|
Opbouw van dit hoofdstuk:
Blokken:
|
70.1 Oerspokaanse persoonlijke voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoorden (pers.vnw.) behoren, tezamen met de wederkerende, wederkerige en zelfstandige voornaamwoorden, tot de groep van substantiefvervangende voornaamwoorden. De wederkerige en wederkerende vnw.n worden behandeld in Hoofdstuk 72, de zelfstandige vnw.n in Hoofdstuk 73.
70.2
De opzet van dit boek staat niet toe dat wij veel aandacht aan de taalgeschiedenis van het Spokaans kunnen besteden. Bij de behandeling van de pers.vnw.n is het echter gewenst om nader in te gaan op de morfologische en lexicale ontwikkeling van de Oerspokaanse tot de moderne pers.vnw.n. Voor de standaardtaal is deze ontwikkeling weliswaar uitgekristalliseerd, maar in veel dialecten is zij nog aan de gang.
Het Oerspokaans (tot omstreeks 1000) maakte bij pers.vnw.n onderscheid tussen een inclusief meervoud en een exclusief meervoud. Een inclusief meervoud werd gebruikt als ook de aangesprokene inbegrepen was. Alle meervoudige pers.vnw.n werden in het Oerspokaans afgeleid van de enkelvoudige vorm, behalve het pers.vnw. 1e persoon exclusief meervoud ("wij-EXCL"), dit was afgeleid van het pers.vnw. 1e persoon exclusief dualis. Het een en ander is gereconstrueerd in Blok 70.3.
70.3
Reconstructie Oerspokaanse persoonlijke
voornaamwoorden (omstr. 1000)
|
|---|
| | | enkelvoud | | dualis | | meervoud
| | | | | | exclusief | | inclusief | exclusief
| 1 2 3 mn. 3 vr. 3 nt.
|
| gre gÿr do eop * ef
| ik jij hij zij het
|
| kirro - çem çem -
| wij-2 zij-2 zij-2
|
| gress gÿrs - - -
| kirros - dos eops ** efs
| wij jullie zij zij zij
|
| *
| eop > eup (in modern Spokaans).
| | **
| eops > óps (in modern Spokaans).
|
70.4
Blok 70.3 leert ons dat er voor enkelvoud en dualis aparte vormen bestonden en dat de meervoudige vormen hiervan d.m.v. het meervoudssuffix -s afgeleid waren. Van de regelmatigheid in dit elfde-eeuwse paradigma is in het hedendaags Spokaans niet veel meer over. Dit heeft zijn oorzaak in het volgende:
- De oppositie inclusief ~ exclusief is verloren gegaan waardoor ook het onderscheid tussen gress (wij-INCL) en kirros (wij-EXCL) onnodig werd. Kirros is (behalve in de dialecten op Tigof en Lomky) geheel vervallen en gress heeft de plaats ingenomen van het enkelvoudige gre (ik). In het Ÿrofly-Spokaans (Noordwest-Liftka) wordt gre (of griy) nog steeds gebruikt (i.p.v. gress). De oorspronkelijke dualisvorm kirro betekent tegenwoordig "wij". Alleen in de Middenspokaanse dialecten van Centraal-Berref (globaal de driehoek Conityje-Jatty-Zezem) is kirro nog dualis (wij samen; wij met z'n tweeën).
- Het enkelvoudige gÿr (oorspronkelijk "jij, u") werd tussen de 13e en 16e eeuw ook in het meervoud voor "jullie" gebruikt, terwijl de meervoudige vorm gÿrs gereserveerd werd voor de beleefdheidsvorm "u (mv.)". Na de 15e eeuw kwam gÿrs ook in gebruik voor "u (enk.)" en toen in de 16e eeuw onder de katholieken het gebruik van het Spaans/Franse tu (jij) populair werd, is het enkelvoudige gÿr langzaamaan in onbruik geraakt (behalve op Liftka en Brÿr, waar dialectsprekers tu als een christelijke infiltratie in een streng Ergynne-gebied zien en daarom nog gÿr gebruiken).
- Reeds halverwege de 15e eeuw raakte het onderscheid tussen mn. en vr. in het meervoud in onbruik. Het was nu eens niet de vrouwelijke vorm die het onderspit moest delven, maar de mannelijke: dos (zij (mn.mv)) is verdwenen ten gunste van het vrouwelijke óps (« eops), dat nu "zij (mv.)" betekent. Echter, vanaf de 17e eeuw verschijnt er een nieuw pers.vnw., namelijk belt. Dit is oorspronkelijk een vr.bez.vnw. ("haar"; zie Blok 51.4), maar gaat nu ook een rol spelen als pers.vnw. vr.mv. (zij). Het vervangt dus het vroegere eops, zodat ook het onderscheid mn. ~ vr. weer terugkeert in het meervoud.
- De dualisvorm çem (zij-2) is verdwenen, evenals de Oerspokaanse consonant [ç], waarvan de uitspraak varieerde tussen [ts] en [T] (sterk geaspireerde t, zie § 10.10 en § 10.15). Alleen in het Garosisch komt [ç] nog voor. Uit de Oerspokaanse vorm çem zijn twee moderne woorden ontstaan:
70.5 Persoonlijke voornaamwoorden eerste niveau
Als we verder alle diachronische ontwikkelingen buiten beschouwing laten kunnen we nu waarnemen hoe uit het Oerspokaanse paradigma van Blok 70.3 de moderne pers.vnw.n eerste niveau (pers.vnw.n 1n) ontstaan zijn (de pers.vnw.n tweede niveau worden vanaf § 70.48 besproken):
| Persoonlijke voornaamwoorden eerste niveau
|
|---|
| persoon | | enkelvoud | | meervoud
| 1 2 fam. 2 bel. 3 C-mn. 3 C-vr. 3 C-nt. 3 C-zk. 3 S 3 A+SC
|
| gress tu gÿrs do eup ef ef, mittof - ef, kâ
| ik/mij jij/jou u hij/hem zij/haar het het het
|
| kirro tu gÿrs óps belt óps tem, efs tem, efs tem, efs
| wij/ons jullie u zij/hun, hen zij/hun, hen, haar zij/hun, hen zij/hun, hen het zij/hun, hen
|
| fam.
| familiair gebruik (zie § 70.9).
| | bel.
| beleefd gebruik (zie § 70.9).
| | C
| concrete substantieven.
| | S
| stoffelijke substantieven.
| | A
| abstracte substantieven.
| | SC
| semi-concrete substantieven.
| | zk.
| zakelijk (alles, behalve mensen en dieren).
|
70.6
Let op de onregelmatige uitspraak van enkele pers.vnw.n:
Het pers.vnw. gress wordt normaliter uitgesproken als [ges]. In minder verzorgde spreektaal klinkt het wel als [gîs], en in poëtisch taalgebruik wordt de r eventueel wel uitgesproken, dus: [gres]. Ondanks de dubbelgeschreven ss is de voorafgaande e nimmer lang (zie ook § 11.17). 
Het pers.vnw. eup klinkt als [ep] of [e:p], tenzij er in poëzie omwille van het metrum een extra lettergreep nodig is, dan mag eup uitgesproken worden als [ewup] (dus regelmatig). Deze regelmatige uitspraak kan ook van pas komen om een duidelijk akoestisch onderscheid te maken tussen eup en ef, bijvoorbeeld bij een slechte telefoonverbinding waarin het verschil tussen een f en een p niet te horen is.
|
Als gress het hoofdelement van een afleiding vormt, zoals in gressere (zie Blok 71.8), wordt de e verlengd en draagt het gefixeerde accent. De r blijft (behalve in poëtisch taalgebruik) echter stom: [ge:sere] of poëtisch [gre:sere].
|
70.7
Typerend voor de Atlantische talen is, dat er in de meeste gevallen geen vorm-onderscheid tussen subject en object gemaakt wordt. Dit blijkt ook bij de pers.vnw.n (Blok 70.5). Vergelijk:
- Gress zerfe do. ~ Do zerfe gress.
- Eup méte gÿrs. ~ Gÿrs méte eup.
|
Ik zie hem. ~ Hij ziet mij. Zij ontmoet u. ~ U ontmoet haar.
|
70.8
Ook na voorzetsels en de determinanten pai, enn en ón (zie § 90.2) kunnen de pers.vnw.n 1n gebruikt worden. Vergelijk:
- Óps haiyrume sumâ gress. ~ Gress haiyrume sumâ óps.
Zij leunen tegen mij. ~ Ik leun tegen hen.
- Gress zerfe do. ~ Do zerfelije pai gress.
Ik zie hem. ~ Hij wordt door mij gezien.
- Do vertare ón kirro. ~ Kirro vertare ón do.
Hij antwoordt [aan] ons. ~ Wij antwoorden [aan] hem.
- Tu kette ef mimpit ón eup. ~ Eup kette ef mimpit ón tu.
Jij geeft het boek aan haar. ~ Zij geeft het boek aan jou.
of Jullie geven het boek aan haar. ~ Zij geeft het boek aan jullie.
Vanaf § 70.48 zullen we zien hoe subjecten, objecten, echo's en voorzetselbepalingen ook met pers.vnw.n tweede niveau uitgedrukt kunnen worden.
70.9 Tweede persoon tu ~ gÿrs
De regels voor het gebruik van de familiaire en beleefde vorm in de 2e persoon enkel- en meervoud kunnen slechts globaal gegeven worden, daar deze sterk bepaald worden door allerlei maatschappelijke en sociale factoren, die binnen het kader van dit grammaticaboek onbesproken moeten blijven. Zie ook de sociolinguïstische studie van Câlldere-Lerjen (1980).
- Tegen iedereen gebruiken we de beleefde vorm gÿrs (dus ook tegen kinderen, ondergeschikten ed.). Pas als we aan elkaar voorgesteld zijn, en er wordt verwacht dat we elkaar bij de voornaam noemen, gebruiken we de familiaire variant tu.
