Een complete Nederlands-
talige grammatica van het
Spokaans, geschreven
vanuit een Nederlands
perspectief.

Grammatica van het Spokaans

Home       Inhoud       Registers       Hoofdmenu SPARC       Taalmenu SPARC


<< Hoofdstuk 71 | Hoofdstuk 73 >>

7. Substantief-vervangende voornaamwoorden

72. Wederkerende en wederkerige voornaamwoorden


Opbouw van dit hoofdstuk:
  1. Wederkerende (reflexieve) voornaamwoorden
  2. Wederkerige (reciproke) voornaamwoorden
Blokken:

72.1

In dit hoofdstuk komen aan de orde:

  1. wederkerende (reflexieve) voornaamwoorden (wed.vnw.; vanaf § 72.2)
  2. wederkerige (reciproke) voornaamwoorden (wig.vnw.; vanaf § 72.38)

72.2   ad § 72.1   A. Wederkerende voornaamwoorden

Het Spokaans kent ACTIEVE en PASSIEVE wed.vnw.n. Van de actieve bestaat een resultatieve afleiding. Bij wed.vnw.n wordt zo goed als geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende personen, geslachten en categorieën. Alleen voor een abstract (en soms voor een concreet onbezield oftewel zakelijk) antecedent bestaat een aparte vorm. Het een en ander blijkt uit Blok 72.3. Als het antecedent STOFFELIJK is, kan er zowel een enkelvoudig als een meervoudig wed.vnw. gebruikt worden.

72.3

Een ê geeft aan dat dit een paragogische e is, uitgesproken als [ê], waarbij de onmiddellijk hieraan voorafgaande vocaal verlengd wordt (dus efae wordt uitgesproken als [efa:wê], zie ook § 61.11-12).

Wederkerende voornaamwoorden
persoon actief
wed.vnw.
resultatieve
afleiding
passief
wed.vnw.
enkelvoud
1
2
 
3
 
 
 
 
 
 
fam.
bel.
C
 
 
 
S
A +
 
 
 
mn.
vr.
nt.
zk.
 
SC
|
|
|
| sen
|
|
frart; sen
sen[a]
efa
|
|
|
| senne
|
|
|
senne; senaê  
efaê
|
|
|
|
| prap
|
|
|
|
meervoud
1
2
 
3
 
 
 
 
 
 
fam.
bel.
C
 
 
 
S
A +
 
 
 
mn.
vr.
nt.
zk.
 
SC
|
|
|
| sena
|
|
|
sen[a]
efa
|
|
|
| senaê
|
|
|
senne; senaê
efaê
|
|
|
|
| prap
|
|
|
|

72.4

Het Spokaans kent veel werkwoorden die altijd een wed.vnw. eisen. Dit worden de inherent wederkerende werkwoorden (wed.werkw.n) genoemd; zij kunnen zowel transitief als intransitief zijn. De Nederlandse equivalenten zijn alle intransitief en hebben dus een voorzetselbepaling in plaats van een object. Bovendien zijn diverse Nederlandse equivalenten in tegenstelling tot de Spokaanse vormen niet wederkerend.
Bij de volgende voorbeelden van inherent wed.werkw.n betekent ×: transitief. Merk op dat 'zich' vertaald wordt door het passieve wed.vnw. prap. Dit is gebruikelijk bij infinitieven (en de zg. woordenboekvorm; zie ook § 72.29).

  • prap fesoume luft
  • prap gre-zléf
  • prap kafabarite ×
  • prap kanase armt
  • prap ljomge ×
  • prap na'ôfe ×
  • prap ocÿrme
  • prap otrefare ×
  • prap panôzjece ×
  • prap sôlisitere tukst
  • prap taffe rifo
  • prap tejône fes
  • prap wâfersence
  • prap ynt-pôrpe
    zich overgeven aan
    vastlopen (v. rem, schroef)
    zich vergewissen van
    deel uitmaken van
    zich toewijden aan
    zich vergissen in
    zich gedragen
    zich verzetten tegen
    zich verheugen in
    solliciteren naar
    zich bemoeien met
    verknocht zijn aan
    zich bevinden
    watertanden

72.5

Enkele toepassingen:

  • Ef pramsz sena gra-zléf.   De remmen zijn vastgelopen.
  • Ef kâmpaliy frart/sen kanase armt eft hupster zirrot-sentrym.
    De camping maakt deel uit van een groot vakantie-centrum.
  • Kirro sena do na'ôfe. Noot 1   We hebben ons in hem vergist.
  • Tu sen ocÿrme tildâ.   Je gedraagt je slecht.
  • Gress sen groft obléskrosz nert otrefare. Noot 1
    Ik heb me niet tegen zijn opvattingen verzet.
  • Mariy ur Elsa sena taffe rifo kost ÿrôm.
    Mariy en Elsa bemoeien zich met mijn werk.
  • Ef Bribâbof-korda frart/sen wâfersence ber Hirdo.
    De Bribâbof-kerk bevindt zich in Hirdo.

Zoals uit bovenstaande voorbeelden blijkt, komt het wed.vnw. onmiddellijk achter de zinskern, die in deze gevallen telkens het subject is waarmee het wed.vnw. corefeert. In § 72.25 zal blijken dat ook het passieve wed.vnw. onmiddellijk achter de zinskern komt, hoewel deze kern dan het object is, waarmee het wed.vnw. dan juist niet corefereert.


Noot 1 Do ([in] hem) en groft obléskrosz (zijn opvattingen) zijn de objecten en staan vóór het predikaat om de definitieve tijd uit te drukken (§ 90.4).

72.6

Bij niet-inherent wed.werkw.n vervangt een wed.vnw. het object, als dit object corefereert met het subject. Vergelijk:

  1. Óps lukte eup.   Zij wassen haar.
  2. Óps sena lukte.   Ze wassen zich[zelf].

