|
Opbouw van dit hoofdstuk:
Blokken:
|
73.1
Tot de zelfstandige voornaamwoorden (zelfst.vnw.) rekenen wij alle substantiefvervangende voornaamwoorden, met uitsluiting van de reeds behandelde persoonlijke, wederkerende en wederkerige voornaamwoorden.
De zelfst.vnw.n worden in twee groepen verdeeld: de eerste groep refereert aan een enkelvoudige entiteit, de tweede aan een meervoudige. Van de meeste zelfst.vnw.n bestaan drie afleidingen: genitief-1 voor personen, genitief-2 voor niet-personen, en een resultatief. Een aantal zelfst.vnw.n komt alleen voor in combinatie met een betr.vnw. of pers.vnw. in een bijzin. Deze zelfst.vnw.n zijn bepalingaankondigend (bep.aank.vnw.: "degene [die]", "datgene [wat]", "alles [wat]").
73.2
In het Blok hieronder geeft een ê in een resultatiefvorm aan dat dit een paragogische e is, uitgesproken als [ê], waarbij de onmiddellijk hieraan voorafgaande vocaal verlengd wordt (dus kâe wordt uitgesproken als [kâ:wê], zie ook § 61.11-12).
| Zelfstandige voornaamwoorden in enkelvoud
|
|---|
| noot | zelfst.vnw. ENKELVOUD | genitief-1 persoon | genitief-2 dier/zaak | resultatief |
|
1
2
3
4
4
5
6
7
8
9
10
11
12
12
13
14
| crat cratiyn fitaju flaju flâjû hôm jadâk kâ
nem pana pesa pipar rast râst[e] selm stus
| jadâker/jader kâer nemer paner peser piparer raster râster
| fitacÿr flajucÿr flâjûcÿr kâcÿr nemÿr panÿr pipacÿr
| cratte fitajje flajuê flâjûte hômme jadâkk kâê nemme panaê pesaê piparr raste râsté selme stusse
| degene[n] [die]; allen [die] alles zoiets iets niets iedereen [die]; wie dan ook ieder[een] deze; dit; die; dat (deiktisch) degene[n] [die]; datgene [wat] deze; dit; die; dat (contextueel) menigeen alle[n]; alles [en iedereen] iemand niemand alles wat; van alles en nog wat men; je
|
73.3
| Zelfstandige voornaamwoorden in meervoud
|
|---|
| noot | zelfst.vnw. MEERVOUD | genitief-1 persoon | genitief-2 dier/zaak | resultatief |
|
1
1
2
3
4
4
4
5
6
7
7
8
| crados cradôs[e] effers lelmos lelpirus litels minkers nÿfs panas perdÿrs tersas perts
| cradoser cradôser efferser lelmoser lelpiruser liteleser minkerser nÿfser panaser perdÿrser tersaser pertser
| cradosÿr/cradÿr cradôsÿr effersÿr lelmosÿr lelpirusÿr litelsÿr minkersÿr nÿfsÿr panasÿr perdÿrsÿr tersasÿr pertsÿr
| cradoses cradôset efferes lelmoses lelpiruses litelses minkerses nÿfes panases/panses perdÿrses tersat pertses/pertes
| iedereen; allemaal; alle[n] geen van alle[n] enige[n] deze; die (deiktisch) andere[n] weinige[n] verscheidene[n]; sommige[n] geen [enkele] deze; die (contextueel) beide[n]; zij tweeën; alletwee vele[n]
|
73.4 ad Blok 73.2 Noten
Voorbeelden en opmerkingen:
Noot 1
Crat is bepalingaankondigend. Zie hiervoor § 73.13.
Noot 2
Cratiyn omvat een gesloten groep of verzameling; vergelijk ook pipar (noot 11):
- Cratiyn jâûge. Alles loopt verkeerd af.
- Gress cratiyn trije.
Ik heb alles geprobeerd. (= alles wat in mijn vermogen lag)
- Ef bômba tjestrovo cratiyn.
De bom heeft alles verwoest. (= alles in de buurt van de bom wat te verwoesten viel)
Noot 3
Fitaju kan zowel contextueel als deiktisch gebruikt worden; zonder nadere specificatie drukt het dikwijls de nietigheid of onbeduidendheid van een voorwerp of dier uit. Ook is er soms een negatieve of geringschattende ondertoon.
neutraal (meestal nader gespecificeerd):
- Gress zerfo kvâ hupster fitaju. Ik heb nog nooit zoiets groots gezien.
- Kirro gopirus arjas pai Fylana Broeca nute. Hordaos fitaju nert geldre beri gémiyelije
pai stus.
We hebben enkele aria's van Fylana Broeca gehoord. Zoiets prachtigs mag je niet missen.
verwijzend naar iets negatiefs:
- Râste quistarecû fitaju. Niemand kan zoiets goedkeuren.
- Fitacÿr wa'éros melde jûxûxiy.
De ontkenning van zoiets is reuzeflauw; het is reuzeflauw om zoiets te ontkennen.
nietigheid/onbeduidendheid:
- We, tu olelira jazy fitajje? En moet je zoiets doodslaan?
(vermaning tegen een kind dat een onschuldig lieveheersbeestje doodslaat)
Noot 4
- Kurame flâjû, stus di tjestrofilóme flajue.
Niets zal er overblijven, als men iets verwoest.
- Pryltiy ur flâjû. Niets dan narigheid.
- Kirro lelperre bidalos ur flâjû. We hebben niets dan regen.
|
Citaat uit de Sage van Frina's strijd (Frinaex ef jesfsâecÿr Yzlât).