- Tu is voorts geaccepteerd binnen bepaalde kringen, waar verwacht kan worden dat we elkaar vroeg of laat bij de voornaam zullen noemen, ook zónder formeel aan elkaar voorgesteld te zijn, zoals onder studenten en collega's, op feestjes en in kroegen. Als we duidelijk te kennen willen geven dat een enkele vraag of opmerking onzerzijds niet bedoeld is om een verder gesprek aan te knopen, kunnen we consequent gÿrs blijven gebruiken. Vergelijk:
- Aftel tu lelperre flecs?
- Aftel gÿrs lelperre flecs?
|
Heb je een vuurtje [voor me]? Heeft u een vuurtje [voor me]?
|
Vraag a. kan men op een feestje of in een café aan onbekenden stellen zonder onbeleefd te zijn; de vraag is dan wel een hint om een praatje aan te knopen. Als vraag b. gesteld wordt weten we zeker dat de vraagsteller werkelijk om een vuurtje verlegen zit. Tegen onbekenden op straat of in een meer formele omgeving is a. uiteraard onbeleefd, ook al zouden we een gesprek willen aanknopen (maar ook het aanknopen van een gesprek met een onbekende wordt door veel Spokaniërs ongepast gevonden).
- Tegenwoordig noemen de meeste familieleden elkaar zonder meer bij de voornaam; dit geldt ook voor kinderen tegen hun ouders of grootouders. Iedereen spreekt elkaar dus met tu aan, maar dikwijls zal tu vervangen worden door de eigennaam, want het is in Spokanië niet gebruikelijk om een eigennaam als bijstelling voor- of achteraan een zin te plaatsen. Vergelijk (en let ook op de Oblatief, uitgedrukt met -lira, die in dergelijke aanspreek-constructies dikwijls gebruikt wordt; zie § 110.22):
- Aftel Petriy bladidelira eft grum?
Wil je een snoepje, Petriy?
- Gress quarderavy Elsa.
Tante Elsa, ik wil u (je) op komen zoeken.
- Lerdu painelira kluft?
Wat doe je, Lerdu?
- Op het platteland en in conservatief-deftige kringen noemen kinderen hun oudere familieleden dikwijls nog bij de "familietitel". In dat geval gebruiken de kinderen dus gÿrs, tenzij de familitietitel-met-eigennaam hiervoor in de plaats treedt. Let op dat achter de familietitel de naam volgt, als deze het pers.vnw. vervangt. Wordt de familietitel als bijstelling gebruikt, dan blijft de eigennaam achterwege:
- Gress quarderavy tlokko Elsa.
Tante Elsa, ik wil u op komen zoeken.
- Aftel gress tumog ef mimpit tukst tojoredo Yvonn? =
= Aftel gress tumog ef mimpit tukst gÿrs, tojoredo?
Mag ik het boek van je lenen, Yvonn?
Alleen de familietitels die "vader" of "moeder" aanduiden, worden in alle gevallen zonder eigennaam gebruikt. Vergelijk:
- Gress nert ventavy lef mem. = Mem, gress nert ventavy lef gÿrs.
Mam, ik wil niet met je mee.
|
Tojoredo Yvonn (zuster Yvonn), als Yvonn een oudere zuster van de spreker is.
|
- Als een kind zijn oudere familielid met een familietitel en/of gÿrs aanspreekt, kan de (oudere) aangesprokene zijn respect voor het kind tonen door ook met gÿrs te antwoorden. Dit is het enige geval dat het gebruik van gÿrs samenvalt met het gebruik van een voornaam. Zie de volgende dialoog:
| Elsa ón cÿrlo Jân:
| | Elsa tegen oom Jân:
| "Aftel gress tumog dena mimpit tukst gÿrs, cÿrlo?"
| | "Mag ik dit boek van u lenen, oom Jân?"
| | Cÿrlo Jân:
| | Oom Jân:
| "Elsa, gÿrs wencatog ef mimpit, fara gress klótare lef ef."
| | "Elsa, je mag het boek houden, als ik het uit heb."
| | Elsa:
| | Elsa:
| "Gress misse cÿrlo Jân."
| | "Dank u wel, oom Jân." (lett. "Ik bedank oom Jân")
|
Voor familieverhoudingen en familietitels zie verder Hoofdstuk 172.
70.10
Het gebruik van tu tegen personen die eigenlijk met gÿrs aangesproken zouden moeten worden, wordt in Spokanië niet als beledigend of intimiderend ervaren, en sociale verschillen komen hierdoor evenmin tot uitdrukking. Het Spokaans kent wel de mogelijkheid om iemand in de derde persoon aan te spreken; dit wordt als zeer beledigend of intimiderend gevoeld, en komt onder meer voor bij ruzies, bij racistische uitingen of tegen misdadigers. Bijvoorbeeld:
|
Letterlijk "zo dom als Lotôlmensten": een domme Pegrevische koning (1539-1594); roept in 1588 n.a.v. de Pegrevische onlusten tussen boeren en nomaden de hulp van de Spokanische koning Klesto Mercu in. Deze maakt echter van de situatie gebruik om Pegrevië in te lijven en hakt Lotôlmensten tijdens de Slag bij Feuni in de pan (1588).
|
70.11 Eerste persoon kirro
Het pers.vnw. kirro (wij) wordt in de geschreven taal soms gebruikt als "bescheidenheidsmeervoud" (pluralis modestiae) in de plaats van gress (ik). Tegenwoordig doet de pluralis modestiae nogal archaïsch aan en wordt daarom dikwijls vervangen door de nominale constructie ef zaloer (de ondergetekende). In gesproken taal (toespraken ed.) zijn zowel kirro als ef zaloer ongebruikelijk. Een spreker kan zonder zich gegeneerd te voelen gebruik maken van gress (ik). In wetenschappelijke uitgaves komt de bescheidenheid van de auteur dikwijls op nog andere wijze tot uitdrukking: hij/zij zet niet alleen zijn/haar eigen naam op het werk, maar tevens een pseudoniem. Zo wordt de indruk gewekt dat twee personen hun kennis gebundeld hebben en zo kan de auteur het meervoudige kirro gebruiken zonder in een archaïsche pluralis modestiae te vervallen. Bovendien schuift de auteur een deel van de verantwoordelijkheid op een ander af. Het is de gewoonte om het pseudoniem na de echte naam te plaatsen.
|
Merk op dat gress de oorspronkelijke meervoudsvorm van gre is, en "wij" betekende. We kunnen derhalve concluderen dat ook gress oorspronkelijk een pluralis modestiae was, die in de loop der tijden het enkelvoudie gre heeft verdrongen en zijn karakter van bescheidenheid geheel heeft verloren.
|
|
Deze gewoonte wordt de laatste tijd door steeds meer auteurs losgelaten omdat zij er de voorkeur aan geven een pseudoniem te kiezen dat hoog in de alfabetische rangorde staat. Op deze wijze verschijnt het werk op een opvallende plaats bovenaan in een bibliografie. Een gewoonte die ooit ontstaan is uit behoefte aan bescheidenheid wordt nu misbruikt om op de voorgrond te willen treden.
|
70.12
Kirro wordt in het Spokaans niet gebruikt als majesteitsmeervoud (pluralis majestatis). In plaats hiervan gebruikt het Spokaans Do (Hij) of Eup (Zij). Bijvoorbeeld:
- Do Huron Herco Loefe 4, Kindis rifo Spooksoliy, Jabâr rifo Pegrefyte ur Ÿrslâfer
rifo Teujan
Wij Huron Herco Loefe IV, Koning van Spokanië, Vorst van Pegrevië en Graaf
van Teujan
- Eup Beatrix, Jabârina rifo Nelandes
Wij Beatrix, Koningin der Nederlanden
|
De overige 23 titels van het Spokanische staatshoofd worden altijd weggelaten.
|
70.13 Geslacht; verwijzing van de derde persoon
Alle entiteiten die een persoon aanduiden zijn óf mannelijk, óf vrouwelijk, óf neutraal. Zie § 22.3-11. Het geslacht komt in het bijbehorende pers.vnw. tot uitdrukking. Bijvoorbeeld:
- ef gekker ~ gekkera >> do ~ eup
- ef kelte ~ keltos >> do ~ eup
- ef tôgt ~ nennðe >> do ~ eup
|
de leraar ~ lerares de boer ~ boerin de kleinzoon ~ kleindochter
|
|
Het symbool >> geeft de transformatie van nominale constituent naar pers.vnw. weer. Bijvoorbeeld:
A >> B (lees: A wordt na pronominalisatie het pronomen B, ofwel: B refereert aan A, ofwel: A is het antecedent van B).
|
70.14
Sommige substantieven kunnen zowel een mannelijk als een vrouwelijk persoon aanduiden (zie § 22.6). In dat geval moeten we kiezen tussen do en eup:
- ef efanty >> do of eup
- ef zestiyc >> do of eup
|
|
Dergelijke woorden mogen ook met het neutrale ef gepronominaliseerd worden als het geslacht onbekend of irrelevant is:
De meervoudsvorm van dergelijke "bisexuele" woorden is altijd neutraal, ook al worden er uitsluitend mannelijke of uitsluitend vrouwelijke personen bedoeld:
- ef efantys >> óps de kinderen
Ook als het bekend is dat het slechts om meisjes gaat, kunnen we een woord als efantys niet met belt (zij (vr.)) pronominaliseren.
