef tof een antecedent is. Dit kunnen we zien aan het verschijnen van ki, zodra het antecedent niet de kern is:

  • Sértare gress kaf ki ef tof, fara/den do prate.
    verhuis ik op DET de dag, als/dat hij vertrekt
    Ik zal verhuizen op de dag als/wanneer/dat hij vertrekt.

  • £ Aftel tu vlûme ki ef ses, ÿr óps fisae riyfain?
    VRA jij kent DET het meer, waar zij vissen altijd
    Ken jij het meer waar zij altijd vissen?

124.39

Tot omstreeks twee eeuwen geleden kenden fara en den nog de afgeleide vormen faras en dens als het antecedent meervoudig was. Het is een typische eigenschap van betr.vnw.n om te congrueren op het niveau van "concreet", "abstract" en "meervoud". Zie hiervoor ook Blok 124.3 (, sem, mit).
In het Oudspokaans (aangeduid met †) is daarom een duidelijk onderscheid te maken tussen het voegwoord den en het betr.vnw den. Vergelijk:

  1. Do brópiffe, denVGW gress nert melde fesért.
    Hij weet zeker dat ik niet thuis ben.
  2. Do quarderavy gress lóf ki mics terrats, dens/farasBTR gress nert melde fesért.
    hij bezoeken-WIL mij op DET alle Noot 1 dagen, dat/als ik niet ben thuis
    Hij wil mij bezoeken op alle dagen dat/als ik niet thuis ben.


Noot 1 Omdat het hier een - gereconstrueerde - archaïsche zin betreft, is er gekozen voor het eveneens archaïsche onb.vnw. mics (alle), in plaats van het modernere cradef.

124.40

Omdat den/fara (dens/faras) nooit kunnen optreden als zinskern, subject, object of echo, staan zij altijd aan het begin van de bijzin, dus op een positie die kenmerkend is voor onder meer voorz.constituenten en voegw.n.
Het volgende voorbeeld verduidelijkt de overeenkomst tussen "echte" betr.vnw.n in een voorz.constituent en den/fara:

  1. a. Do nert quarderavy gress fes ki ef sért, fes té Lerdu doéto.
        Hij wil me niet bezoeken in het huis, waarin Lerdu gestorven is.
  2. a. Do nert quarderavy gress kaf ki ef tof, den/fara Justes melde fesért.
        Hij wil me niet bezoeken op de dag dat/als Justes thuis is.

Maar terwijl een voorz.constituent als fes té in (1a) ook achter het predikaat geplaatst kan worden, is dit voor den/fara in (2a) onmogelijk. Vergelijk:

  1. a'. Do nert quarderavy gress fes ki ef sért, Lerdu doéto fes té.
  2. a'. * Do nert quarderavy gress kaf ki ef tof, Justes melde fesért den/fara.

Uit de verplichting om den/fara altijd aan het begin van een bijzin te plaatsen, kan geconcludeerd worden dat den/fara hun voegwoordelijke eigenschappen nog niet geheel verloren hebben.

124.41

Een betr.vnw. corefereert altijd met een gehele constituent. Noot 1 Het antecedent kan dus nooit uit een deel van een samengestelde constituent bestaan. Onder "samengestelde constituent" wordt onder meer een gen.-constructie + fundament (zie § 60.2) verstaan, bijvoorbeeld (het antecedent is vet):

  1. Ef ÿrasatjener frera melde kinur ral, té zâre dâlnese.
    de timmerman-GEN broer is ziek nu, die woont in.buitenland
    De broer van de timmerman, die in het buitenland woont, is nu ziek.
    (de broer woont dus in het buitenland én is ziek)


Noot 1 Als twee zinsdelen (ofwel: constituenten) nevengeschikt zijn, vormen zij samen één volzinsdeel (zie § 120.21), terwijl de beide nevengeschikte elementen elk hun zinsdeel-karakter blijven behouden, want zij kunnen onafhankelijk van elkaar als antecedent bij een betr.vnw. optreden. Zie voorbeeld b. in § 124.21.

124.42

Daarentegen blijft een voorz.constituent een constituenten-karakter behouden, ook al komt deze in een grotere eenheid voor. In (2) kan de zinskern ef frera rifo ki ef ÿrasatjen een volconstituent genoemd worden, analoog aan eenheden die opgebouwd zijn uit twee nevengeschikte constituenten, zoals uiteengezet in § 120.21. Variant (2a) is equivalent aan (1), ook al wordt de voorkeur aan de gen.-bep. gegeven:

  1. a. Ef frera rifo ef ÿrasatjen melde kinur ral, té zâre dâlnese.
        (= (1))
    b. Ef frera rifo ki ef ÿrasatjen melde kinur ral, té zâre dâlnese.
        De broer van de timmerman die in het buitenland woont, is nu ziek.
        (de timmerman woont in het buitenland, maar zijn broer is ziek)