Kurame (overblijven) staat vóór de kern om een toekomende tijd uit te drukken (§ 90.4). De determinant dira (als; indien) is weggelaten (§ 121.13) en tjestrove (verwoesten) eist het resultatieve object flajue.
|
Noot 5
- Hôm errecû. Wie dan ook kan zich vergissen.
- Eup fânche hôm. Ze klampt ongeacht wie aan.
- ump hôm zonder aanzien des persoons
Hôm drukt soms een berusting of gelatenheid uit:
- Gress nert wékorare, den hôm reppe, gress merfelira.
Het kan me niet schelen dat wie dan ook beweert dat ik lieg.
Hôm is verder bepalingaankondigend. Zie hiervoor § 73.13.
Noot 6
- Do co'ifche jadâkk. Hij negeert iedereen.
- Gress nert cÿrstûléecû jader/jadâker môntyos.
Ik kan me niet ieders probleem aantrekken.
- Blul perke beri scriftelije jadâker tâx-fôrmeler.
Iedereen moet zijn belastingformulier invullen.
(lett. "ieders belastingformulier moet ingevuld worden")
|
Omdat de genitief jader meer spreektaalvorm is, kan in deze ambtelijke zin alleen jadâker gebruikt worden. Een minder ambtelijke variant zou zijn:
- Jadâk scriftât (= perke beri scrifte) sener tâx-fôrmeler.
|
Noot 7
Als kâ refereert aan een abstracte of semi-concrete entiteit, heeft kâ het karakter van een pers.vnw. (Blokken 70.5 en 70.48). En wel om de volgende redenen: het antecedent in contextueel bepaald (er is reeds over een bepaalde abstracte of semi-concrete entiteit gesproken en middels kâ wordt er nu naar verwezen), en kâ kent als pers.vnw. twee afleidingen, namelijk een resultatief (kâe, zie Blok 71.20) en een verbale genitief kâex (§ 60.60). Als attributieve genitief is kâex dialectisch en wordt liever vervangen door een bez.vnw. (§ 60.56).
Als kâ refereert aan een concrete entiteit, heeft kâ het karakter van een zelfst.vnw. (Blok 73.2). En wel om de volgende redenen: het antecedent is deiktisch bepaald (wat in de praktijk wil zeggen dat het gebruik van kâ altijd gepaard gaat met letterlijk wijzen naar de entiteit; dit zou bij abstracte entiteiten onmogelijk zijn. Kâ komt als zelfst.vnw. dan ook voornamelijk in de spreektaal voor). Verder missen zelfst.vnw.n bijbehorende bez.vnw.n, maar bestaat er wel een of twee attributieve genitieven als afgeleide variant. Kâ als zelfst.vnw. kan in alle situaties vervangen worden door een concreet of deiktisch aanw.vnw. (Blok 52.3). Daarom wordt kâ ook wel een zelfstandig gebruikt deiktisch aanw.vnw. genoemd. Voorbeelden (zie ook § 73.5 noot 3):
- (Jân wijst op de appel en zegt:)
Kâ melde tval. Deze/die is rot.
- (Petriy wijst op zijn auto en zegt:)
Kâcÿr moter melde tirdus. De motor ervan is kapot.
- (Mariy wijst op haar zoekende vader en zegt:)
Kâer ÿršar melde tijâ. Zijn hoed is weg. (lett. "die zijn hoed is weg")
|
Om naar een persoon te wijzen en deze aan te duiden met "die daar" is in het Nederlands niet beleefd. Dit in tegenstelling tot het correcte kâ in het Spokaans.
|
Het deiktische onderscheid dichtbij ~ neutraal ~ verweg kan in combinatie met kâ uitgedrukt worden door er een aanw.vnw. (Blok 52.3) aan toe te voegen:
- (Elsa wijst op de gebakjes en vraagt:)
Aftel tu bladide lelmo kâ oft bô kâ? Wil je déze of díé?
Noot 8
Nem is bepalingaankondigend. Zie hiervoor § 73.13.
Noot 9
Pana wordt als zelfst.vnw. beschouwd, en niet als pers.vnw., omdat het een bijbehorend bez.vnw. mist, maar daarentegen wel twee attributieve genitieven als afgeleide varianten kent. Pana is contextueel, het refereert aan een entiteit die reeds eerder in de tekst geïntroduceerd is. Pana kan vervangen worden door een concreet, contextueel aanw.vnw. (Blok 52.3), en daarom wordt pana ook wel een zelfstandig gebruikt contextueel aanw.vnw. genoemd. Het is voornamelijk schrijftaal:
- Kirro eft kleter oto lorerde. Pana melde kolai ur panÿr bensynn-ušos melde terat litel ki.
We hebben een nieuwe auto gekocht. Deze is geel en het benzineverbruik ervan is heel laag.
- Fes ef tult eft tnefer merater quÿe. Paner lomkâ nert insule gress.
In de gang wacht een vreemde man. Diens gezicht staat me niet aan.
Noot 10
- Pesa lâzâre ki eft ÿrpô'as, râste lelperravy té.
Menigeen woont in een krot dat niemand wil hebben.
- huldufit pesa menigeen die beroemd is; menige beroemdheid
Noot 11
Pipar refereert aan de gehele wereld of kosmos. Vergelijk cratiyn (noot 2):
- Goe atomm-bômbas tjestrove piparr.
Een atoombom verwoest alles en iedereen. (er blijft niets meer over)
- Gress pipar trije. Ik heb [werkelijk] alles geprobeerd.
