Een complete Nederlands-
talige grammatica van het
Spokaans, geschreven
vanuit een Nederlands
perspectief.

Grammatica van het Spokaans

Home       Inhoud       Registers       Hoofdmenu SPARC       Taalmenu SPARC


<< Hoofdstuk 83 | Hoofdstuk 91 >>

9. Woordvolgorde

90. Basiszin en basiselementen


Opbouw van dit hoofdstuk: Blokken:

90.1   Basiszin

De regels die de woordvolgorde in een Spokaanse zin (zowel hoofd- als bijzin) bepalen, worden met een basiszin als uitgangspunt verklaard. Voor een basiszin geldt dat deze minimaal bevat:

    subject   (S)
    object   (O)
    echo   (E)
    predikaat   (P)

Het element dat in de Spokaanse grammatica echo genoemd wordt, komt meestal overeen met het traditionele indirecte object ofwel datief-object ofwel meewerkend voorwerp.

90.2

Voor de basiselementen S, O en E geldt de volgende vaste onderlinge volgorde:

    S – O – E

In deze hiërarchie zijn in principe de elementen voor hun semantische functie gemarkeerd door middel van een determinant, en wel: Noot 1

  1. pai S – enn O – ón E

De determinanten pai en ón kunnen ook als voorzetsel optreden in de betekenis 'door [toedoen van]' resp. 'aan'. Pai wordt altijd uitgesproken als [pa]. De determinant enn kon in het Oudspokaans tot halverwege de 15e eeuw als voorzetsel gebruikt worden met de betekenis 'door [middel van]' (vergelijk de verwante vorm na 'door middel van; met behulp van'). Zie verder Hoofdstuk 140 voor de betekenis van de voorzetsels en het precieze onderscheid tussen "determinant" en "voorzetsel".


Noot 1 Merk op dat de termen "subject", "object" en "echo" hier in de eerste plaats een semantische functie aanduiden (grofweg degene die de handeling uitvoert, degene die de handeling ondergaat, resp. degene aan/voor wie de handeling wordt uitgevoerd - waarbij 'degene' ook aan een zaak kan refereren). Dit in tegenstelling tot de traditionele terminologie die buiten de Spokaanse grammatica gehanteerd wordt, waar bij "subject", "object" en ook "indirecte object" (= "echo") de naamvalstoekenning centraal staat: respectievelijk nominatief, accusatief en datief. De traditionele benadering impliceert dat het (accusatieve) object in een actieve constructie, als een (nominatief) subject in de passieve variant verschijnt. De Spokanische definities van "subject" en "object" vinden hun oorsprong in het feit dat het Spokaans geen naamvalssysteem kent.

90.3

Om een grammaticaal correcte basiszin te krijgen moet het volgende gebeuren:

  1. Eén van de elementen S, O of E dient de functie van zinskern (K) te krijgen. Dit geschiedt als volgt:

    1. het als K bedoelde element wordt uit schema (1) (§ 90.2) gelicht en vooraan geplaatst;
    2. het als K bedoelde element verliest zijn gemarkeerdheid (determinant vervalt).

Toekenning van de kernfunctie aan elk van de elementen in (1) (§ 90.2) geeft het volgende:

  1. a.   S als kern:   SKenn O – ón E   (= actieve zin)
    b.   O als kern:   OKpai S – ón E   (= object-passieve zin)
    c.   E als kern:   EKpai S – enn O   (= echo-passieve zin)

90.4

  1. Het predikaat P dient in de schema's van (1) ingevoerd te worden. De plaats van P wordt bepaald door de tijdsvorm die uitgedrukt moet worden. Het Spokaans kent 3 werkwoordstijden die hiervoor relevant zijn: Noot 1

    1. de neutrale tijd (NT): de NT wordt zonder nadere explicatie of context als presens beschouwd;
    2. de definitieve tijd (DT): de DT wordt zonder nadere explicatie of context als (im)perfectum beschouwd;
    3. de toekomende tijd (TT): de TT wordt zonder nadere explicatie of context als futuur beschouwd.


Noot 1 Volledigheidshalve zij vermeld dat het Spokaans nog meer tijdsklassen kent, en dat een werkwoordstijd niet alleen uitgedrukt kan worden met behulp van de woordvolgorde, zoals hier besproken, maar ook met behulp van suffixen of determinanten. Zie Hoofdstuk 111 (waarin tevens op het gebruik van de verschillende tijdsvormen wordt ingegaan).

ad II.a. de NT wordt gevormd door P onmiddellijk achter de kern te plaatsen:

  1. a.   schema (1a) wordt dan:   SK – P – enn O – ón E
    b.   schema (1b) wordt dan:   OK – P – pai S – ón E
    c.   schema (1c) wordt dan:   EK – P – pai S – enn O

ad II.b. de DT wordt gevormd door P achter het tweede basiselement te plaatsen:

