111.1
Om het systeem van werkwoordstijden (temporeel systeem) in het Spokaans goed te kunnen beschrijven moet er onderscheid gemaakt worden tussen:
- de syntactische uitdrukking van tijd
- de deiktische beleving van tijd (§ 111.4)
Alvorens in te gaan op de feitelijke vorming en betekenis van werkwoordstijden zullen eerst deze twee begrippen behandeld worden.
111.2 ad § 111.1 i. Syntactische uitdrukking van tijd
Met de "syntactische uitdrukking van tijd", of kortweg syntactische tijd, wordt bedoeld de wijze waarop de werkwoordstijden met behulp van syntactische middelen vastgelegd worden. In het Spokaans worden traditioneel vier syntactische uitdrukkingen van tijd onderscheiden:
- neutrale tijd (neut.tijd)
- definitieve tijd (def.tijd)
- toekomende tijd (toek.tijd)
- toekomend-definitieve tijd (toek.def.tijd)
111.3
Hierbij worden de def.tijd en de toek.tijd opgesplitst in een eerste en een tweede niveau. Een werkwoordstijd worden geacht van het tweede niveau te zijn als deze gerelateerd wordt aan een gebeurtenis die plaatsvond vóór een andere gebeurtenis die reeds plaatsgevonden heeft (def.tijd II), dan wel dat een gebeurtenis zal plaatsvinden ná een andere gebeurtenis die reeds plaatsgevonden heeft (toek.tijd II). Eerste en tweede niveau worden ook wel aangeduid als "primaire tijd" en "secundaire tijd". Dit wordt nader uitgelegd in § 111.12.
De def.tijd I kent nog een variant die aoristus genoemd wordt. Dit is feitelijk een uitdrukking van de def.tijd II die gebruikt wordt in een context van het eerste niveau. Zie hiervoor vanaf § 111.93.
111.4 ad § 111.1 ii. Deiktische beleving van tijd
Met de "deiktische beleving van tijd" wordt bedoeld de temporele beleving die de toehoorder heeft als hij een taaluiting hoort: speelt het gebeuren in het verleden, het heden of de toekomst af? Is het moment dat dit gebeuren zich afspeelt bovendien nog gerelateerd aan het moment waarop een ander gebeuren zich afspeelt?
Omdat de temporele beleving met name afhankelijk is van het moment waarop de spreker zijn taaluiting doet, dus afhankelijk is van een concrete taalgebruiksituatie, wordt de temporele beleving "deiktisch" genoemd. De lange term "deiktische beleving van tijd" zal hieronder kortheidshalve deiktische tijd genoemd worden.
111.5
Met behulp van de parameters "moment van spreken" (S) en "moment van gebeuren" (G) kunnen er op een tijds-as drie primaire deiktische tijden uitgedrukt worden. Om ze te onderscheiden van de syntactische tijd, worden de deiktische tijden met Latijnse namen genoemd. De tijds-as loopt van links in het verleden, via S (= het heden) naar rechts de toekomst in:
- preteritum
|
|
|
- presens
|
|
|
- futurum
|
|
|
De syntactische def.tijd wordt gebruikt om het preteritum uit te drukken, en de syntactische toek.tijd drukt het futurum uit. Daarentegen is de syntactische neut.tijd ongemarkeerd voor de deiktische tijdsvorm: al naar gelang de context kan een neut.tijd geïnterpreteerd worden als presens, preteritum of futurum.
Als preteritum of futurum uitgedrukt worden met resp. een def.tijd of een toek.tijd, spreken we van een expliciete tijdsuitdrukking. Als de deiktische tijd begrepen moet worden uit de context, spreken we van een impliciete tijdsuitdrukking: dit is het geval als er een neut.tijd gebruikt wordt. Voor een definitie van het begrip "context", zie § 111.15.
111.6
De primaire deiktische tijden, zoals opgesomd in § 111.5, vormen het uitgangspunt voor een meer uitgewerkt systeem van tijdsbeleving waarbij nog een derde parameter een rol speelt: het referentiepunt (R). Onder "referentiepunt" wordt verstaan het tijdstip van waaruit de temporele relatie met het moment van gebeuren (G) gelegd wordt. Er is sprake van een "temporeel perspectief" vanuit R naar G.
111.7
Als een zin een tijdsbepaling bevat valt het referentiepunt R samen met het tijdstip dat door deze bepaling uitgedrukt wordt. Is er niet sprake van een tijdstip, maar van een langere tijdsperiode, dan kan gesteld worden dat R binnen deze periode valt, zoals in:
- Vandaag heeft Klaas een nieuwe auto gekocht.
- Vandaag zal Klaas een nieuwe auto kopen.
Zowel bij de voltooide tijd in (1) als bij de toekomende tijd in (2) vallen R en G samen: bij de voltooide tijd ligt het punt R=G links van S, bij de toekomende tijd rechts van S. Semantisch gezien strekt "vandaag" zich uit over dat deel van de tijds-as, waarin R=G én S liggen. De periode die door "vandaag" gedekt wordt is in de volgende grafiek begrensd door ¦.....¦:
——————RG——————S——————————————>
——————————————S——————RG——————>
¦....."vandaag".....¦
111.8
Met de drie parameters S, R en G kunnen alle temporele relaties vastgelegd worden. Theoretisch zijn de volgende onderlinge rangschikkingen op de tijds-as mogelijk, waarbij S het heden uitdrukt (gemarkeerd met ¤):
| | verleden | ¤ | toekomst
| | 1. | | | S=R=G | |
|
|---|
| 2. | | G=R | S | |
|
|---|
| 3. | | | S | R=G |
|
|---|
| 4. | G | R | S | |
|
|---|
| 5. | | | S | R | G
|
|---|
| 6. | R | G | S | |
|
|---|
| 7. | | | S | G | R
|
|---|
| 8. | | R | S | G |
|
|---|
| 9. | | G | S | R |
|
|---|
111.9
S, R en G kunnen eventueel samenvallen (geval 1 in de vorige paragraaf), en verder kunnen R en G samenvallen (geval 2 en 3). Echter, S en R kunnen nimmer samenvallen als ook niet G hiermee samenvalt.
De gevallen 8 en 9, waarbij R en G aan verschillende zijden van S staan, zijn slechts hypothetisch, want zij drukken niet een bestaande temporele relatie uit. Hierop komen we terug in § 111.91-92.
111.10
We zullen hieronder de deiktische tijdsbeleving grafisch voorstellen op een tijds-as die van links naar rechts vanuit het verleden de toekomst in loopt. De parameters S, R en G zullen met een • op deze as aangegeven worden. Verder symboliseren de pijlen ————> en <———— de richting van het temporele perspectief. Bij duratieve werkwoorden (zie § 110.83-86) geeft G het beginpunt van de gebeurtenis aan, waarna de verdere duur ervan langs de tijds-as gemarkeerd wordt met ....... Bij momentane werkwoorden valt G precies samen met de gebeurtenis, en dan moet deze markering van de duur natuurlijk genegeerd worden.
|
Terminatieve werkwoorden kunnen op identieke wijze grafisch voorgesteld worden, alleen met dit verschil dat de markering van de duur een expliciet einde kent. Dit is symbolisch weer te geven met |. Vergelijk:
G
a. ——————•———————————— Jan loopt.
.............
G
b. ——————•———————————— Jan loopt tot aan de toren.
.......|
In a. moeten zowel de tijds-as als de duur van het gebeuren aan de rechterzijde oneindig de toekomst in gedacht worden. In b. kent de duur van het gebeuren een expliciet einde. Wij zullen bij de behandeling van de tijden alleen aan het duratieve aspect aandacht besteden (type a.). Type b. is daar gemakkelijk van af te leiden.
|
111.11
Een voorbeeld: bij een "zuiver" preteritum vallen R en G samen, en beide staan links van S (type 2 in § 111.8). Er is een temporeel perspectief van S naar R=G, en de handeling van een duratief werkwoord loopt van R=G tot aan S:
R=G <———— S
———————————————•——————————•———————————————
............
Zinnen als Piet las het boek of Piet heeft het boek gelezen passen in deze grafiek, want zowel het referentiepunt als de gebeurtenis bevindt zich in het verleden, en bovendien vallen het referentiepunt (R) en het moment dat de gebeurtenis een aanvang neemt (G) samen.
111.12 Eerste en tweede niveau
In § 111.3 is reeds het begrip "niveau" gevallen. Om te begrijpen wat het verschil tussen "eerste" en "tweede niveau" is, moet eerst het begrip niveauverschil verklaard worden. Van niveauverschil is (per definitie) sprake als het referentiepunt R en het moment van gebeuren G niet samenvallen, maar beide links van S staan (dus in het verleden). Er zijn dan twee mogelijkheden:
- G staat voor (= links van) R
- G staat na (= rechts van) R
111.13
Het gemakkelijkst is dit niveauverschil te zien als R begrepen kan worden uit een ander deel van een samengestelde zin. Bijvoorbeeld:
Piet zag gisteren een hert, dat doodgereden was.
Omdat de gebeurtenis "doodrijden" vóór de gebeurtenis "zien" plaatsvindt, zeggen we dat "doodrijden" (G2) op het 2e niveau plaatsvindt, en "zien" (G1) op het 1e niveau. Tegelijkertijd treedt G1 op als referentiepunt voor G2. Nu geldt:
G2 <—— R2=R1=G1 <—— S
waarbij R1 = eerste referentiepunt voor de tijd die bij "zien" uitgedrukt wordt ("gisteren"), en R2 = referentiepunt voor de tijd die bij "doodrijden" uitgedrukt wordt. Daarentegen is er géén niveauverschil (dus het 2e niveau ontbreekt) in:
Piet zag gisteren een hert, dat doodgereden werd.
De gebeurtenissen "zien" en "doodrijden" vinden op hetzelfde moment (lees: niveau) plaats en hebben hetzelfde referentiepunt R ("gisteren"), dus: G2=G1=R.
111.14
Analoog aan § 111.13 kan er geredeneerd worden als de tweede gebeurtenis na de eerste plaatsvindt (maar beide in het verleden):
Piet sprak de man die geëxecuteerd zou worden.
De gebeurtenis "spreken" vindt op het 1e niveau plaats, en treedt tegelijkertijd als referentiepunt voor het 2e niveau op. Het 2e niveau bevat de gebeurtenis "executeren", die na de gebeurtenis op het 1e niveau ligt. Als de eerste gebeurtenis "spreken" voorgesteld wordt door G1, en de tweede gebeurtenis "executeren" door G2, dan geldt:
R2=R1=G1 <————— S
|———————> G2
waarbij R1 = niet nader genoemd eerste referentiepunt voor de tijd die bij "spreken" uitgedrukt wordt, en R2 = expliciet genoemd referentiepunt voor de tijd die bij "executeren" uitgedrukt wordt. Merk op dat G2 links van S ligt.
111.15 Context
Het begrip context uit § 111.5 kan als volgt gedefinieerd worden:
- Er zijn tijdsbepalingen in de zin aanwezig zoals "in de toekomst", "gisteren", "toen hij jarig was", enz., die ons duidelijk maken of een gebeurtenis in verleden, heden of toekomst geplaatst moet worden;
- De zin maakt deel uit van een groter verhaal waarin reeds duidelijk geworden is of het in het verleden, het heden of de toekomst speelt;
- Er is een "kennis van de wereld" waaruit blijkt of we te maken hebben met een uitspraak die voor het verleden, het heden of de toekomst geldt.
111.16
Punt (iii) van de definitie voor "context" uit de vorige paragraaf kan verduidelijkt worden met de volgende voorbeelden:
- Als de aangesprokene weet dat Lerdu verleden week overleden is, begrijpt hij dat een mededeling als
- Lerdu melde eft quistubu knojolâ.
Lerdu zijn een goedmoedig dikzak
in de verleden tijd gehouden wordt: 'Lerdu was een goedmoedige dikzak.'.
- Als de aangesprokene weet dat Elsa zwanger is van een dochter die ze Yvonn wil noemen, begrijpt hij dat Elsa's mededeling:
- Yvonn slape fes eft zypiy lef eft littit atyje fes ef.
Yvonn slapen in een ledikant met een roze deken in het
een toekomende tijd draagt: 'Yvonn zal in een ledikantje met een roze dekentje slapen.'.