(emfatischer dan Gress cratiyn trije.)
- Do melde piparer frint. Hij is een allemansvriend.
- Do melde pipacÿr mâšecc. Hij is werkelijk overal het slachtoffer van.
Noot 12
- Rast farte ânt ef arâbe. Er loopt iemand in de tuin.
- Do raster kas kuntiyre.
Hij heeft iemands jas gestolen; hij heeft de/een jas van iemand gestolen.
- Moffain râsté byte. Moffain heeft niemand doodgeslagen.
Zie ook § 60.55 en § 73.10.
Noot 13
- Selm hâftere. Er gebeurt hier van alles en nog wat.
- Tu zjoffecû selm, tûre gress hozâve tu liyche.
Je kan van alles [en nog wat] beweren, maar ik geloof je toch niet.
Selm is verder bepalingaankondigend. Zie hiervoor § 73.13.
Noot 14
Stus mist de genitiefvormen die gebruikelijk zijn bij een zelfst.vnw. Daarentegen kent stus wèl de genitief stusex welke kenmerkend is voor een pers.vnw. Bovendien kan stus evenals een pers.vnw. 3e persoon, een bep.aank.vnw. als antecedent hebben, zie § 73.13. Veel grammatici rekenen stus dan ook tot de pers.vnw.n 1n, 3e persoon C-nt., personen in het algemeen.
In tegenstelling tot een "echt" pers.vnw. 3e persoon, of tot een zelfst.vnw. als rast (iemand), refereert stus in meer of mindere mate tevens aan de spreker zelf, in de trant van "wij als mensen onder elkaar".
- Stus nert zecofecû pipar. Men/je kan niet alles willen.
- Eft stevardess zjerât riyfain ón stus.
Een stewardess moet altijd tegen iedereen/de mensen/je glimlachen.
- Nem paine fitaju, stus arfine fes ef leld'sért.
Degene die zoiets doet, komt in de gevangenis terecht.
- Blul bytelije stusse. Er wordt iemand doodgeslagen.
(in zeer algemene bewoordingen, vergelijk rast, noot 12).
73.5 ad Blok 73.3 Noten
Voorbeelden en opmerkingen:
Noot 1
Crados en cradôs[e] omvatten een gesloten groep of verzameling:
- Crados quarderÿt kost fenta!
Iedereen mag op mijn feest komen!; allen mogen op mijn feest komen!
(= allen uit mijn kennissenkring)
- Gress tiffe cradôs[e]. Ik ken ze geen van allen.
- Petriy lelperre pert platiranûe, tur gress affionnose cradôsÿr marâsz.
Petriy heeft veel schilderijen, maar ik vind de kleuren van geen van alle mooi.
Zie verder § 73.10.
Noot 2
- Aftel effers melda pip fes ef kleter musém?
Zijn er al enigen in het nieuwe museum geweest?
- Kirro kleter ferdus lorerde, tur effersÿr felts melde kir.
We hebben nieuwe stoelen gekocht, maar de zittingen van enige zitten los/
maar van enige ervan zitten de zittingen los.
Noot 3
Lelmos is het meervoudige equivalent van kâ (§ 73.4 noot 7): het refereert aan concrete entiteiten, die deiktisch bepaald zijn. Lelmos is ook aanw.vnw. (Blok 52.3), met als deiktische positie "dichtbij". Het onderscheid dichtbij ~ neutraal ~ verweg komt bij zelfst.vnw.n niet voor, maar kan uitgedrukt worden door toevoeging van een extra aanw.vnw. Vergelijk ook de voorbeelden in noot 7 van de vorige paragraaf:
- (Jân wijst op de appels en zegt:)
Lelmos melde tval. Deze/die zijn rot.
- (Petriy wijst op zijn auto's en zegt:)
Lelmosÿr moters melde tirdus. De motoren ervan zijn kapot.
- (Mariy wijst op haar zoekende ouders en zegt:)
Lelmoser ÿršara melde tijâ.
Hun hoeden zijn weg. (lett. "de hoeden van die daar zijn weg")
- (Elsa wijst op de aardbeien en frambozen, en vraagt:)
Aftel tu bladide tem lelmos oft bôs lelmos? Wil je déze (mv.) of díé (mv.)?
|
Om naar enkele personen te wijzen en die aan te duiden met "die daar" is in het Nederlands niet beleefd. Dit in tegenstelling tot het correcte lelmos in het Spokaans.
|
Noot 4
- Maliy ur Lerdu quardere lilt gress, tur gress zerfe lendiy lelpirus.
Maliy en Lerdu bezoeken mij vaak, maar anderen zie ik zelden.
- Prifjiof Metrusse lelperre pert mimpits, tur [do] sen tâge litelsÿr ÿrtÿruba.
Professor Metrusse heeft veel boeken, maar hij herinnert zich de inhoud van weinige.
- Ef ðârlo huts arfine tjâg ef oto, ur minkers ušâmelle ef gerlas.
De meeste ambtenaren komen met de auto, en verscheidene/sommige maken
gebruik van de bus.
Zie ook § 60.55.
Noot 5
- Aftel tu lelperre CD-s? - Nÿfs [lelperrelije pai gress].
Heb je CD's? - [Ik heb er] geen enkele/geen een.
Nÿfs ontkent de aanwezigheid van welke entiteit dan ook. Als er geen enkele entiteit aanwezig is, is het onderscheid persoon ~ dier/zaak moeilijk te maken, en dit is de reden waarom de genitief nÿfsÿr niet gereserveerd is voor slechts dieren en zaken, maar waarom deze ook aan personen kan refereren:
- Ef meldo ryje-lirdef; nÿfsÿr mabys kettolira nute.