  1. a.   schema (1a) wordt dan:   SKenn O – P – ón E
    b.   schema (1b) wordt dan:   OKpai S – P – ón E
    c.   schema (1c) wordt dan:   EKpai S – P – enn O

ad II.c. de TT wordt gevormd door P voor de kern te plaatsen:

  1. a.   schema (1a) wordt dan:   P – SKenn O – ón E
    b.   schema (1b) wordt dan:   P – OKpai S – ón E
    c.   schema (1c) wordt dan:   P – EKpai S – enn O

90.5

De regels (2) t/m (4) leiden tot de 9 basiszinnen die in het Spokaans mogelijk zijn. De morfologische structuur binnen de elementen S, O en E wordt, voor zover het géén pers.vnw.n betreft, niet beïnvloed door de kernfunctie. Pers.vnw.n die als S, O en E optreden, kunnen van het eerste dan wel het tweede niveau zijn. Pers.vnw.n van het eerste niveau kunnen bovendien een passieve vorm hebben, wat besproken wordt in § 91.6 regel III en § 91.8-11.

90.6

Lexicale insertie in de schema's (2) t/m (4) is niet voldoende om tot grammatisch correcte taaluitingen te komen, want ook de volgende twee regels I en II moeten toegepast worden:

  1. Het predikaat krijgt een suffix dat afhankelijk is van de kernfunctie:

    1. P is ongemarkeerd als S de kern is: in alle a-schema's van (2) t/m (4);
    2. P krijgt het suffix -lije als O de kern is: in alle b-schema's van (2) t/m (4);
    3. P krijgt het suffix -litâ als E de kern is: in alle c-schema's van (2) t/m (4).

De suffigering binnen P vindt altijd achter het hoofdwerkwoord plaats (§ 90.17).

90.7

  1. In zinnen waarin S de kern vormt is het gebruikelijk om de determinant enn voor O weg te laten (in de a-schema's van (2) t/m (4)), tenzij de zin begint met een onderschikkend voegwoord, dan is toevoeging van enn althans bij de DT en TT verplicht, en bij de NT optioneel. Ook als de zin begint met een secundaire bepaling, is het gebruik van enn optioneel ("secundaire bepalingen" zijn bijvoorbeeld tijds-, plaats- of voorzetselbepalingen).

Zie verder § 90.14, § 93.69, § 93.90 en Hoofdstuk 140.

90.8

In het volgende Blok zijn de regels I en II toegepast bij (2) t/m (4):

Kernmarkering en woordvolgorde
in de basiszin
Neutrale tijd
1.a. actief SK – P – [enn] O – ón E
 b. object-passief OK – P-lijepai S – ón E
 c. echo-passief EK – P-litâpai S – enn O
Definitieve tijd
2.a. actief SK[enn] O – P – ón E
 b. object-passief OKpai S – P-lijeón E
 c. echo-passief EKpai S – P-litâenn O
Toekomende tijd
3.a. actief P – SK[enn] O – ón E
 b. object-passief P-lije – OKpai S – ón E
 c. echo-passief P-litâ – EKpai S – enn O

De basiszinnen die uit de schema's van dit Blok voortvloeien bevatten alle een voltrans.werkw., want alleen in dat geval kunnen een object en een echo tezamen uitgedrukt worden. Hieronder volgen de Blokken voor zinnen met een obtrans., een ectrans. en een intrans. werkw.

90.9

Kernmarkering en woordvolgorde
bij een obtrans.werkw.
Neutrale tijd
1.a. actief SK – P – [enn] O
 b. object-passief OK – P-lijepai S
Definitieve tijd
2.a. actief SK[enn] O – P
 b. object-passief OKpai S – P-lije
Toekomende tijd
3.a. actief P – SK[enn] O
 b. object-passief P-lije – OKpai S

Omdat de echo afwezig is, ontbreken in dit Blok de schema's bij het echopassief. Dit Blok geldt ook voor zinnen met een voltrans.werkw. waarin de echo niet is uitgedrukt.

90.10

Kernmarkering en woordvolgorde
bij een ectrans.werkw.
Neutrale tijd
1.a. actief SK – P – ón E
 c. echo-passief EK – P-litâpai S
Definitieve tijd
2.a. actief SK – P – ón E
 c. echo-passief EKpai S – P-litâ
Toekomende tijd
3.a. actief P – SKón E
 c. echo-passief P-litâ – EKpai S

In dit Blok ontbreken de schema's bij het objectpassief, en de actieve vorm in de neutrale en de definitieve tijd zijn identiek ((1a) = (2a)). Beide zijn toe te schrijven aan de afwezigheid van het object.
Dit Blok geldt ook voor zinnen met een voltrans.werkw. waarin het object niet is uitgedrukt.