111.17
Wordt de tijd niet impliciet uit de context begrepen, dan kan de syntactische tijd op vier manieren expliciet uitgedrukt worden:
- door de positie die het werkwoord in de zin inneemt (als gevolg van inversie)
- met een verbaal suffix
- met een determinant
- een combinatie van 1., 2. en/of 3.
111.18
Hoe de tijd door middel van de positie van het werkwoord in de zin (inversie!) kan worden uitgedrukt, is uiteengezet in de Blokken 90.8-12 en 91.7. Deze wijze van uitdrukken blijft echter beperkt tot de neutrale, definitieve en toekomende tijd van het eerste niveau.
De def. en toek. tijd kunnen alternatief uitgedrukt worden door een suffix (al dan niet in combinatie met een determinant). De aoristus kan alleen met een suffix uitgedrukt worden. Een tijdsvorm kan dikwijls niet los gezien worden van een bepaalde vorm van modaliteit. Met name de verschillende varianten van de toek.tijd drukken een intentionele of irreële modus uit. Hierop komen we terug bij de behandeling van de toek.tijd in § 111.49-64.
111.19
De volgende suffixen zijn er beschikbaar om een tijd uit te drukken; zij worden (met uitzondering van -e) aan de verkorte wortelstam gehecht (§ 82.5-8):
| Verbale tijdssuffixen
|
|---|
-e
-a ×
-u ×
-o
-ui
|
neutrale tijd
1. definitieve tijd eerste niveau
2. toekomend-definitieve tijd
toekomende tijd eerste niveau
1. definitieve tijd tweede niveau
2. aoristus °
1. toekomende tijd tweede niveau
2. irrealis *
|
| × | Deze suffixen dragen altijd het accent (zie ook § 11.22-24).
| | ° | De aoristus is feitelijk de modale variant van de def.tijd II, die gebruikt wordt in een context zonder niveauverschil.
| | * | De irrealis is feitelijk de modale variant van de toek.tijd II, die aangeeft dat de gebeurtenis niet plaatsvond.
|
111.20
De accentverschuiving die door de suffixen -a en -u teweeggebracht wordt is feitelijk een restant van een verbale resultatiefvorm. In het Oudspokaans eindigde de infinitief op -el, en door verdubbeling van de l kreeg de voorafgaande e het (gefixeerde) accent. Dit was een proces, analoog aan de huidige vorming van de resultatief bij polysyllabische substantieven met een variabel accent (zie § 61.9). Vergelijk het subst. leftel met het Oudspokaanse werkwoord †bytel (accentdragende vocaal is vet):
- leftel lepel > leftell
- †bytel slaan > †bytell (modern Spokaans: byte > byta)
Zie ook § 11.22-24.
111.21
Zowel bij nominale resultatieven als bij de oude verbale resultatieven is er sprake van een "niet meer aanwezig zijn van datgene wat het woord uitdrukt". Of concreet, in een zin als
- Lerdu byte ef mosjeuss.
Lerdu slaan de vrouwRES
drukt de resultatief uit dat het "slaan" zodanig gebeurt dat de vrouw er niet meer is. Dit kan vertaald worden met 'Lerdu slaat de vrouw dood.'. Bekijk nu:
- † Lerdu bytell ef mosjeus.
Lerdu slaanRES de vrouw
Deze Oudspokaanse zin kan, parallel geredeneerd, zodanig geïnterpreteerd worden dat de actie van het "slaan" er niet meer is, of te wel, we hebben met een voltooide tijd te doen: 'Lerdu heeft de vrouw geslagen.'.
|
Een nominale en een verbale resultatief konden in het Oudspokaans ook gecombineerd worden, bijvoorbeeld:
- † Lerdu bytell ef mosjeuss. Lerdu heeft de vrouw doodgeslagen.
Lerdu slaanRES de vrouwRES
|
111.22
Het velare karakter van de eind-ll (uitgesproken als een "dikke" l) heeft ervoor gezorgd dat de articulatieplaats van de voorafgaande e naar achteren is geschoven, zodat deze e in de loop der tijd als a is gaan klinken. Dit proces heeft zich waarschijnlijk in dezelfde periode voltrokken als het verdwijnen van de eind-l[l] bij werkwoorden. Het gevolg is dat tegenwoordig een infinitief op -e eindigt (die tevens de neut.tijd is), en de oorspronkelijke resultatief op een beklemtoonde -a eindigt. Vanaf het begin van de 19e eeuw wordt het suffix -a niet meer als een "resultatief" beschouwd (of herkend?), maar als een uitdrukking voor de definitieve tijd.
Dat ook het suffix -u het accent draagt, wordt onder meer door Evergreen (1964) verklaard uit analogievorming, waaraan kennelijk behoefte ontstond om dit suffix in het gehoor duidelijker te onderscheiden van de neutrale -e.
111.23
Merk op dat het suffix -ui automatisch al het accent draagt, omdat de u hierin optreedt als voorlaatste lettergreep. Verder is het opvallend dat -o géén accent draagt. Waarschijnlijk is de behoefte om -o van -e duidelijk te onderscheiden niet zo groot, omdat -o alleen in bepaalde contexten gebruikt wordt waarin verwarring met een ander suffix niet zo sterk aanwezig is. Zie ook § 11.22.
|
Overigens wordt de -o als lange vocaal uitgesproken in constructies waarin er wel sprake kan zijn van verwarring, zoals bij een Exclamatief die belediging uitdrukt (zie § 110.70). Wellicht gaat deze verlengde uitspraak in de toekomst ooit nog eens gepaard met het woordaccent. Dan kan gesteld worden dat alle verbale tijdssuffixen altijd het accent dragen, uitgezonderd de neutrale -e.
|
111.24
Bij de bespreking van het accent in de vorige paragrafen is uitgegaan van werkwoorden met een variabel accent. In § 11.24 is er reeds op gewezen dat er bij werkwoorden met een gefixeerd accent twee oplossingen zijn: (i) het accent blijft behouden op de oorspronkelijke plaats, of (ii) het accent verschuift naar het suffix -a of -u. In dit laatste geval mogen de a en u zowel lang als kort uitgesproken worden:
|
|
hebben gebeld zullen vallen
|
spr.uit: [ze:fa] of [ze:fa] of [ze:fa:]
spr.uit: [ta:su] of [ta:su] of [ta:su:]
|
Met name op het eiland Berref is er een sterke voorkeur voor het accent op -a en -u. Bij emfase of contrast kan ook elders in Spokanië het accent op het suffix gelegd worden (zie ook § 11.24).
111.25
De tijdssuffixen verschijnen in principe achter het hulpwerkw. In twee gevallen echter komen zij achter het hoofdwerkw., en wel (i) als het hulpwerkw. ontbreekt (zie b-zinnen), en (ii) als het hulpwerkw. reeds voorzien is van het teg.dw.-suffix -lira (zie c-zinnen):
- Do probara beri cÿrtire. Hij wilde helpen; Hij heeft willen helpen.
- Do cÿrtira. Hij hielp; Hij heeft geholpen.
- Gress tiffe, do probarelira beri cÿrtira.
Ik weet dat hij wilde helpen; Ik weet dat hij heeft willen helpen.
- Ef merater perku beri šefcare-tijâ ef kelbra.
De man zal de tafel moeten wegschuiven.
- ef merater, šefcarulira-tijâ ef kelbra
de man, die de tafel zal wegschuiven
- ef merater, perkelira beri šefcaru-tijâ ef kelbra
de man, die de tafel zal moeten wegschuiven
Merk op dat een tijdssuffix wèl met -lira samen kan gaan als zij beide in het hoofdwerkw. staan (tweede b-zin).
Het verschijnsel dat het tijdssuffix van hulpwerkw. naar hoofdwerkw. verschuift, wordt "temporele verdringing" genoemd (-lira verdringt a.h.w. het tijdssuffix).
111.26
Ook als het hulpwerkw. een onderschikkend suffix draagt (-ilóme, -ilomije of -ilomitâ; zie Hoofdstuk 122), komt het tijdssuffix achter het hoofdwerkw. In dit geval is van het hulpwerkw. de gramm.stam gebruikt, en deze is niet geschikt voor de aanhechting van een tijdssuffix:
- Gress nert brâ arfina, blul perkilóme beri riffalije ef oto.
ik niet REDEN komen-DT, DET moeten-ONDERSCH INF maken-DT-PASS de auto
Ik ben niet gekomen, want de auto moest gerepareerd worden.
Als er geen hulpwerkw. aanwezig is komt het onderschikkende suffix achter het hoofdwerkw. In dat geval kan een tijd dus niet uitgedrukt worden met een tijdssuffix. Is zo'n tijdssuffix toch gewenst, dan zal het onderschikkende suffix plaats moeten maken voor een ondersch.voegw. Zie ook § 122.5-7.
111.27
Aan de hand van de tijds-as met zijn parameters, zoals uiteengezet in § 111.5-11, zullen alle mogelijke tijden in het Spokaans verduidelijkt worden. Hierbij moet onderscheid gemaakt worden tussen werkwoorden met een duratief/terminatief aspect (dur.), en werkwoorden met een momentaan aspect (mom.). Deze verschillende inherente aspectsvormen zijn uitgelegd in § 110.83-86.
In de primaire voorbeelden is telkens gebruik gemaakt van de momentane werkwoorden kvânde (opblazen (trans.)) en jumpetece (springen (intrans.)) en van de duratieve werkwoorden trempe (lezen (trans.)) en mirre (wandelen (intrans.)). Dit aspectuele onderscheid is noodzakelijk omdat de interpretatie van de werkwoordstijd kan verschillen al naar gelang de verschillende aspecten.
|
Feitelijk is in de zin Jân trempe ef mimpit. sprake van een terminatief aspect, want het lezen duurt slechts zo lang tot het boek uit is. Wij zullen bij de bespreking van de werkwoordstijden dit onderscheid tussen duratief en terminatief negeren, omdat het werkwoord trempe (lezen) op zichzelf wel duratief is.
|
111.28
Achtereenvolgens zullen de volgende syntactische tijden (inclusief de aoristus) besproken worden:
- neutrale tijd
- definitieve tijd eerste niveau (vanaf § 111.38)
- toekomende tijd eerste niveau (vanaf § 111.49)
- toekomend-definitieve tijd (vanaf § 111.60)
- definitieve en toekomende tijd tweede niveau (vanaf § 111.65)
- aoristus (vanaf § 111.93)
111.29 ad § 111.28 A. Neutrale tijd
De neut.tijd wordt gevormd met het suffix -e en is dus gelijk aan de infinitief. Zie ook § 81.1. De neut.tijd kan geïnterpreteerd worden als:
- een presens
- een preteritum (vanaf § 111.31)
- een futurum (vanaf § 111.33)
Deze drie gevallen zullen achtereenvolgens besproken worden.
111.30 ad § 111.29 a. Neutrale tijd als presens
Tenzij uit de context (zie § 111.15 voor definitie) het tegendeel blijkt, wordt de neut.tijd als presens opgevat. In dat geval vallen S, R en G samen, wat in de volgende grafiek verduidelijkt is:
S=R=G
————————————————————•————————————————————
.....................
Bijvoorbeeld:
|
|
Jân kvânde ef pônt. Jân blaast de brug op.
Jân jumpetece fesdu ef knurfel. Jân springt in het water.
Jân trempe ef mimpit. Jân leest het boek.
Jân mirre. Jân wandelt.
|
De momentane gebeurtenissen vinden op het met ( gemarkeerde punt plaats. Bij de duratieve handelingen geeft ( het aanvangspunt aan, waarna de handeling onbeperkt in de toekomst voortduurt (gevisualiseerd door .......).
111.31 ad § 111.29 b. Neutrale tijd als preteritum
De neut.tijd kan als preteritum geïnterpreteerd worden als de context hiertoe aanleiding geeft. In dat geval vallen R en G samen, maar beide staan vóór S. In het Nederlands kan zowel een onvoltooid verleden tijd als een voltooid tegenwoordige tijd gebruikt worden. Een eventueel betekenisverschil dat in het Nederlands een keuze tussen deze twee tijdsvormen rechtvaardigt, is in het Spokaans afwezig (of: kan niet expliciet uitgedrukt worden):
R=G <———— S
———————————————•——————————•———————————————
............
Bijvoorbeeld:
|
|
Jân kvânde hols ef pônt.