Het was doodstil; van niets of niemand was enig geluid te horen.
(lett. "het geluid van geen enkele")
|
Vergelijk ook: nÿfser (van geen enkel persoon):
- Nÿfser mabys kettolira nute. Van niemand was enig geluid te horen.
(maar misschien wel van de wind of van een dier)
|
Zie verder Hoofdstuk 151 voor ontkenningen.
Noot 6
Panas is het meervoudige equivalent van pana (§ 73.4 noot 9): het refereert aan entiteiten die contextueel bepaald zijn. Vergelijk ook de voorbeelden in noot 9 van de vorige paragraaf:
- Kirro kleter luftpârnolacs lorerde furt sener glûfiy. Panas melde roffiyn ur
panasÿr bensynn-ušosz melde terat litel ki.
We hebben nieuwe bestelauto's voor ons bedrijf gekocht. Deze zijn oranje en
het benzineverbruik ervan is heel laag.
- Fes ef tult gopirus tnefer meraters quÿe. Panaser lomkâs nert insule gress.
In de gang wachten enige vreemde mannen. Diens gezichten staan me niet aan.
- Ef ðaks melde pordel tijâ; tu treskât panases/panses.
De kaarsen zijn bijna op; je moet ze doven.
Noot 7
Perdÿrs en tersas zijn synoniemen:
- Gress ten mimpits lorerde ur perdÿrs/tersas frylôpe.
Ik heb twee boeken gekocht, en allebei vallen ze tegen.
- Mariy co'ifche perdÿrses/tersat. Mariy negeert [hun] beiden/alletwee.
Analoog aan tersas zijn afleidingen van andere telwoorden gevormd, zoals dursas (zij drieën; alledrie). Zie hiervoor § 170.34.
Noot 8
- Perts lâzâre goe ÿrpô'asz, tur litels idem goe lofipanas.
Velen wonen in een krot, maar weinigen in een paleis.
- Cradef vilduls fes ef arâbe ÿtine geffys, tur pertsÿr belks melde tval.
Alle bomen in de tuin dragen appels, maar de vruchten van vele zijn rot.
73.6
In tegenstelling tot het Nederlands kent het Spokaans geen bijwoordelijke voornaamwoorden die de combinatie van voorzetsel + zelfst.vnw. vervangen. Bijvoorbeeld:
- Stus zerfecû ef armt pipar.
Je kan het aan alles zien. = Je kan het overal aan zien.
- Do sen interesere armt flâjû.
Hij interesseert zich voor niets. = Hij interesseert zich nergens voor.
- Kaftare-tûe! tu feldre kaf flaju.
Pas op! je zit op iets. = Pas op! je zit ergens op.
Vergelijk ook:
- Gress zerfe helkara ef. Ik kijk naar het. = Ik kijk ernaar.
73.7
In het Spokaans bestaat wel de mogelijkheid om na een voorzetsel het zelfst.vnw. te vervangen door een onb.vnw. (Blok 52.11) gevolgd door een "inhoudsloos" subst. (bijvoorbeeld tiyn (ding)):
- Stus zerfecû ef armt pipar. = Stus zerfecû ef armt cradef tiyns.
Je kan het aan alles zien.
- Do sen interesere armt flâjû. = Do sen interesere armt nÿf tiyns.
Hij interesseert zich nergens voor.
- Tu feldre kaf flaju! = Tu feldre kaf eftofpira tiyn! Je zit ergens op!
De vervanging van een zelfst.vnw. door een onb.vnw. + tiyn gebeurt voornamelijk in de spreektaal. Zie ook § 131.6.
73.8
Van drie zelfst.vnw.n zijn abstracte substantieven afgeleid, en wel:
- fitaju > ef fitajutiy
- flâju > ef flâjûiy
- perts > ef pertsiy
|
zoiets > de nietigheid niets > het niets; het vacuüm vele[n] > de veelheid; de overvloed
|
Er bestaat één verbale afleiding, resulterend in een intrans.werkw.:
- fitaju > fitajute zoiets > nietig zijn; onbeduidend zijn
73.9
Attributieve additieven (§ 40.2 A.) kunnen ook een bepaling vormen bij een zelfst.vnw. Het Nederlandse equivalent is dikwijls een relatieve bijzin of een zelfstandig gebruikt adjectief, voorafgegaan door een onb.vnw. Bijvoorbeeld:
- hupster fitaju
- ÿrkamÿr pipar
- huldufit pesa
- geffaliyn perts
- pert lelmos
- tirdus én šûrstor minkers
|
zoiets wat groot is; zoiets groots allen die jong zijn; alle jongen/jongeren menigeen die beroemd is; menige beroemdheid velen die gelukkig zijn; vele gelukkigen veel van deze[n] sommige die kapot en versleten zijn
|
Het zelfst.vnw. stus en de bep.aank.vnw.n crat, hôm, nem en selm kunnen echter niet nader gespecificeerd worden door een additief. Vergelijk ook § 70.43.