90.11

In (zeer) onverzorgde spreektaal wordt, bij afwezigheid van het object, de definitieve tijd (actieve vorm) wel uitgedrukt door de echo vóór het predikaat te plaatsen. Schema (2a) uit Blok 90.10 kent dan als alternatief:

2.a'. actief SKón E – P

Bijvoorbeeld, stel:    = Petriy
 E = Mariy
 P = scemre (schreeuwen)

Lexicale insertie Noot 1 in de schema's (2a) en (2a') geeft dan:

  • Petriy scemre ón Mariy. = £ Petriy ón Mariy scemre.
    Petriy heeft tegen Mariy geschreeuwd.


Noot 1 Met "lexicale insertie" wordt bedoeld: het toekennen van bestaande woorden (ofwel van elementen die in het lexicon voorkomen) aan de schema-variabelen S, O, E en P.

90.12

Kernmarkering en woordvolgorde
bij een intrans.werkw.
Neutrale tijd
1.a. actief SK – P
Definitieve tijd
2.a. actief SK – P
Toekomende tijd
3.a. actief P – SK

In dit Blok ontbreken alle schema's van de passieve varianten. Bovendien zijn de schema's voor de neutrale tijd en de definitieve tijd identiek aan elkaar. Dit Blok geldt ook voor zinnen met een voltrans., obtrans. of ectrans. werkw. waarin het object en de echo beide niet zijn uitgedrukt.

90.13

Om te illustreren waartoe (1) t/m (3) uit Blok 90.8 kunnen leiden, zullen we de volgende lexicale insertie toepassen (de nummering komt overeen met die in Blok 90.8):

Stel:   S = Jân
 E = Elsa
  = ef mimpit (het boek)
 P = kette (geven)

  1. Neutrale tijd
    1. Jân kette ef mimpit ón Elsa.
      Jân geeft het boek aan Elsa.

    2. Ef mimpit kettelije pai Jân ón Elsa.
      Het boek wordt door Jân aan Elsa gegeven.

    3. Elsa kettelitâ pai Jân enn ef mimpit.
      ? Elsa wordt door Jân het boek gegeven.
      of liever   Aan Elsa wordt door Jân het boek gegeven. Noot 1


Noot 1 Merk op dat in dit Nederlandse equivalent slechts sprake is van vooropplaatsing van het indirecte object ("echo"): de "zinskern" (voor zover we deze terminologie op het Nederlands mogen toepassen) is het boek, en daarom bestaat er congruentie tussen het boek en het predikaat (vergelijk: 'Aan Elsa wordenMV de boekenMV door Jân gegeven.'). In het Spokaans is er altijd congruentie tussen Elsa en het predikaat.

  1. Definitieve tijd
    1. Jân ef mimpit kette ón Elsa.
      Jân heeft het boek aan Elsa gegeven.
      of   Jân gaf het boek aan Elsa.

    2. Ef mimpit pai Jân kettelije ón Elsa.
      Het boek werd/is door Jân aan Elsa gegeven.

    3. Elsa pai Jân kettelitâ enn ef mimpit.
      Aan Elsa werd/is door Jân het boek gegeven.

  2. Toekomende tijd
    1. Kette Jân ef mimpit ón Elsa.
      Jân zal het boek aan Elsa geven.

    2. Kettelije ef mimpit pai Jân ón Elsa.
      Het boek zal door Jân aan Elsa gegeven worden.

    3. Kettelitâ Elsa pai Jân enn ef mimpit.
      Aan Elsa zal door Jân het boek gegeven worden.

90.14

Toepassing van regel II (§ 90.7) mag achterwege blijven (enn mag dus blijven staan) als ongemarkeerdheid van O tot misverstanden of ambiguïteit kan leiden. Dit is bijvoorbeeld het geval als O vlak achter S staat en O een zodanige vorm heeft dat het als deel van (bepaling bij) S opgevat kan worden. Bijvoorbeeld:

  • Jân, kost frera, ef ÿksaners ur ef mingatra invóbe ón ef fenta.
    Jân, mijn broer, de buren en de werkster uitnodigen DtE het feest Noot 1


Noot 1 Invóbe ón (uitnodigen voor) is in het Spokaans evenals kette ón (geven aan) een drieplaatsig werkwoord. De echo-determinant ón wordt in de glos gesymboliseerd door DtE.

Deze zin is ambigu, de grens tussen S en O kan nu gemarkeerd worden door toevoeging van de determinant enn. Er zijn twee oplossingen mogelijk:

  • Jân enn kost frera, ef ÿksaners ur ef mingatra invóbe ón ef fenta.
    Jân heeft mijn broer, de buren en de werkster voor het feest uitgenodigd.

of

  • Jân, kost frera enn ef ÿksaners ur ef mingatra invóbe ón ef fenta.
    Jân mijn broer heeft de buren en de werkster voor het feest uitgenodigd.

90.15

De determinant enn blijft ook achterwege bij constituenten die slechts als object bestaan, zoals pers.vnw.n 2n en quandro (zelf):

  • Petriy kettelitâ pai gress enn ef. = Petriy kettelitâ pai gress lelp.
    Aan Petriy wordt het door mij gegeven.