Jân blies gisteren de brug op; Jân heeft gisteren de brug opgeblazen.
Jân jumpetece lelmo gurt fesdu ef knurfel.
Jân sprong vanmorgen in het water; Jân is ... gesprongen.
Jân trempe ef mimpit lâst mink.
Jân las het boek verleden week; Jân heeft ... gelezen.
Jân mirre lâstÿrô.
Jân wandelde zojuist; Jân heeft zojuist gewandeld.
|
Bij momentane werkwoorden vindt de gebeurtenis op het met • gemarkeerde punt plaats, en bij duratieve werkwoorden begint de gebeurtenis bij •, terwijl deze zich voortzet langs de stippellijn (.......), tot aan het moment van spreken.
|
Er bestaat géén werkwoordstijd die uitdrukt dat de duur zich uitstrekt vanuit het verleden tot en met het heden (= S), laat staan inclusief de toekomst (dus rechts van S). Vergelijk dit met het Engels, waarin een voltooide tijd kan uitdrukken dat de duur zich uitstrekt vanuit het verleden tot en met het heden: He has lived here for many years. 'Hij woont hier al vele jaren.' en niet * 'Hij heeft hier vele jaren gewoond.', want deze laatste vertaling drukt uit dat hij er momenteel niet meer woont (terwijl het Engels uitdrukt dat hij er nog steeds woont). Voor het Engels geldt dus de grafiek:
R=G <———— S
———————————————•——————————•———————————————
...........×
Waarbij × aangeeft dat de duur zich uitstrekt tot en met S.
|
111.32
Nog enkele voorbeelden van de preteritum-interpretatie van de neut.tijd:
- Aftel blul kettelije ef hurons ón ef mingatra hols?
Werden/zijn de bloemen gisteren aan de werkster gegeven?
- Elsa falle kest pluzari dur zurt. Elsa is omstreeks 3 uur gestruikeld.
(de taaluiting wordt na 3 uur gedaan)
- Jân melde eft flifados hânc. Jân was een aardige kerel.
(de aangesprokene weet dat Jân verleden week is overleden)
Onder meer Vrymân (1979) keurt de neut.tijd voor het preteritum af als uit een toegevoegde tijdsbepaling duidelijk blijkt dat de gebeurtenis in het verleden afspeelt. In plaats van (1) en (2) stelt zij een inversie-variant voor (zie § 111.40). Maar (3) is volgens haar wel acceptabel omdat hierin een tijdsbepaling ontbreekt.
111.33 ad § 111.29 c. Neutrale tijd als futurum
De neut.tijd kan als futurum geïnterpreteerd worden als de context hiertoe aanleiding geeft. In dat geval zijn er twee temporele relaties mogelijk:
- R en G vallen samen, en beide staan na S:
S ————> R=G
———————————————•——————————•———————————————
................
- G staat na R, en beide staan na S:
S ————> R ————> G
———————————•—————————•—————————•———————————
............
Het onderscheid tussen (i) en (ii) is slechts theoretisch, want het Spokaans kan dit verschil op syntactische wijze niet uitdrukken (het Nederlands trouwens evenmin).
111.34
Bijvoorbeeld:
|
|
Jân kvânpe mas ef pônt. Jân blaast morgen de brug op.
Jân jumpetece kelt fesdu ef knurfel. Jân springt straks in het water.
Jân trempe ef mimpit ef sompat mink. Jân leest het boek volgende week.
Jân mirre kelt. Jân gaat straks wandelen.
|
Omdat bovenstaande constructies als een "zuivere" futurum beschouwd moeten worden, en geen enkele bijkomende vorm van modaliteit met de betekenis van "van plan zijn" hebben, is het adequaat om ook in het Nederlands een onvoltooid tegenwoordige tijd te gebruiken.
111.35
Nog enkele voorbeelden van de futurum-interpretatie van de neut.tijd:
- Ef sompat mink óps mirre fes ef dunjes.
Volgende week wandelen ze in de duinen; ... gaan ze in de duinen wandelen.
- Aftel blul kettelije ef hurons ón ef mingatra mas?
Worden de bloemen morgen aan de werkster gegeven?
- Yvonn melde eft pleffy baby. Yvonn zal een knappe baby zijn/worden.
(de spreker weet dat Yvonn een dezer dagen geboren zal worden)
- Moffain arfine kest dur zurt. Moffain komt om 3 uur.
(de taaluiting wordt vóór 3 uur gedaan)
111.36
Uit de grafische representaties in § 111.33 kan geconcludeerd worden dat het voor het uitdrukken van een gebeurtenis die in de toekomst plaatsvindt niet relevant is of G al dan niet samenvalt met R. Omdat het al dan niet samenvallen van G en R bij het uitdrukken van een preteritum wèl relevant is (vgl. § 111.31 met § 111.66 en § 111.72, 2e niveau), kan geconstateerd worden dat het Spokaans bij het uitdrukken van de futurum grotere generalisaties maakt dan bij het uitdrukken van het preteritum. Dit is verklaarbaar als we bedenken dat het nu eenmaal gemakkelijker is om over reeds gebeurde dingen in het verleden te praten, dan over dingen die nog moeten plaatsvinden. Dingen die in het verleden hebben plaatsgevonden, staan ons veel duidelijker voor ogen, en daarom kunnen we ons ook veel meer temporele variaties voorstellen. Wat dit betreft wijkt het Spokaans niet af van zo veel talen in de wereld, die wel een rijkdom aan uitdrukkingen voor de verleden tijd kennen, maar niet aan uitdrukkingen voor de toekomende tijd.
111.37
Omdat het presens, het preteritum en het futurum als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat R en G samenvallen, kan gesteld worden dat de neut.tijd niet meer doet dan uitdrukken dat het referentiepunt samenvalt met het moment dat het gebeuren plaatsvindt. Of dit gebeuren plaatsvindt vóór, tijdens of na het moment dat de taaluiting gedaan wordt, hangt evenwel van de context af.
111.38 ad § 111.28 B. Definitieve tijd eerste niveau
De def.tijd I wordt altijd als preteritum geïnterpreteerd. In het Nederlands kan hier zowel een onvoltooid verleden tijd, als een voltooid tegenwoordige tijd gebruikt worden. Het eventuele onderscheid hiertussen is in het Spokaans niet aanwezig (of althans, wordt niet uitgedrukt). De grafische weergave van het preteritum die in § 111.31 gegeven is, kan hier zonder meer herhaald worden:
R=G <———— S
———————————————•——————————•———————————————
............
111.39
De def.tijd I kan op drie syntactische manieren uitgedrukt worden:
- met inversie
- met het suffix -a (vanaf § 111.43)
- combinatie van 1. en 2. (vanaf § 111.47)
We zullen ze achtereenvolgens behandelen:
111.40 ad § 111.39 a. Definitieve inversie
De inversie die een def.tijd uitdrukt zullen we "definitieve inversie" (def.inversie) noemen. Deze is reeds behandeld in de Blokken 90.8-12 en 91.7, en wordt in het volgende Blok kort samengevat:
| Inversie voor de definitieve tijd
|
|---|
Alleen de elementen die deelnemen aan de inversie, en de zinskern, zijn in dit Blok opgenomen!
| |
| neut.tijd
| > def.tijd
| | actief
| SK P O
| > SK O P
| | ob-passief
| OK P S
SPOOR P OK
| > OK S P
> SPOOR OK P
| | ec-passief
| EK P S
SPOOR P EK
| > EK S P
> SPOOR EK P
|
111.41
Met de def.inversie wordt het preteritum op de minst pregnante manier expliciet uitgedrukt. Deze oplossing is in actieve en ob-passieve zinnen overigens alleen mogelijk als er een object aanwezig is. Vergelijk de neut.tijd in a. met de def.tijd in b.:
- Jân kvânde ef pônt. Jân blaast de brug op.
- Jân ef pônt kvânde. Jân blies de brug op; Jân heeft de brug opgeblazen.
- Jân trempe ef mimpit. Jân leest het boek.
- Jân ef mimpit trempe. Jân las het boek; Jân heeft het boek gelezen.
- Ef poitiyn wuxelije-furt pai ef qustre 'nin.
Het gedicht wordt door het verlegen meisje voorgedragen.
- Ef poitiyn pai ef qustre 'nin wuxelije-furt.
Het gedicht werd/is door het verlegen meisje voorgedragen.
- Gress crulelitâ pai Lerdu. Tegen mij wordt door Lerdu te keer gegaan.
- Gress pai Lerdu crulelitâ. Tegen mij werd/is door Lerdu te keer gegaan.
- Blul crulelitâ gróse. Tegen mij wordt te keer gegaan.
- Blul gróse crulelitâ. Tegen mij werd/is te keer gegaan.
Voor crule, zie ook § 91.9.
111.42
Def.inversie om het preteritum uit te drukken is dermate ongemarkeerd dat dit ook voor kan komen in constructies waarbij het preteritum reeds uit de context blijkt:
- Aftel blul ef hurons kettelije ón ef mingatra hols? (vgl. § 111.32 (1))
Werden/zijn de bloemen gisteren aan de werkster gegeven?
- Jân eft flifados hânc melde. Jân was een aardige kerel.
- Ef ôrešys eft Bailey-pônt âlbe lâst mink.
De soldaten bouwden verleden week een baileybrug.
of De soldaten hebben verleden week een baileybrug gebouwd.
Velen geven er de voorkeur aan om voor het preteritum altijd de def.tijd-inversie te gebruiken (tenzij het ontbreken van het object dit verhindert). Als er een tijdsbepaling aanwezig is die aan het verleden refereert, klinkt volgens Vrymân (1979) een constructie met def.inversie veel "natuurlijker" dan de inversie-loze variant. Zie ook § 111.32.
111.43 ad § 111.39 b. Suffix -a
Het suffix -a accentueert de def.tijd, en dus het preteritum, iets sterker dan inversie. Vergelijk de b-zinnen in § 111.41 met:
- Jân kvânda ef pônt.
Jân blies de brug op; Jân heeft de brug opgeblazen.
- Jân trempa ef mimpit.
Jân las het boek; Jân heeft het boek gelezen.
- Ef poitiyn wuxalije-furt pai ef qustre 'nin.
Het gedicht werd/is door het verlegen meisje voorgedragen.
- Gress crulalitâ pai Lerdu. Tegen mij werd/is door Lerdu te keer gegaan.
- Blul crulalitâ gróse. Tegen mij werd/is te keer gegaan.
|
Als het suffix -a gevolgd wordt door ef of eft, vindt in snelle spreektaal dikwijls elisie plaats, waarbij de a lang wordt uitgesproken: kvânda ef [kvânda:f]; trempa ef [trempa:f]. Zie ook § 11.13.
Als -a extra benadrukt wordt (omdat de def.tijd extra emfase krijgt), blijft elisie altijd achterwege, en klinkt er een duidelijke glottisslag achter de -a, die ervoor zorgt dat de a kort wordt uitgesproken: [kvânda'ef], [trempa'ef].
|
111.44
Daar de def.inversie bij actieve objectloze zinnen niet mogelijk is, kan de def.tijd hier alleen met -a uitgedrukt worden. Vergelijk de neut.tijd in a. met de def.tijd in b.:
- Jân jumpetece fesdu ef knurfel. Jân springt in het water.
- Jân jumpeteca fesdu ef knurfel.
Jân sprong in het water; Jân is in het water gesprongen.
- Óps mirre fes ef dunjes. Ze wandelen in de duinen.
- Óps mirra fes ef dunjes.
Ze wandelden in de duinen; Ze hebben in de duinen gewandeld.
- Gress nert arkette. Ik huil niet.
- Gress nert arketta. Ik huilde niet; Ik heb niet gehuild.
- Lerdu crule ón gress.
Lerdu gaat tegen mij te keer.
- Lerdu crula ón gress.
Lerdu ging tegen mij te keer; Lerdu is tegen mij te keer gegaan.
|
De ec-passieve variant van zin a. kent daarentegen wel een def.inversie, zie § 111.41.
|
111.45
De sterke nadruk die -a op de uitdrukking van het preteritum legt, is de reden dat dit suffix vermeden wordt in constructies waarin deze tijdsvorm reeds uit een tijdsbepaling begrepen kan worden, zoals:
- ? Aftel blul kettalije ef hurons ón ef mingatra hols?