73.10
Vocaalwisseling (+ -e) voor de vorming van een ontkenning komt voornamelijk bij additieven voor (§ 41.49-53). Maar ook een aantal voornaamwoorden kennen deze methode. Dit is reeds in § 41.54 aangestipt. Vergelijk:
- flaju ~ flâjû
- rast ~ râst[e]
- crados ~ cradôs[e]
|
iets ~ niets iemand ~ niemand alle[n] ~ geen van alle[n]
|
De vormen met het suffix -e (behalve bij flâjû) zijn algemeen. De varianten zonder -e komen voornamelijk in Ales en Jelafo voor. Dit zijn de gebieden waar vocaalwisseling nog een productief procédé is. Soms komen we een dubbele ontkenning tegen, bijvoorbeeld:
- Râste nert quistarecû fitaju. Niemand kan zoiets goedkeuren.
- Gress nert reppo flâjû. Ik zei niets.
De meeste grammatici keuren dergelijke dubbele ontkenningen af, maar in de spreektaal kunnen zij hun nut hebben, want het minimale verschil tussen een zelfst.vnw. en zijn ontkennende variant is niet altijd duidelijk hoorbaar, vooral niet bij de genitiefafleidingen, vergelijk:
- cradoser ~ cradôser
- raster ~ râster
|
van iedereen ~ van geen van allen van iemand ~ van niemand
|
Zie ook Hoofdstuk 151.
|
De gebrekkige manier waarop computers en printers (nog steeds) met diacritische tekens omgaan en de achteloosheid die velen aan de dag leggen bij het schrijven van een vreemde taal leiden dikwijls tot het negeren van diacritische tekens.
Schrijvers die er niet zeker van zijn of hun Spokaanse tekst wel met de juiste diacritische tekens afgedrukt kan/zal worden, doen er daarom goed aan om bij woorden als flâjû, râster en dergelijke ook in de geschreven taal een dubbele ontkenning te gebruiken.
|
73.11
Een idiomatische uitdrukking wordt gevormd door een nevenschikking met een negatief zelfst.vnw. Bijvoorbeeld:
- Petriy ur râste
- pryltiy ur flâjû
- gress ur cradôse
- panas ur nÿfs
|
niemand behalve Petriy niets dan narigheid geen van allen, behalve ik geen enkele behalve deze[n]
|
- Ef wyzenn tâx-kafpainos ur nÿfs arfine net-chentamiy.
Geen enkele belastingverhoging komt zo onverwacht als de huidige.
Een dergelijke constructie is onmogelijk bij niet-ontkennende zelfst.vnw.n. Let op het betekenisverschil tussen a. en b., waarbij a. analoog aan de voorbeelden in 1. t/m 4. is:
- Petriy ur crados Petriy en allen
- crados hinta Petriy allen behalve Petriy
- gress ur lelpirus ik en anderen
- lelpirus quâ gress anderen dan ik
- do ur perts hij en velen
- perts quâ do velen behalve hij
|
Door zijn idiomatische karakter wordt tâxpainos ur nÿfs niet beschouwd als een element met een extern meervoud, zoals beschreven in § 31.27. Dit is de reden dat het pred.add. net-chentamiy niet voor het meervoud gemarkeerd is met -p of -m (zie Blok 42.23). Vergelijk:
- Ef tâx-kafpainos ur supsiðiy-ðôpainos arfine net-chentamiym.
De belastingverhoging en subsidieverlaging komen onverwacht.
|
|
De a-voorbeelden dienen slechts als vergelijking. Het doet hier daarom niet ter zake dat de betekenis van de a-zinnen soms wat vreemd is.
|
73.12
In § 70.44-47 is behandeld hoe een gereduceerde vorm van een pers.vnw. als suffix achter een voorzetsel kan verschijnen. Ook enkele zelfst.vnw.n kennen een dergelijke clitische vorm, en wel:
- pipar > -pirr
- fitaju > -taju
- jadâk > -jâk
- kâ > -kû
|
alle[n]; alles zoiets ieder[een] deze; dit; die; dat (deiktisch)
|
effers > -effs
lelpirus > -pirrs
minkers > -minnks
panas > -pa
|
enige[n] andere[n] sommige[n] deze; die (contextueel)
|
De gereduceerde zelfst.vnw.n zijn evenals de gereduceerde pers.vnw.n dialectisch (Zuid-Liftka, Tigof en Lomky). Voorbeelden:
- furt pipar = furtpirr
- helkara minkers = 'karaminnks
- kaf fitaju = kaftaju
|
voor alle[n]; voor alles naar sommige[n]/verscheidene[n] op zoiets
|
|
Deze vorm is identiek aan die van het pers.vnw. kâ (Blok 70.41).
|
73.13 Bepalingaankondigende voornaamwoorden
Het Spokaans kent de volgende bep.aank.vnw.n:
| nadruk op gesloten groep personen: | crat | degene[n] die; alle[n] die
| | nadruk op elke mogelijke persoon: | hôm | iedereen die
| | algemeen voor elke entiteit: | nem | degene[n] die; datgene wat
| | nadruk op gesloten groep zaken: | selm | alles wat
|
73.14
Een bep.aank.vnw. vormt een constituent in de hoofdzin en fungeert als antecedent van een zogenaamde anafoor in de erop volgende bijzin. De vorm van deze anafoor wordt door de volgende twee regels bepaald:
- Als het bep.aank.vnw. als zinskern optreedt, wordt de anafoor uitgedrukt met een pers.vnw. 3e persoon óf stus;
- Als het bep.aank.vnw. geen zinskern is, wordt de anafoor uitgedrukt door een betr.vnw.
Daar de bep.aank.vnw.n een enkelvoudig karakter hebben, zullen ook de corefererende anaforen enkelvoudig moeten zijn. Als een anafoor moet verwijzen naar een persoon, komen alleen de pers.vnw.n do (hij) en eup (zij) in aanmerking. Er moet dus altijd een keuze in geslacht gemaakt worden. Deze keuze kan vermeden worden door het geslachtsloze stus te gebruiken. 