  • Eup quandro sen lukte. ~ * Eup enn quandro sen lukte.
    Ze heeft zichzelf gewassen.

90.16

Op Centraal-Berref bestaat een gefuseerde vorm van enn + ef die altijd gebruikt wordt als het object voor het predikaat staat (dus ook als het standaard-Spokaans enn achterwege laat). Deze vorm is ennf, spreek uit [emf]. Bijvoorbeeld:

  • ¿ Gress ennf mimpit trempe. = Gress [enn] ef mimpit trempe.
    Ik heb het boek gelezen.

Meestal krijgt ennf (evenals enn trouwens) het zinsaccent.

90.17

De suffixen -lije en -litâ zijn onverenigbaar met modale suffixen. Dit betekent dat modale suffixen in een actieve constructie bij passivisering altijd door een modaal hulpwerkw. vervangen moeten worden. Vergelijk:

  1. Ef medikiy cÿrtirecû Elsa.   De dokter kan Elsa helpen.
    de dokter helpen-kan Elsa

  2. Elsa kurre beri cÿrtirelije pai ef medikiy.
    Elsa kan INF helpen-SxO door de dokter
    Elsa kan door de dokter geholpen worden.

Uit (2) blijkt dat -lije achter het hoofdwerkw. geplaatst wordt. Hetzelfde geldt voor -litâ.
Een constructie als *cÿrtirecûlije of *cÿrtirelijecû is dus onmogelijk. We hebben hier te maken met een verbod op "multiple gemarkeerdheid", ook wel "analytische verdringing" genoemd (het ene suffix verdringt het andere).

90.18

De suffixen -lije en -litâ zijn eveneens onverenigbaar met -lira. In relatieve en performatieve bijzinnen (zie Hoofdstukken 122 en 123) zal dus altijd voor een betr.vnw. of voegwoord gekozen moeten worden als het een passieve constructie betreft:

  • Petriy zjoffe, ef zomar šutelira cradef kinur ypriys
    Petriy beweert, de gemeente rooit-PERF alle zieke iepen
    Petriy beweert dat de gemeente alle zieke iepen rooit.

  • Petriy zjoffe, den cradef kinur ypriys šutelije pai ef zomar.
    Petriy beweert, dat alle zieke iepen rooien-SxO door de gemeente
    Petriy beweert dat alle zieke iepen door de gemeente gerooid worden.

Een constructie als *šuteliralije of *šutelijelira is dus onmogelijk. Ook hier weer is er sprake van analytische verdringing.

90.19

Het onderschikkende suffix -ilóme (zie § 122.5) is het enige suffix dat niet verdrongen wordt door -lije of -litâ, maar een fusie ofwel versmelting aangaat:

    -ilóme + -lije > -ilomije
    -ilóme + -litâ > -ilomitâ

Vergelijk:

  1. Lerdu ma rofonose, ef ÿksaner ef ÿc axilóme.
    Lerdu REDEN boos-is, de buurman de eik omhakken-ONDERSCH
    Lerdu is boos, omdat de buurman de eik heeft omgehakt.

  2. Lerdu ma rofonose, ef ÿc pai ef ÿksaner axilomije.
    Lerdu REDEN boos-is, de eik door de buurman omhakken-ONDERSCH+OBPASS
    Lerdu is boos, omdat de eik door de buurman is omgehakt.

Zie verder Hoofdstuk 122.

90.20

Voor zover het geen pers.vnw.n betreft, wordt de morfosyntactische structuur van de elementen op S, O en E niet beïnvloed door de eventuele kernfunctie die aan dit element is toegekend. Evenmin is de tijdsvorm van invloed.
In § 70.48-67 is uitgebreid aandacht besteed aan de regels die gelden voor het gebruik van pers.vnw.n tweede niveau.
De passieve pers.vnw.n zijn summier aan de orde gekomen in § 71.5 en § 71.9. We zullen er in § 91.8-11 nader op in gaan.

90.21

Actieve pers.vnw.n worden (behoudens de uitzonderingen die in Hoofdstuk 91 besproken worden) in alle posities van S, O en E geïnserteerd.

  • Gress ðale do ón eup.   Ik roddel over hem tegen haar.
    ik roddelen hij DtE zij

  • Do ðale eup ón gress.   Hij roddelt over haar tegen mij.
    hij roddelen zij DtE ik

  • Kirro óps ðale ón tu.   Wij hebben over hun tegen jou/jullie geroddeld.
    wij zij roddelen DtE jij/jullie

  • Ðalelitâ óps pai do enn gress.   Tegen hun zal door hem over mij geroddeld worden.
    roddelen-SxE zij DtS hij DtO ik

90.22

Merk op dat uit (1a) wel (1b) volgt, maar dat uit (2a) niet (2b) volgt:

  1. a.  De dokter kan Elsa helpen. >
    b.  > Elsa kan door de dokter geholpen worden.