Werden/zijn de bloemen gisteren aan de werkster gegeven?
- ? Ef ôrešys âlba eft Bailey-pônt lâst mink.
De soldaten bouwden verleden week een baileybrug.
of De soldaten hebben verleden week een baileybrug gebouwd.
In al deze gevallen wordt de voorkeur aan een def.inversie gegeven (zie § 111.42).
|
Tijdsbepalingen die nadrukkelijk aan de toekomst refereren, kunnen wèl gecombineerd worden met -a. Dit wordt behandeld in § 111.61.
|
111.46
Als een def.inversie onmogelijk is (omdat het object ontbreekt), mag het suffix -a eventueel wel samengaan met een tijdsbepaling (hoewel velen hier een neut.tijd zullen prefereren):
- Óps mirra hols fes ef dunjes. = Óps mirre hols fes ef dunjes.
Ze wandelden gisteren in de duinen; Ze hebben ... gewandeld.
- Lerdu crula ón gress lâst gurt. = Lerdu crule ón gress lâst gurt.
Lerdu ging vanochtend tegen mij te keer; Lerdu is ... te keer gegaan.
111.47 ad § 111.39 c. Def.inversie + suffix -a
De combinatie van def.inversie en -a is altijd sterk gemarkeerd. Het wordt gebruikt om emfase of contrast (in KLEINKAPITAAL) uit te drukken. Bijvoorbeeld:
- Gress ef mimpit trempa pip! Ik HEB het boek al gelezen! (emfase)
- Tygrônsc Mâx ÿpégen oltaka, igt do oltake alt ef. (contrast)
niet.alleen Mâx medicijn studeren-DT, maar.ook hij studeert nog.steeds het
Mâx HEEFT niet alleen medicijnen gestudeerd, hij studeert het nog STEEDS.
- Tu ef hâst bôrada strâ, tu painât ef ral ki. (contrast)
Je hebt de hond nog niet uitgelaten, je moet het NU doen.
111.48
Ook al blijkt uit een tijdsbepaling dat er sprake is van een preteritum, dan leidt het gebruik van een gecombineerde def.inversie met het suffix -a niet tot een ongrammaticale constructie, als deze combinatie bedoeld is om emfase of contrast uit te drukken. Vergelijk de voorbeelden uit de vorige paragraaf met:
- Gress ef mimpit trempa pip lâst hertel! (emfase)
Ik HEB het boek verleden maand al gelezen!
- Tygrônsc Mâx ÿpégen oltaka fes 1970, igt do oltake alt ef. (contrast)
Mâx HEEFT niet alleen in 1970 medicijnen gestudeerd, hij studeert het nog STEEDS.
- Lerdu ef hâst bôrada hols, tu bôratât do ral ki. (contrast)
Lerdu heeft de hond gisteren uitgelaten, jij moet hem NU uitlaten.
Vergelijk dit met de ietwat vreemde zinnen in § 111.45.
111.49 ad § 111.28 C. Toekomende tijd eerste niveau
De toek.tijd I wordt altijd als futurum geïnterpreteerd. De 2 grafische weergaven van het futurum die in § 111.33 zijn gegeven, kunnen hier zonder meer herhaald worden:
- R en G vallen samen, en beide staan na S:
S ————> R=G
———————————————•——————————•———————————————
................
- G staat na R, en beide staan na S:
S ————> R ————> G
———————————•—————————•—————————•———————————
............
De toek.tijd I kan op drie syntactische manieren uitgedrukt worden:
- met inversie
- met de determinant di plus het suffix -u (vanaf § 111.55)
- alleen met de determinant di (vanaf § 111.58)
We zullen ze achtereenvolgens behandelen:
111.50 ad § 111.49 a. Toekomende Inversie
De inversie die een toek.tijd uitdrukt zullen we "toekomende inversie" (toek.inversie) noemen. Deze is reeds behandeld in de Blokken 90.8-12 en 91.7, en wordt in het volgende Blok kort samengevat:
| Inversie voor de toekomende tijd
|
|---|
Alleen de elementen die deelnemen aan de inversie, en de zinskern, zijn in dit Blok opgenomen!
| |
| neut.tijd
| > toek.tijd
| | actief
| SK P
| > P SK
| | ob-passief
| OK P
SPOOR P OK
| > P OK
> P SPOOR OK
| | ec-passief
| EK P
SPOOR P EK
| > P EK
> P SPOOR EK
|
Kenmerkend voor de toek.inversie is dus dat het predikaat geheel vooraan de basiszin komt te staan.
111.51
Met de toek.inversie wordt het futurum op de minst pregnante manier expliciet uitgedrukt. Vergelijk de teg.tijd in a. met de toek.tijd in b.:
- Jân kvânde ef pônt. Jân blaast de brug op.
- Kvânde Jân ef pônt. Jân zal de brug opblazen.
- Jân jumpetece fesdu ef knurfel. Jân springt in het water.
- Jumpetece Jân fesdu ef knurfel. Jân zal in het water springen.
- Jân trempe ef mimpit. Jân leest het boek.
- Trempe Jân ef mimpit. Jân zal het boek lezen.
- Óps mirre fes ef dunjes. Ze wandelen in de duinen.
- Mirre óps fes ef dunjes. Ze zullen in de duinen [gaan] wandelen.
- Gress nert arkette. Ik huil niet.
- Nert arkette gress. Ik zal niet huilen.
- Ef poitiyn wuxelije-furt pai ef qustre 'nin.
Het gedicht wordt door het verlegen meisje voorgedragen.
- Wuxelije-furt ef poitiyn pai ef qustre 'nin.
Het gedicht zal door het verlegen meisje voorgedragen worden.
- Blul crulelitâ gróse. Tegen mij wordt te keer gegaan.
- Crulelitâ blul gróse. Tegen mij zal te keer gegaan worden.
111.52
De modale inhoud van een "plan" of "belofte" (kortom: intentionele modus) die in de Nederlandse equivalenten aanwezig kan zijn (vorige paragraaf), is in het Spokaans echter geheel afwezig, behalve in de 1e persoon bij uitroepen ed.:
- a. Arfine gress! Ik zal komen!
- a. Paine kirro ef! We zullen het doen!
Onder meer Kojen-Pôt (1980) en Vrymân (1982) beschouwen zulke uitroepen als in (1a) en (2a) liever als varianten van de Consideratief die gevormd wordt met een passief pers.vnw. dat aan het werkwoord gehecht wordt (zie § 110.43). Vergelijk (1a) en (2a) met:
- b. Arfine-grós[e]! Laat ik [eens] komen!
- b. Paine-kiyro[e] ef! Laten we het [maar] doen!
Zeker als de korte vormen van de passieve pers.vnw.n (zonder de eind-e) gebruikt worden, is het uitspraakverschil tussen (1a) en (1b), en tussen (2a) en (2b) zo miniem dat een Consideratief gemakkelijk verward kan worden met een toek.tijd.
111.53
De toek.inversie om het futurum uit te drukken is dermate ongemarkeerd dat dit ook voor kan komen in constructies waarbij het futurum reeds uit de context blijkt:
- Aftel kettelije blul ef hurons ón ef mingatra mas?
Zullen de bloemen morgen aan de werkster gegeven worden?
of Worden de bloemen morgen aan de werkster gegeven?
- Âlbe ef ôrešys eft Bailey-pônt ef sompat mink.
De soldaten zullen volgende week een baileybrug bouwen.
of De soldaten bouwen volgende week een baileybrug.
- Mirre óps mas fes ef dunjes. Ze zullen morgen in de duinen [gaan] wandelen.
- Nert arkette gress kelt. Ik zal straks niet huilen.
111.54
Het is niet geheel duidelijk wat het semantische verschil is tussen de neut.tijd die gecombineerd wordt met een toekomende tijdsbepaling, en de inversie-variant van de toek.tijd die met zo'n tijdsbepaling samengaat. Vergelijk:
- Mas do lukte ef oto.
- Mas lukte do ef oto.
Morgen wast hij de auto; Morgen zal hij de auto wassen.
In geen van beide zinnen is er sprake van enige intentionele modaliteit (in de vorm van een "plan" of "belofte"). Dit is wèl het geval als de toek.tijd uitgedrukt wordt met het suffix -u (zie hiervoor echter § 111.55).
111.55 ad § 111.49 b. Determinant di + suffix -u
Het suffix -u (samen met de determinant di) accentueert de toek.tijd iets sterker dan inversie. Nu is er ook in het Spokaans sprake van een extra modaliteit die een "plan" of "belofte" uitdrukt. Vergelijk de b-zinnen in § 111.51 met:
- Jân di kvându ef pônt. Jân zal de brug opblazen.
- Jân di jumpetecu fesdu ef knurfel. Jân zal in het water springen.
- Jân di trempu ef mimpit. Jân zal het boek lezen.
- Óps di mirru fes ef dunjes. Ze zullen in de duinen [gaan] wandelen.
- Gress nert di arkettu. Ik zal niet huilen.
- Ef poitiyn di wuxulije-furt pai ef qustre 'nin.
Het gedicht zal door het verlegen meisje voorgedragen worden.
- Blul di crululitâ gróse. Tegen mij zal te keer gegaan worden.
|
Dat het bij de di + -u-constructies niet alléén om modaliteit gaat, maar ook om een toekomstige tijdsbeleving blijkt uit het feit dat a. ongrammaticaal is, want de toek.tijd en de verleden tijdsbepaling hols (gisteren) zijn onverenigbaar:
- * Hols Tek di trempu ef mimpit. Gisteren zou/*zal Tek het boek lezen.
(= "Tek was van plan om gisteren het boek te lezen")
Daarentegen kan een zuivere modaliteit die bijvoorbeeld uitgedrukt wordt met het doelwerkw. ytende (van plan zijn), wèl samengaan met hols:
- Hols Tek ytende beri trempe ef mimpit.
Gisteren was Tek van plan om het boek te lezen.
(wat nog niet wil zeggen dat Tek het boek ook werkelijk gelezen heeft)
|
111.56
De sterke nadruk die di + -u op de uitdrukking van het futurum legt, is de reden dat dit suffix eigenlijk zelden voorkomt in constructies waarin deze tijd reeds uit de context blijkt, zoals:
- ? Aftel blul di kettulije ef hurons ón ef mingatra mas?
Zullen de bloemen morgen aan de werkster gegeven worden?
- ? Ef ôrešys di âlbu eft Bailey-pônt ef sompat mink.
De soldaten zullen volgende week een baileybrug bouwen.
- ? Óps di mirru mas fes ef dunjes. Ze zullen morgen in de duinen wandelen.
Zulke zinnen komen marginaal voor, maar dan wordt er sterke nadruk op de intentionele modus gelegd. Onder meer Blake (1983) is van mening dat zo'n sterke modaliteit beter met een "echt" modaal doelwerkw. kan worden uitgedrukt, zoals:
- Óps ytende beri mirre mas fes ef dunjes.
Ze zijn van plan om morgen in de duinen te [gaan] wandelen.
111.57
De combinatie van inversie en di + -u is altijd ongrammaticaal:
- * Di trempu gress ef mimpit! Ik zal het boek lezen!
- * Di mirru óps mas fes ef dunjes. Morgen zullen ze in de duinen wandelen.
111.58 ad § 111.49 c. Determinant di
In korte spreektaal-zinnetjes blijft het suffix -u dikwijls achterwege. De toek.tijd blijkt dan enkel uit de determinant di, die tevens het zinsaccent draagt:
- Do di déhâre! Hij zal overwinnen!
- Tu nert di eftarse. Het zal je niet lukken.
Ook nu weer bevat de toek.tijd een duidelijk modale component, namelijk die van een "wens". Vergelijk ook de Optatief in § 110.73.
111.59
In de 1e persoon drukt di eventueel een vage belofte uit. In dit geval is de inversie-variant synoniem (zie ook § 111.52):
- Gress di arfine! = Arfine gress! Ik zal komen!
- Kirro di paine ef! = Paine kirro ef! We zullen het doen!
- Gress di riffe ef oto mas. = Riffe gress ef oto mas. Ik zal de auto morgen repareren.
- Kirro di déhâre! = Déhâre kirro! Wij zullen overwinnen!
Bij dergelijke belofte-zinnen ligt het zinsaccent altijd op het werkwoord, en nooit op de determinant di.