124.43

Ook in (3) is sprake van een volconstituent die in zijn geheel als antecedent kan optreden, maar waarvan ook de voorz.constituent in de hoedanigheid van aparte constituent als antecedent kan optreden (met ki gemarkeerd in (3b)): Noot 1

  1. a. Tu lardarât quista ki ef ardekirs fes ef blakker iystenôsta, gress mit lorerde hols.
        jij voeden-MOET goed DET de planten in de witte bakken, ik die koop gisteren
        Je moet de planten in de witte bakken, die ik gisteren gekocht heb, veel water geven.
        (ik heb de planten gisteren gekocht)
    b. Tu lardarât quista ef ardekirs fes ki ef blakker iystenôsta, gress mit lorerde hols.
        jij voeden-MOET goed de planten in DET de witte bakken, ik die koop gisteren
        Je moet de planten in de witte bakken die ik gisteren gekocht heb, veel water geven.
        (ik heb de witte bakken gisteren gekocht)


Noot 1 Dat fes [ki] ef blakker iystenôsta samen met [ki] ef ardekirs als een volconstituent met de functie van obj. optreedt, en niet een losse voorz.bep. is die buiten het obj. valt, wordt in § 140.$$ aangetoond.

124.44

Bekijk nu de volgende constructie:

  1. Gress tiffe ki ér mip groft frints, arfinavy.
    Ik ken één van zijn vrienden die wil komen.

Uit en -avy blijkt dat het antecedent ér mip groft frints enkelvoudig is. Het geïdiomatiseerde karakter van deze voorz.constituent met mip is er de oorzaak van dat deze bepaling als één constituent opgevat wordt, zodat een betr.vnw. nooit kan refereren aan een deel ervan, of met andere woorden, als alleen mip groft frints met ki gemarkeerd wordt, leidt dit tot een ongrammaticale constructie (vergelijk dit met de correcte zin (2b) in § 124.42):

  1. * Gress tiffe ér mip ki groft frints, mit arfinaves.

124.45

Nu kent een uitdrukking als ér mip groft frints een (enigszins plechtstatige) variant met een genitief: groft frintser ére. Als we deze variant in (4) gebruiken, krijgen we de volgende eigenaardige constructie:

  1. Gress tiffe groft frintser ére, mit arfinavy.

In § 124.41 is geconstateerd dat een genitief-constructie als één constituent beschouwd moet worden: dat geldt dus ook voor het zinsdeel groft frintser ére in (6). En omdat een betr.vnw. altijd aan een gehele constituent moet refereren, verschijnt in (6) het meervoudige mit, want frintser is de genitief van het meervoudige frints (vrienden). Het eigenaardige is nu dat ondanks deze meervoudigheid het modale suffix -avy enkelvoudig is. Er lijkt dus congruentie te bestaan tussen (i) het meervoudige frints en mit, en (ii) het enkelvoudige ére en -avy.

124.46   ad § 124.1   B. Relatieve -lira-constructie

Relatieve zinnen die met het suffix -lira gevormd worden zijn reeds behandeld in § 100.50-66. Wij zullen hier nog enkele aspecten aan toevoegen.
De volgende voorbeelden tonen hoe een betr.vnw. in de hoedanigheid van subject-kern vervangen kan worden door het suffix -lira. Merk op dat de markeerder ki bij de -lira-constructies achterwege blijft:

  1. Eup poirecû éfti lef ki ef ânkest, sem riyke eup pip fit liyrs. =
  2. = Eup poirecû éfti lef ef ânkest, riykelira eup pip fit liyrs.
    Ze kan niet meer leven met de angst die al zo lang aan haar knaagt.

  1. Gress nert tiffe ki ef merater, farte kusama. =
  2. = Gress nert tiffe ef merater, fartelira kusama.
    Ik ken de man die daar loopt niet.

124.47

In tegenstelling tot een bijzin met een betr.vnw., die altijd achter de matrixzin verschijnt, staat een bijzin met een -lira-constructie altijd onmiddellijk achter het antecedent. Vergelijk:

  1. Ef merater nert qufrete gress, farte kusama. =
  2. = Ef merater, fartelira kusama, nert qufrete gress.
    De man, die daar loopt, herkent mij niet.

  1. Lorerde gress ki ef mimpit én tu mas, melde fes Pelgerex ef etala. =
  2. = Lorerde gress ef mimpit, meldelira fes Pelgerex ef etala, ón tu mas.
    Ik zal het boek, dat bij Pelger in de etalage ligt, morgen voor je kopen.

124.48

Als een relatieve bijzin uit een betr.vnw. en slechts één finiet werkw. bestaat, dan is een vervangende -lira-constructie zeer ongebruikelijk. Vergelijk:

  1. Ef 'nin nert qufrete gress, té chafoste.
  2. ?? Ef 'nin, chafostelira, nert qufrete gress.
    Het meisje, dat zingt, herkent mij niet.

Dergelijke constructies komt men vrijwel uitsluitend in archaïsch of poëtisch taalgebruik tegen. Zie verder wat er in § 100.53-58 over het "Principe van de Complexiteit" is gezegd.