  2. a.  De dokter wil Elsa helpen. />
    b.  /> Elsa wil door de dokter geholpen worden.

Zowel in (1a) als in (1b) is het de agens (de dokter) die iets kan, ofwel: het werkwoord "kunnen" wordt geregeerd door "de dokter".
Bij (2) is er echter een semantische tweedeling: in (2a) wordt "willen" geregeerd door "de dokter", maar in (2b) wordt "willen" geregeerd door "Elsa" (het is Elsa die iets wil).

90.23

Als het Spokaanse equivalent van (2a) in de vorige paragraaf echter gepassiviseerd wordt, blijft het werkwoord "willen" door "de dokter" geregeerd worden: het Spokaanse equivalent voor "willen" gedraagt zich bij passivisering dus niet anders dan het Spokaans equivalent voor "kunnen". Vergelijk (1) en (2) hierboven met:

  1. a'.  Ef medikiy kurre beri cÿrtire Elsa. >   De dokter kan Elsa helpen.
    b'.  > Elsa kurre beri cÿrtirelije pai ef medikiy.
          Elsa kan door de dokter geholpen worden.

  2. a'.  Ef medikiy probare beri cÿrtire Elsa. >   De dokter wil Elsa helpen.
    b'.  > Elsa probare beri cÿrtirelije pai ef medikiy.

Het Nederlandse equivalent van (2b') is iets in de trant van "De dokter wil dat Elsa door hem geholpen wordt" (of meer spreektaalachtig: "Elsa, de dokter wil haar helpen"). Het Spokaanse equivalent van (2b) uit de vorige paragraaf, dus een constructie waarin uitgedrukt wordt dat Elsa iets wil, en niet de dokter, is een bijzinsconstructie in de trant van:

  • Elsa probare, den eup cÿrtirelije pai ef medikiy.
    Elsa wil, dat zij door de dokter geholpen wordt. =
    = Elsa wil door de dokter geholpen worden.

90.24

Hoewel het gebruik van passiefconstructies uitgebreid aan de orde komt in Hoofdstuk 92, kunnen we nu alvast vertellen dat dergelijke constructies in het Spokaans ook mogelijk zijn bij koppelwerkw.n als lelperre (hebben), bij vergelijkende werkwoorden als loke (lijken op), en bij zogenoemde symmetrische werkwoorden zoals tinkere (worden) of pe (heten), waarbij het subject en het object coreferentieel zijn:

  1.  
Jân lelperre ef mimpit.  
Jân hebben het boek
Jân heeft het boek.
>   Ef mimpit lelperrelije pai Jân.
het boek hebben-SxO door Jân
Het boek heeft Jân.

  1.  
Petriy loke Mariy.  
Petriy lijken.op Mariy
Petriy lijkt op Mariy.
>   Mariy lokelije pai Petriy.
Mariy lijken.op-SxO door Petriy
Op Mariy lijkt Petriy.

  1.  
Petriy tinkere eft medikiy.  
Petriy worden een dokter
Petriy wordt dokter.
>   Eft medikiy tinkerelije pai Petriy.
een dokter worden-SxO door Petriy
Een dokter wordt Petriy.

  1.  
Eup pe Tek.  
ze heten Tek
Ze heet Tek.
>   Tek pelije pai eup.
Tek heten-SxO door haar
Tek heet ze.

Dergelijke passiefconstructies zijn een indicatie dat Spokaanse passieven ook iets anders kunnen uitdrukken dan alleen maar een gewijzigde optiek van waaruit de stand van zaken beschouwd wordt. Vergelijk in dit verband de Nederlandse equivalenten in (2) en (4) hierboven, waarin op Mariy en Tek zonder meer vooraan de zin geplaatst kunnen worden, terwijl het Spokaans daar een passiefconstructie voor nodig heeft, omdat de onderlinge volgorde van de basiselementen altijd vast ligt (zie § 90.2). Zie verder Hoofdstuk 92.

90.25   Ón in voorzetselbepaling

De echomarkeerder ón is in Blok 140.5 ook als "voorzetsel van betrekking" opgenomen, waaruit volgt dat niet elke ón-bepaling als echo beschouwd moet worden. Het verschil tussen een echo en een voorzetselbepaling wordt hier geïllustreerd:

  1.  
a.   Mariy miype ef tildâ jikatâs ón ef wónzol.
Mariy schrijft de slechte prestaties toe aan het weer.
     
b.   Mariyex ef jikatâs melde natumt ón ef wónzol.
Mariy's prestaties zijn afhankelijk van het weer.