111.60 ad § 111.28 D. Toekomend-definitieve tijd
Bij de toek.def.tijd staat G vóór R, maar beide staan na S. Op deze wijze wordt het perfect-futurum (perf.futurum) uitgedrukt, in het Nederlands bekend als de voltooid tegenwoordige toek.tijd:
S ——————————————> R
—————————————•—————————•—————————•—————————————
G <———————
...........
De toek.def.tijd is syntactisch gezien een combinatie van de toek.tijd, uitgedrukt met een toek.inversie (zie Blok 111.50), en de def.tijd, uitgedrukt met het suffix -a. Vergelijk de toek.tijd in a. met de toek.def.tijd in b.:
- Kvânde Jân ef pônt. Jân zal de brug opblazen.
- Kvânda Jân ef pônt. Jân zal de brug opgeblazen hebben.
- Jumpetece Jân fesdu ef knurfel. Jân zal in het water springen.
- Jumpeteca Jân fesdu ef knurfel. Jân zal in het water gesprongen zijn.
- Trempe Jân ef mimpit. Jân zal het boek lezen.
- Trempa Jân ef mimpit. Jân zal het boek gelezen hebben.
- Mirre Jân. Jân zal wandelen.
- Mirra Jân. Jân zal gewandeld hebben.
111.61
De toek.def.tijd wordt liever vervangen door een def.tijd (uitgedrukt met -a), als deze gecombineerd wordt met een bepaling die aan een tijdstip in de toekomst refereert. Vergelijk de b-zinnen uit de vorige paragraaf met:
- a. ? Kvânda Jân ef pônt mas.
Jân zal morgen de brug opgeblazen hebben.
b. Jân kvânda ef pônt mas.
(idem) of Jân heeft morgen de brug opgeblazen.
- a. ? Kelt jumpeteca Jân fesdu ef knurfel.
Straks zal Jân in het water gesprongen zijn.
b. Kelt Jân jumpeteca fesdu ef knurfel.
(idem) of Straks is Jân in het water gesprongen.
- a. ? Mintof fâr terrats trempa Jân ef rapors.
Over vier dagen zal Jân het rapport gelezen hebben.
b. Mintof fâr terrats Jân trempa ef rapors.
(idem) of Over vier dagen heeft Jân het rapport gelezen.
111.62
Tijdsbepalingen die zowel aan het verleden als aan de toekomst kunnen refereren, moeten altijd samen met een toek.def.tijd gebruikt worden als zij een tijdstip in de toekomst aangeven. In combinatie met een def.tijd is er altijd sprake van een referentie in het verleden. Vergelijk (1) en (3) met:
- a'. Kvânda Jân ef pônt kest dur zurt.
Jân zal de brug om 3 uur opgeblazen hebben.
b'. Jân kvânda ef pônt kest dur zurt.
Jân heeft de brug om 3 uur opgeblazen.
- a'. Kest ér zurt trempa Jân ef rapors.
Om 1 uur zal Jân het rapport gelezen hebben.
b'. Kest ér zurt Jân trempa ef rapors.
Om 1 uur heeft Jân het rapport gelezen.
111.63
Merk op dat de Nederlandse vertalingen van (1b') en (3b') ambigu kunnen zijn, want zij kunnen ook aan de toekomst refereren (dus identiek aan de a-zinnen). Voorwaarde is dan wel dat de uitspraak gedaan wordt als het nog geen 3 uur, resp. 1 uur is. Terwijl (1a)...(3a) uit § 111.61 een twijfelachtige grammaticaliteit hebben, zijn (1a') en (3a') geheel correct.
111.64
De toek.def.tijd wordt ook gebruikt als er in een samengestelde zin sprake is van twee gebeurtenissen G1 en G2, waarbij G2 vóór G1 plaatsvindt. We hebben nu te maken met een gebeurtenis G1 die in het grafiek van de toek.tijd I past, zodanig dat G1 het nieuwe referentiepunt wordt waarop gebeurtenis G2 geprojecteerd wordt. G2 ligt dan tussen S en R=G1 in. De def.tijd I wordt nu a.h.w. "in de toek.tijd I geschoven", en wel als volgt:
S —————————————> R=G1
—————————————•—————————•—————————•—————————————
G2 <——————
Voorbeelden:
- Trije beri krose ef enmÿe ef pônt, tur kvânda Jân ef tiyn pip.
De vijand zal proberen de brug over te steken, maar Jân zal hem reeds opgeblazen hebben.
- Âme Elsa di meldu tÿrt, trempa eup ef rapors.
Als Elsa terug zal zijn, zal ze het rapport gelezen hebben.
Het dubbele gebruik van twee verschillende toek.tijden drukt een duidelijke modaliteit van "vooropgezet plan" uit. Zin (1) kan eigenlijk niet anders geïnterpreteerd worden dan dat er een afspraak met Jân gemaakt is om zo snel mogelijk die brug op te blazen. In (2) wordt gezegd dat Elsa voornemens is om dat rapport gelezen te hebben zodra ze terug is.
|
Met "samengestelde zin" wordt bedoeld (i) een nevenschikking van twee gelijkwaardige zinnen Z1 en Z2, of (ii) een onderschikking van een hoofdzin Z1 met een bijzin Z2. G1 mag zowel in Z1 als in Z2 staan, en dat geldt ook voor G2, als ze maar niet beide in dezelfde zin Z staan.
|
111.65 ad § 111.28 E. Definitieve en toekomende tijd tweede niveau
Het tweede niveau van de def.tijd en de toek.tijd worden gelijktijdig behandeld omdat zij veel overeenkomsten in syntaxis, betekenis en gebruik vertonen, waardoor bij een gescheiden behandeling vele zaken dubbel uitgelegd zouden moeten worden.
111.66
Bij de tijden van het tweede niveau staan G en R beide vóór S, maar bij de def.tijd II staat G voor R (grafiek a.), en bij de toek.tijd II staat G na R (grafiek b.):
G <———— R <———— S
a. —————————————•—————————•—————————•—————————————
...........
R <—————————————— S
b. —————————————•—————————•—————————•—————————————
———————> G
...........
Als we de "perspectiefpijlen" <———— en ————> beschouwen als symbolen voor de niveaus, wordt uit de grafieken duidelijk waarom er nu sprake is van twee niveaus: het perspectief vanuit het spreekmoment S op het referentiepunt R leidt naar het eerste niveau, en het perspectief vanuit R naar het moment van gebeuren G leidt naar het tweede niveau.
111.67
De def.tijd II wordt uitgedrukt met het suffix -o, en wordt geïnterpreteerd als een plusquamperfectum, die we hier "preteritum II" zullen noemen. In het Nederlands wordt een voltooid verleden tijd gebruikt. Bijvoorbeeld:
|
|
Jân kvândo ef pônt. Jân had de brug opgeblazen.
Jân jumpeteco fesdu ef knurfel. Jân was in het water gesprongen.
Jân trempo ef mimpit. Jân had het boek gelezen.
Jân mirro. Jân had gewandeld. of Jân was gaan wandelen.
|
In al deze zinnen vindt (de aanvang van) de gebeurtenis dus links van S én links van R plaats.
111.68
De toek.tijd II wordt uitgedrukt met het suffix -ui, samen met de determinant di. Deze constructie wordt geïnterpreteerd als een "futurum II", en komt overeen met de onvoltooid of de voltooid verleden toek.tijd in het Nederlands. Bijvoorbeeld:
|
|
Jân di kvândui ef pônt.
Jân zou de brug opblazen; Jân zou de brug opgeblazen hebben.
Jân di jumpetecui fesdu ef knurfel.
Jân zou in het water springen; Jân zou in het water gesprongen zijn.
Jân di trempui ef mimpit.
Jân zou het boek lezen; Jân zou het boek gelezen hebben.
Jân di mirrui.
Jân zou [gaan] wandelen; Jân zou gewandeld hebben.
|
In al deze zinnen vindt (de aanvang van) de gebeurtenis dus links van S, maar rechts van R plaats.
Dergelijke Spokaanse zinnen drukken uit dat een gebeurtenis in het verleden daadwerkelijk plaatsvond en zich niet voortzet in het heden. Reeds in § 111.31 is erop gewezen dat de markering van de tijdsduur (.....) nooit tot en met S kan doorlopen, laat staan zich rechts van S kan vervolgen.
111.69
Als de determinant di achterwege blijft, krijgt de toek.tijd II een extra modaliteit die we Irrealis noemen: de gebeurtenis heeft niet werkelijk plaatsgevonden. Zie ook § 110.57-59 voor de Irrealis.
In grafiek b. uit § 111.66 kan de relatiepijl tussen R en G zodanig gewijzigd worden dat deze uitdrukt dat de gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden:
R <—————————————— S
—————————————•—————————•—————————•—————————————
------> (G)
Vergelijk de voorbeelden uit § 111.68 met:
|
|
Jân kvândui ef pônt. Jân zou de brug opblazen/opgeblazen hebben.
Jân jumpetecui fesdu ef knurfel. Jân zou in het water springen/gesprongen zijn.
Jân trempui ef mimpit. Jân zou het boek lezen/gelezen hebben.
Jân mirrui. Jân zou wandelen/gewandeld hebben.
|
In al deze gevallen heeft de gebeurtenis niet plaatsgevonden: er was slechts sprake van een plan. In het Nederlands lijken zowel de onvoltooid als de voltooid verleden toek.tijd gebruikt te kunnen worden voor een evenement dat werkelijk gebeurd is én voor een Irrealis. Er is kortom sprake van ambiguïteit.
111.70
Een tijd van het tweede niveau kan gecombineerd worden met een tijdsbepaling (die dus door R vertegenwoordigd wordt, zie ook § 111.7). Bij een def.tijd II geeft deze bepaling een tijdstip aan waarvóór een momentaan gebeuren plaatsvond, resp. waarvóór een duratief gebeuren is afgesloten. Bij een toek.tijd II geldt een tijdstip waarná een gebeuren plaatsvond resp. is afgesloten. Vergelijk:
- Jân kvândo ef pônt kest dur zurt.
Jân had de brug om 3 uur [reeds] opgeblazen.
- Jân di kvândui ef pônt kest dur zurt.
Jân zou de brug om 3 uur [reeds] opgeblazen hebben.
- Jân trempo ef mimpit hols.
Jân had het boek gisteren [al] gelezen.
- Jân di trempui ef mimpit hols.
Jân zou het boek gisteren [al] gelezen hebben.
111.71
Het gebruik van een def.tijd II in combinatie met een tijdsbepaling (zoals genoemd in § 111.70) komt slechts marginaal voor. De voorkeur wordt gegeven aan een def.tijd I (het liefst middels def.inversie), gecombineerd met een extra bepaling of een speciaal voorzetsel, waarmee expliciet aangegeven wordt dat G vóór R plaatsvindt. Vergelijk de a-zinnen uit de vorige paragraaf met:
- Jân ef pônt kvânde pip futtof dur zurt.
Jân heeft de brug al vóór 3 uur opgeblazen.
- Jân ef mimpit trempe wânta dus hols.
Jân heeft het boek eerder dan gisteren gelezen.
Uit (1) kan geconcludeerd worden, dat, toen het 3 uur was, de explosie reeds plaatsgevonden moet hebben, en uit (2) kan geconcludeerd worden dat Jân gisteren reeds geheel klaar was met het lezen van dat boek.
111.72
In de meeste gevallen worden tijden van het tweede niveau gebruikt in een samengestelde zin waarbij sprake is van twee gebeurtenissen G1 en G2, zodanig dat G1 na G2 plaatsvindt (def.tijd II), dan wel G1 voor G2 plaatsvindt (toek.-tijd II). Bovendien moet G1 samenvallen met R, en moeten G2, G1 en R alle vóór S liggen. Bij de def.tijd II gaat het dus om een preteritum I, waaraan een ander preteritum I refereert, en bij de toek.tijd II hebben we te maken met een preteritum I waaraan een futurum I refereert. Grafiek a. geldt voor de def.tijd II, en grafiek b. voor de toek.tijd II:
G2 <———— R=G1 <———— S
a. —————————————•———————————•———————————•—————————————
.........................
R=G1 <———————————————— S
b. —————————————•———————————•———————————•—————————————
—————————> G2
.............