  1. Ef koifur râše vita ef meraters.   De kapper scheert de mannen snel.
  2. Ef koifur sen râše vita.   De kapper scheert zich snel.

  1. Ef pilot rozjepe ef plano.   De piloot bestuurt het vliegtuig.
  2. Ef plano frart/sen rozjepe.   Het vliegtuig bestuurt zichzelf.

  1. Gress tu nert invóbe. Noot 1   Ik heb jou niet uitgenodigd.
  2. Gress sen nert invóba. Noot 2   Ik heb mezelf niet uitgenodigd.


Noot 1 Het object tu staat vóór het predikaat en drukt aldus een definitieve tijd uit.

Noot 2 Omdat sen geen object is, en bovendien altijd vóór het predikaat staat, drukt het in deze positie geen definitieve tijd uit. Vandaar dat hier het suffix -a gekozen is om de definitieve tijd aan te geven.

72.7

Veel transitieve werkwoorden kunnen ook intransitief gebruikt worden, zodanig dat er een ergatieve relatie ontstaat tussen de transitieve en intransitieve variant. Dit betekent dat het object bij het trans.werkw. nu subject bij het intrans.werkw. wordt. In het Spokaans is deze intransitieve variant altijd wederkerend. Vergelijk:

  1. Do knocire ef fijânta.   Hij roostert het vlees.
  2. Ef fijânta sen knocire.   Het vlees roostert.

  1. Elsa tjonde ef knurfel.   Elsa kookt het water.
  2. Ef knurfel sen tjonde.   Het water kookt.

  1. Petriy piylase ef kornin.   Petriy scheurt het papier.
  2. Ef kornin sen piylase.   Het papier scheurt.

  1. Kirro gyre ef argerat.   Wij openen de deur.
  2. Ef argerat sen gyre.   De deur gaat open/opent zich.

Voor al deze werkwoorden geldt dat zij primair transitief zijn. De transitiviteit wordt als het ware opgeheven (zij worden gedetransitiviseerd) door de toevoeging van een wed.vnw.

72.8

Er zijn ook werkwoorden die primair transitief en intransitief zijn. Deze hoeven bij een ergatieve relatie niet gedetransitiviseerd te worden zodat een wed.vnw. achterwege kan blijven. Bijvoorbeeld:

  1. Gress gre ef trôchâ.   Ik draai het wiel rond.
  2. Ef trôchâ gre.   Het wiel draait.

  1. Tek tasse ef vasa.   Tek laat de vaas vallen.
  2. Ef vasa tasse.   De vaas valt.

72.9

Bovendien kennen veel trans.werkw.n een intransitief equivalent. In dat geval is detransitivering van het trans.werkw. evenmin noodzakelijk. Vergelijk:

  1. Gress lâgyne ef fijânta.   Ik braad het vlees.
  2. Ef fijânta gyne.   Het vlees braadt.

  1. Do tylpe ef gumbâl kura ef mirra.   Hij rolt de bal over straat.
  2. Ef gumbâl rôle kura ef mirra.   De bal rolt over straat.

Maar hiermee hebben we het onderwerp "wed.vnw.n" verlaten en zijn we bij de stof van Hoofdstuk 80 (verbale categorieën) aangeland.

72.10

Soms kent het Spokaans een apart werkwoord voor het geval dat subject en object coreferentieel zijn. Dergelijke werkwoorden zijn uit semantisch oogpunt wederkerend, maar dit wordt niet uitgedrukt in de oppervlaktestructuur. Zij worden wel intrinsiek wed.werkw.n genoemd. In a. staat een intrinsiek wed.werkw. en in b. een equivalent waarbij subject en object niet-coreferentieel zijn:

  1. Do nert elleritavy.   Hij wil zich niet verontschuldigen.
  2. Do nert idejotavy gress.   Hij wil mij niet verontschuldigen.

  1. Kirro pârule tnefer furt ef cârnval.   We dossen ons vreemd uit voor het carnaval.
  2. Eup kâle sener belt-waler lo tnefer.   Ze dost haar zoontje vreemd uit.

72.11

De trans.werkw.n in b. hierboven kunnen ook wederkerend gebruikt worden, zodanig dat zij synoniem worden met de werkwoorden uit a.:

  1. Do sen nert idejotavy.   Hij wil zich niet verontschuldigen.
  1. Kirro sena kâle tnefer furt ef cârnval.   Wij dossen ons vreemd uit voor het carnaval.

Onder meer Kojen-Pôt (1980) en Undoryll-Sjocc (1975) keuren d. af omdat zij veel waarde hechten aan het principe van verdringing, dat in algemene termen hierop neer komt: een productief procédé vervalt als een improductief procédé tot hetzelfde resultaat leidt.
In d. is sprake van een productief procédé: toepassing van een wed.vnw. als object en subject corefereren.
In a. (§ 72.10) is sprake van een improductief procédé: gebruik van een intrinsiek wed.werkw. als object en subject corefereren.

72.12

In de b-zinnen hieronder staan transitieve werkwoorden, die naast het object nog een voorzetselbepaling of een echo regeren. Het zijn dus feitelijk drieplaatsige werkwoorden (zie Hoofdstuk 141). In de a-zinnen vinden we een variant met een intrinsiek wed.werkw., waarbij het begrepen object noch als object noch als wed.vnw. in de oppervlaktestructuur verschijnt. Er is bij zulke werkwoorden feitelijk een "objectsplaats" onbezet, en dit leidt ertoe dat de elementen die in de b-zinnen als voorzetselbepaling of als echo moesten verschijnen, nu als "echt" object kunnen verschijnen. Er is nu sprake van tweeplaatsige werkwoorden. Vergelijk:

  1. Gress kjôndare ef prest.   Ik meld me aan bij de directeur.
  2. Gress kjônde do luft ef prest.   Ik meld hem aan bij de directeur.