70.15
De meervoudsvorm van mn.subst.n is altijd neutraal, ook al worden er slechts mannelijke personen bedoeld (§ 20.7). Bijvoorbeeld:
- ef keltes >> óps
- ef jabârs >> óps
- ef tôgts >> óps
|
de boeren of de boeren en boerinnen de koningen of de koningen en koninginnen de kleinkinderen (mn. of mn.+vr.)
|
In § 22.8 is geconstateerd dat met de woorden 'jans, meraters en follusz altijd mannen bedoeld worden. Deze uitzondering heeft geen invloed op de keuze van het pers.vnw. omdat dit zowel voor mannelijk als voor neutraal óps is:
- ef 'jans >> óps
- ef meraters >> óps
- ef follusz >> óps
|
de jongens de mannen; de heren de vaders
|
70.16
De meervoudsvorm van vr.subst.n blijft altijd vrouwelijk. Dit blijkt uit het bijbehorende pers.vnw.:
- ef gekkerÿ >> belt
- ef keltosz >> belt
- ef nennðes >> belt
|
de leraressen de boerinnen de kleindochters
|
70.17
Als er voor een diersoort of dierfamilie drie (mn., vr. en nt.) versies bestaan (zie § 22.12), geeft de keuze van het bijbehorende pers.vnw. geen problemen:
- ef boert >> eup
ef stajir >> do
~ ef renðe >> ef
|
|
- ef plora >> eup
ef trapp >> do
~ ef fisa >> ef
|
de vr. vis de mn. vis de nt. vis
|
In het meervoud vervalt het onderscheid tussen mn. en nt. omdat hiervoor slechts één pers.vnw. beschikbaar is: óps. Vergelijk:
- ef boerts >> belt
ef stajirs >> óps
~ ef renðes >> óps
|
de koeien de stieren de runderen
|
- ef ploras >> belt
ef trapps >> óps
~ ef fisas >> óps
|
de vr. vissen de mn. vissen de vissen
|
70.18
Bij veel diernamen is de vrouwelijke versie afgeleid van de mannelijke, en ontbreekt een aparte neutrale versie. In dat geval kan de mn. versie als neutraal beschouwd worden als het geslacht onbekend of irrelevant is (§ 22.13):
- ef leé >> do of ef
ef leja >> eup
|
|
- ef elefânt >> do of ef
ef elefânta >> eup
|
|
De meervoudsvorm van mn. diernamen is altijd neutraal, ook al worden slechts mn. dieren bedoeld:
- ef leés >> óps
- ef elefânts >> óps
|
de leeuwen of de leeuwen en leeuwinnen de mn. [en vr.] olifanten
|
maar:
- ef lejas >> belt
- ef elefântÿ >> belt
|
de leeuwinnen de vr. olifanten
|
70.19
Diernamen zonder vrouwelijk equivalent of vrouwelijke afleiding worden zowel in het enkelvoud als in het meervoud als neutraal beschouwd. Dit blijkt uit het gebruik van de pers.vnw.n ef en óps:
- ef limaciy >> ef
ef limaciys >> óps
|
|
- ef zreg >> ef
ef zregs >> óps
|
|
70.20
Ook de aparte benamingen voor castraten en jonge dieren (§ 22.14) zijn in alle gevallen neutraal. Vergelijk:
- ef quilch >> ef
ef quilcet >> óps
|
|
- ef fûliy
>> ef
ef fûliys >> óps
|
|
|
Vergelijk:
- ef vyx >> do
ef vyset >> óps
- ef kapa >> eup
ef kapas >> belt
|
|
Zie ook de beide voetnoten van § 22.14.
|
70.21
In § 22.15-16 is uiteengezet hoe er in het Spokaans de voorkeur aan een geslacht-gemarkeerde diernaam gegeven wordt (als die tenminste voorhanden is). De eigenaar van een (huis)dier beschouwt het als een onbeleefd gebrek aan interesse indien een ander met een geslacht-neutraal woord aan dit dier refereert. Willen we over een dier spreken waarvan het geslacht niet direct duidelijk is, dan zal de eigenaar het op prijs stellen als we de mannelijke én vrouwelijke naam in een adem noemen, verbonden met het voegwoord oft (of). Dit geldt ook na pronominalisatie: als we niet weten of we een dier moeten aanduiden met do (mn.) of eup (vr.), gebruiken we de frase: eup oft do (zij-of-hij), uitgesproken als [epofto] (klemtoon op laatste lettergreep). Bijvoorbeeld:
- Aftel gÿrs wencatavy eup oft do fes ef jûlt?
Wilt u uw hond aan de lijn houden?
(lett. "wilt u haar-of-hem aan de lijn houden?")
|
Omdat het gebruik van eup oft do zich voornamelijk tot de spreektaal beperkt, wordt dit bij het schrijven ervan wel gekarakteriseerd door de spelling: eup-oft-do. In de directe rede vinden we ook wel de min of meer fonetische spelling: epofdo. Hieruit blijkt het gelexicaliseerde karakter van deze frase. Misschien wordt epofdo ooit nog eens als pers.vnw. aan het paradigma in Blok 70.5 toegevoegd.
|
70.22
Alle onbezielde (concrete) zaken zijn in het dagelijks taalgebruik zakelijk. Zij worden in het enkelvoud aangeduid met ef of mittof. In de spreektaal wordt voor concrete zaken ook wel kâ gebruikt (hoewel dit in correcte taal alleen aan abstracte en semi-concrete zaken kan refereren). Bijvoorbeeld (£ = spreektaal):
- ef kolini >> ef, mittof, £kâ
- ef huron >> ef, mittof, £kâ
- ef ypro >> ef, mittof, £kâ
|
de steen de bloem het voordeel
|
In het meervoud hebben we de keuze tussen tem en efs:
- ef kolinis >> tem, efs
- ef hurons >> tem, efs
- ef ypros >> tem, efs
|
de stenen de bloemen de voordelen
|
Vroeger werd efs als een typische spreektaalvorm beschouwd, zelfs in de eerste druk (1963) van Spokânda-grâmerr raadt Kojen-Pôt af om efs te schrijven. Maar in de volgende drukken van dit standaardwerk heeft de auteur er al geen bezwaar meer tegen om efs ook te schrijven, hoewel tem zo niet correcter, dan toch wel plechtiger blijft klinken.
70.23
Het pers.vnw. mittof kan ook aan een gehele zin refereren. Hieruit blijkt dat een hoofd- of bijzin beschouwd wordt als een concrete zaak. Bijvoorbeeld:
- Eup kuntiyre ra
, ur do cônsidere mittof lo graviy.
Ze steelt, en dat vindt hij erg. of Ze steelt, wat hij erg vindt.
- Elsa fisae tjâg dur ozymk ðônos, tur mittof mófe kusami.
Elsa vist met drie hengels tegelijk, maar dat is hier verboden.
Voor nevenschikking, zie Hoofdstuk 120; voor onderschikking, zie Hoofdstuk 122.
|
De duratieve determinant ra drukt uit dat het stelen een gewoonte is, niet een op dit moment uitgevoerde handeling.
|
|
Een Spokanische nevenschikking met ur mittof kan in het Nederlands ook met het onderschikkende wat vertaald worden. Zie Hoofdstuk 120.
|
70.24
Na een voorzetsel wordt soms ook in het meervoud ef (i.p.v. tem of efs) gebruikt als het antecedent en het pers.vnw. in dezelfde zin staan. Het Nederlandse equivalent is dan meestal er + voorzetsel. Vergelijk:
- Óps minnepirtiyn éttels lef littit belt-rozas kaf ef lorerde.
Ze hebben porseleinen borden met roze roosjes erop gekocht.
- Kirro lelperre pert togeffyÿs fes ef arâbe ur mintepot ÿrras lef mesâ geffys melde armt ef.
We hebben veel appelbomen in de tuin en er zitten lange takken met groene appels aan.
Zie ook § 140.42.
70.25
In bovengenoemde voorzetselbepalingen is ef in feite clitisch: het wordt uitgesproken alsof het een suffix aan het voorzetsel was: kaf ef [kafîf]; armt ef [antîf]. Daarom komen we in geschreven spreektaal ook wel de spellingen kaf'f en armt'f tegen. Zie ook § 70.44.
70.26
In § 22.18 is reeds verteld dat levende zaken als bloemen, planten en bomen in poëtisch en religieus taalgebruik als mn. of vr. beschouwd kunnen worden. Vergelijk nu de algemene zin 1. met het poëtische equivalent in 2.:
- Ef liftkar ÿcs idešappe ÿruelira ef omelech; mittof nert marjerecû tem lo kestenn!
- Ef liftkar ÿcs idešappe ÿruelira ef omelech; eup nert marjerecû óps lo kestenn!

De oude eiken trotseren kreunend de wind; hij (= de wind) kan hen (= de eiken) niet omverblazen!
|
Weersverschijnselen (behalve "regen") worden wel als vrouwelijk voorgesteld. Zie ook Noten 1 en 2 in § 70.31.
|
70.27
Alle abstracte en semi-concrete begrippen zijn in het dagelijks taalgebruik zakelijk. Zij worden in het enkelvoud aangeduid met ef of kâ. In het meervoud worden ze aangeduid met tem of efs. De pronominalisatie van concrete begrippen verschilt dus niet met die van abstracte en semi-concrete begrippen, met dien verstande dat kâ voor concrete begrippen typisch spreektaal is en mittof nooit voor abstracte en semi-concrete begrippen gebruikt wordt. Bijvoorbeeld:
- ef cijazutos >> ef, kâ
ef cijazutosz >> tem, efs
- ef hoggebim >> ef, kâ
ef hoggebims >> tem, efs
- ef porforiy
>> ef, kâ
ef porforiy >> tem, efs
|
de relatie de relatiesde heerlijkheid de heerlijkheden de koppigheid de koppigheden
|
|
Het meervoud van abstr.subst.n op -iy wordt niet gemarkeerd, maar na pronominalisatie is het onderscheid enkelvoud ~ meervoud wel zichtbaar.
|
70.28
In § 22.18 is uiteengezet hoe ook abstracte begrippen gepersonifieerd kunnen worden. Deze personificaties manifesteren zich altijd als een mens of dier en hebben daarom een mannelijk of vrouwelijk geslacht. Vergelijk:
- ef bécân >> ef, kâ
Beecân >> eup
|
de vrede Vrede (als vrouw voorgesteld)
|
Voor de spellingsvarianten é ~ ee zie § 11.34.