111.73
In de volgende voorbeelden staat in de hoofdzin een def.tijd I, en in de betrekkelijke bijzinnen een def.tijd II (in (1)), resp. een toek.tijd II (in (2)). De gebeurtenissen "liggen" en "spreken" (G1) vinden op het eerste niveau plaats, en de gebeurtenissen "oversteken" en "executeren" (G2) vertegenwoordigen het tweede niveau, waarbij het referentiepunt voor dit tweede niveau identiek is aan het moment van G1, dus G1=R:
- Eft koffon hurt zirda kusamat ef weg, té trijo beri krose.
een dode hond lag langs de weg, die geprobeerd.had te oversteken
Er lag een dode hond langs de weg, die geprobeerd had om over te steken.
- Ef kleterkett chaquinda piti ki ef merater, blul di eksekuteruilije té.
de journalist sprak met DET de man, SPOOR DET geëxecuteerd.zou.worden die
De journalist sprak met de man, die geëxecuteerd zou worden.
Zin (2) drukt dus uit dat de executie ook werkelijk (na het gesprek, maar vóór het moment van de taaluiting) plaatsgevonden heeft.
111.74
Het is ook mogelijk dat de tijd van het tweede niveau zich in de hoofdzin bevindt: bekijk de volgende samengestelde zinnen, waarbij de gebeurtenis "helpen" (in (1)) en "scheiden" (in (2)) (G1) op het eerste niveau plaatsvinden, en "uitschelden" (in (1)) en "helpen" (in (1)) (G2) het tweede niveau vertegenwoordigen. Het referentiepunt voor dit tweede niveau is identiek aan het moment van G1, dus G1=R:
- Obÿn lajeto ki ef mosjeus, té do cÿrtire luft ef sértaros.
Obÿn had de vrouw uitgescholden, die hem hielp/geholpen heeft bij de verhuizing.
- Obÿn di cÿrtirui ki ef mosjeus luft ef sértaros, té idemariana.
Obÿn zou de vrouw, die gescheiden is, bij de verhuizing helpen.
In (1) vond de scheldpartij dus vóór de hulp plaats (en daarom heeft de zin nieuwswaarde, want je zou niet verwachten dat de vrouw Obÿn nog wilde helpen nadat hij haar uitgescholden had).
In (2) vond de verhuizing plaats ná de scheiding, maar vóór het spreekmoment.
111.75
Ook in een nevengeschikte constructie zijn de def.tijd II en de toek.tijd II mogelijk. De volgende twee voorbeelden illustreren duidelijk het verschil in perspectief dat de def.tijd II en de toek.tijd II uitdrukken:
- Lerdu cÿrefo ef platiranu ur riða ral kerru ef klôp lo tâtlep-leptât.
Lerdu had het schilderij verbrand en heeft nu ook het beeldje in stukken gehakt.
- Lerdu cÿrefa ef platiranu tur di riðui kerru ef klôp lo tâtlep-leptât.
Lerdu heeft het schilderij verbrand maar zou ook het beeldje in stukken hakken.
111.76
Zowel in (1) als in (2) (vorige paragraaf) vond de gebeurtenis van het "hakken" plaats na de gebeurtenis van het "verbranden" (en beide vonden plaats voor het moment van de taaluiting). In (1) is echter sprake van een perspectief dat zich richt vanuit het "hakken" in de richting van een vroeger "verbranden". En in (2) richt het perspectief zich vanuit het "verbranden" naar een toekomstig "hakken". In beide gevallen hebben zowel het "verbranden" als het "hakken" werkelijk plaatsgevonden. Vergelijk (2) met (3) hieronder, waarin uitgedrukt wordt dat het "hakken" niet gebeurd is (determinant di blijft achterwege):
- Lerdu cÿrefa ef platiranu ur riðui kerru ef klôp lo tâtlep-leptât.
Lerdu heeft het schilderij verbrand en zou ook het beeldje in stukken
hakken/gehakt hebben. (dit laatste is dus niet gebeurd)
111.77
Van het verschil in perspectief, zoals besproken in de vorige paragraaf, zijn we ons pas bewust als een def.tijd II of een toek.tijd II op de een of andere manier "raar" is, terwijl de andere variant geheel correct is. Vergelijk:
- Iger zerfa ki eft knok, té tasso fesdu ef ditša.
Iger zag een varken, dat in de sloot gevallen was.
- ? Iger di zerfui eft knok, té tassa fesdu ef ditša.
? Iger zou een varken zien, dat in de sloot viel.
Hoewel in beide zinnen sprake is van de gebeurtenis "vallen" die plaatsvindt vóór de gebeurtenis "zien" (terwijl beide gebeurtenissen zich vóór het moment van de taaluiting afspelen), is variant (2) vreemd, omdat het perspectief zich vanuit het "vallen" naar een toekomstig "zien" richt. Het lijkt erop alsof de hele situatie die in (2) beschreven wordt al van te voren gepland is. Zoiets is in de praktijk natuurlijk niet het geval, behalve als we ons voorstellen dat zin (2) aan een filmscenario refereert, waarin een scène beschreven staat hoe Iger getuige moet zijn van een incident waarbij een varken in de sloot valt.
111.78
Het is mogelijk om in een samengestelde zin een def.tijd II met een toek.tijd II te combineren. Vergelijk (2) uit de vorige paragraaf met:
- Iger di zerfui eft knok, té tasso fesdu ef ditša.
Iger zou een varken zien, dat in de sloot gevallen is/was.
Ook nu weer ligt het voor de hand om aan een filmscenario te denken, in dit geval staat daarin beschreven hoe Iger getuige moet zijn van een incident waarbij een varken reeds in de sloot ligt (het "vallen" heeft reeds plaatsgevonden).
|
Constructies die de indruk geven dat een gebeurtenis "gepland" is, zoals § 111.77 (2) en § 111.78 (3), worden soms gebruikt als literair stijlmiddel, dat met name in romans voor een vervreemdend effect zorgdraagt: de schrijver deelt alvast mee welke gebeurtenissen hij in de loop van het verhaal gepland heeft, zonder dat expliciet erbij te vermelden. In de roman Cÿrpep ur Petroleem (Peper en Petroleum) van Ârmyll Jelafoiy-Reâmehhe (1974) lezen we:
- Tur mosjeus Plona-Hândiy nert di lâsui paqur joiy kaf ef cristaliy vasa,
jek zjóc; ef krus belt-notarrs di simuui aingry ki ef vasa kafonn ef
krûpts, té tôlpolitâ ÿrô pai eup enn clajotelira vajiy-ÿrras.
Maar mevrouw Plona-Hândiy zou niet lang plezier hebben van de wulps
gegolfde kristallen vaas; het opgefokte notarisje zou de vaas, die zij
zonet met bloeiende mimosatakken had gevuld, nijdig op de plavuizen werpen.
|
111.79
In § 100.39 is besproken hoe er in attributief gebruikte teg.dw.n een tijdsvorm uitgedrukt kan worden. In zulke teg.dw.n kan ook een def.tijd II of een toek.tijd II uitgedrukt worden. Omdat de determinant di geen deel kan uitmaken van de teg.dw.-constructie, drukt de toek.tijd II in een teg.dw. dus altijd een Irrealis uit (de gebeurtenis heeft niet plaatsgevonden). Bijvoorbeeld:
- Ef scemrolira 'nin arketta lóf ef pijâ tof.
Het meisje dat [eerst] geschreeuwd had huilde de hele dag.
- Kost cÿrtiruilira frint idemariana ón sener tubôs.
Mijn vriend, die geholpen zou hebben, is van zijn vrouw gescheiden.
In (1) is sprake van twee duratieve werkwoorden (scemre en arkette), waarbij de ene "duur" plaatsvond vóór de andere "duur", maar beide in het verleden.
Zin (2) drukt uit dat de gebeurtenis van "scheiden" plaatsvond vóór de gebeurtenis van "helpen", en dat er van dat "helpen" niets meer kwam (waarschijnlijk vanwege de onvoorziene scheiding).
111.80
Het niveauverschil (ofwel: het onderscheid tussen een eerste verleden en een tweede verleden) hoeft niet middels de def.tijd II uitgedrukt te worden als onze kennis van de wereld ons vertelt, of uit de semantische inhoud van de constructie op te maken is, dat de ene gebeurtenis vóór de andere moest plaatsvinden. In dat geval kan de def.tijd II door de def.tijd I vervangen worden:
- Do gritslâfesypo ef 'nin ur enn eup delpe fes ef arâbe. =
hij vermoordde het meisje en DET zij begroef in de tuin
- = Do ef 'nin gritslâfesype ur enn eup delpe fes ef arâbe.
Hij heeft het meisje vermoord en in de tuin begraven.
In zin a. is reeds semantisch bedongen dat het "vermoorden" plaatsgevonden moet hebben vóór het "begraven", en daarom kan de def.tijd II vervangen worden door een variant van het eerste niveau (met def.inversie, in b.).
111.81
Maar een toek.tijd II kan niet vervangen worden door een tijdsvorm van het eerste niveau, ook al vertelt de kennis van de wereld ons dat de gebeurtenis die door de toek.tijd II uitgedrukt wordt, na de andere gebeurtenis plaatsvindt. Vergelijk zin a. in de vorige paragraaf met:
- Do ef 'nin gritslâfesype ur di delpui enn eup fes ef arâbe.
Hij heeft het meisje vermoord en zou het in de tuin begraven.
Als de kennis van de wereld ons vertelt dat het "begraven" uiteraard na het "vermoorden" plaatsvindt, en we zouden daarom het tweede niveau dat syntactisch uitgedrukt wordt in di delpui (zou begraven) willen elimineren (analoog aan a. en b. in de vorige paragraaf), dan zou dat op twee manieren kunnen:
- vervang de toek.tijd II door een toek.tijd I
of
- vervang de toek.tijd II door een def.tijd I
111.82
Mogelijkheid i. geeft:
- Do ef 'nin gritslâfesype ur di delpu enn eup fes ef arâbe.
Hij heeft het meisje vermoord en zal het in de tuin begraven.
Dit is dus een verkeerde vervanging, want in (2) wordt gezegd dat het "begraven" zal plaatsvinden na het moment van de taaluiting (S), terwijl dat in (1) vóór S plaatsvindt.
111.83
Mogelijkheid ii. geeft:
- Do ef 'nin gritslâfesype ur enn eup delpe fes ef arâbe.
Hij heeft het meisje vermoord en in de tuin begraven.
Zin (3) is identiek aan zin b. in § 111.80. Nu heeft vervanging niet alleen geleid tot eliminatie van het tweede niveau, maar bovendien tot verandering in perspectief. Waaruit geconcludeerd kan worden dat een toek.tijd II nooit vervangen mag worden door een variant van het eerste niveau, ook al weten we, of begrijpen we uit de semantiek, dat de gebeurtenis die met de toek.tijd II beschreven wordt zich afspeelt na de andere gebeurtenis in de samengestelde zin.
111.84
In de volgende zin vertelt onze kennis van de wereld ons dat het "verven" plaatsgevonden moet hebben vóór het "hakken". Het lijkt althans niet aannemelijk dat Petriy het beeldje tegelijkertijd verft en stukhakt:
- Petriy ki ef klôp riðe lo tâtlep-leptât, do té verfute lo fit hordâ.
Petriy heeft het beeldje, dat hij zo mooi geverfd heeft/had, in stukken gehakt.
Zin (1) kan beschouwd worden als een niveau-loze variant van:
- Petriy ki ef klôp riðe lo tâtlep-leptât, do verfuto té lo fit hordâ.
Petriy heeft het beeldje, dat hij zo mooi geverfd had, in stukken gehakt.
Daarentegen is (1) géén variant van (3), waarin het perspectief zich richt vanaf het "verven" naar het "hakken":
- Petriy di riðui ki ef klôp lo tâtlep-leptât, do té verfute té lo fit hordâ.
Petriy zou het beeldje, dat hij zo mooi geverfd heeft, in stukken hakken.
(en dat heeft hij ook gedaan)
111.85
Omdat een momentane gebeurtenis op één tijdspunt plaatsvindt, en een duratieve gebeurtenis zich over een langere tijd uitstrekt, is dikwijls al semantisch bedongen dat de duratieve gebeurtenis na de momentane plaatsvindt. Een expliciete uitdrukking van het tweede niveau (middels de def.tijd II) is dan niet altijd nodig. Vergelijk:
- a. Ef 'jan frajjaa fesért, té csesa fes ef bof.
de jongen rende naar.huis, die plaste in de broek
De jongen die in zijn broek plaste, rende naar huis.