  1. Kirro tijâwente ef kasz.   Wij ontdoen ons van onze jas.
  2. Kirro idelelde óps mip hift kasz.   Wij ontdoen hen van hun jas.

  1. Do riješare ef grup.   Hij voegt zich bij de groep.
  2. Do riješe gress luft ef grup.   Hij voegt mij bij de groep.

  1. Gress wâcce ef stûðos.   Ik wijd mij aan de studie.
  2. Gress late cradef terrats ón ef stûðos. Noot 1   Ik wijd alle dagen aan de studie.


Noot 1 Hier is feitelijk geen sprake van een voorzetselbepaling maar van een met de determinant ón gemarkeerde echo.

72.13

De trans.werkw.n in b. (§ 72.12) kunnen eventueel wederkerend gebruikt worden, zodanig dat zij synoniem zijn met de werkwoorden in a. De voorzetselbepaling blijft echter behouden:

  1. Gress sen kjônde luft ef prest.   Ik meld me aan bij de directeur.
  1. Kirro sena idelelde mip ef kasz.   Wij ontdoen ons van onze jas.
  1. Do sen riješe luft ef grup.   Hij voegt zich bij de groep.
  1. Gress sen late ón ef stûðos.   Ik wijd mij aan de studie.

De grammatici die in § 72.11 de d-zinnen afkeurden omdat het principe van verdringing genegeerd wordt, zullen ook nu d. afkeuren. Zie verder § 80.4 en § 80.14.

72.14

Bij sommige intrinsiek wed.werkw.n ontbreekt het transitieve equivalent zoals bedoeld in de b-zinnen van § 72.10 en § 72.12. Als subject en object niet-coreferentieel zijn, zullen we onze toevlucht moeten nemen tot een omschrijving. Bijvoorbeeld:

  1. Gress âbonemere fes Amagene. Noot 1   Ik abonneer me op de Amagene.
  2. Gress kette eft Amagene-âbonementa ón Petriy.   Ik abonneer Petriy op de Amagene.
    (lett. "ik geef een A.-abonnement aan Petriy")


Noot 1 Progressief landelijk ochtendblad, oorspronkelijk geheten Amahagge-Generâl.

72.15

Veel werkwoorden die in het Nederlands wederkerend zijn, zijn dat in het Spokaans niet. Bij de volgende voorbeelden zijn de transitieve werkwoorden aangeduid met ×:

  • armtijabie ×
  • erre
  • fesksenpe
  • géšiyðe ump
  • lare ×
  • psétlacare ×
  • realisere
  • reéde piti rast
  • upjôce ×
  • vârpje ×
    zich opdringen [aan]; opdringerig zijn
    zich vergissen
    zich misdragen
    zich bezinnen op
    zich inleven in
    zich aftekenen tegen
    zich afspelen; gebeuren
    zich ergeren aan iemand
    zich inbeelden
    zich begeven naar

72.16

Enkele toepassingen:

  • Gress géšiyðe ump oggo.   Ik bezin mij op wraak.
  • Ef xnep ÿrras psétlacare ef avyro.   De kale takken tekenen zich tegen de hemel af.
  • Kirro vârpje ef garrent.   Wij begeven ons naar het station.

72.17

Als wij de intrinsiek wed.vnw.n uit § 72.10-14 vergelijken met de niet-wederkerende werkwoorden uit § 72.15, kunnen wij ons afvragen waardoor een intrinsiek wed.werkw. zich van andere werkwoorden onderscheidt.
Er zijn drie belangrijke argumenten om intrinsiek wederkerende werkw.n als aparte groep te beschouwen:

  1. "Intrinsiek wederkerend" is een semantische eigenschap: de betekenis van deze werkwoorden is zodanig dat "het subject iets doet waar een object bij nodig is";
  2. Er bestaat een transitief equivalent voor het geval object en subject niet-coreferentieel zijn; Noot 1
  3. Er werden in het Oerspokaans (en nu ook nog wel in het Garosisch) vaak typische objects-kenmerken aan een subject van een intrinsiek wed.werkw. toegekend (zoals toevoeging van de objectsdeterminant enn of resultatiefvorming).


Noot 1 Bovendien is er dikwijls morfologische verwantschap tussen deze twee equivalenten; zo is kjôndare (zich aanmelden) met het suffix -are afgeleid van kjônde (aanmelden). Zie ook § 83.23.
Merk op dat âbonemere geen transitief equivalent kent, en toch als intrinsiek transitief beschouwd wordt. Hier geeft het semantische argument in 1. de doorslag.

72.18

Een actief wed.vnw. kan ook gebruikt worden indien een echo en het subject coreferentieel zijn. De echo-markering ón valt bij het gebruik van een wed.vnw. weg. Vergelijk:

  1. a. Do kette ef mimpit ón Quny.
    b. Do sen kette ef mimpit.

  2. a. Gress siytinte ón Elsa.
    b. Gress sen siytinte.
    Hij geeft het boek aan Quny.
    Hij geeft het boek aan zichzelf.

    Ik mopper op Elsa.
    Ik mopper op mijzelf.

Dat in (1b) sen als echo-vervangend en niet als object-vervangend geïnterpreteerd moet worden, komt omdat er reeds een object (ef mimpit) aanwezig is.
Dat in (2b) sen als echo-vervangend en niet als object-vervangend geïnterpreteerd moet worden, komt omdat siytinte een echo-transitief werkwoord is (dat nooit een object bij zich kan hebben, zie § 80.6).

72.19

Een actief wed.vnw. kan een echo niet vervangen als bij een volledig trans.werkw. een object ontbreekt. Want in dat geval zal een wed.vnw. immers in eerste instantie als object-vervangend geïnterpreteerd worden. Vergelijk (ob = object-vervangend; ec = echo-vervangend):

  1. Ef jakâmkiy luftiffe ef ôrešys ón ef jabâr.
    De veldheer wijst de soldaten aan de koning toe.
  2. Ef jakâmkiy senob luftiffe ón ef jabâr.
    De veldheer wijst zichzelf aan de koning toe.
  3. Ef jakâmkiy senec luftiffe ef ôrešys.
    De veldheer wijst de soldaten aan zichzelf toe.
  4. Ef jakâmkiy senob luftiffe.
    De veldheer wijst zichzelf toe.
    (en niet: * De veldheer wijst [iets] aan zichzelf toe.)