70.29
Uit Blok 70.5 blijkt dat stoff.subst.n voor wat betreft de pronominalisatie gelijk gesteld worden met meervoudige concrete zaken: zij worden dus vervangen door tem of efs. Bijvoorbeeld:
- ef pleko >> tem, efs
- ef knurfel >> tem, efs
- ef riyne >> tem, efs
|
het zand het water het garen
|
Met betrekking tot de pers.vnw.n gedragen stoff.subst.n zich dus niet anders dan met betrekking tot bez.vnw.n en aanw.vnw.n (§ 51.4 en § 52.3).
Als tem of efs refereren aan een stoff.subst. doet zich echter een opvallend verschijnsel voor: tem en efs eisen, hoewel zij tot de meervoudige pers.vnw.n gerekend worden, in dit geval een enkelvoudig predikaat. Dit is bijvoorbeeld goed te zien bij het gebruik van modale suffixen (die voor enkel- en meervoud gemarkeerd zijn):
- Ef pleko kÿponnât.
- Tem/efs kÿponnât.
|
Het zand moet drogen. Het (= het zand) moet drogen.
|
Vergelijk:
- Ef bofs kÿponnûs.
- Tem/efs kÿponnûs.
|
De broeken moeten drogen. Zij (= de broeken) moeten drogen.
|
De getalscongruentie die in zin 4. tussen tem/efs (mv.) en kÿponnûs (mv.) bestaat, is in 2. verloren gegaan ten gunste van de analogie tussen 1. en 2. (in beide gevallen het enkelvoudige predikaat kÿponnât).
70.30
In de spreektaal kan het onlogische syntactische verband tussen een meervoudig pers.vnw. en een enkelvoudig predikaat op drie manieren opgeheven of verdoezeld worden:
- In plaats van tem of efs kunnen we het enkelvoudige ef gebruiken om aan een stoff.subst. te refereren. Dit is in de spreektaal algemeen geaccepteerd maar wordt in de schrijftaal als hypercorrect en dus verwerpelijk beschouwd;
- De enkelvoudige markering van het predikaat (zoals -ât in zin 2.) kan gewijzigd worden in een meervoudige markering (-ât > -ûs). Dit treffen we slechts in minder verzorgde spreektaal aan en wordt in alle gevallen als hypercorrect en verwerpelijk beschouwd;
- Dikwijls kunnen we een zodanige constructie kiezen dat het predikaat ongemarkeerd blijft voor enkel- of meervoud. In zin 2. zouden we het modale suffix -ât kunnen vervangen door het modale hulpwerkwoord perke (moeten), zodat 2. wordt:
- Tem/efs perke beri kÿponje. Het (zand) moet drogen.
Zin 5. is in zoverre een "lapmiddel" dat (i) de congruentiebreuk tussen een enkelvoudig subject en een meervoudig predikaat nog steeds bestaat (alleen niet zichtbaar is), en (ii) het suffix -ât vervangen is door perke zonder dat hiervoor syntactische of pragmatische noodzaak bestaat (zie Hoofdstuk 110). Daarom doet 5. uit stilistisch oogpunt geforceerd aan.
|
Ook moet er rekening gehouden worden met het feit dat een modaal werkwoord niet altijd exact dezelfde betekenis heeft als het overeenkomende modale suffix. Zie ook § 110.38.
|
70.31
Het pers.vnw. ef (maar niet mittof of kâ) wordt ook in onpersoonlijke uitdrukkingen gebruikt: ef fungeert dan volgens de Spokanische terminologie als dood pers.vnw., en er ontbreekt dan een referentie aan een eerder genoemd of begrepen antecedent. Bijvoorbeeld:
- Ef bidale.
- Ef omeleche.
- Ef melde frot.
- Lomp melde ef? - Ef doere.
- Tu chaquintecû ef tjôftâra furt ef.
- Gress nert xaquobe ef!
|
Het regent. Het waait. Het is fris. Wie is het/dat? - Dat is hij. Daar kun je donder op zeggen. Ik houd het niet uit!
|
|
In poëtisch taalgebruik kan het onpersoonlijke ef in combinatie met bidale (regenen), tiyste (gieten, hozen) en andere uitdrukkingen voor "regen" door het mannelijke do vervangen worden:
- Do bidale; do tiyste. Het regent; het hoost.
|
|
In poëtisch taalgebruik kan het oorspronkelijke ef in combinatie met een weersuitdrukking vervangen worden door het vrouwelijke eup:
- Eup omeleche; eup melde frot. Het waait; het is fris.
Vergelijk ook Noot 1 hierboven.
|
|
Doere is de verbale afleiding van do (hij). Zie Blok 71.8.
|
70.32
Infinitieven, al dan niet deel uitmakend van een idiomatische uitdrukking, worden in het Spokaans door het pers.vnw. ef voorafgegaan als het subject er in feite niets toe doet (de zogenoemde woordenboek-vorm), bijvoorbeeld:
- "Ef farte" melde eft spooksoliy painer.
- Ef kette klâk rifo flaju.
- Ef stâge lef rist ur chutân.
|
"Farte" is een Spokaans werkwoord. Maling hebben aan iets. Beslagen ten ijs komen.
|
Vergelijk deze voorbeelden met de gevallen waarin een infinitief nominaal gebruikt wordt en voorafgegaan wordt door het lidwoord ef, zoals besproken in § 50.35:
- Ef farte melde helt. Lopen is gezond.
Overigens bestrijden verscheidene grammatici dat er hier sprake zou zijn van twee verschillende soorten "ef", zij geven er de voorkeur aan om ef, voorafgaand aan een infinitief, altijd als lidwoord te beschouwen. Dit neemt niet weg dat ef in een zin als 1. vervangen kan worden door een lidwoordvervangend woord, bijvoorbeeld:
- Teâk farte melde helt. Zulk lopen is gezond.
Terwijl zo'n vervanging van ef in de overige voorbeelden niet mogelijk is:
- * "Teâk farte" melde eft spooksoliy painer.
Voor verdere discussie, zie Vrymân 1982.
70.33
In § 70.23 is geconstateerd dat mittof aan een gehele zin kan refereren. We tonen dit nogmaals aan de hand van de volgende voorbeelden:
- Petriy arfine hojelka? - Gress nert tiffe mittof.
Wanneer komt Petriy? - Ik weet het niet.
- Aftel tu stintavy dena letra? - Mittof quiste!
Wil jij deze brief schrijven? - Dat is goed!
- Ef uchafmrâ melde graviy, tur Jân unere mittof.
De situatie is ernstig, maar dat begrijpt Jân.
70.34
Er kunnen zich echter pragmatische verschijnselen voordoen waardoor de onmiddellijke associatie van mittof met zijn antecedent (i.c. de voorafgaande vraagzin of hoofdzin) vervaagt, bijvoorbeeld door een lange pauze tussen vraag en antwoord, of doordat het antwoord of de opmerking zo generaliserend bedoeld is dat dit of deze niet meer refereert aan dat wat als antecedent opgevat had kunnen worden. In al deze gevallen kan mittof vervangen worden door het dode pers.vnw. ef. Vergelijk zinnen 1. t/m 3. met:
- Petriy arfine hojelka? - We, siy, gress nert tiffe ef.
Wanneer komt Petriy? - Tja, wel, ik weet 't niet.
- Aftel tu stintavy dena letra? - Ef quiste riyfain!
Wil jij deze brief schrijven? - Het is altijd goed!
- Ef uchafmrâ melde graviy, tur Jân unere ef.
De situatie is ernstig, maar Jân begrijpt het.
In zin 4. is er een aarzeling tussen vraag en antwoord zodat het object ef bij tiffe niet meer direct aan de vraag refereert.
In zin 5. wordt een generaliserend antwoord gegeven, in de trant van "Je weet toch dat ik het altijd goed vind om welke brief dan ook te schrijven".
In zin 6. drukt ef een generalisatie uit in de trant van: "Elke situatie die ernstig is begrijpt Jân uiteraard".
|
In deze zin zou ef ook geïnterpreteerd kunnen worden als refererend aan het abstr.subst. uchafmrâ (situatie); in dat geval kunnen we ook zeggen:
- Ef uchafmrâ melde graviy, tur Jân unere kâ.
|
70.35
Het dode pers.vnw. ef mag weggelaten worden als het geen kernfunctie vervult. Deze weglating is vooral in bijzinnen heel gebruikelijk. Vergelijk 4. en 6. uit de vorige paragraaf met:
- Petriy arfine hojelka? - Gress nert tiffe.
- Ef uchafmrâ melde graviy, tur Jân unere.
Zie verder Hoofdstuk 130.
70.36
De pers.vnw.n ef en mittof kunnen ook dienen als voorlopig subject. Mittof doet in deze functie echter archaïsch aan zodat we tegenwoordig vrijwel alleen ef tegenkomen. Bijvoorbeeld:
- Ef (mittof) melde gulder, den tu tinde.
Het is beter, dat je blijft.
- Ef (mittof) pónze ék, den do merfe cÿrbé.
Het wordt vervelend, dat hij alsmaar liegt.
- Ef (mittof) frart nert splônje, den kirro hurtiyre.
Het heeft geen zin, dat we ons haasten/om ons te haasten.
|
Voor het gebruik van frart wordt verwezen naar Blok 72.3.
|
70.37
Overigens wordt een voorlopig subject in het geschreven Spokaans bijna altijd vervangen door een genominaliseerde bijzinsconstructie, ofwel: het predikaat van de bijzin krijgt een nominalisatie-suffix en de kern van de bijzin krijgt een verbale genitief. Zie ook § 60.59-61 en Hoofdstuk 124. Bijvoorbeeld:
- Tuex ef ÿtindos melde gulder.
jij-GEN LW blijven-NOM is beter
(lett. "het blijven van jou is beter")
- Doex ef cÿrbé ÿmerfos pónze ék.
hij-GEN LW voortdurend liegen-NOM wordt vervelend
(lett. "het voortdurend gelieg van hem wordt vervelend")
- Kirroex ef ÿhurtiyros efa nert splônje.