124.49

In plaats van een relatieve bijzin die uit slechts één woord bestaat (zoals in voorbeeld b. hierboven) wordt de voorkeur gegeven aan een -lira-constructie met een adjectivisch karakter. Er is nu sprake van een prototypische teg.dw.-functie. Vergelijk b. met:

  • Ef chafostelira 'nin nert qufrete gress.
    Het zingende meisje herkent mij niet.

124.50

Ook als een bijzin uit slechts één -lira-werkwoord met een adverbiaal additief bestaat, kan deze -lira-constructie adjectivisch vóór het antecedent geplaatst worden. Vergelijk zin b. uit § 124.48 met:

  • Ef kusama fartelira merater nert qufrete gress.
    De daar lopende man herkent mij niet.
    of  De man die daar loopt herkent mij niet.

124.51

Complexere en/of lange -lira-constructies dan de hierboven getoonde kunnen niet meer adjectivisch geplaatst worden. Vergelijk:

  1. Ef merater, fartelira kura ef pônt, nert qufrete gress.
    De man, die over de brug loopt, herkent mij niet.
  2. * Ef kura ef pônt fartelira merater nert qufrete gress.

124.52

Zeer complexe -lira-bijzinnen, die vanwege hun lengte een grote afstand tussen het voorste en achterste deel van de matrixzin scheppen, kunnen beter vermeden worden ten gunste van een betr.vnw.-constructie, die immers altijd achteraan verschijnt en de matrixzin nooit openbreekt:

  1. ? Ef merater, fartelira ðônosef sener mikar én ôntjiyc hurt kura
    de man, lopende met zijn dure en vervelende hond over
    ef liftkar pônt, nert qufrete gress.
    de oude brug, niet herkent mij
  2. Ef merater nert qufrete gress, té farte ðônosef sener mikar én ôntjiyc hurt kura ef liftkar pônt.
    De man die met zijn dure, vervelende hond over de oude brug loopt, herkent me niet.

124.53

Dit criterium van complexheid speelt natuurlijk minder een rol als de -lira-constructie refereert aan de laatste constituent in de matrixzin: nu is er immers geen sprake van openbreking:

  1. Gress nert tiffe ef merater, té farte ðônosef sener mikar én ôntjiyc hurt kura ef liftkar pônt.
  2. Gress nert tiffe ef merater, fartelira ðônosef ...
    Ik ken de man niet, die met zijn dure, vervelende hond over de oude brug loopt.

124.54

Eventueel kunnen we een kernwisseling toepassen om te zorgen dat het antecedent aan het einde van de matrixzin verschijnt. Dit is reeds uiteengezet in § 124.13 bij de betr.vnw.n (passivisering zet het subject aan het eind). Vergelijk:

  1. Ef merater, fartelira ðônosef sener mikar én ôntjiyc hurt kura ef liftkar pônt,
    trempe pert fjypys.
  2. Pert fjypys trempelije pai ef merater, fartelira ðônosef ...
    De man, die met zijn dure, vervelende hond over de oude brug loopt, leest
    veel stripverhalen.

124.55

Bij symmetrische werkwoorden (waarbij subject en object corefereren), kunnen subtiele verschillen ontstaan, analoog aan wat er in § 124.16 is uitgelegd. Vergelijk:

  1. Jân melde kost frint, affionnoselira belps.
    Jân is mijn vriend die van dieren houdt.
  2. Jân, affionnoselira belps, melde kost frint.
    Jân, die van dieren houdt, is mijn vriend.

De meest voor de hand liggende interpretatie van a. is dat de persoon die Jân heet en van dieren houdt mijn vriend is, waarbij impliciet uitgedrukt wordt dat ik ook nog andere Jânnen ken, maar die beschouw ik niet als vrienden. De bijzin heeft dus een inperkend karakter. Intonatie en context kunnen echter een zodanige rol spelen dat we in a. een uitbreidende bepaling interpreteren, zodat a. hetzelfde betekent als b. In b. kan sprake zijn van een uitbreidende bepaling, Noot 1 zodanig dat er beweerd wordt dat Jân mijn vriend is, met als extra informatie dat hij van dieren houdt. Het onderscheid tussen "uitbreiding" en "inperking" komt nader aan de orde vanaf § 124.68.


Noot 1 Vergelijk a. met:

  • Jân melde ki kost frint, affionnose belps.
    Jân is mijn vriend die van dieren houdt.

Deze relatieve bijzin, waarin het betr.vnw. refereert aan kost frint, vormt vanwege ki een inperkende bepaling bij kost frint: ik heb vele vrienden, maar slechts één van die vrienden houdt van dieren: dat is Jân. Zie ook § 124.16.