Een bep.aank.vnw. wordt nooit voorafgegaan door de determinant ki (die normaliter aangeeft welke constituent als antecedent van een betr.vnw. fungeert, zie § 122.7).
|
In combinatie met hôm kan ook jadâk als anafoor in de bijzin gebruikt worden.
|
73.15
Een Spokaanse constructie met een bep.aank.vnw. wijkt aanzienlijk af van het Nederlandse (of andere Indo-Europese) equivalent. Ter illustratie kan het volgende voorbeeld dienen, waarbij de ondergeschikte bijzin vet is:
- Nem paine fitaju, stus arfine fes ef leld'sért.
Degene die zoiets doet, komt in de gevangenis terecht.
De Spokaanse constructie is opgebouwd uit de zinnen (met X wordt het bep.aank.vnw. gesymboliseerd):
- nem paine flaju X doet zoiets
- stus arfine fes ef leld'sért men komt in de gevangenis terecht
De Nederlandse constructie bestaat daarentegen uit:
- "die zoiets doet"
- "X komt in de gevangenis terecht"
Hoewel in beide talen het bep.aank.vnw. in de hoofdzin verschijnt, is in het Spokaans zin a. de hoofdzin, en in het Nederlands zin b.
73.16
Hieronder zullen met behulp van twee basiszinnen alle mogelijke bep.aank.constructies geanalyseerd worden; in de basiszinnen A. en B. zijn óf de subjectsplaats óf de objectsplaats opengelaten (aangegeven met Ø). Vervolgens wordt een bep.aank.vnw. als lexicaal element in de ene basiszin, en de corefererende anafoor in de andere basiszin geïnserteerd. Dan worden A. en B. tot één zin samengevoegd (na het teken >), zodanig dat de basiszin waarin het bep.aank.vnw. voorkomt, als hoofdzin optreedt, en de andere basiszin als bijzin. Merk op dat er twee verschillende vertalingen (a. en b.) mogelijk zijn als het bep.aank.vnw. niet als zinskern optreedt (zie ook § 124.9-10):
- Ø idequppe eup Ø belazert haar
- Ø cÿrtiro gress Ø heeft mij geholpen
- > Nem idequppe eup, do cÿrtiro gress.
Degene die haar belazert, heeft mij geholpen.
- > Nem cÿrtiro gress, do idequppe eup.
Degene die mij geholpen heeft, belazert haar.
- eup idequppe Ø zij belazert Ø
- Ø cÿrtiro gress Ø heeft mij geholpen
- > Eup idequppe nem, té cÿrtiro gress.
a. Degene die zij belazert, heeft mij geholpen.
b. Zij belazert degene, die mij geholpen heeft.
- > Nem cÿrtiro gress, eup idequppe té.
Degene die mij geholpen heeft, belazert zij/wordt door haar belazerd.
- Ø idequppe eup Ø belazert haar
- gress cÿrtiro Ø ik heb Ø geholpen
- > Nem idequppe eup, gress cÿrtiro do.
Degene die haar belazert, heb ik geholpen/is door mij geholpen.
- > Gress cÿrtiro nem, té idequppe eup.
a. Degene die ik geholpen heb, belazert haar.
b. Ik heb degene geholpen, die haar belazert.
- eup idequppe Ø zij belazert Ø
- gress cÿrtiro Ø ik heb Ø geholpen
- > Eup idequppe nem, gress cÿrtiro té.
a. Degene die zij belazert, heb ik geholpen/is door mij geholpen.
b. Zij belazert degene, die ik geholpen heb.
- > Gress cÿrtiro nem, eup idequppe té.
a. Degene die ik geholpen heb, belazert zij/wordt door haar belazerd.
b. Ik heb degene geholpen, die zij belazerd heeft.
Merk op dat er in het Nederlands vaak de voorkeur aan een passieve variant gegeven wordt, zoals in (4) en (8a). Dikwijls is zo'n passieve vorm gewenst om ambiguïteit op te heffen.
|
In de volgende constructie is niet duidelijk of Piet en de agent nu subject of object zijn: Degene die Piet hielp, heeft de agent beledigd. Deze zin kan 4 dingen betekenen (A = agens); P = patiens):
- DegeneA die PietP hielp, heeft de agentP beledigd.
- DegeneA die PietP hielp, is door de agentA beledigd.
- DegeneP die door PietA geholpen werd, heeft de agentP beledigd.
- DegeneP die door PietA geholpen werd, is door de agentA beledigd.
Voor de dubbel-ambigue Nederlandse zin zijn dan ook vier verschillende Spokaanse vertalingen noodzakelijk (namelijk de equivalenten van 1. t/m 4.).
|
73.17
Nem is het minst gemarkeerde bep.aank.vnw. Het kan zowel aan personen als aan zaken en dieren refereren, en refereert alleen binnen het domein van de bep.aank.constructie. In tegenstelling tot de andere bep.aank.vnw.n (zie de paragrafen hierna) ontbreekt bij nem elke associatie met een buitentalige werkelijkheid:
- Nem melde ðobo, Lerdu paine ef.
Dat wat verkeerd is, doet Lerdu/wordt door Lerdu gedaan.
- Lerdu paine nem, té melde ðobo.
a. Dat wat Lerdu doet, is verkeerd.
b. Lerdu doet dat wat verkeerd is.