Dat de vetgedrukte constituent in (1a) een echo is blijkt uit de mogelijkheid van kerntoekenning:

  1.  
a.   Ef wónzol miypelitâ pai Mariy enn ef tildâ jikatâs.
het weer toeschrijven-SxE door Mariy DtO de slechte prestaties

Bij (1b) is een dergelijke kerntoekenning ongrammaticaal, waaruit geconcludeerd kan worden dat de vetgedrukte constituent een voorzetselbepaling moet zijn:

  1.  
b.   * Ef wónzol meldelitâ natumt pai Mariyex ef jikatâs. Noot 1
   het weer zijn-SxE afhankelijk door Mariy-GEN de prestaties


Noot 1 Merk op dat in (2b) Mariyex ef tildâ jikatâs één constituent (in de functie van subject) is, terwijl in (2a) Mariy en ef tildâ jikatâs twee aparte constituenten (subject, resp. object) zijn.

90.26

In sommige constructies is de status van de ón-bepaling onduidelijk, zoals in:

  1.  
a.   Ef mimpiterfer ÿsðe ef spentes ón ef fes-jalôsta.
De boekhouder vergelijkt de uitgaven met de inkomsten.

Sommigen beschouwen ÿsðe als een voltrans.werkw. zodat de vetgedrukte constituent een echo is, maar er zijn ook vele sprekers en grammatici die de vette constituent liever zien als een voorzetselbepaling waarvan de relatie met het object hechter is dan die met het predikaat. Het gevolg is dat constructie (1b) door velen als correct beschouwd wordt, maar door bij een even grote groep mensen als ongrammaticaal verworpen wordt: Noot 1

  1.  
b.   ? Ef fes-jalôsta ÿsðelitâ pai ef mimpiterfer enn ef spentes.
Met de inkomsten worden door de boekhouder de uitgaven vergeleken.


Noot 1 Een objectpassief wordt uiteraard door beide partijen goedgekeurd:

  • Ef spentes ÿsðelije pai ef mimpiterfer ón ef fes-jalôsta.
    De uitgaven worden door de boekhouder met de inkomsten vergeleken.

90.27

In Blok 90.28 zijn een aantal werkwoorden en non-verbale uitdrukkingen opgenomen waarbij de ón-bepaling unaniem als voorzetselbepaling, en niet als echo, beschouwd wordt. We hebben hier dus te maken met intrans.- of obtrans. werkw.n.
In Blok 90.29 staan een aantal werkwoorden waarbij de status van de ón-bepaling niet duidelijk is: deze kan hetzij als echo, hetzij als voorzetselbepaling behandeld worden.
Merk op dat bij non-verbale uitdrukkingen als natumt ón flaju (afhankelijk van iets) de ón-bepaling nooit als echo optreedt. Noot 1
Alle werkwoorden die gecombineerd kunnen worden met een ón-bepaling en die niet zijn opgenomen in een van beide Blokken, zijn voltrans. of ectrans. werkw.n waarbij de ón-bepaling de functie van echo heeft.
Echo's kunnen zowel een persoon als een zaak zijn. Dit wordt goed geïllustreerd bij het synoniempaar pitireppe = kaftrûnige (ten laste leggen):

  • Ef dekeniy pitireppe ef kuntiyros ón Lerdu. =
    de rechter legt.ten.laste de diefstal DtE Lerdu

    = Ef dekeniy kaftrûnige Lerdu ón ef kuntiyros.
       de rechter legt.ten.laste Lerdu DtE de diefstal
    De rechter legt Lerdu de diefstal ten laste.


Noot 1 We noemen een uitdrukking als natumt ón non-verbaal omdat natumt een additief is. Uiteraard komen dergelijke uitdrukkingen wel voor in een verbale context als:

  • ef melde natumt ón flaju   afhankelijk zijn van
  • ef zerfe natumt ón rast   afhangen van iemand

90.28

Ón-bepalingen met de functie van voorzetselbepaling
[melde] gazeût ón
giffe tiffelira ón flaju
kette la'ycâ ón
kette pramt ón
mariane ón
×
melde armtpainiy ón rast
melde fes ef kurre ón
[melde] natumt ón
[melde] nenatumt ón
paine ef tiyns ón
quiste ón
scemre ón ef salbos
[melde] eft spâklân ón
tildâne ón
vlûmos ón
prap wencate fara zjecer ón  
afgestemd [zijn] op
verstand hebben van iets
waarde hechten aan
inbreken bij
getrouwd zijn met
iemand [zeer] toegedaan/toegenegen zijn
in staat zijn tot
afhankelijk [zijn] van
onafhankelijk [zijn] van
werk maken van
goed zijn voor (= niet schadelijk zijn voor)  
inspanning kosten
een eigenaar [zijn] van
slecht zijn voor
bekendheid met
borg staan/blijven voor

×  Daarentegen wordt de ón-bepaling bij marianare ón (trouwen/huwen met) wèl als een echo beschouwd, dus (1) is correct, maar (2) is ongrammaticaal:

  1. Elsa marianarelitâ pai Petriy.   Met Elsa trouwt Petriy.
  2. * Elsa marianelitâ pai Petriy.   Met Elsa is Petriy getrouwd.