wij-GEN LW haasten-NOM zich niet bedoelt
(lett. "het gehaast van ons heeft geen zin")
|
Voor het gebruik van van efa wordt verwezen naar Blok 72.3.
|
70.38
Zowel het dode pers.vnw. ef (§ 70.31) als het voorlopige subject ef (of archaïsch mittof; § 70.36) kunnen in de spreektaal geëlimineerd worden d.m.v. een transformatie die bekend staat als "additivische kernfunctie". Dit betekent dat een predikatief of subjectief additief (§ 40.2) als subject (dus zinskern) gaat fungeren en aldus het onpersoonlijke of voorlopige subject (beide ef) verdringt. In de a-zinnen is ef onpersoonlijk of voorlopig subject; in b. vervult het additief een subject- oftewel kernfunctie:
- Ef plurre flâme. =
- = Flâme plurre.
- Ef bidale purfillus. =
- = Purfillus bidale.
- Ef quiste riyfain! =
- = Riyfain quiste!
- Ef melde gulder, den tu tinde. =
- = Gulder melde, den tu tinde.
- Ef pónze ék, den do merfe cÿrbé. =
- = Ék pónze, den do merfe cÿrbé.
|
Het regent verschrikkelijk.
Het is beter dat je blijft.
Het wordt vervelend, dat hij alsmaar liegt.
|
Nog in de jaren vijftig van de 20e eeuw werden de b-zinnen in alle gevallen afgekeurd. Tegenwoordig zijn zij in het gesproken Spokaans zo gewoon dat ook de schrijftaal ze eens zal moeten accepteren. De meeste grammatici zijn het eens met de theorie dat het pers.vnw. ef vervangen is door een als voornaamwoord fungerend additief. Maar Obÿn Uleff-Jivru (1982) tracht aan te tonen dat er in feite sprake is van twee transformaties: ten eerste vindt er eliminatie van ef plaats, zodat er een subjectloze zin ontstaat en vervolgens vindt er additivische prolepsis plaats (het additief verhuist naar het begin van de zin, zie § 40.23).
70.39
Een idiomatische uitdrukking wordt gevormd door een pers.vnw., samen met een eigennaam, bijvoorbeeld:
- kirro Petriy
= Petriy ur gress
Petriy en ik
- tu Ârmyll = Ârmyll ur tu
Ârmyll en jij of Ârmyll en jullie
- óps Moffain = Moffain ur óps
Moffain en zijn gezin (indien er buiten Moffain op zijn minst nog één mn. persoon aanwezig is)
- belt Moffain = Moffain ur belt
Moffain en zijn gezin (indien er buiten Moffain alleen vr. personen deel van het gezin uitmaken)
- Óps Elsa
= Elsa ur óps
Elsa en haar gezin
Minder gebruikelijk zijn dergelijke constructies met een enkelvoudig pers.vnw. 3e persoon:
- ? eup Elsa = Elsa ur eup
- ? do Elsa = Elsa ur do
- ? do Lerdu = Lerdu ur do
- ? eup Lerdu = Lerdu ur eup
|
Elsa en haar dochter
Elsa en haar zoon of Elsa en haar man
Lerdu en zijn zoon
Lerdu en zijn dochter of Lerdu en zijn vrouw
|
|
Dat kirro Petriy idiomatisch is voor Petriy ur gress, en niet voor Petriy ur kirro, wordt verklaard door het feit dat kirro in deze idiomatische uitdrukking nog de Oerspokaanse dualis-betekenis van "wij tweeën" heeft: als kirro aan twee personen refereert, en Petriy is er één van, blijft gress (ik) over. Zie ook Blok 70.3.
|
|
Vergelijk ook belt Elsa = Elsa ur belt. Dit zou betekenen dat er buiten Elsa alleen vrouwelijke personen deel van het gezin uitmaken. Dit lijkt slechts dan mogelijk als Elsa weduwe, ongehuwd of gescheiden is. Elsa ur belt is dan adequaat te vertalen met "Elsa en haar dochters".
|
70.40
Soms wordt een pers.vnw. als additief bij een "familietitel" gebruikt. Vergelijk a. met b.:
- ef šym freras rifo Petriy
- ef kirro freras rifo Petriy
- Ef liftkar follus obezjere.
- Ef gÿrs follus obezjere.
|
de blonde broers [en zusters] van Petriy
wij, de broers [en zusters] van Petriy
De oude vader lacht.
U, de vader, lacht.
|
70.41
Als er bovendien een bez.vnw. toegevoegd wordt, staat dit tussen het als additief gebruikte pers.vnw. en het substantief in. Het lidwoord blijft tevens behouden. Bijvoorbeeld:
- Ef tu kost frera nutât quista.
- Gress nert tiffe ef belt vilt sours.
|
Jij, mijn broer, moet goed luisteren. Ik ken hen, jouw zusters, niet.
|
Bovengenoemde constructies zijn zeer algemeen in literaire (sage)taal en in het gesproken Spokaans op Liftka.
70.42
Alle substantieven die iets anders dan een familietitel uitdrukken, kunnen nader bepaald worden door een teg.dw. dat is afgeleid van een geverbaliseerd pers.vnw. Vergelijk:
- ef óps efantys rifo Elsa
- ópsenelira, ef hurts rifo Elsa
|
zij, de kinderen van Elsa zij, de honden van Elsa
|
Zie verder Blok 71.8 en § 71.16.
70.43
Attributieve additieven (§ 40.2) kunnen ook een bepaling vormen bij een pers.vnw. Vergelijk:
- hupster Petriy >> hupster do de grote Petriy >> hij die groot is
- ef kariyn 'nins >> kariyn belt de lelijke meisjes >> zij die lelijk zijn
- ef obezjerelira én vrôlk 'jans >> obezjerelira én vrôlk kirro
de lachende en vrolijke jongens >> wij die lachen en vrolijk zijn
Zie ook § 40.6.
70.44 Gereduceerde vormen; voorzetselaffigering
In het Môliy-Spokaans (Zuid-Liftka) en in het Spokaans op Tigof en Lomky bestaat een gereduceerde vorm van de pers.vnw.n als deze achter een voorzetsel volgen. De combinatie van voorzetsel en pers.vnw. wordt dan als één woord uitgesproken en soms ook zo geschreven: het clitische pers.vnw. is in dat geval als een suffix bij het voorzetsel te beschouwen. Zie Blok 70.45.
70.45
| Clitische persoonlijke voornaamwoorden
|
|---|
| pers.vnw. | standaard- uitspraak | gereduceerde uitspraak | clitisch suffix
| gress tu gÿrs do eup ef mittof kâ kirro óps belt tem efs
| [ges] [tu] [gÿjeRs] [do] [ep] of [e:p] [ef] [mi:tof] [kâ] [ki:ro] [óps] [beLt] [tem] [efs] of [es]
| [gîs] [tû] [gÿs] [dû] [ûp] [ûf] [mif] of [mi:f] [kû] [ki:r] [ôps]
[beL] [tîm] [ûs]
| -giys -tû -gÿs -dû -ûp -ûf -miff -kû -kirr -ôps -bel -tiym -ûs
|
70.46
Voorbeelden van voorzetselsuffigering:
- ón gress = óngiys
- lef tu = leftû
- quân do = quândû
- helkara kirro = 'karakirr
- kaf efs = kafûs
- kaf tem = kaftiym
- lango ef = langoûf
|
aan mij met jou namens hem naar ons op hen; erop op hen; erop langs het; erlangs
|
Ook in andere gebieden van het Spokaans komen deze clitica voor, maar hier worden zij slechts als minder correcte spreektaal beschouwd en nooit als suffix geschreven; dit is alleen toegestaan op Zuid-Liftka, Tigof en Lomky.
|
De pronominale suffixen komen altijd achter de kortste variant die er van een voorzetsel bestaat. De vorm *helkarakirr is dus niet correct. Zie ook de Blokken 140.2-6).
|
|
Efs en tem worden na een voorzetsel soms door ef vervangen (zie § 70.24). Dit is in feite reeds een reductie. Een verdere reductie leidt dan tot: kaf ef = kafûf (erop).
|
70.47
De pronominale suffigering zorgt voor accentverschuiving, want de voorlaatste lettergreep is na de suffigering immers een andere dan ervoor. Vergelijk (accentdragende vocaal is vet):
- lango ef > langoûf
- quân do > quândû
- tvokatiy gÿrs > tvokatiygÿs
|
erlangs namens hem met uitzondering van u
|
De suffixen -kirr en -miff zorgen voor een gefixeerd accent op de laatste lettergreep:
- quân kirro > quânkirr
- lango mittof > langomiff
|
|
70.48 Persoonlijke voornaamwoorden tweede niveau
Naast de pers.vnw.n eerste niveau (Blok 70.5) kent het Spokaans ook pers.vnw.n tweede niveau (pers.vnw.n 2n). Deze zijn:
| Persoonlijke voornaamwoorden tweede niveau
|
|---|
| persoon | | enkelvoud | | meervoud
| 1 2 fam. 2 bel. 3 C-mn. 3 C-vr. 3 C-nt. 3 C-zk. 3 S 3 A+SC
|
| tsil fimpt kirnem zirrel hópsat lelp lelp - kâ, kât
| mij jou u hem haar het het het
|
| uftel kirnem kirnem hifde horde, hifde hifde hifde hifde hifde
| ons jullie u hun, hen hun, hen, haar hun, hen hun, hen het hun, hen
|
| fam. | = familiair gebruik (zie § 70.9)
| | bel. | = beleefd gebruik (zie § 70.9)
| | C | = concrete substantieven
| | S | = stoffelijke substantieven
| | A | = abstracte substantieven
| | SC | = semi-concrete substantieven
| | zk. | = zakelijk (alles, behalve mensen en dieren)
|
Zie ook Blok 70.5. Let op dat bij de pers.vnw.n 2n in het meervoud het onderscheid familiair ~ beleefd, en concreet ~ abstract weggevallen is. Ook het geslachtsonderscheid is zo goed als verdwenen in het meervoud; alleen het vrouwelijk kent nog een apart pers.vnw. (horde, overigens naast het algemene hifde).