Zin (1) drukt uit dat als er ooit sprake is van een verkeerde handeling of daad, Lerdu deze dan ook zal verrichten. Variant (2) drukt uit dat, áls Lerdu een daad of handeling verricht, dit een verkeerde daad of handeling is.
- Elsa linne nem, eup nert pónsecû té.
a. Datgene wat Elsa vraagt, kan ze niet krijgen.
b. Elsa vraagt datgene wat ze niet krijgen kan.
of
a'. Degene die door Elsa gevraagd wordt, kan ze niet krijgen.
b'. Elsa vraagt degene die ze niet krijgen kan.
Zin (3) drukt uit, dat, áls Elsa iets/iemand wil hebben, het dan blijkt dat ze het/hem niet kan krijgen.
|
Deze zin is ambigu, want nem kan zowel aan een zaak als aan een persoon refereren. Als Elsa om iets abstracts zou vragen (bijv. rovretos (liefde)), moet het betr.vnw. sem gebruikt worden, en dan is de ambiguïteit opgeheven, want sem kan nooit aan een persoon refereren.
|
73.18
In de volgende voorbeelden is elke entiteit van een label voorzien. Let op de twee verschillende vertalingen die er van (1) mogelijk zijn:
- DoA zaare nemB, téB ef pitterC kuntiyre.
a. Degene dieB hijA uitscheldt, heeft de fietsC gestolen.
b. HijA scheldt degene dieB de fietsC heeft gestolen, uit.
Het mogelijke verschil dat er tussen de vertalingen a. en b. bestaat, wordt in het Spokaans geëlimineerd. Het bep.aank.vnw. nem kent ook een genitiefvorm. De betekenis hiervan wordt duidelijk als wij (1) en (2) met elkaar vergelijken, waarbij gewezen moet worden op het feit dat de vertaling (2a), die analoog is aan (1a), nu tot een onjuiste stand van zaken leidt.
- DoA zaare nemerB frintD, téB ef pitterC kuntiyre.
a. * De vriendD van degene dieB hijA uitscheldt, heeft de fietsC gestolen.
b. HijA scheldt de vriendD van degene dieB de fietsC heeft gestolen, uit.
In (2a) geldt:
* A scheldt B uit (het Spokaans zegt echter: A scheldt D uit)
B heeft vriend D (dit is correct)
* D heeft C gestolen (het Spokaans zegt echter: B heeft C gestolen)
In (2b) geldt:
A scheldt D uit
B heeft vriend D
B heeft C gestolen
|
Vergelijk de genitief:
- Do zaare sener sourer frint. Hij scheldt de vriend van zijn zus uit.
Het feitelijke object bij zaare is niet de genitiefbepaling sourer, maar het fundament frint. Zie ook § 60.1.
|
73.19
Bij het bep.aank.vnw. crat wordt er gerefereerd aan een gesloten groep personen voor wie de bep.aank.constructie geldt. Stel dat zin (1) een mededeling is in een advertentie; dan kan er aan een gesloten groep personen gedacht worden die gevormd wordt door de lezers van deze advertentie:
- Crat sen fesstinde futtof 1 septembry, stus pónze 10% lo oibâniy.
Allen die zich inschrijven vóór 1 september, krijgen 10% korting.
In (2) kan de gesloten groep personen bestaan uit alle misdadigers die voor verbanning in aanmerking komen, en in (3) uit allen die tot mijn kenniskring behoren:
- Ef tangodâm prusate cratte, té perde sener rigts.
a. Allen die de regering verbant/die door de regering verbannen worden, verliezen
hun rechten.
b. De regering verbant allen die [dan] hun rechten verliezen.
- Crat cÿrtiravy gress, gress lelperre eft mindoh pamel fân eup.
Voor allen die mij willen helpen, heb ik een leuk cadeautje.
|
Het enkelvoudige crat eist sen (en niet sena). Door het geslachtloze stus wordt voorkómen dat er een keuze tussen do of eup gemaakt moet worden; deze keuze zou betekenen dat de korting alleen geldt voor óf mannen (do) óf vrouwen (eup).
|
|
De sequentiële uitdrukking "dan" is hier aan het Nederlandse equivalent toegevoegd, om uit te drukken dat "het verlies van rechten" een gevolg is van de "verbanning". Vergelijk ook voorbeeld (2) in § 73.22.
|
|
Crat wordt in de bijzin gevolgd door eup (zij). Met "allen" worden dus slechts vrouwelijke personen bedoeld (het kan er ook één zijn).
|
73.20
Bij het bep.aank.vnw. hôm wordt er gerefereerd aan elke mogelijke persoon die er op aarde rondloopt. Het is een emfatische variant van het meer neutrale nem (voor zover nem aan personen refereert). Deze emfase kan nog verder versterkt worden door als anafoor jadâk (iedereen) te kiezen:
- Hôm paine fitaju, stus/jadâk tjelfelije pai ef lacs.
Iedereen die zoiets doet, wordt door de wet gestraft.
- Stus linne ón hôm, té nert tiffe ef vertaros.
Aan wie je/men het ook vraagt, men weet het antwoord niet.
(lett. "iedereen aan wie men vraagt, weet het antwoord niet")
- Lelpirus ÿazje ón hôm, Lerdu reéde piti té.
a. Aan iedereen tegen wie anderen onderdanig zijn, ergert Lerdu zich.
b. Anderen zijn onderdanig tegen iedereen, aan wie Lerdu zich ergert.