124.56

Als de matrixzin gevormd is met een koppelwerkw. + additief (§ 40.8), of met een geverbaliseerd additief (§ 44.1) wordt een relatieve -lira-zin dikwijls geheel achteraan geplaatst (i.p.v. onmiddellijk achter het antecedent). Dit gebeurt met name als de bijzin complex is. Vergelijk de toenemende complexiteit en de toenemende neiging om de bijzin achteraan te plaatsen:

  1. Ef mimpit, do trempelira hols, melde yroppiy.
    Het boek, dat hij gisteren las, is spannend.
  2. ? Ef mimpit, do kettalira ón Mariy, melde yroppiy.
    Het boek, dat hij aan Mariy gaf, is spannend.
  3. * Ef mimpit, do kettalira hols ón sener flifados sour, melde yroppiy. >
    > Ef mimpit melde yroppiy, do kettalira hols ón sener flifados sour.

    Het boek is spannend, dat hij gisteren aan zijn aardige zuster gaf.

124.57

Het openbreken van een matrix-constructie kan eveneens achterwege blijven als de -lira-constructie complex is en de matrixzin niet meer dan één constituent bevat, waaraan de bijzin kan refereren. In dat geval kan de -lira-zin geheel achteraan geplaatst worden. Vergelijk zin a. in § 124.52 met het volgende voorbeeld, waarin slechts één constituent aanwezig is:

  • Ef merater chafostecû hordâ, fartelira ðônosef sener mikar én ôntjiyc hurt kura
    ef liftkar pônt.

    De man die met zijn dure, vervelende hond over de oude brug loopt, kan mooi zingen.

124.58

In het volgende voorbeeld is het op semantische gronden duidelijk dat de relatieve bijzin alleen aan ef merater kan refereren:

  • Ef merater trempe ne'âma fjypys, fartelira ðônosef sener mikar én ôntjiyc hurt
    kura ef liftkar pônt.

    De man die met zijn dure, vervelende hond over de oude brug loopt, leest alleen
    maar stripverhalen.

Want stripverhalen kunnen nu eenmaal niet over een brug lopen. Noot 1


Noot 1 Maar vergelijk:

  • Ef merater ûmare ef trege 'nin, fartelira ðônosef sener mikar én ôntjiyc hurt
    kura ef liftkar pônt.

    De man loert naar het wulpse meisje, dat met haar dure, vervelende hond over
    de oude brug loopt.

Nu refereert fartelira aan het vetgedrukte object, omdat ook meisjes over een brug kunnen lopen.


124.59

In alle tot nu toe behandelde voorbeelden verving een -lira-constructie telkens een betr.vnw. in de hoedanigheid van subject-kern. Omdat object-kernen en echo-kernen altijd samengaan met een werkw. dat een van de suffixen -lije of -litâ draagt (zie § 90.6), is extra toevoeging van -lira niet meer mogelijk; een betr.vnw. kan nu dan ook niet door een -lira-constructie vervangen worden:

  • Folarkluft âparatâ melde, té reparerelije pai Gyzell? > Ø
    Wat is dat voor een apparaat, dat door Gyzell gerepareerd wordt?
  • Ef mosjeus vertare kvâ, té zâlbinaselitâ pai Lerdu enn letras. > Ø
    De vrouw, aan wie Lerdu brieven stuurt, antwoordt nooit.

Vormen als *reparerelijelira of *zâlbinaseliralitâ zijn onmogelijk!

124.60

Echter, als er sprake is van een samengesteld predikaat (hulpwerkw. + hoofdwerkw.), dan kan een betr.vnw. wèl door -lira vervangen worden, want de passief-suffixen -lije en -litâ komen achter het hoofdwerkw., en -lira komt achter het hulpwerkw. Vergelijk de voorbeelden uit de vorige paragraaf met:

  • Folarkluft âparatâ melde, té kurre beri reparerelije pai Gyzell? >
    > Folarkluft âparatâ melde, kurrelira beri reparerelije pai Gyzell?

    Wat is dat voor een apparaat, dat door Gyzell gerepareerd kan worden?

  • Ef mosjeus vertare kvâ, té tinde beri zâlbinaselitâ pai Lerdu enn letras. >
    > Ef mosjeus vertare kvâ, tindelira beri zâlbinaselitâ pai Lerdu enn letras

    de vrouw antwoordt nooit, blijven-LIRA INF sturen-SxE door Lerdu DtO brieven
    De vrouw, aan wie Lerdu brieven blijft sturen, antwoordt nooit.

124.61

Als het betr.vnw. géén zinskern is, kan het in het algemeen alleen door een -lira-constructie vervangen worden indien het als een object in de neutrale tijd optreedt en niet gemarkeerd wordt met enn:

  • Ef mimpit melde yroppiy, gress trempe té. =
    = Ef mimpit, gress trempelira, melde yroppiy.

    Het boek, dat ik lees, is spannend.

  • Ef kuls pónze goe rittiyn zillepips, Lerdu âlbe mit. =
    = Ef kuls, Lerdu âlbelira, pónze goe rittiyn zillepips.

    De schuren die Lerdu bouwt, krijgen een rieten dak.