  1. Ef groller trânsformere ef 'jan ón eft fors.
    De heks verandert de jongen in een kikker.
  2. Ef groller senob trânsformere ón eft fors.
    De heks verandert zichzelf in een kikker.
  3. Ef groller senec trânsformere ef 'jan.
    De heks verandert de jongen in zichzelf. (de jongen krijgt de gedaante van de heks)
  4. Ef groller senob trânsformere.
    De heks verandert zichzelf. (en niet: * De heks verandert in zichzelf.)

72.20

Soms drukt een actief wed.vnw. iets anders uit dan een coreferentie van subject en object. Zo wordt sena in de volgende gevallen wederkerig gebruikt. In feite is sena hier synoniem met wâlkân of hédân (elkaar) (Blok 72.39):

  • Kirro sena turrare.
  • Óps sena méto kvâ.
    Wij tutoyeren elkaar.
    Ze hebben elkaar nooit ontmoet.

Ook kan een wed.vnw. soms een passief uitdrukken. Vergelijk:

  1. Óps dûccle ef veldur-inéchosz.   Zij schenden de mensenrechten.
  2. Ef veldur-inéchosz efa dûccle.   De mensenrechten worden geschonden.

  1. Do axe ef vilduls.   Hij hakt de bomen om.
  2. Ef vilduls sena axe.   De bomen worden omgehakt.

  1. Do nert ÿrslompog ef fotel.   Hij mag de fout niet toegeven.
  2. Ef fotel frart/sen nert ÿrslompog.   De fout mag niet toegegeven worden.

Een wederkerende constructie wordt alleen dan als passief geïnterpreteerd als een wederkerende interpretatie semantisch gezien vreemd of onmogelijk is. In de praktijk zijn het voornamelijk zakelijke of abstracte entiteiten die als subject in dergelijke wederkerende constructies optreden.

72.21

Bij een aantal werkwoorden is de passieve interpretatie idiomatisch bepaald. Deze werkwoorden kunnen nooit zonder wed.vnw. gebruikt worden, en zijn dus inherent wederkerend (§ 72.4), of in semantisch opzicht: inherent passief. Bijvoorbeeld:

  • prap funte tukst
  • prap paneffe
  • prap wertknôfe
    beschouwd worden als
    geschonden worden (fig)
    ruchtbaar worden

Toepassingen:

  1. Do sen funte tukst eft hupster artiys. Noot 1   Hij wordt als een groot artiest beschouwd.
  2. Ef veldur-inéchosz efa paneffe. Noot 2   De mensenrechten worden geschonden.


Noot 1 Vergelijk:

  • Do sen cônsidere lo eft hupster artiys.   Hij beschouwt zichzelf als een groot artiest.

Noot 2 Zie ook § 72.20.

72.22

De idiomatische passieven zoals bedoeld in § 72.21 missen altijd een agens. Zodra uitgedrukt moet worden "door wie" de handeling verricht wordt, is een "echt" passief noodzakelijk. Noot 1 Vergelijk (1) en (2) met:

  1. Do cônsiderelije pai Mariy lo eft hupster artiys.
    Hij wordt door Mariy als een groot artiest beschouwd.
  2. Ef veldur-inéchosz dûcclelije pai ef tangodâm.
    De mensenrechten worden door de regering geschonden.


Noot 1 Een "echt" passief kan ook zonder agens (= subject) geconstrueerd worden (zie Hoofdstuk 91), bijvoorbeeld:

  • Blul cônsiderelije do lo eft hupster artiys.   Hij wordt als een groot artiest beschouwd.
  • Blul dûcclelije ef veldur-inéchosz.   De mensenrechten worden geschonden.

Het feit dat deze agensloze passieven exact hetzelfde betekenen als (1) en (2) in § 72.21, is een reden om ook bij (1) en (2) van "passiefconstructies" te spreken.


72.23

Indien een werkwoord een resultatief object eist, zal er ook een resultatief wed.vnw. nodig zijn, indien het object hiervoor plaats moet maken. Zie ook § 62.17, en vergelijk a. (trans.werkw.) met b. (wederkerende variant):

  1. Ef tómaros vasso ef yplemerot.   Het onweer heeft de verbinding verbroken.
  2. Ef yplemeros senne vasso.   De verbinding heeft zichzelf verbroken.

  1. Kirro haseberme Rinâss.   We komen met Rinâs in conflict.
  2. Kirro senae haseberme.   We komen met onszelf in conflict.

72.24

Ook andere werkwoorden kunnen bij wederkerend gebruik een resultatief wed.vnw. krijgen. Vergelijk:

  1. Óps sena šote.   Ze schieten [op] zichzelf.
  2. Óps senae šote.   Ze schieten zich[zelf] dood.

  1. Ef otorater sen axe.   De robot hakt in zich zelf/op zichzelf in.
  2. Ef otorater senne axe.   De robot hakt zichzelf aan stukken.

Een wed.vnw. kan dus alleen een resultatieve vorm krijgen als het objectvervangend is. Bij inherent wed.werkw.n (§ 72.4) zijn de wed.vnw.n echter niet objectvervangend; hier is de resultatief dus onmogelijk.