70.49
In tegenstelling tot de pers.vnw.n 1n kunnen die van het tweede niveau nooit als zinskern (traditioneel: nominatief) gebruikt worden. Dit blijkt ook reeds uit de vertalingen in Blok 70.48. In een aantal gevallen is het gebruik van de pers.vnw.n 2n in de plaats van die van het 1e niveau verplicht, in andere gevallen wordt het gebruik ervan slechts geadviseerd of is het zelfs geheel optioneel.
Ook zijn er gevallen waarin pers.vnw.n zowel van het 1e als van het 2e niveau mogelijk zijn; er is dan een betekenisverschil.
70.50
Verplicht zijn de pers.vnw.n 2n van de 3e persoon enkelvoud, als binnen één hoofd- of bijzin twee constituenten aan verschillende entiteiten refereren maar met hetzelfde pers.vnw. uitgedrukt zouden worden indien de pers.vnw.n 2n er niet waren. In de zinnen 1. t/m 6. refereren de twee identieke pers.vnw.n die in elke zin voorkomen aan verschillende entiteiten (wat blijkt uit de subscripten i en j, en soms ook k). Deze zinnen zijn ongrammaticaal (blijkt uit *; maar zie ook de uitzonderingen beschreven in de voetnoten) en kunnen gecorrigeerd worden door een van de pers.vnw.n 1n te vervangen door een variant van het tweede niveau. Het pers.vnw. in de functie van zinskern kan echter nooit vervangen worden! In de volgende voorbeelden volgt de correctie na >:
- Jân zerfe Petriy. >>
Jân ziet Petriy.
* Doi zerfe doj. > Doi zerfe zirrelj.
Hiji ziet hemj.
- Jân kette ef mimpit ón Petriy. >>
Jân geeft het boek aan Petriy.
* Doi kette ef ón doj. > Doikette ef ón zirrelj.
Hiji geeft het aan hemj.
- Âfry Jân Moffain melde eft buffas. >>
Volgens Jân is Moffain een boef.
* Âfry doi doj melde eft buffas. > Âfry zirreli doj melde eft buffas.
Volgens hemi is hijj een boef.
- Ef plano zôlumôje sumâ ef granô. >>
Het vliegtuig vliegt tegen de berg.
a. ? Efi zôlumôje sumâ efj. > Efi zôlumôje sumâ lelpj.
of
b. * Kâi zôlumôje sumâ kâj. > Kâi zôlumôje sumâ lelpj.
Heti vliegt erjtegen.
- Jân ðale Mariy ón Elsa. >>
Jân roddelt over Mariy tegen Elsa.
* Do ðale eupi ón eupj. >
a. > Do ðale eupi ón hópsatj. 
b. > Do ðale hópsati ón eupj. 
Hij roddelt over haari tegen haarj.
- Âfry Jân Mariy bytelije pai Petriy. >>
Volgens Jân wordt Mariy door Petriy geslagen.
* Âfry doi eup bytelije pai doj. >
a. > Âfry doi eup bytelije pai zirrelj.
b. > Âfry zirreli eup bytelije pai doj.
Volgens hemi wordt zij door hemj geslagen.
|
Als iemand van zichzelf zegt dat hij een boef is, lijkt de volgende zin acceptabel:
- ? Âfry doi doi melde eft buffas.
Volgens hemi is hiji een boef.
Toch zal over het algemeen de voorkeur gegeven worden aan een constructie met een reflexief element, bijvoorbeeld:
- Âfry doi quandro doi melde eft buffas.
Volgens hemzelfi is hiji een boef.
Voor quandro, zie § 72.31-37.
|
|
Het weinig pregnante karakter van ef (het treedt immers dikwijls op als een soort "dummy", zonder duidelijke referentie, zie ook Hoofdstuk 132) is er de oorzaak van dat zin a. met name in de spreektaal heel acceptabel is, te meer daar het semantisch ondubbelzinnig is dat het eerste ef altijd aan een andere entiteit moet refereren dan het tweede ef. Zin b. daarentegen wordt ook in de spreektaal als incorrect beschouwd, omdat kâ een veel sterkere referent is dan ef.
|
|
Hara Vrymân heeft in haar Spocanian Pronouns (1982) uiteengezet hoe de pers.vnw.n 2n in eerste instantie als een accusatieve vorm beschouwd moeten worden (als we de term "accusatief" met betrekking tot het Spokaans mogen gebruiken, zie ook § 60.1), ofwel, de pers.vnw.n 2n zijn voornamelijk object-bepalend. Daarom zal correctie 5a. de voorkeur genieten, want hierin staat het pers.vnw.2n immers als object. Daarentegen blijkt uit Peter Evergreens Old Spocanian Grammar (1964) hoe een voorzetselbepaling de voorkeur gaf (en geeft?) aan een pers.vnw.2n. Dit zou dan pleiten voor correctie 5b. (als we ón als voorzetsel beschouwen, en niet als determinant, zie § 90.25-32).
|
|
Wat in Noot 1 hierboven gezegd is geldt ook hier: we kunnen ons voorstellen dat iemand van zichzelf zegt dat hij een ander slaat, zodat de volgende zin acceptabel is:
- ? Âfry doi eup bytelije pai doi.
Volgens hemi wordt ze door hemi geslagen.
Gezien de minder voor de hand liggende situatie dat beide do's aan dezelfde entiteit refereren, zou een Spokaniër de voorkeur geven aan een reflexieve constructie met quandro:
- Âfry do quandro eup bytelije pai do.
Volgens hemzelf wordt ze door hem geslagen.
|
70.51
Een extra probleem doet zich voor als er in één hoofd- of bijzin drie of meer constituenten aan verschillende entiteiten refereren en met hetzelfde pers.vnw. uitgedrukt zouden worden indien de pers.vnw.n 2n er niet waren. Vergelijk zin 5. in § 70.50 met het volgende hypothetische geval:
- Yvonn ðale Mariy ón Elsa. >>
Yvonn roddelt over Mariy tegen Elsa.
- * Eupi ðale eupj ón eupk. >
a. > * Eupi ðale eupj ón hópsatk.
b. > ? Eupi ðale hópsatj ón eupk.
Ziji roddelt over haarj tegen haark.
De gecorrigeerde vorm 1a. valt af, omdat hierin nog steeds twee identieke pers.vnw.n met verschillende referenties (eupi en eupj) voorkomen. De grammaticaliteit van 1b. is echter omstreden. In het moderne Spokaans bestaat de neiging om (zeker in de schrijftaal) b. af te keuren, maar in het Oudspokaans, en tegenwoordig ook nog wel in de spreektaal, blijkt een pers.vnw.2n soms een "entiteits-scheidingsfunctie" te kunnen hebben. Deze term is van Peter Evergreen (1964) en houdt globaal in dat twee identieke pers.vnw.n (als eupi en eupk in b.) binnen dezelfde (bij)zin toch kunnen refereren aan verschillende entiteiten, als er minstens één pers.vnw. van het tweede niveau tussen staat. Aan deze voorwaarde is in b. voldaan: hópsatj staat tussen eupi en eupk in, dus deze zin is althans volgens de Oudspokaanse grammatica correct. Populair gezegd zouden we de entiteits-scheidingsfunctie ook de "komma-functie" van een pers.vnw.2n kunnen noemen. Een komma is immers de markering tussen een hoofd- en bijzin, en twee identieke pers.vnw.n kunnen aan verschillende entiteiten refereren als het ene pers.vnw. in de hoofdzin staat en het andere in de bijzin. Beide pers.vnw.n zijn dan dus door een komma gescheiden. Bijvoorbeeld:
Constructies waarin meer dan twee pers.vnw.n voorkomen die alle aan een andere entiteit refereren (dus meer dan twee "disreferentiële" pers.vnw.n) komen hoofdzakelijk in de spreektaal voor, waar de directe relatie met de buitentalige werkelijkheid mogelijkheden biedt om aan te geven welk pers.vnw. aan welke entiteit refereert (intonatie, aanwijzen, gebruik van 1e en 2e persoon, ed.).
|
Zouden doi en doj beide naar "Jân" verwijzen, dan werd doj volgens de regels in Hoofdstuk 130 gedeleerd. We krijgen dan:
- Do ma melde wynch, enn Mariy cÿrtirilóme.
Hiji is trots, omdat hiji Mariy geholpen heeft.
(De determinant enn wordt toegevoegd om aan te geven dat Mariy hier object is. Zonder enn zou Mariy als subject opgevat worden:
- Do ma melde wynch, Mariy cÿrtirilóme.
Hij is trots, omdat Mariy geholpen heeft.
Zie verder § 70.56.
|
70.52
We kunnen zin 1a. (en eventueel 1b.) in § 70.51 grammaticaal correct maken door een van de drie pronominalisaties achterwege te laten, bijvoorbeeld:
- Yvonn ðale hópsat ón eup.
Yvonn roddelt over haari tegen haarj.
- Eup ðale hópsat ón Elsa.
Ze roddelt over haar tegen Elsa.
- Eup ðale hópsat ón ef lelpiru tiyn.

Ze roddelt over haar tegen de ander.
|
Het doet voor ons betoog niet ter zake dat deze Nederlandse vertaling niet correct is.
|
|
Voor toevoeging van tiyn (ding), zie § 131.4.
|
70.53
Geadviseerd worden de pers.vnw.n 2n van de 3e persoon meervoud, als binnen één hoofd- of bijzin twee constituenten aan verschillende groepen van entiteiten refereren maar met hetzelfde pers.vnw. uitgedrukt zouden worden indien de pers.vnw.n 2n er niet waren. Vergelijk:
- Ef 'jans zerfe ef ôrešys. >>
De jongens zien de soldaten.