  • Lorerde gress ki ef mimpit ón tu mas, tu bladide jazy . =
    = Lorerde gress ef mimpit, tu bladidelira jazy, ón tu mas.

    Ik zal het boek, dat je zo graag wilt hebben, morgen voor je kopen.

124.62

Als het betr.vnw. in de hoedanigheid van object in de toekomende tijd optreedt, is een dergelijke -lira-constructie alleen mogelijk indien er geen ambiguïteit met een neutrale constructie optreedt. In het volgende voorbeeld kan Lerdu alleen opgevat worden als zinskern bij âlbe, wat betekent dat âlbe vóór de kern staat en dus een toekomende tijd uitdrukt:

  • Ef kuls pónze goe rittiyn zillepips, âlbe Lerdu mit. =
    = Ef kuls, âlbelira Lerdu, pónze goe rittiyn zillepips.
    Noot 1
    De schuren, die Lerdu zal bouwen, krijgen een rieten dak.


Noot 1 Voor veel Spokaniërs (met name op Oost-Berref en West-Liftka) is de constructie âlbelira Lerdu onaanvaardbaar als Lerdu als subject in een toekomende tijd begrepen moet worden. Voor hen is alleen een neutrale lezing met Lerdu als object bij "bouwen" mogelijk, en dat is semantische onzin.

124.63

Maar in (1) hieronder zal lezing a. (toekomende tijd met Lerdu als kern) verdrongen worden door lezing b. (neutrale tijd met Lerdu als object en ef veldurs als hypothetische kern). In de Nederlandse vertalingen is het onderwerp telkens vetgedrukt:

  1. Ef veldurs, invóbelira Lerdu, pónze goe xozjôc pamels.
    a. De mensen, dieO LerduS zal uitnodigen, krijgen een leuk presentje.
    b. De mensen, dieS LerduO uitnodigen, krijgen een leuk presentje. Noot 1


Noot 1 Wie precies het subject is, en wie het object, kan in het Nederlands explicieter gemaakt worden m.b.v. passivisering. Vergelijk de vertalingen a. en b. met:

  • a'. De mensen, die door Lerdu uitgenodigd zullen worden, krijgen ...
    b'. De mensen, door wie Lerdu uitgenodigd wordt, krijgen ...

124.64

Lezing (1a) is alleen mogelijk als we ervan uitgaan dat (1) een variant is van:

  1. Ef veldurs pónze goe xozjôc pamels, invóbe Lerdu mit.

Lezing (1b) wordt verklaard door de variant:

  1. Ef veldurs pónze goe xozjôc pamels, mit invóbe Lerdu.

Zowel (2) als (3) leiden tot (1), als het betr.vnw. mit vervangen wordt door het suffix -lira. Daar vervanging van de zinskern elke andere soort vervanging verdringt, zal lezing (1b) elke andere lezing verdringen.

124.65

Als het betr.vnw. in de hoedanigheid van object in de definitieve tijd optreedt, leidt een vervangende -lira-constructie altijd tot tempus-ambiguïteit omdat de oppositie werkw.-object ~ object-werkw. (resp. neutrale ~ definitieve tijd) dan vervalt. Zowel (1) als (2) hieronder leiden tot de -lira-variant in (3), omdat het object niet meer aanwezig is:

  1. Ef kuls pónze goe rittiyn zillepips, Lerdu âlbe mit.
    De schuren, die Lerdu bouwt, krijgen een rieten dak.
  2. Ef kuls pónze goe rittiyn zillepips, Lerdu mit âlbe.
    De schuren, die Lerdu gebouwd heeft, krijgen een rieten dak.
  3. Ef kuls, Lerdu âlbelira, pónze goe rittiyn zillepips.

Variant (3) heeft dus in principe altijd een neutrale lezing (hoewel de context ons kan dwingen om de constructie als een preteritum op te vatten; zie § 111.29-32). Een definitieve lezing kan expliciet uitgedrukt worden met het suffix -a: Lerdu âlbalira (die Lerdu gebouwd heeft).

124.66

Ambiguïteit, zoals bedoeld in § 124.62-65, kan opgeheven worden als de nominale constituent in een -lira-bijzin een object is, want een object mag altijd gemarkeerd worden met enn. Vergelijk (zie ook § 124.63 zin (1)):

  1. Ef veldurs, invóbelira enn Lerdu, pónze goe xozjôc pamels.
    De mensen, die LerduO uitnodigen, krijgen een leuk presentje.
  2. Ef veldurs, enn Lerdu invóbelira, pónze goe xozjôc pamels.
    De mensen, die LerduO hebben uitgenodigd, krijgen een leuk presentje.

Zou de markering enn bij Lerdu achterwege blijven, dan verandert er niets aan de betekenis van a., maar b. wordt dan zo geïnterpreteerd dat Lerdu het subject van de bijzin is.