72.25

Het passieve wed.vnw. prap wordt gebruikt zodra het bijbehorende subject geen kernfunctie meer vervult. Dit is per definitie het geval in een passieve zin (§ 90.3). Bijvoorbeeld (b. is de passieve variant van a.):

  1. Gress sen nert otrefare groft obléskrosz.   Ik verzet me niet tegen zijn opvattingen.
  2. Groft obléskrosz prap nert otrefarelije pai gress.   Tegen zijn opvattingen verzet ik me niet.
    (lett. "... wordt door mij niet mezelf verzet")

  1. Kirro sena na'ôfe Elsaex ef splônjosz. Noot 1   Wij vergissen ons in Elsa's bedoelingen.
  2. Elsaex ef splônjosz prap na'ôfelije pai kirro.   In Elsa's bedoelingen vergissen we ons.
    (lett. "... wordt door ons onszelf vergist")

  1. Uder sen miptreske ón Rinâs.   Uder slooft zich uit voor Rinâs.
  2. Rinâs prap miptreskelitâ pai Uder.   Voor Rinâs slooft Uder zich uit.
    (lett. "R. wordt door U. zich uitgesloofd")

  1. Ef groller sen trânsformere ón eft fors. Noot 2   De heks verandert zich in een kikker.
  2. Eft fors prap trânsformerelitâ pai ef groller.   In een kikker verandert de heks zich.
    (lett. "een kikker wordt door de heks zich veranderd")


Noot 1 Zie ook § 72.4.
Noot 2 Zie ook § 72.19.

Merk op dat de Nederlandse equivalenten van dergelijke wederkerende constructies nooit een object bevatten, en daarom nooit een passieve variant kennen.

72.26

Evenals het actieve, komt ook het passieve wed.vnw. (prap) onmiddellijk achter de kern. Een actief wed.vnw. is altijd coreferentieel met deze kern (omdat dat tevens het subject is). Een passief wed.vnw. is juist niet coreferentieel met de kern (omdat de kern nu object of echo, maar geen subject, is). Roseline Tiffug-Queriðe (1983) wijst op de semantische overeenkomst die er bestaat tussen een pers.vnw. 2e niveau en een passief wed.vnw.: beide drukken expliciet uit dat de coreferentie tussen subject en object afwezig is. Vergelijk:

  1. Doi seni miptreske ón zirrelj.   Hiji slooft zichi voor hemj uit.
  2. Doi prapj miptreskelitâ pai zirrelj.   Voor hemi slooft hijj zichj uit.

Zou in zin a. zirrel vervangen worden door do, dan is de zin ongrammaticaal, omdat de beide do's niets anders kunnen uitdrukken dan dat subject en object corefereren. Zou in zin b. prap vervangen worden door sen, dan is ook deze constructie ongrammaticaal, omdat sen dan abusievelijk met het subject corefereert:

  1. * Doi seni miptreske ón doi.
  2. * Doi seni miptreskelitâ pai zirrelj.

Zowel het gebruik van zirrel als het gebruik van prap wordt dus op identieke semantische gronden voorgeschreven: de noodzaak om een niet-coreferentialiteit uit te drukken (zogenoemde "disjuncte referentie" of "disreferentie"). Tiffug-Queriðe stelt daarom voor om de term "passief wed.vnw." te veranderen in "wed.vnw. 2e niveau", analoog aan de niveau-aanduiding bij pers.vnw.n.

72.27

Als een echo in een zin ontbreekt en het object heeft plaats gemaakt voor een wed.vnw., is een passief onmogelijk. Vergelijk:

  1. Do lukte eup. > Eup luktelije pai do.
    Hij wast haar. > Zij wordt door hem gewassen.
  2. Do sen lukte. > Ø
    Hij wast zich. > Ø

Voor de vorming van het passief, zie Hoofdstuk 90.

72.28

Prap kan ook gebruikt worden bij zogenoemde valse passieven. Dit zijn passieve zinnen waarin een object ontbreekt. Zonder verder op de vorming van een vals passief in te gaan (zie hiervoor Hoofdstuk 90) volstaan wij hier met enkele voorbeelden, waarbij b. de passieve variant van a. is:

  1. Ef sen na'ôfe pert.   Het vergist zich veel.
  2. Blul prap na'ôfelije ófe pert gy.   Er worden hier veel vergissingen gemaakt.
    (lett. "er wordt hier zich veel vergist")

  1. Belt sena sôlisitere lendiym gy.   Zij (vr.) solliciteren hier zelden.
  2. Blul prap sôlisiterelije biylte lendiym gy.   Er wordt hier zelden door vrouwen gesolliciteerd.
    (lett. "... door hen zichzelf gesolliciteerd")

72.29

Prap wordt voorts gebruikt bij een al dan niet genominaliseerde infinitief:

  • Ef prap lukte melde eft toftas painos.
    Zich wassen is een dagelijkse bezigheid.
  • Do nert affionnose ef prap sôlisitere.
    Hij houdt niet van solliciteren.
  1. Gress tiffe doex ef prap ÿpanôzjecos enn ef belt-tupplip.
    Ik weet dat hij zich verheugt in het uitstapje.
    (lett. "ik weet zijn zich verheugen van het uitstapje")

Let op dat prap in al deze gevallen tussen lidwoord en infinitief in komt: het is een soort attr.add. (§ 40.2 A.) geworden. Bovendien kan het verschijnen van prap in al deze gevallen verklaard worden met de "disjuncte-referentie-theorie" van Tiffug-Queriðe uit § 72.26. Noot 1 Zie verder § 50.35, § 60.60 en Hoofdstuk 124.

Ook in woordenboeken wordt prap voor de infinitief geplaatst om aan te geven dat we met een wed.werkw. te doen hebben. Vergelijk ook de woordenlijstjes in § 72.4 en § 72.21. Noot 2


Noot 1 In een genominaliseerde constructie als doex ef prap ÿpanôzjecos (in voorbeeld (1)) is er geen subject met kernfunctie meer aanwezig, want de oorspronkelijke kern do is nu een attributieve genitief geworden, geheel in de trant van Petriyex ef pitter (Petriy's fiets).
De afwezigheid van een zinskern verklaart het bestaan van de "disjuncte referentie".