>> ? Ópsi zerfe ópsj. > Ópsi zerfe hifdej.
Ziji zien henj.
- Ef 'jans kette ef mimpits ón ef gekkers. >>
De jongens geven de boeken aan de leraren.
>> ? Ópsi kette efs ón ópsj. > Ópsi kette efs ón hifdej.
Ziji geven die aan hunj.
- Jân ðale sener frintÿ ón sener sours. >>
Jân roddelt over zijn vriendinnen tegen zijn zusters.
>> ? Do ðale ópsi ón ópsj. >
- > Do ðale ópsi ón hifdej.
- > Do ðale hifdei ón ópsj.

Hij roddelt over heni tegen henj.
|
Zie ook Noot 3 in § 70.50, waarom correctie a. volgens Hara Vrymân de voorkeur verdient.
|
70.54
Vergelijk a. met b.:
- * Do zerfe do.
* Do ðale eup ón eup.
* Kâ zôlumôje sumâ kâ.
- ? Óps zerfe óps.
? Do ðale belt ón belt.
? Ef zôlumôje sumâ ef.
|
|
De a-zinnen zijn ongrammaticaal, maar de b-zinnen zijn - zeker in de spreektaal - acceptabel. Dit verschil in (on)grammaticaliteit wordt op verschillende manieren verklaard: een op logica gebaseerde verklaring is te vinden bij Keelterfiy-Ÿzolufo (1979), waar wij niet verder op in zullen gaan omdat dit buiten de feitelijke grammaticabeschrijving valt. Echter, de op semantiek gebaseerde verklaring zal hieronder in het kort uiteengezet worden.
70.55
Bij Spokaanse voornaamwoorden moet onderscheid gemaakt worden tussen zwakke referentie en sterke referentie. Deze twee soorten referentie kunnen als volgt gedefinieerd worden:
- Meervoudige pers.vnw.n, en ook sommige enkelvoudige pers.vnw., hebben een zwakke referentie, bijvoorbeeld: zodra óps in een hoofd- of bijzin verschijnt, vormt de toehoorder zich een beeld van een groep personen, laten we dit de "mentale groep" noemen. Telkens als óps verschijnt refereert dit aan twee of meer entiteiten uit de mentale groep, maar het kunnen bij elke nieuwe verschijning van óps weer andere entiteiten uit die groep zijn. Zo'n voornaamwoord creëert dus een mentaal beeld van een groep entiteiten, maar deze groep wordt niet in zijn geheel door dat pronomen omvat. Hetzelfde geldt voor ef: dit pers.vnw. refereert aan één zakelijke entiteit uit een mentale groep van meerdere entiteiten.
- Een voornaamwoord dat bij zijn verschijnen in een hoofd- of bijzin een mentaal beeld creëert van een groep entiteiten die geheel omvat wordt door dat voornaamwoord, heeft een sterke referentie. De meeste enkelvoudige pers.vnw.n zijn hier een goed voorbeeld van, bijvoorbeeld: zodra do in een hoofd- of bijzin verschijnt, vormt de toehoorder zich een beeld van één bepaald mannelijk persoon. Er is nu een 1 op 1 relatie tussen deze persoon en do, ofwel: als de persoon bedoeld wordt, wordt hieraan uitsluitend met do gerefereerd, en als do verschijnt, refereert dit altijd aan een en dezelfde persoon. Hetzelfde geldt voor eup (één bepaald vrouwelijk persoon) en voor kâ (één bepaalde zakelijke entiteit). De mentale groep bestaat dus uit slechts één entiteit.
Ook sommige meervoudige voornaamwoorden hebben een sterke referentie, zoals jadâk (iedereen; zie Blok 73.2): jadâk creëert een mentale groep van meer dan twee personen en refereert aan de gehele groep: er is dus weer een 1 op 1 verhouding. Een constructie als
- * Jadâk cÿrtirât jadâk.
Iedereen moet iedereen helpen.
is dan ook om dezelfde reden ongrammaticaal als de a-zinnen in § 70.54. Een correcte variant is daarentegen:
- Jadâk cÿrtirât hédân. Iedereen moet elkaar helpen.
Zie ook § 72.40.
|
Daarentegen lijkt pesa (menigeen) een zwakke referentie te kennen, blijkens de acceptabele constructie:
- ? Pesa cÿrtirât pesa. Menigeen moet menigeen helpen.
Pesa creëert een mentale groep van meer dan twee personen, maar refereert aan slechts een deel van die groep: er is dus geen 1 op 1 verhouding.
|
70.56
Eveneens geadviseerd worden pers.vnw.n 2n als het subject gedeleerd is en het object vóór het predikaat staat. Dit is het geval in een bijzin in de definitieve tijd. Zie ook Blok 90.8 voor de woordvolgorde en Hoofdstuk 130 voor deleties.
In de volgende voorbeelden stelt a. een hoofd- + bijzin voor. In b. is het subject in de bijzin gedeleerd (omdat dit coreferentieel is met het subject in de hoofdzin), in c. is het object vervangen door een pers.vnw.2n:
- Gress styne, gress ef mimpit trempelira.
Ik geef toe dat ik het boek gelezen heb.
- Gress styne, enn ef mimpit trempelira.
(idem)
- Gress styne, lelp trempelira.
Ik geef toe, dat ik het gelezen heb.
- Kirro ma tinda fesért, kirro ef 'nins perkilóme beri kaftare.
We bleven thuis, omdat we op de meisjes moesten passen.
- Kirro ma tinda fesért, enn ef 'nins perkilóme beri kaftare.
(idem)
- Kirro ma tinda fesért, horde perkilóme beri kaftare.
We bleven thuis, omdat we op hen (vr.) moesten passen.
In de b-zinnen is de determinant enn toegevoegd om het object te markeren. Zie ook Noot 1 in § 70.51. In c. kan enn achterwege blijven omdat de pers.vnw.n lelp resp. horde nooit als subject kunnen fungeren, m.a.w. ze moeten wel object zijn. Als wij deze pers.vnw.n 2n vervangen door hun tegenhangers van het 1e niveau, is toevoeging van enn weer noodzakelijk. Vergelijk de c-zinnen met:
- Gress styne, enn ef trempelira.
- Kirro ma tinda fesért, enn belt perkilóme beri kaftare.
Uit stilistisch oogpunt geeft men de voorkeur aan de c-zinnen met een pers.vnw.2n boven de d-zinnen met de determinant enn.
|
Deletie van enn geeft:
- Gress styne, ef trempelira. Ik geef toe dat het leest.
Waarbij ef alleen een subject kan zijn dat refereert aan een zakelijke entiteit die kan lezen (zoals een robot of een leesmachine).
|
|
Deletie van enn geeft:
- Kirro ma tinda fesért, belt perkilóme beri kaftare.
We bleven thuis, omdat zij (vr.) op moesten passen.
Waarbij belt alleen een subject kan zijn.
|
70.57
Het gebruik van pers.vnw.n 2n is soms wenselijk om ambiguïteit op te heffen. Vergelijk:
- Eupi quistare, den gress cÿrtire eupi/j.
Ze (= Mariy) vindt het goed dat ik haar (= Mariy of een ander) help.
- Eupi quistare, den gress cÿrtire hópsatj.
Ze (= Mariy) vindt het goed dat ik haar (= Elsa) help.
In zin 1. kunnen eupi en eupi/j aan dezelfde entiteit refereren, maar dit is niet noodzakelijk omdat beide eup's niet in dezelfde hoofdzin of dezelfde bijzin staan. Hier geldt weer de in § 70.51 genoemde "entiteits-scheidingsfunctie" van de komma. Daarom is 1. ambigu. In 2. moeten eup en hópsat per definitie aan verschillende entiteiten refereren.
70.58
De mogelijkheid om tussen een pers.vnw. 1e en 2e niveau te kiezen teneinde ambiguïteit op te heffen (zoals in 1. en 2. van de vorige paragraaf) doet zich natuurlijk niet voor als de ambiguïteit veroorzaakt wordt door de zinskern. Bijvoorbeeld:
- Ef reppe-rélvâsi pryÿlla, doi/j perkelira beri nâs-zerfe ef aupross.
De woordvoerderi verklaarde, dat hiji/j het beleid moet herzien.
Moet expliciet uitgedrukt worden dat het niet de woordvoerder zelf is, maar een ander, die het beleid moet herzien, dan zijn er drie oplossingen:
Oplossing 1: het subject doi/j kan uitgebreid worden tot lelpiru do (lett. "de andere hij"). Dit is voornamelijk spreektaal:
- £ Ef reppe-rélvâs pryÿlla, lelpiru do perkelira beri nâs-zerfe ef aupross.
Oplossing 2: zowel in gesproken als in geschreven taal kan het pers.vnw. vervangen worden door een nominale constituent, bijvoorbeeld:
- Ef reppe-rélvâs pryÿlla, ef menester perkelira beri nâs-zerfe ef aupross.
De woordvoerder verklaarde, dat de minister het beleid moet herzien.
70.59
Oplossing 3: typisch voor de schrijftaal is het gebruik van een passiefconstructie, die het pers.vnw. "ontkernt" zodat een tegenhanger van het 2e niveau mogelijk is:
- Ef reppe-rélvâsi pryÿlla, ef aupross perkelira beri nâs-zerfelije pai zirrelj.