124.67

Een betr.vnw. kan niet vervangen worden door -lira als:

1. het betr.vnw. als object optreedt, en met enn gemarkeerd moet worden:

  • Gress nert tiffe ki ef mimpit, Elsa perke beri kettelitâ pai do enn té.
    (niet  * ..., Elsa perkelira beri kettelitâ pai do [enn].)
    Ik ken het boek niet, dat aan Elsa door hem gegeven moet worden.

Bovenstaande zin is toch al vreemd, want een betr.vnw. wordt liever niet in een passief gebruikt, tenzij dit betr.vnw. de kern is (zie § 124.15).

2. het betr.vnw. het fundament van een voorz.constituent is:

  • ef sért, fes té gress zâre = ef sért, gress zâre fes té
    (niet  * ef sért, gress zârelira fes)
    het huis, waarin ik woon

3. de bijzin reeds om een andere reden een -lira-constructie bevat, zoals:

  1. -lira om een progressief uit te drukken (§ 100.8 en § 100.15):

    • Lerdu henke ki ef veldurs, mit ÿrômelira fes ef simajos.
      (niet  * Lerdu henke ef veldurs, ÿrômeliralira fes ...)
      Lerdu stoort de mensen, die in het magazijn aan het werken zijn.

  2. een idiomatische -lira-constructie (§ 100.84):

    • ef distânt, té kettelira farte
      (niet  * ef distânt, kettelira fartelira)
      de afstand die te lopen is

  3. een idiomatische -lira-constructie binnen een voorz.constituent:

    • ef zâreldurs, âšÿr meldelira mit stus pilde-armt eft tojénsÿ
      de bewoners, ten gunste van wie men riolering aanlegt

    šÿr meldelira wordt beschouwd als een bepaling met het karakter van een voorzetsel (dus voorz.bepaling, zie § 140.$$).

4. het antecedent het onpersoonlijke ef is, dat het subject bij een geverbaliseerd
    pers.vnw. vormt
(zie § 71.10-14). Noot 1 Vergelijk:

  1. Ef nert eppere, té paine fitaju. Noot 2
    het niet zij.zijn, die doet zoiets
    ZIJ doet zoiets niet.
  2. * Ef nert eppere, painelira fitaju.


Noot 1 In syntactisch opzicht is ef het antecedent bij het betr.vnw. In semantisch opzicht moet het geverbaliseerde pers.vnw. (dus het predikaat) als antecedent bij het betr.vw. beschouwd worden. Vergelijk dit met het gebruik van het betr.vnw. wân, dat zowel in syntactisch als in semantisch opzicht een predikaat als antecedent kan hebben (§ 124.28).

Noot 2 Het betr.vnw. moet als zinskern optreden als het verwijst naar de entiteit van een geverbaliseerd pers.vnw. De volgende constructie is dus ongrammaticaal:

  1. * Ef nert eppere, gress cÿrtire té.
    (lett.  "het is niet zij, die ik help")
    HAAR help ik niet.

Door passivisering (= object wordt kern) kan uit i. een grammaticale constructie gevormd worden:

  1. ii. Ef nert eppere, té cÿrtirelije pai gress.
    (lett.  "het is niet zij, die door mij geholpen wordt")
    ZIJ wordt door mij niet geholpen.

Zie ook § 92.31.


5. twee relatieve bijzinnen middels nevenschikking een volzin zijn geworden
    (vgl. § 120.19 Type I.c: inclusieve volzin):

  1. Ef gekker kette ef mimpits ón ki ef bellarts, do obléskre mit
    de leraar geeft de boeken aan DET de leerlingen, hij beschouwt die
    lo beldabariyn, ur mit enn efs trempe strâ.
    als leergierig, en die DtO ze lezen nog.niet
    De leraar geeft de boeken aan de leerlingen die hij als leergierig beschouwt, en
    die ze nog niet gelezen hebben.
  2. * Ef gekker kette ef mimpits ón ef bellarts, do obléskrelira lo beldabariyn,
    ur enn efs trempelira strâ.

Variant b. is onder meer ongrammaticaal, omdat de tweede bijzin [ur] enn efs trempelira strâ niet onmiddellijk achter het antecedent volgt (omdat de eerste bijzin dat reeds doet). En in § 124.47 is reeds uitgelegd dat een -lira-bijzin altijd onmiddellijk achter het antecedent moet komen (behoudens de uitzonderingen). Zie ook § 130.$$ voor nevengeschikte bijzinnen.

124.68   Uitbreidende en inperkende relatieve bijzinnen

Evenals het Nederlands, kan ook het Spokaans onderscheid maken tussen een uitbreidende en een inperkende relatieve bijzin. In principe geldt:

  1. een bijzin is inperkend als deze geheel achteraan de matrixzin staat;
  2. een bijzin is uitbreidend als deze onmiddellijk achter het antecedent volgt.