Noot 2 In dergelijke woordenlijsten is er feitelijk sprake van een "disjunctie referentie" omdat er in het geheel geen zinskern, dus ook geen subject in de functie van zinskern, aanwezig is, waarmee een actief wed.vnw. coreferentieel zou kunnen zijn.

72.30

Van sen en sena bestaat de gereduceerde clitische vorm -siyn, die aan voorzetsels gehecht kan worden. Indien er sprake is van een corefererende derde persoon, is het gebruik van -siyn (in plaats van sen of sena) verplicht. Bij de 1e en 2e persoon mag ook een pers.vnw. gebruikt worden, eventueel aangevuld met quandro (zelf) (zie ook § 72.31). Vergelijk:

  1. Gress byte ef nodâs trâk gress. = Gress byte ef nodâs trâksiyn.
    Ik sla de muggen van me af.
  2. Do byte ef nodâs trâksiyn. Noot 1   Hij slaat de muggen van zich af.

  1. Kirro zvogûs lef kirro [quandro]. = Kirro zvogûs lefsiyn.
    We moeten met onszelf overleggen.
  2. Óps zvogûs lefsiyn.   Ze moeten met zichzelf overleggen.

  1. Aftel tu ketto pramt ón tu? = Aftel tu ketto pramt ónsiyn? Noot 2
    Heb jij bij jezelf ingebroken?
  2. Aftel Moffain ketto pramt ónsiyn? Noot 2   Heeft Moffain bij zichzelf ingebroken?

Het clitische suffix -siyn komt in alle opzichten overeen met de clitische suffix-varianten van pers.vnw.n zoals opgenomen in Blok 70.45. Maar terwijl de gesuffigeerde vormen van pers.vnw.n als typische dialectvormen beschouwd worden, wordt -siyn ook in het standaard-Spokaans gebruikt (of liever: moet gebruikt worden).


Noot 1 Vergelijk (zie ook § 70.50):

  • Doi byte ef nodâs trâk zirrelj.   Hiji slaat de muggen van hemj af.
  • * Doi byte ef nodâs trâk doi.   Hiji slaat de muggen van hemi/zich af.

Noot 2 Merk op dat er in de uitdrukking ef kette pramt ón rast (inbreken bij iemand) geen sprake is van een echo, maar van een voorzetselbepaling met het voorzetsel ón (zie Blok 90.28). De vorm ónsiyn is ongrammaticaal indien ón als echo-determinant optreedt, zoals in:

  • * Do kette ef mimpit ónsiyn.   Hij geeft het boek aan zichzelf.

Deze constructie moet vervangen worden door: Do sen kette ef mimpit. (zie § 72.18).


72.31

Het wederkerende aspect (ofwel: het feit dat subject en object corefereren) kan benadrukt worden door toevoeging van quandro (zelf). Quandro is formeel een additief categorie III, maar het heeft ook kenmerken die er het karakter van voornaamwoord aan geven. In zinnen waar object en subject coreferentieel zijn, zodat het object vervangen is door een wed.vnw., komt quandro op de plaats van het oorspronkelijke object. Vergelijk (object is vet):

  • Do lukte eup.   Hij wast haar.
  • Do sen lukte.   Hij wast zich.
  • Do sen lukte quandro.   Hij wast zichzèlf.
  • Óps sena ustjâge quandro ur Elsa.   Zij bedriegen zichzèlf en Elsa.

72.32

Uit de voorbeeldzinnen van de vorige paragraaf kan niet geconcludeerd worden dat quandro als "echt" object optreedt. Dat quandro inderdaad een volwaardig object is, blijkt (onder meer) uit de volgende drie punten:

  1. Quandro is gevoelig voor inversie (object vóór predikaat drukt de definitieve tijd uit, zie § 90.4):

    • Do sen lukte quandro. > Do sen quandro lukte.
      Hij wast zichzelf. > Hij heeft zichzelf gewassen.

  2. Quandro kan als object een kernfunctie in een passieve zin krijgen (§ 90.3):

    • Tek sen ustjâge quandro. > Quandro prap ustjâgelije pai Tek. Noot 1
      Tek bedriegt zichzelf. > Tek wordt door zichzelf bedrogen.
      (lett. "zichzelf wordt door Tek bedrogen")

  3. In a. hieronder staat een obj.add. (altijd gemarkeerd met lo, zie § 40.11); in b. wordt het obj.add. een subj.add. (zonder lo, zie § 40.8) omdat het object plaats maakt voor een wed.vnw.; in c. keert het obj.add. terug zodra quandro toegevoegd wordt:

    1. Mariy lukte ef baby lo clenn.   Mariy wast de baby schoon.
    2. Mariy sen lukte clenn.   Mariy wast zich schoon.
    3. Mariy sen lukte quandro lo clenn.   Mariy wast zichzelf schoon.

Onder meer Kerido-Ploema (1982) en Kojen-Pôt (1977) zijn van mening dat dit gedrag van quandro een doorslaggevend argument is om te stellen dat een werkwoord zijn transitiviteit behoudt als het in een wederkerende constructie voorkomt. Kerido-Ploema noemt quandro dan ook een universeel pers.vnw.2n omdat het als typische objectsvorm aan welke entiteit van welk geslacht of welk getal dan ook kan refereren, tenminste, voor zover quandro in een wederkerende constructie voorkomt.


Noot 1 Let op dat sen nu in het passieve prap gewijzigd is (§ 72.25). Voor de precieze betekenis van passieve zinnen met quandro als kern wordt verwezen naar § 72.36.

72.33

In deftig en poëtisch taalgebruik bestaat er van quandro de meervoudige vorm quandros. Deze vorm kan alleen in combinatie met het meervoudige sena (nooit met efa, ook al refereert dit aan een meervoudige entiteit) gebruikt worden. Vergelijk:

  • Óps sena lukte quandro. = ¶ Óps sena lukte quandros.
    Zij wassen zichzelf.