90.29

Ón-bepalingen met onduidelijke functie
glistipre ón
flaju hadrae ón rast
mjoche rast ón flaju
ocirre O ón E
prânare O ón E
quppe O ón E
replaše O ón E
trânsformere O ón E  
ÿsðe O ón E
zich verhouden tot
iets siert iemand
iemand aan iets onderwerpen  
O uitwisselen tegen E
O vormen/maken tot E
O rekenen tot E
O vervangen door E
O veranderen in E
O vergelijken met E

90.30

De werkwoorden kette, paine en scemre in Blok 90.28 kunnen in principe een echo bij zich dragen:

  • Mariy kette ef mimpit ón Petriy.   Mariy geeft het boek aan Petriy.
  • Mariy paine pipar ón Petriy.   Mariy doet alles voor Petriy.
  • Mariy scemre ón Petriy.   Mariy schreeuwt tegen Petriy.

Het idiomatische karakter Noot 1 van de uitdrukkingen met deze drie werkwoorden in Blok 90.28 verhindert kennelijk dat de ón-bepaling als echo geïnterpreteerd wordt.


Noot 1 Dit idiomatische karakter blijkt ook uit de afwezigheid van een lidwoord bij de objecten la'ycâ en pramt. Maar terwijl de ón-bepaling niet als echo optreedt, zijn la'ycâ en pramt wel echte objecten. Dit blijkt uit de correcte objectpassieven in de a-zinnen (kerntoekenning aan object) en uit de definitieve tijden in de b-zinnen (object komt vóór predikaat):

  1. La'ycâ nert kettelije pai Zâmporementec ón ef menesterer wuftas.
    Er wordt door de Volksvertegenwoordiging geen waarde gehecht aan
      de woorden van de minister.
    Blul kettelije pramt ón ef ÿksaners!
    SPOOR geven-SxO inbraak aan de buren
    Er wordt ingebroken bij de buren!

  2. Do la'ycâ nert kette ón kost wuftas.
    Hij heeft geen waarde gehecht aan mijn woorden.
    Do pramt kette ón ef ÿksaners.
    hij inbraak geeft aan de buren
    Hij heeft ingebroken bij de buren.

90.31

Merk op dat de meeste uitdrukkingen in Blok 90.29 een bijzondere relatie tussen het object en de (twijfelachtige) echo vertonen. Voor de duidelijkheid is in deze gevallen het object "O" genoemd en de echo "E".
Het blijkt dan dat entiteit E telkens in de plaats treedt voor entiteit O. Dit is de reden dat velen er de voorkeur aan geven om de sequentie O ón E als één geheel te zien, waarmee uitgesloten wordt dat ón E onafhankelijk van O optreedt als een zinsdeel bij het predikaat.
Als O ón E als één geheel beschouwd wordt, is hiervan de consequentie dat in een objectpassief het element ón E met O mee verhuist naar de positie voor de zinskern. Vergelijk:

  1.  
a.   Ef glûfiy replaše ef otostinders ón cômputers. >
Het bedrijf vervangt de schrijfmachines door computers.
     
b.   > Ef otostinders ón cômputers replašelije pai ef glûfiy.
De schrijfmachines worden door het bedrijf door computers vervangen.

Personen die vinden dat ón E wel als echo optreedt, zullen (1b) uiteraard verwerpen, ten gunste van:

  • Ef otostinders replašelije pai ef glûfiy ón cômputers.

En bovendien zullen zij ook een echopassief goedkeuren:

  1. Cômputers replašelitâ pai ef glûfiy enn ef otostinders.
    Door computers worden de schrijfmachines door het bedrijf vervangen.

90.32

Extra aandacht verdient nog de voorzetselbepaling die opgebouwd is met ón ... lilepiy, in de betekenis van '... voorbij'. Hierin wordt de ón-bepaling dikwijls abusievelijk als echo opgevat, met als gevolg dat hieraan de functie van zinskern toegekend wordt en er dus een echopassief verschijnt:

  1. Do farte ón ef hôspitalo lilepiy.
    Hij loopt het ziekenhuis voorbij.

Van (1) zijn twee foutieve echopassieven af te leiden:

  1.  
a.   * Ef hôspitalo lilepiy fartelitâ pai do.
     
b.   ? Ef hôspitalo fartelitâ lilepiy pai do.
Het ziekenhuis wordt door hem voorbijgelopen. Noot 1

In (2a) staat lilepiy op een positie die gereserveerd is voor de negatie nert. Wat voor additivische functie er ook aan lilepiy gegeven wordt, nooit zal dit element onmiddellijk voor het predikaat kunnen verschijnen. Vandaar dat (2a) als geheel ongrammaticaal ervaren wordt.
Dat (2b) daarentegen iets acceptabeler is, komt doordat lilepiy hier in de functie van adv.add. wèl op de juiste positie staat, waarbij aangetekend moet worden dat lilepiy echter geen adv.add. is, zodat ook (2b) geen correct Spokaans kan zijn.