Omdat een bijzin met een betr.vnw. altijd geheel achteraan de matrixzin staat, en een -lira-constructie meestal onmiddellijk achter het antecedent volgt, kunnen we spreken van een tendens, zodanig dat een betr.vnw. een inperkende bijzin markeert, en een -lira-constructie een uitbreidende bijzin. Noot 1 Vergelijk:

  1. a. Kost frera zâre ral ber Hoggebim, té pe Hânes.
        Mijn broer die Hânes heet woont nu in Hoggebim.
    b. Kost frera, pelira Hânes, zâre ral ber Hoggebim.
        Mijn broer, die Hânes heet, woont nu in Hoggebim.

Zin (1a) impliceert dat ik meer dan één broer heb, en met de inperkende bepaling té pe Hânes maak ik duidelijk welke van mijn broers nu in Hoggebim woont, namelijk degene die Hânes heet.
In (1b) wordt primair beweerd dat ik één broer heb die in Hoggebim woont. Als uitbreidende bepaling wordt er aan toegevoegd dat zijn naam Hânes is. (In het Nederlands wordt dit onderscheid gemaakt door de bijzin al dan niet tussen komma's te plaatsen.)


Noot 1 Wat tegenwoordig een tendens is, was in het Oudspokaans (tot halverwege de 16e eeuw) de regel: een relatieve bijzin die als zodanig door het suffix -lira werd gemarkeerd, had een uitbreidende betekenis, ongeacht de plaats van deze bijzin. Tot deze tijd kende het suffix -lira nog passieve varianten (§ 100.42-43) en waren het aantal geïdiomatiseerde -lira-constructies nog beperkt, zodat een (al dan niet passieve) -lira-bijzin in een groter aantal gevallen mogelijk was dan heden ten dage (zie voor de restricties § 124.58 en § 124.66). Omdat in de loop der eeuwen het suffix -lira steeds meer nieuwe gebruiksmogelijkheden en betekenissen ging krijgen, werden de mogelijkheden om -lira als relatief suffix te gebruiken steeds beperkter, zodat steeds vaker naar een betr.vnw. gegrepen werd. Dit had tot gevolg dat het betr.vnw. steeds minder strikt gereserveerd werd voor uitsluitend "inperkende" bepalingen, en dat het onderscheid tussen "uitbreidend" en "inperkend" steeds meer uitgedrukt ging worden door de positie van de bijzin.

124.69

Nog een voorbeeld:

  1. a. Ef hâliyners eft miyparâ pónze, té ef promirret riffe nucer-tiffugiym.
        de deelnemers een aandenken krijgen, die de wandeling maken blootsvoets
        De deelnemers die de wandeling op blote voeten gemaakt hebben kregen een aandenken.
    b. Ef hâliyners, riffalira ef promirret nucer-tiffugiym, eft miyparâ pónze.
        De deelnemers, die de wandeling op blote voeten gemaakt hebben, kregen
        een aandenken.

Zin (2a) drukt uit dat van alle deelnemers slechts diegenen een aandenken kregen, die op blote voeten liepen. Zin (2b) drukt uit dat alle deelnemers een aandenken kregen, en als extra bijzonderheid wordt er (uitbreidend) aan toegevoegd dat zij alle op blote voeten liepen.

124.70

Als het antecedent van een bijzin de laatste constituent in de matrixzin is, vallen de posities "achteraan de matrixzin" en "onmiddellijk achter het antecedent" samen, zodat nu de in § 124.68 genoemde tendens zorgt dat het betr.vnw. een inperkende bijzin markeert, en de -lira-constructie de uitbreidende bijzin. Vergelijk:

  1. a. Blul armtganelije ki ef tupplipe-ðôpecc, té quchare 20.
        SPOOR vergoeden-SxO DET de reis-kosten, die te.boven.gaan 20herco
        De reiskosten die de 20 herco te boven gaan worden vergoed.
    b. Blul armtganelije ef tupplipe-ðôpecc, qucharelira 20.
        De reiskosten, die de 20 herco te boven gaan, worden vergoed.

In (3a) wordt gezegd dat alleen de reiskosten die meer bedragen dan 20 herco vergoed worden. Lagere reiskosten worden dus niet vergoed. In (3b) wordt primair gezegd dat alle reiskosten vergoed worden, met als secundaire opmerking dat al deze reiskosten meer bedragen dan 20 herco. Noot 1


Noot 1 In § 91.14 is erop gewezen dat de inversie in een blul-constructie, zoals in (3) heeft plaatsgevonden, in verscheidene dialecten onbekend is. In dat geval zijn de volgende varianten van (3) acceptabel:

  1. ¿ Ef tupplipe-ðôpecc armtganelije blul, té quchare 20.
    De reiskosten die de 20 herco te boven gaan worden vergoed.
  2. ¿ Ef tupplipe-ðôpecc, qucharelira 20, armtganelije blul.
    De reiskosten, die de 20 herco te boven gaan, worden vergoed.

Zin b. toont nu duidelijk een uitbreidende bijzin (onmiddellijk achter het vette antecedent).