In Kerido-Ploema (1982) wordt geprobeerd om te verklaren waarom quandros ongrammaticaal is (het concept van een "universeel pers.vnw.", zie vorige paragraaf, wordt aangetast).

72.34

Van quandro bestaat de resultatieve variant quandroe, Noot 1 welke samen met een resultatief wed.vnw. gebruikt mag worden om het emfatische karakter van quandro nog te versterken. Vergelijk de opklimmende emfase:

  • Do sen šote.
  • Do senne šote.
  • Do senne šote quandro.
  • Do senne šote quandroe.
     
    Hij schiet [op] zichzelf.
    Hij schiet zich dood.
    Hij schiet zichzelf dood. (en niet een ander)
    Hij schiet zichzelf dood. (hij schiet op zichzelf, en niet
      op een ander, en bovendien is hij nu nog dood ook)


Noot 1 Gevormd met een paragogische e, dus spreek uit: [kúwandro:wê].

72.35

Van het meervoudige quandros bestaan twee resultatieve varianten: (i) de regelmatige vorm quandroses (zie Blok 61.78); en (ii) de twijfelachtige vorm quandross welke alleen regelmatig had kunnen zijn als quandros een enkelvoudige vorm was (zie Blok 61.77 Fonetisch Uitgangspunt).
Nu doet het opvallende verschijnsel zich voor dat de resultatief quandroses evenals de basisvorm quandros alleen in deftig en poëtisch spraakgebruik voorkomt, terwijl de resultatief quandross even algemeen gebruikt wordt als de enkelvoudige resultatief quandroe. Vergelijk:

  • Óps senae šote.   Zij schieten zich dood.
  • Óps senae šote quandro. = ¶ Óps senae šote quandros.
    Zij schieten zichzelf dood.
  • Óps senae šote quandross. Noot 1 = ¶ Óps senae šote quandroses.
    Zij schieten zichzelf dood.


Noot 1 De enkelvoudige resultatief quandroe kan niet met een meervoudig wed.vnw. gecombineerd worden:
* Óps senae šote quandroe.

72.36

De passieve zinnen met quandro (zoals het voorbeeld in § 72.32 punt 2.) drukken uit dat de handeling min of meer buiten de wil van het subject om plaatsvindt. De handeling wordt als een automatisme, of als minder ernstig (eufemistisch) voorgesteld:

  • Quandro prap luktelije pai gress jadâk gurt.
    Ik was mij elke ochtend automatisch/zonder erbij na te denken.
    (lett. "elke ochtend word ik door mezelf gewassen")
  • Quandro prap ustjâgelije pai kirro.   We werden door onszelf bedrogen.
    (eufemisme voor: We bedrogen onszelf.)
  • Quandro prap na'ôfolije pai gress.
    Ik heb me enigszins vergist; ik had het niet helemaal bij het rechte eind.
    (eufemisme voor: Ik zat er goed naast.)

72.37

Quandro kan uiteraard niet gebruikt worden in zinnen met een inherent wed.vnw. (§ 72.4). Ten eerste is er een semantische restrictie: er valt geen enkele coreferentie tussen een onderliggend object en het subject te benadrukken want er is geen onderliggend object dat door het wed.vnw. vervangen is. Ten tweede is er een syntactische restrictie: voor quandro in de functie van object is er geen plaats in een zin met een inherent wed.werkw. omdat een dergelijk werkwoord óf intransitief is, óf reeds een object naast het wed.vnw. bezit (wij laten het gebruik van quandro als additief nu buiten beschouwing want dit is alleen relevant met betrekking tot zinnen zonder een wederkerende constructie). Vergelijk:

  1. Petriy sen lukte quandro.   Petriy wast zichzelf.
  2. * Petriy sen ocÿrme tildâ quandro.   Petriy gedraagt zichzelf slecht.

In (2) is toevoeging van quandro syntactisch ongrammaticaal omdat prap ocÿrme (zich gedragen) intransitief is, en semantisch ongrammaticaal omdat "Petriy nooit een ander slecht kan gedragen" waardoor de nadruk op "zichzelf" als tegenstelling tot "een ander" irrelevant is (in het Nederlands lijkt toevoeging van "zichzelf" niet tot ongrammaticaliteit te leiden; zie zin (2)).

72.38   ad § 72.1   B. Wederkerige voornaamwoorden

Het Spokaans kent twee wederkerige voornaamwoorden. Van beide zijn een resultatief en twee (archaïsche) genitieven afgeleid. Dit blijkt uit Blok 72.39. Bij de wig.vnw.n wordt onderscheid gemaakt tussen een referentie aan "twee entiteiten" en aan "meer dan twee entiteiten". Er is dus sprake van een dualis en een meervoud. Dit is reeds opgemerkt in § 52.12 noot 9.

72.39

Wederkerige voornaamwoorden
   wig.vnw.   resultatief  genitief *
 persoon   niet-persoon 
elkaar (2)
elkaar (>2) 
wâlkân
hédân
wâlkânn
hédânn
wâlkâner
hédâner
wâlkânÿr
hédânÿr

vergelijk ook de onb.vnw.n:  wâlke/wâlkiys
  hédiyc/hédecs   (Blok 52.11)
archaïsch. 

72.40

De wig.vnw.n wâlkân en hédân gedragen zich als pers.vnw.n 2n, ofwel: zij kunnen als niet-kern of voorzetselbepaling fungeren. De wig.vnw.n hebben dus niet de uitzonderlijke status van de wed.vnw.n die als enige onmiddellijk achter de zinskern verschijnen. Bijvoorbeeld:

  • Petriy ur Mariy lukte wâlkân.   Petriy en Mariy wassen elkaar.
  • Petriy, Mariy ur gress lukte hédân.   Petriy, Mariy en ik wassen elkaar.
  • Ef pûps butele kura hédân.   De jonge katjes buitelen over elkaar.
  • Óps wâlkân idequppe.   Ze (2) hebben elkaar belazerd.
  • Óps ur gress kette goe mimpits ón hédân.   Zij en ik geven een boek aan elkaar.
  • Óps reppe ef purfillus oras tiyns ón hédân.
    Ze zeggen de meest verschrikkelijke dingen tegen elkaar.