73.21
Bij het bep.aank.vnw. selm wordt er gerefereerd aan een gesloten groep zaken of dieren waarvoor de bep.aank.constructie geldt. Bij zin (1) moeten we ons voorstellen dat er een verzameling "dingen" bestaat die Lerdu eventueel kan doen. Als zo'n "ding" verkeerd is, doet hij het ook daadwerkelijk:
- Selm melde ðobo, Lerdu paine ef.
Alles wat verkeerd is, doet Lerdu/wordt door Lerdu gedaan.
Vergelijk dit met (2), waarin zo veel gezegd wordt als: er bestaat een verzameling "dingen" die eventueel verkeerd kunnen zijn. Als Lerdu zo'n "ding" doet, is het ook daadwerkelijk verkeerd:
- Lerdu paine selm, té melde ðobo.
a. Alles wat Lerdu doet, is verkeerd.
b. Lerdu doet alles wat verkeerd is.
Zie ook het gebruik van nem in (1) en (2) in § 73.17.
73.22
Er bestaat een duidelijk onderscheid tussen constructies met een relatieve bijzin die aan een bep.aank.vnw. refereert, en constructies met een bijzin die aan een ander soort element dan een bep.aank.vnw. refereert.
Vergelijk (1) (herhaling van (2) uit § 73.19) met (2), waarin het bep.aank.vnw. crat vervangen is door het zelfst.vnw. cratiyn:
- Ef tangodâm prusate cratte, té perde sener rigts.
a. Allen die de regering verbant/die door de regering verbannen worden, verliezen
hun rechten.
b. De regering verbant allen die [dan] hun rechten verliezen.
- Ef tangodâm prusate ki cratiyn, té perde sener rigts.
De regering verbant allen, die hun rechten verliezen.
In (1) is er een directe consecutieve relatie tussen de hoofdzin met cratte en de relatieve bijzin met té: de verbanning heeft tot direct gevolg dat de bedoelde groep personen hun rechten kwijt zijn.
In (2) fungeert de relatieve bijzin als bepaling bij cratiyn: er is sprake van een groep personen die om de een of andere reden hun rechten verliezen, en deze groep personen wordt door de regering verbannen.
|
Merk op dat het antecedent cratiyn met ki gemarkeerd moeten worden omdat het geen kernfunctie heeft. Zie § 122.7.
|
|
In (2) kan de bijzin ook in de definitieve tijd staan:
- Ef tangodâm prusate ki cratiyn, té [enn] sener rigts perde.
De regering verbant allen, die hun rechten hebben verloren.
Ofwel: een groep mensen die hun rechten (om de een of andere reden) hebben verloren, worden nu door de regering verbannen. In (1) is zo'n definitieve tijd niet mogelijk, want het verliezen van de rechten is juist een gevolg van het verbannen.
|
73.23
Vergelijk: in (1) staat een bep.aank.vnw. en in (2) staat een pers.vnw.:
- Petriy chaquinde lef nem, té ef âpip dakre.
a. Degene met wie Petriy praat, heeft de agent beledigd.
b. Petriy praat met degene die de agent beledigd heeft.
- Petriy chaquinde lef ki do, té ef âpip dakre.
Petriy praat met hem, die de agent beledigd heeft.
In (1) is sprake van "interne referentie": nem refereert niet aan enige persoon die eerder in de context ter sprake is gekomen of die in de buitentalige werkelijkheid te traceren valt. Het enige wat nem doet is een persoon introduceren die geïdentificeerd kan worden als "de persoon die de agent beledigd heeft". Semantisch gezien wordt chaquinde hier gevolgd door een voorzetselbepaling met de volgende structuur:
- lef {rast ef âpip dakre} met {iemand heeft de agent beledigd}
In (2) is sprake van een "externe referentie": do refereert aan een persoon die eerder in de context ter sprake is gekomen of die in de buitentalige werkelijkheid te traceren valt. Deze persoon is dus reeds geïdentificeerd, maar wordt nader omschreven als "degene die de agent beledigd heeft". Semantisch gezien wordt chaquinde hier gevolgd door een voorzetselbepaling met de volgende structuur:
- lef do {ur do ef âpip dakre} met hem {en hij heeft de agent beledigd}
|
Merk op dat het antecedent do met ki gemarkeerd moeten worden omdat het geen kernfunctie heeft. Zie § 122.7.
|
73.24
Het fundamentele onderscheid tussen een bep.aank.vnw. enerzijds, en een zelfst.vnw. of pers.vnw. anderzijds (zoals in de vorige twee paragrafen uiteengezet) komt ook tot uitdrukking in de genitiefconstructies die van dergelijke elementen zijn afgeleid. Vergelijk (1) (herhaling van (2) uit § 73.18) met (2) waarin de genitief van het zelfst.vnw. rast (iemand) is opgenomen:
- Do zaare nemeri frintj, téi ef pitter kuntiyre.
Hij scheldt de vriend uit van degene die de fiets heeft gestolen.
- Do zaare ki jadâkeri frintj, téj ef pitter kuntiyre.
Hij scheldt iemands vriend uit, die de fiets heeft gestolen.
In (1) is de fiets gestolen door de persoon waaraan nemer refereert, ofwel té en nemer zijn coreferentieel. In (2) daarentegen is de fiets gestolen door de persoon waaraan frint refereert, ofwel té en frint zijn coreferentieel (de coreferentialiteit is met subscripten uitgedrukt).
|
Merk op dat het antecedent jadâker frint met ki gemarkeerd moet worden omdat het geen kernfunctie heeft. Zie § 122.7.
|
|