124.71

In tegenstelling tot bij (1) en (2) hierboven, is het bij (3) niet de positie van de bijzin die voor de oppositie inperkend ~ uitbreidend zorgt, maar slechts het verschil in vorm van de bijzin. Voor veel sprekers is dit een te geringe markering (of wellicht zelfs een ongeldige methode) om de oppositie inperkend ~ uitbreidend als zodanig te accepteren. Voor zulke taalgebruikers zijn (3a) en (3b) dan semantisch geheel equivalent (ze kunnen beide hetzij als "inperkend", hetzij als "uitbreidend" begrepen worden). Anderzijds bestaan er ook taalgebruikers (voornamelijk op Berref en in Amahagge en omgeving) die het inperkende karakter van een bijzin associëren met de aanwezigheid van de markeerder ki, en niet met de positie of de vorm van de bijzin. Evidentie voor deze functie van ki is te vinden in de onverzorgde spreektaal van steden als Hirdo en Bôrâ, waar soms een antecedent met ki gemarkeerd wordt als de bijzin een -lira-constructie is:

  • Blul armtganelije ki ef tupplipe-ðôpecc, qucharelira 20.
    De reiskosten die de 20 herco te boven gaan worden vergoed.

Dergelijke (foutieve) constructies zijn besproken in Vûcy-Zelma (1983). In dit artikel komt de schrijver tot de slotsom dat zulk gebruik van ki door drie factoren bepaald wordt: (i) de spreker heeft een antecedent gekozen, maar voegt een verkeerde relatieve bijzin toe; (ii) de spreker heeft een emfatisch ki in zijn achterhoofd, maar plaatst dit abusievelijk vóór het benadrukte zinsdeel; (iii) de spreker beschouwt ki als een soort bep.aank.vnw. Voor het emfatische ki, zie § 131.$$; voor bep.aan.vnw.n, zie vanaf § 73.13.

124.72

Er zijn verscheidene strategieën om de constituenten-volgorde zodanig te wijzigen dat het antecedent niet meer geheel achteraan de zin staat, zodat een -lira-bijzin dat evenmin doet, en dus ondubbelzinnig als uitbreidende bepaling begrepen moet worden. Voor (3) hierboven geldt bijvoorbeeld dat we deze in een subject-bevattend passief kunnen veranderen, met het neutrale subject stus (men):

  1. a. Ef tupplipe-ðôpecc armtganelije pai stus, té quchare 20.
        Men vergoedt de reiskosten die de 20 herco te boven gaan.
        (lett.  "De reiskosten worden door men vergoed, die ..."
    b. Ef tupplipe-ðôpecc, qucharelira 20, armtganelije pai stus.
        Men vergoedt de reiskosten, die de 20 herco te boven gaan.

Zin (4b) toont nu duidelijk een uitbreidende bijzin (onmiddellijk achter het vette antecedent). Omdat (4a) niets toevoegt aan de subjectloze variant in (3a), wordt de voorkeur aan (3a) gegeven: in (4a) staat immers een semantisch leeg subject, en een blul-passief is nu juist de geëigende constructie om een subject niet te hoeven uitdrukken.

124.73

Een inperkende bijzin moet een onderscheidende functie t.a.v. het antecedent vertonen. Wanneer het antecedent uniek is, kan een bijzin alleen maar uitbreidend zijn. In het Spokaans zijn de volgende b-zinnen dan ook synoniem aan de a-zinnen:

  1. a. Edison, armtgvârcalira ef ondro, poiro fes ef Ameriy.
        Edison, die de gloeilamp uitvond, leefde in Amerika.
    b. Edison poiro fes ef Ameriy, té ef ondro armtgvârce.
         i. * Edison die de gloeilamp uitvond leefde in Amerika.
        ii. (= (1a))

  2. a. Goe kvals, meldelira goe mâmûls, poire fes ef nutter zés.
        De walvis, die een zoogdier is, leeft in de noordelijke zeeën.
    b. Goe kvals poire fes ef nutter zés, mit melde goe mâmûls.
         i. * De walvis die een zoogdier is, leeft in de noordelijke zeeën.
        ii. (= (2a))

Een bijzin met een betr.vnw. wordt dus alleen als "inperkend" geïnterpreteerd als dit ook semantisch mogelijk is. Zo niet, dan is een bijzin met een betr.vnw. evenals een -lira-bijzin "uitbreidend". Noot 1


Noot 1 Dit is althans het geval in de Westspokaanse dialecten van Berref en Zuid-Liftka (waaronder ook het "algemeen beschaafd Spokaans" valt). In de overige delen van Spokanië wordt een ietwat meer archaïsche norm gehanteerd, wat betekent dat een bijzin met een betr.vnw. nimmer als "uitbreidend" geaccepteerd kan worden, ook niet als een inperkende interpretatie semantisch onmogelijk is. Concreet wil dit zeggen dat de b-zinnen als ongrammaticaal beschouwd worden.


TOP
<< Hoofdstuk 123 | Hoofdstuk 125 >>

© (2000) Rolandt Tweehuysen, Kimswerd, the Netherlands