72.41

Omdat een wig.vnw. als een volwaardig object of een volwaardige echo optreedt, kan het een zinskern in een passieve constructie worden, zoals:

  • Wâlkân cÿrtirelije pai tu.   Jullie moeten elkaar helpen.
  • Wâlkân idequppelije pai kirro.
    We worden door elkaar belazerd. (lett. "elkaar wordt door ons belazerd")
  • Hédân reppelitâ pai óps enn ef purfillus oras tiyns.
    Tegen elkaar worden door hen de meest verschrikkelijke dingen gezegd.

Zulke passieven drukken uit dat de handeling min of meer buiten de wil van het subject plaatsvindt. Er is sprake van een automatisme, een opgelegde plicht of een eufemisme. Vergelijk ook quandro in een passieve zin (§ 72.36).

72.42

Als een werkwoord een resultatief object eist, moeten ook wâlkân en hédân als object een resultatieve vorm krijgen, dus: wâlkânn en hédânn.
Vergelijk (zie ook § 62.17):

  1. Ef ten merbôkus xûstiche ef mosjeuss.   De twee boeven beroven de vrouw.
  2. Ef ten merbôkus xûstiche wâlkânn.   De twee boeven beroven elkaar.

  1. Vilt ocÿrma quâme gurnuste.   Jouw gedrag lokt ruzies uit.
  2. Ef gurnusz quâme hédânn.   De ruzies lokken elkaar uit.

72.43

Ook andere werkwoorden kunnen een resultatief wig.vnw. als object krijgen. Vergelijk:

  1. Sûmiy byte Nôrberrt. Noot 1   Sûmiy slaat Nôrbert dood.
  2. Sûmiy ur Nôrbert byte wâlkânn.   Sûmiy en Nôrbert slaan elkaar dood.

  1. Lelmo fittas kirro ollao wâlkân.
    Vanmiddag genoten wij van elkaar. (en dat doen we 's avonds eventueel nog)
  2. Lelmo fittas kirro ollao wâlkânn. Noot 2
    (idem) (maar 's avonds hadden we ruzie)


Noot 1 Vergelijk § 62.2.
Noot 2 Vergelijk § 62.3.

72.44

De genitiefvormen van de wig.vnw.n zijn archaïsch. Alleen in poëtisch taalgebruik en enkele archaïsche dialecten (Centraal-Berref) komen zij nog wel voor. Overigens worden zij vervangen door de onb.vnw.n wâlke/wâlkiys en hédiyc/hédecs. Zie ook § 52.11 en § 52.12 noot 4 en 9. Vergelijk:

  • Óps trempe wâlkâner mimpits. = Óps trempe wâlkiys mimpits.
    Zij (2) lezen elkaars boeken.
  • Ef vilduls giffe fes hédânÿr armâtat. = Ef vilduls giffe fes hédiyc armâtat.
    De bomen (>2) staan in elkaars licht.

72.45

In onverzorgde spreektaal wordt in plaats van wâlkân wel de gereduceerde afleiding kân (resultatief: kânne) gebruikt. In één geval is kân ook in de beschaafde spreek- én schrijftaal doorgedrongen, en wel als hoofdelement in de onscheid.samst. hôskân (bij elkaar thuis). In § 71.2 en Blok 71.3 is reeds besproken hoe het voorzetsel hôs een onscheid.samst. met de pers.vnw.n 2n kan vormen.
Hôskân wordt óók gebruikt als het antecedent uit meer dan twee personen bestaat. Hier is het onderscheid dualis ~ meervoud dus weggevallen (een samenstelling van hôs + hédân komt niet voor).

72.46

In tegenstelling tot de inherente en intrinsieke wed.werkw.n (§ 72.4 en § 72.10) ontbreken er inherente en intrinsieke wig.werkw.n. Met andere woorden: er is geen enkel werkwoord in het Spokaans dat een meervoudig subject (inclusief dualis) eist, zodanig dat een willekeurige entiteit waaraan het subject refereert, fungeert als begrepen object bij een andere willekeurige entiteit waaraan het subject refereert, en omgekeerd.
In het Oudspokaans was dit soms nog wel het geval: zo was het tegenwoordig in onbruik geraakte werkwoord ÿrterpe (scheiden) inherent wederkerig, want het kon nooit zonder wâlkân of hédân gebruikt worden. Bijvoorbeeld:

  • Gress ur Olm ÿrterpûs wâlkân. Noot 1   Ik en Olm moeten van elkaar scheiden.

Zie verder ook Rifo Ef Prusot (1953) en Frischert (1959) waarin een keur aan inherente en intrinsieke eigenschappen bij werkwoorden behandeld wordt.


Noot 1 Dat ÿrterpe een inherent wig.werkw. was, blijkt uit het feit dat de volgende zin ongrammaticaal is:

  • *† Gress ÿrterpât Olm.   Ik moet van Olm scheiden.

72.47

Van wâlkân is nog afgeleid het abstr.subst.:

  • ef wâlkâniy   de wederzijdsheid

Van hédân is nog afgeleid het voltrans.werkw.:

  • hédânte ón   verwarren met; verwisselen met (v. personen)

Bijvoorbeeld:

  • Gress hédânte tu ón Elsa riyfain.
    Ik verwar jou altijd met Elsa; ik kan jou en Elsa nooit uit elkaar houden.


TOP
<< Hoofdstuk 71 | Hoofdstuk 73 >>

© (2000) Rolandt Tweehuysen, Kimswerd, the Netherlands