- a. Ef 'jan frajjaa fesért, té eft fjâs pónze kaf ef nurp.
de jongen rende naar.huis, die een klap kreeg op het hoofd
De jongen die een klap op zijn hoofd kreeg, rende naar huis.
In (1a) strekken de duratieve gebeurtenissen "naar huis rennen" en "in zijn broek plassen" zich in principe over een lange tijd uit. Beide gebeurtenissen kunnen daarom gemakkelijk samenvallen, en dat is ook wat de beide def.tijden van het eerste niveau in (1a) uitdrukken: tijdens het plassen rent hij naar huis.
In (2a) neemt de gebeurtenis van "een klap krijgen" maar zo'n korte tijd in beslag dat de gebeurtenis van "naar huis rennen" na de klap moet plaatsvinden. In (2a) worden daarom impliciet een eerste en een tweede niveau uitgedrukt.
111.86
Willen we in (1a) van de vorige paragraaf twee verschillende niveaus uitdrukken, zodat het "naar huis rennen" plaatsvond na het "plassen", dan moet expliciet een def.tijd II gebruikt worden:
- b. Ef 'jan frajjaa fesért, té cseso fes ef bof.
De jongen die in zijn broek geplast had, rende naar huis.
Zin (1b) komt wat betreft het temporele niveauverschil dus overeen met (2a).
Merk op dat een def.tijd van het tweede niveau in (2a) als een emotionele aoristus geïnterpreteerd zal worden, in de trant van "laten we hopen dat hij niet nóg eens zo'n klap krijgt" (zie ook § 111.99):
- b. Ef 'jan frajjaa fesért, té pónzo eft fjâs kaf ef nurp.
De jongen die een klap op zijn hoofd kreeg, rende naar huis.
|
Eventueel kan (2b) zo geïnterpreteerd worden dat het niveauverschil expliciet door het suffix -o uitgedrukt is. Zin (2b) betekent dan: 'De jongen, die een klap op zijn hoofd gekregen had, rende naar huis.'.
Het niveauverschil is echter zo groot (ofwel: de momenten waarop de gebeurtenissen "een klap krijgen" en "rennen" plaatsvonden, liggen zo ver uit elkaar) dat de reden van het "naar huis rennen" niet meer goed in verband gebracht kan worden met het "krijgen van een klap".
Vooralsnog is het niet geheel duidelijk in welke gevallen de -o in een constructie als (2b) geïnterpreteerd kan worden als def.tijd II, en niet als aoristus.
|
111.87
Wat hierboven gezegd is over het verschil tussen het momentane en duratieve aspect geldt ook bij attributief gebruikte teg.dw.n. Vergelijk zin (1) in § 111.79 met:
- ? Ef tassolira 'nin arketta dus lóf ef pijâ tof.
Het meisje dat [eerst] gevallen was, huilde daarna de hele dag.
Omdat tasse (vallen) momentaan is, is het "vanzelfsprekend" dat het duratieve arkette (huilen) erna plaatsvond. Daarom kan de combinatie van def.tijd II met -lira beter vervangen worden door een volt.dw.-constructie:
- Ef tassor 'nin arketta lóf ef pijâ tof. Het gevallen meisje huilde de hele dag.
Naar de wijze waarop de verschillende aspectsvormen enerzijds en de werkwoordstijden anderzijds elkaar in het Spokaans beïnvloeden is, moet nog veel onderzoek gedaan worden. De wellicht meest grondige analyse op dit gebied is te vinden in het artikel "Aspects and tense in Spocanian" van Thomas Blake (1983).
111.88
In alle gevallen kan het niveauverschil ook impliciet uitgedrukt worden met een voegwoord of een tijdsbepaling. Enkele voorbeelden die voor zichzelf spreken:
- Do ef klôp riðe lo tâtlep-leptât, mintof ef melda kaf ef šimchelot.
Hij heeft het beeldje in stukken gehakt, nadat het op de schoorsteen
stond/heeft gestaan/had gestaan.
- Obÿn ki ef mosjeus lajete ef furtof, té do cÿrtire luft ef sértaros.
Obÿn heeft/had de vrouw die hem hielp/geholpen heeft bij de verhuizing
de dag ervoor uitgescholden.
- Ef tassor 'nin arketta dus lóf ef pijâ tof.
Het gevallen meisje huilde daarna de hele dag.
- Mariy ef baby lardae ur colafess eup enn ef letra pôste.
Mariy heeft de baby gevoed en vervolgens heeft ze de brief gepost.
|
Vergelijk dit voorbeeld met de variant in § 111.108, waarin -o gebruikt wordt.
|
111.89
Het is soms mogelijk om de twee verleden-niveaus "omhoog te brengen" zodanig dat de def.tijd I verandert in een neut.tijd, en de def.tijd II in een def.tijd I (die uitsluitend met -a uitgedrukt mag worden). In dat geval moet er aan de neutrale vorm een tijdsbepaling toegevoegd worden waaruit blijkt dat we met een preteritum te doen hebben. Vergelijk de volgende constructies: in (1) wordt het niveauverschil uitgedrukt met de def.tijd I in de bijzin en de def.tijd II in de hoofdzin (zie ook § 111.74); in (2) staat een neut.tijd in de bijzin (die als presens geïnterpreteerd moet worden) en een def.tijd I in de hoofdzin; (3) is qua syntactische tijd identiek aan (2), maar de tijdsbepaling hols (gisteren) zorgt voor een preteritum-interpretatie van de bijzin, waarbij de hoofdzin a.h.w. naar een tweede niveau in het verleden "meegesleept" wordt:
- Obÿn lajeto ki ef mosjeus, té do cÿrtire luft ef sértaros.
Obÿn had de vrouw uitgescholden, die hem hielp bij de verhuizing.
- Obÿn lajeta ki ef mosjeus, té cÿrtire do luft ef sértaros.
Obÿn schold de vrouw uit, die hem helpt bij de verhuizing.
- Obÿn lajeta ki ef mosjeus, té cÿrtire do luft ef sértaros hols.
Obÿn had de vrouw uitgescholden, die hem gisteren hielp bij de verhuizing.
|
Omwille van een vergelijking met zin (3) is in de hoofdzin van (2) voor een def.tijd met het suffix -a gekozen. De def.tijd kan natuurlijk op minder pregnante wijze uitgedrukt worden met inversie. De betekenis verandert hier niet door: Obÿn ki ef mos= jeus lajete, té cÿrtire do luft ef sértaros.
|
|
Als in (3) de neut.tijd in de bijzin vervangen wordt door een def.tijd I, wordt het niveauverschil ongedaan gemaakt:
- Obÿn lajeta ki ef mosjeus, té do cÿrtire luft ef sértaros hols.
Obÿn schold de vrouw uit, die hem gisteren hielp bij de verhuizing.
Omdat het "schelden" en het "helpen" gelijktijdig plaatsvinden, is het stilistisch fraaier om voor een syntactisch identieke def.tijd te kiezen, dus om ook in de hoofdzin een inversie te gebruiken: Obÿn ki ef mosjeus lajete, té do cÿrtire luft ef sértaros hols.
Een syntactisch identieke def.tijd in de vorm van twee maal het suffix -a is niet goed mogelijk, omdat de combinatie van -a met een tijdsbepaling (in casu hols) vermeden wordt (zie § 111.45).
|
111.90
In het volgende voorbeeld worden de niveaus als volgt "omhoog gebracht": in (1) staat een def.tijd I in de hoofdzin en een def.tijd II in de bijzin. In (2) drukt de neut.tijd in de hoofdzin een presens uit, en de def.tijd I in de bijzin een preteritum. Zin (3) is syntactisch identiek aan (2), maar de bepaling lâstÿrô (zoëven) zorgt voor een preteritum-lezing van de neut.tijd, waarbij de def.tijd in de bijzin "omlaaggedrukt" wordt naar het tweede niveau:
- Ef 'jan frajjaa fesért, té cseso fes ef bof.
De jongen die in zijn broek geplast had, rende naar huis.
- Ef 'jan frajjae fesért, té csesa fes ef bof.
De jongen die in zijn broek geplast heeft, rent naar huis.
- Ef 'jan frajjae lâstÿrô fesért, té csesa fes ef bof.
De jongen die in zijn broek geplast had, rende zoëven naar huis.
111.91 Toekomende tijd in het verleden
Tenslotte moeten we terloops nog twee hypothetische tijdsvormen noemen die weliswaar een niveauverschil uitdrukken, maar verder niet bestaan:
Als R na S staat, maar G staat vóór S, is er sprake van een toek.tijd-in-het-verleden:
S ————> R
—————————————•—————————•—————————•—————————————
G <—————————————————
...........
Dit is een hypothetisch geval, want het Spokaans kent geen syntactische mogelijkheid om uit te drukken dat het moment van de taaluiting (S) tussen het moment dat de gebeurtenis plaatsvindt (G) en het referentiepunt (R) in ligt. Merk op dat ook een Nederlandse voltooid verleden toek.tijd als in "Jan zou de brug opgeblazen hebben" eerder een modale constructie is dan een zuivere temporele expressie. We hebben hier met een Irrealis ("van plan zijn") te doen, en dit is in het Spokaans met de modale suffixen -iyst en -iyses uit te drukken. Zie hiervoor echter § 110.57-58.
111.92 Definitieve tijd in de toekomst
Als R vóór S staat, maar G staat na S, is er sprake van een def.tijd-in-de-toekomst:
R <———— S
—————————————•—————————•—————————•—————————————
—————————————————> G
Om dezelfde redenen als de toek.tijd-in-het-verleden (vorige paragraaf) is dit een hypothetisch geval. Het Spokaans kent geen mogelijkheid om deze temporele relatie uit te drukken. In het algemeen kan derhalve gesteld worden dat het punt S een barrière op de tijds-as vormt waar het perspectief van R naar G niet voorbij kan gaan; G en R moeten dus altijd samen aan dezelfde kant van S liggen.
111.93 ad § 111.28 F. Aoristus
In het Grieks drukt de aoristus een verleden tijd met een afgesloten handeling uit. In het Spokaans wordt de term "aoristus" op iets andere wijze gebruikt, want hij drukt hier de uniciteit of irrevocabiliteit van een gebeurtenis uit: op semantische, emotionele of situationele gronden wordt een gebeurtenis "uniek" (eenmalig) of "irrevocabel" (onherroepelijk) genoemd. De aoristus wordt gevormd met het suffix -o, dat ook zorgt voor de def.tijd II (§ 111.65-90). De aoristus kan daarom ook gedefinieerd worden als "de def.tijd van het tweede niveau die gebruikt wordt voor een preteritum van het eerste niveau".
|
Vanaf nu zullen alleen de termen "uniek" en "uniciteit" gebruikt worden. Hiermee wordt dan tevens de onherroepelijkheid van een gebeurtenis bedoeld.
|
111.94
Het prototype van een (op semantische gronden gebaseerde) unieke gebeurtenis is "sterven" in een constructie als:
- Lerdu sterdo hols. Lerdu is gisteren gestorven.
niet * Lerdu sterda hols. (def.tijd I)
Want Lerdu kan niet "nog een keer sterven" (de Stand van Zaken LERDU STERFT is uniek). Vergelijk dit met:
- Luft ef moplariy dur veldurs sterda.
Bij het ongeluk zijn drie mensen omgekomen.
Hier wordt een def.tijd I gebruikt, want de SvZ: DRIE MENSEN KOMEN OM is niet uniek: elke dag opnieuw kunnen er drie mensen bij een ongeluk omkomen.
|
Het begrip "Stand van Zaken" (SvZ) is uitgelegd en geïllustreerd in § 110.3-15.
|
|
De SvZ, en dus de uniciteit, wordt in (1) bepaald door de relatie tussen werkwoord en subject. De voorz.bepaling luft ef moplariy (bij het ongeluk) speelt bij de bepaling van de uniciteit dus geen rol. Uiteraard is de gehele gebeurtenis die in (1) beschreven wordt, wel uniek voor zover het de dood van deze drie mensen bij dit specifieke ongeluk betreft (dit ongeluk kan zich nooit herhalen, alleen soortgelijke ongelukken zijn denkbaar).
|
111.95
Vergelijk nu de algemeenheid in (1) met de semantische uniciteit in (2):
- Zreef byta Lofjec. Zreef heeft Lofjec geslagen.