Noot 1 De passiefconstructie in het Nederlandse equivalent is wel correct omdat "voorbijlopen" een trans.werkw. is.

90.33   Passief en performatieve bijzin

De vorming van performatieve bijzinnen wordt besproken in Hoofdstuk 123.
Wij zullen ons nu beperken tot dergelijke bijzinnen die met -lira gevormd zijn en in een passiefconstructie voorkomen. In (1) wordt een voorbeeld gegeven van een performatieve bijzin met -lira:

  1. Gress nert miype, Jân kurrelira beri mapyre kva.
    ik niet denk, Jân kan-PERF INF winnen ooit
    Ik denk niet, dat Jân ooit zal kunnen winnen.

Ondanks de kwalificatie van "bijzin" (een eigenschap die de komma achter miype verklaart) zijn er redenen om aan te nemen dat de vetgedrukte constructie tevens fungeert als een soort object bij miype. De functie van "object" is echter zo zwak dat het onmogelijk is om deze tot zinskern te verheffen; variant (2) is dan ook ongrammaticaal:

  1. * Jân kurrelira beri mapyre kva[,] nert miypelije pai gress.

90.34

Een performatieve -lira-bijzin enerzijds en een relatieve -lira-bijzin met zijn antecedent anderzijds zijn historisch gezien syntactisch identiek, wat tegenwoordig nog in hun onderliggende structuur is te zien: (3a) en (3b) hebben dus een gemeenschappelijke onderliggende structuur, die tussen {} uitgedrukt is in (3c):

  1.  
a.   Jân kurrelira beri mapyre
Jân kan-PERF INF winnen
dat Jân kan winnen

     
b.   Jân, kurrelira beri mapyre
Jân, kan-REL INF winnen
Jân, die kan winnen

     
c.   {Jân kurrelira beri mapyre}
Jân kunnende INF winnen

90.35

Deze gemeenschappelijke onderliggende structuur maakt het theoretisch mogelijk om een zodanige transformatie bij (1) toe te passen dat alleen de zinskern Jân van de vette bijzin als object bij miype gaat fungeren, en de rest van de bijzin een relatieve bijzin bij dit nieuwe object wordt (zie ook Hoofdstuk 100). In (4a) is deze relatieve bijzin vet:

  1.  
a.   {gress nert miype Jân, kurrelira beri mapyre kva}
ik niet denk JânO, kan-REL INF winnen ooit

Merk op dat (4a) geen correcte taaluiting is, Noot 1 maar dat deze wel kan dienen als tussenstap naar de passieve variant in (4b), waarin Jân als kern optreedt. Het vette deel blijft ongewijzigd een relatieve bijzin die onmiddellijk achter het antecent Jân volgt:

  1.  
b.   Jân, kurrelira beri mapyre kva, nert miypelije pai gress.
Jân, kan-REL INF winnen ooit, niet gedacht-wordt door mij
Ik denk niet, dat Jân ooit zal kunnen winnen.
(lett. "Jân die ooit zal kunnen winnen, wordt door mij niet gedacht")


Noot 1 In (1) fungeert Jân als zinskern, en in (4a) heeft er een transformatie plaatsgevonden waarbij Jân deze functie verliest. Dit kan de ongrammaticaliteit van (4a) verklaren. Na de volgende stap, die leidt tot (4b), heeft Jân zijn oorspronkelijke kernfunctie weer teruggekregen (zij het dat Jân nu een kern bij miype is, en niet meer bij mapyre), wat weer tot een grammaticale constructie leidt. Kennelijk zijn dergelijke transformaties met -lira-constructies alleen toegestaan als de kernfunctie van een bepaald element niet verloren gaat. Dit komt uitgebreider aan de orde bij de behandeling van de teg.dw.n ofwel de -lira-constructies, in Hoofdstuk 100.

90.36

We hebben hier dus met het bijzondere verschijnsel te doen dat er in de actieve variant een semi-object in de vorm van een performatieve bijzin aanwezig is, en dat er in de passieve variant een echt kernobject, gevolgd door een relatieve bijzin, aanwezig is. Hierbij dient aangetekend te worden dat de passieve variant alleen acceptabel is in contexten waarbij het gebruik van een passief verplicht is. Zulke contexten worden in Hoofdstuk 93 besproken.

Voor de duidelijkheid volgt hier nog een voorbeeld:

  1.  
a.   Ef menester zjoffe, ef ekonomiy fartelira fes pert gulder âskâns.
de minister beweert, de economie loopt-PERF in veel betere sporen
De minister beweert, dat het met de economie veel beter gaat.
   
     
b.   Ef ekonomiy, fartelira fes pert gulder âskâns, zjoffelije pai ef menester.
de economie, loopt-REL in veel betere sporen, beweerd-wordt door de minister
(idem)


TOP
<< Hoofdstuk 83 | Hoofdstuk 91 >>

© (2000) Rolandt Tweehuysen, Kimswerd, the Netherlands