(lett. "De woordvoerderi verklaarde, dat het beleid door hemj herzien moet worden")
70.60
De meeste voorzetsels kunnen gevolgd worden door een pers.vnw. van zowel het 1e als het 2e niveau. Een voorzetselbepaling met een pers.vnw.2n klinkt echter plechtiger. Let erop dat de pers.vnw.n na voorzetsels binnen één zin óf alle tot het 1e niveau, óf alle tot het 2e niveau behoren. Het door elkaar gebruiken van beide niveaus wordt meestal beschouwd als een minder fraaie stijlbreuk. In dit verband worde de determinanten pai, enn en ón gelijkgesteld aan de voorzetsels. Vergelijk:
- (Mariy vende lef sener frera helkara ef tlokkôe. >>)
Mariy gaat met haar broer naar de tantes toe.
>> Mariy vende lef do helkara belt.
of Mariy vende lef zirrel helkara horde.
Mariy gaat met hem naar hen (vr.) toe.
- Elsa zerfe helkara tu ur kette ef mimpit ón gress.
of Elsa zerfe helkara fimpt ur kette ef mimpit ón tsil.
Elsa kijkt naar jou en geeft het boek aan mij.
- (Ef jakâmkiy póbarelitâ pai ef jabâr enn ef ôrešys. >>)
Aan de veldheer worden door de koning de soldaten verkocht.
>> Ef jakâmkiy póbarelitâ pai do enn óps.
of Ef jakâmkiy póbarelitâ pai zirrel enn hifde.
Aan de veldheer worden ze door hem verkocht.
|
Onwelgevormd zijn echter:
- ? Mariy vende lef do helkara horde.
- ? Mariy vende lef zirrel helkara belt.
Want nu worden het eerste en tweede niveau door elkaar gebruikt.
|
|
Onwelgevormd zijn echter:
- ? Elsa zerfe helkara tu ur kette ef mimpit ón tsil.
- ? Elsa zerfe helkara fimpt ur kette ef mimpit ón gress.
|
70.61
Het pers.vnw.1n ef kan echter altijd gecombineerd worden met een pers.vnw.2n, zonder dat er van stijlbreuk sprake is:
- (Petriy mirre lef gress helkara ef môjôl. >>)
Petriy wandelt met mij naar de molen.
>> Do mirre lef gress helkara ef/mittof.
of Do mirre lef tsil helkara ef.
of Do mirre lef tsil helkara lelp.
Hij wandelt met mij ernaar toe.
|
Onwelgevormd zijn echter:
- ? Do mirre lef gress helkara lelp.
- ? Do mirre lef tsil helkara mittof.
|
70.62
De universele toepasbaarheid van ef brengt sommige grammatici ertoe om ef ook in het paradigma van de pers.vnw.n 2n (Blok 70.48) op te nemen. Als we ef, door opname in dit Blok, het karakter van 2e niveau geven, is tevens verklaard waarom de resultatief die bij lelp hoort, afgeleid is van ef (en niet van lelp zelf), zie Blok 71.20. Deze twee redenen pleiten ervoor om ef ook te beschouwen als pers.vnw. tweede niveau.
Maar er zijn ook redenen om ef als uitsluitend 1e niveau te beschouwen. Ten eerste kan ef niet gebruikt worden in die gevallen waarin een pers.vnw.2n verplicht is (zie § 70.63), ten tweede zijn pers.vnw.n 2n per definitie verschillend van die van het 1e niveau, en ten derde is op historische gronden aannemelijk te maken dat ef niet thuishoort in het paradigma van de pers.vnw.n 2n.
70.63
In vele idiomatische uitdrukkingen met een voorzetselbepaling is er na het voorzetsel geen keuzemogelijkheid tussen 1e of 2e niveau. Voorbeelden van idiomatische uitdrukkingen die een pers.vnw. eerste niveau eisen:
- Gress nert dragje ef mul helkara do.
Ik heb maling aan hem. (lett. "ik breng de last niet naar hem")
- Gress kette klâk rifo do.
(idem) (lett. "ik geef het puin van hem")
- Ef melde eft kursuus qulos furt do.
Dat is hem tegen het zere been. (lett. "dat is een bloederige wond voor hem")
- Do koldre eft ternen luft ef.
Hij doet ook een duit in het zakje. (lett. "hij gooit een dobbelsteen erbij")
Voorbeeld van een idiomatische uitdrukking die een pers.vnw. tweede niveau eist:
- Kirro zérpe mitai ef râfs lestôk hifde.
Wij staan op gespannen voet met hen.
(lett. "wij waden door de modder onder begeleiding van hen")
|
Lestôk (onder [bege]leiding van) neemt in zoverre een bijzondere plaats in dat het altijd een pers.vnw. van het eerste niveau eist, behalve in deze idiomatische constructie. Zie ook § 70.64.
|
70.64
Een aantal voorzetsels eisen in alle gevallen (ook in niet-idiomatische uitdrukkingen) een pers.vnw. eerste niveau, zoals:
- Yvonn ÿzjale fošiy do.
- eft belde-tupplip lestôk gress
|
Yvonn handelt op gezag van hem.
een excursie onder leiding van mij
|
Een aantal voorzetsels eisen in alle gevallen (ook in niet-idiomatische uitdrukkingen) een pers.vnw. tweede niveau, zoals:
- Jadâk sener glydaos kafte, tvokatiy zirrel.
Iedereen heeft zijn lidmaatschap betaald, met uitzondering van hem.
- Eup frajjae loiniy uftel.
Ze rent in de richting van ons.
Zie verder de Blokken 140.3-5.
70.65
De voegwoorden dus (dan), lo ... lo (even ... als) en loiy (evenals) kunnen door een pers.vnw. 1n óf 2n gevolgd worden. Deze keuze is niet geheel vrij: om het pers.vnw. met het juiste niveau te bepalen, moeten we de elliptische zin waarin het voegwoord voorkomt, in gedachten aanvullen zodat we te weten komen of het pers.vnw. na het voegwoord al dan niet als zinskern fungeert. Fungeert het pers.vnw. als kern, dan is uiteraard alleen het 1e niveau mogelijk; fungeert het niet als kern, dan kan er gekozen worden tussen een pers.vnw.2n (hieronder de b-zinnen) óf een pers.vnw.1n waarbij tevens de kern herhaald wordt (c-zinnen). In de gesproken taal is deze laatste methode gebruikelijker. Ten slotte: de a-zinnen bevatten het voegwoord samen met een zinskern:
- Do melde hupster terat dus gress.
Hij is groter dan ik [ben].
- Do dakre graviy terat eup dus gress.
Hij beledigt haar erger dan ik [doe].
- Do dakre graviy terat hópsat dus tsil.
=
- = Do dakre graviy terat eup dus do gress.
Hij beledigt haar erger dan mij.
- Eup krÿše lilt terat Petriy dus gress.
Zij belt Petriy vaker op dan ik. (= dat ik Petriy opbel)
- Eup krÿše lilt terat Petriy dus tsil. =
- = Eup krÿše lilt terat Petriy dus eup gress.
Zij belt Petriy vaker op dan mij. (= dat ze mij opbelt)
- Do lajete lo graviy tu lo gress.
Hij scheldt jou even hard uit als ik [jou uitscheld].
- Do lajete lo graviy fimpt lo tsil.
=
- = Do lajete lo graviy tu lo do gress.
Hij scheldt jou even hard uit als mij. (= als hij mij uitscheldt)
- Óps tu ufege, loiy gress.
Ze hebben jou vergeten, evenals ik [jou vergeten heb].
- Óps tu ufege, loiy tsil. =
- = Óps tu ufege, loiy óps enn gress.

Ze hebben jou vergeten, evenals mij. (= evenals ze mij vergeten hebben)
|
In deze zinnen zijn eup resp. tu vervangen door hópsat resp. fimpt. Deze pers.vnw.n 2n zijn nodig omdat ook het andere pers.vnw. binnen de voegwoordelijke bepaling van het 2e niveau is (nl. tsil). Het principe van niveau-congruentie kwam ook reeds ter sprake met betrekking tot voorzetselbepalingen (§ 70.60).
|
|
De objectsdeterminant enn moet hier aan gress toegevoegd worden omdat er aan de volgende twee voorwaarden voldaan is:
- het object (gress) staat vóór het predikaat (het gedeleerde ufege);
- de (elliptische) bijzin wordt ingeleid met een voegwoord (loiy).
Zie verder Hoofdstuk 90 en Blok 121.8.
|
70.66
Als de zinskern uit een andere woordsoort bestaat dan een pers.vnw., wordt bij herhaling van de kern een pers.vnw.1n gekozen (elke kern wordt dus gepronominaliseerd). Vergelijk de voorbeelden uit de vorige paragraaf met die hieronder, en let op de ongrammaticaliteit van de b-zinnen omdat hierin de zinskern niet als een pers.vnw. is herhaald:
- Olâf lajete lo graviy tu lo gress.
Olâf scheldt jou even hard uit als ik [jou uitscheld].
- * Olâf lajete lo graviy fimpt lo tsil. >
- > Olâfi lajete lo graviy tu lo doi gress.
Olâf scheldt jou even hard uit als mij. (= als hij mij uitscheldt)
- Kost fosies tu ufege, loiy gress.
Mijn ouders hebben jou vergeten, evenals ik [jou vergeten heb].
- * Kost fosies tu ufege, loiy tsil. >
- > Kost fosiesi tu ufege, loiy ópsi enn gress.
Mijn ouders hebben jou vergeten, evenals mij.
(= evenals ze mij vergeten hebben)
70.67
Als in een voegwoordelijke bijzin het voegwoord als zinskern optreedt, kan voor de overige basiselementen (§ 90.2) een pers.vnw. van zowel het 1e als het 2e niveau gebruikt worden. In a. fungeert het voegwoord lomp (wie) als subject-kern; in b. als object (niet-kern):
- Gress tiffe, lomp rupke do. = Gress tiffe, lomp rupke zirrel.
Ik weet, wie hem roept.
- Gress tiffe, lomp do rupke ef.
Ik weet, wie hij roept.
Omdat in zin b. het object lomp naar voren is geschoven, wordt de oorspronkelijke object-positie met het spoor ef gemarkeerd. Zie hiervoor § 121.35.
|