- Zreef byto Lofjecc. Zreef heeft Lofjec doodgeslagen.
In (1) staat een def.tijd I, want het is altijd mogelijk dat Lofjec nóg een keer door Zreef geslagen wordt. Daarentegen drukt (2) een uniciteit uit, want als Lofjec door Zreef doodgeslagen is, kan dat niet nog een keer gedaan worden.
Merk op dat als Lofjec vervangen wordt door het algemene rast (iemand), de semantische uniciteit ongedaan wordt gemaakt en een aoristus alleen emotioneel geïnterpreteerd kan worden (zie § 111.99):
- Zreef byta raste. Zreef heeft iemand doodgeslagen.
niet ? Zreef byto raste. (idem)
111.96
Een twijfelgeval van semantische uniciteit is:
- ? Rast byto Lofjecc. Iemand heeft Lofjec doodgeslagen.
Enerzijds kan er van uniciteit gesproken worden omdat "Lofjec niet nog een keer doodgeslagen kan worden", maar anderzijds wordt de uniciteit aangetast door de algemeenheid van het subject rast (iemand). Een aoristus is hier dan ook alleen goed te keuren als deze mede gebaseerd is op emotionaliteit (§ 111.99).
111.97
Voorbeeld van een situationeel geval van uniciteit (en wellicht ook emotioneel):
- Gress lyo Elsa. Ik hield van Elsa.
Elsa is dood, maar toen ze leefde hield ik van haar, en wellicht nu nog. Vergelijk dit met:
- Gress lya Elsa. = Gress Elsa lye. Ik hield van Elsa.
Elsa leeft nog steeds, maar ik houd niet meer van haar.
111.98
Ook in (2) hieronder is sprake van een situationele uniciteit. Vergelijk:
- Hols Elsa reventa kiygt.
Gisteren kwam Elsa laat terug; Gisteren is Elsa laat teruggekomen.
- Elsa revento kvâ. Elsa is nooit teruggekomen; Elsa kwam nooit terug.
Bij (1) is er vaker een situatie denkbaar waarin geconstateerd kan worden dat Elsa de vorige dag laat teruggekomen is.
Bij (2) kan de situatie "uniek" genoemd worden indien uit zoekacties e.d. gebleken is dat Elsa verdwenen is, zodat we mogen aannemen dat niemand haar ooit nog zal treffen. Overigens kan in (2) ook een emotionele uniciteit bedoeld worden indien het verdwijnen van Elsa zo plotseling gebeurde dat het net lijkt of zoiets nooit meer voor zal komen.
111.99
Een zuiver emotioneel geval van uniciteit is:
- Lerdu byto sener ûsto! Lerdu heeft zijn dochter geslagen!
Lerdu slaat nóóit zijn dochter, maar nu is het één keer gebeurd, en laten we hopen dat het nooit weer gebeurt.
111.100
In het volgende voorbeeld is de uniciteit gebaseerd op zowel situationele als emotionele gronden:
- Tu melde fit kiygt mitulanis? Gress tasso.
Waarom ben je zo laat? Ik ben gevallen.
Situationeel: men kan ik dit geval van laat komen maar één keer gevallen zijn.
Emotioneel: de valpartij ligt nog zo vers in mijn geheugen dat er op dit moment "maar één valpartij bestaat". Bovendien hoop ik ook dat het bij deze ene zal blijven (de uniciteit ervan wordt door mij a.h.w. gewenst).
111.101
Het gebruik van een aoristus lijkt minder welgevormd als het idee van uniciteit op de achtergrond gedrongen wordt door andere elementen met nieuwswaarde, zoals contrast, emfase, negatie, belangrijke additivische bepalingen en dergelijke.
Vergelijk (1) waarin de uniciteit voorop staat met (2a) waarin er een mededeling over iets anders dan de uniciteit gedaan wordt:
- Lerdu sterdo lâst sâmtof. Lerdu is afgelopen zaterdag gestorven.
- a. ? Fes pjakâriyn glistiys Lerdu sterdo lâst sâmtof.
Onder geheimzinnige omstandigheden is Lerdu afgelopen zaterdag gestorven.
In (2a) is de aandacht van "Lerdu" verschoven naar de "geheimzinnige omstandigheden". En omdat er altijd wel iemand onder geheimzinnige omstandigheden kan sterven, speelt de uniciteit van deze zin een ondergeschikte rol. Daarom is het beter om een def.tijd I te gebruiken:
- b. Fes pjakâriyn glistiys Lerdu sterda lâst sâmtof. (idem)
111.102
In het volgende voorbeeld mag aan (1) uniciteit toegekend worden omdat er maar één 16e-eeuwse St. Nicolaaskerk in Knolbol bekend is:
- Hols eft féra buros tâmlekaro fes âšes ef knolbol St.Niklâs-korda lÿ pÿr 16.
Gisteren heeft een felle brand de 16e-eeuwse St. Nicolaaskerk van Knolbol in de as gelegd.
Daarentegen doet de aoristus in (2) vreemd aan, omdat in deze zin de nadruk op het unieke karakter van de SvZ: EEN BRAND LEGT DE ST. NICOLAASKERK IN DE AS is verschoven naar het feit dat de oorzaak van de brand nog onbekend is:
- ? Ef féra buros, tâmlekarolira hols fes âšes ef knolbol
de fel brand, verpulveren-LIRA gisteren in assen de Knolbol
St.Niklâs-korda lÿ pÿr 16, lelperre eft velk neknôf origiy.
St. Nicolaaskerk uit eeuw 16, heeft een nog onbekend oorsprong
De oorzaak van de felle brand die gisteren de 16e-eeuwse St. Nicolaaskerk
van Knolbol in de as heeft gelegd is nog onbekend.
111.103
Bij intrans.werkw.n lijkt de aoristus vaker gebruikt te worden dan bij trans.werkw.n. Dit is toe te schrijven aan het feit dat bij trans.werkw.n een def.tijd I gemakkelijk gevormd kan worden met inversie (er is immers een object aanwezig), terwijl bij intrans.werkw.n al snel gegrepen moet worden naar het tamelijk pregnante suffix -a. Dit suffix kan dan vermeden worden door een aoristus te gebruiken. Bovendien wordt in transitieve constructies de aandacht van het werkwoord naar het object getrokken, dat een nieuwswaarde kan hebben die de uniciteit verdringt. Een dergelijke nieuwswaarde is in intransitieve constructies natuurlijk afwezig, wat de kans groter maakt dat de uniciteit in zijn volle "kracht" op de voorgrond blijft staan. Dit is met name bij emotionele uitingen het geval. Vergelijk:
- Tek ÿchero! Tek is verongelukt!
- ? Tek lelperro eft moplariy! Tek heeft een ongeluk gehad!
In plaats van (2) zien we liever een def.tijd I:
Tek lelperra eft moplariy! of Tek eft moplariy lelperre!
|
De inversie-variant klinkt hier het meest natuurlijk.
|
111.104
Vergelijk nu het intransitieve smôlme (wegspoelen) met het transitieve smôlme-tijâ ([doen] wegspoelen):
- Ef Fâx-pônt smôlmo tijâ. De Fâx-brug is weggespoeld.
- a. ? Ef knurfel smôlmo-tijâ ef Fâx-pônt.
Het water heeft de Fâx-brug weggespoeld.
Een aoristus in (1) is om twee redenen verdedigbaar: (i) de primaire aandacht ligt bij een bepaalde brug, die niet nóg een keer weggespoeld kan worden (de SvZ: DE FÂX-BRUG SPOELT WEG is dus uniek), en (ii) zou de aoristus vervangen worden door een def.tijd I, dan kwam alleen het suffix -a in aanmerking, waarmee er een sterke nadruk op de def.tijd komt te liggen (zie ook § 111.44).
In (2a) lijkt de aoristus om twee redenen minder welgevormd: (i) de primaire aandacht ligt bij de actie van het wegspoelende water, die niet direct als uniek bestempeld kan worden, en (ii) de def.tijd kan zonder overdreven nadruk uitgedrukt worden met inversie:
- b. Ef knurfel ef Fâx-pônt smôlme-tijâ. (idem)
111.105
Een idiomatisch gebruik van de aoristus vinden we in combinatie met het additief horit (vroeger) (zie ook § 43.26):
- Horit vluf blofs ur litel otos meldo fes Spooksoliy.
Vroeger (eertijds) waren er meer paarden en weinig auto's in Spokanië.
Bij andere bepalingen die aan het verleden refereren is de aoristus daarentegen niet gebruikelijk:
- ? Plastiy terat pert ki blofs meldo fes Spooksoliy.
Heel lang geleden waren er erg veel paarden in Spokanië.
In dit laatste voorbeeld kan de aoristus beter vervangen worden door een neut.tijd of een iets meer pregnante def.tijd (suffix -a):
- Plastiy terat pert ki blofs melde/melda fes Spooksoliy. (idem)
111.106
In § 100.39 is besproken hoe er in attributief gebruikte teg.dw.n een tijdsvorm uitgedrukt kan worden. Als voorbeelden zijn toen gegeven een neut.tijd, een def.tijd, een toek.tijd en een irrealis. Wij herhalen hier:
- ef arkettelira 'jan de huilende jongen
- ef arkettalira 'jan de jongen die gehuild heeft
(lett. "de gehuild-hebbende jongen")
- ef vreéðulira stûdents de studenten die zullen slagen
(lett. "de slagen-zullende studenten")
- kost cÿrtiruilira frint
mijn vriend die geholpen zou hebben (maar dat niet deed)
De aoristus lijkt in zo'n attributieve -lira-constructie niet goed mogelijk:
- ? ef arkettolira 'jan de jongen die gehuild heeft
- ? kost cÿrtirolira frint mijn vriend die geholpen heeft
Semantisch gezien is zo'n aoristus verdedigbaar, want ook in (1) en (2) kan immers sprake zijn van een unieke SvZ: DE JONGEN HUILT en MIJN VRIEND HELPT (al is het eerder een emotionele dan een semantische uniciteit).
Syntactisch echter worden dergelijke constructies over het algemeen afgekeurd.
111.107
Het feit zowel de def.tijd II als de aoristus door het suffix -o uitgedrukt worden, kan tot ambiguïteit leiden. Dit is met name het geval in samengestelde zinnen waarin de noodzaak om niveauverschil uit te drukken (lees: de noodzaak voor een def.tijd II) niet altijd aanwezig is, bijvoorbeeld omdat het reeds semantisch bedongen is dat de ene gebeurtenis vóór een andere gebeurtenis plaatsvindt. In zo'n geval zal een def.tijd II gemakkelijk als aoristus opgevat kunnen worden. We herhalen hier het voorbeeld uit § 111.80:
- Do gritslâfesypo ef 'nin ur enn eup delpe fes ef arâbe.
Hij had het meisje vermoord en heeft haar in de tuin begraven.
Daar het "vanzelfsprekend" is dat het "vermoorden" plaatsgevonden heeft vóór het "begraven", kan het suffix -o van gritslâfesypo als een emotionele aoristus opgevat worden. Deze drukt dan iets uit in de trant van "laten we hopen dat zo'n gruweldaad niet nog een keer plaatsvindt".
|
Het lijkt niet mogelijk te zijn om het suffix -o gelijktijdig als def.tijd II en als de aoristus te interpreteren.
|
111.108
Ook in andere samengestelde zinnen kan een def.tijd II als aoristus geïnterpreteerd worden, waarmee een bedoeld niveauverschil geëlimineerd wordt. Bijvoorbeeld (zie ook laatste voorbeeld in § 111.88):
- Mariy lardao ef baby ur pôsta ef letra.
a. Mariy had de baby gevoed en heeft [nu] de brief gepost.
b. Mariy heeft de baby gevoed en de brief gepost.
Betekenis a. weerspiegelt een def.tijd II: het "voeden" vond plaats vóór het "posten". Veel Spokaniërs zullen echter in eerste instantie aan betekenis b. denken, waarbij sprake is van een emotionele aoristus die leidt tot een ietwat wrange lezing in de trant van: "dit was de laatste keer dat Mariy de baby voedde". Het lijkt wel of het posten van de brief als alibi voor het doden van het kind moet dienen.
|