Een complete Nederlands-
talige grammatica van het
Spokaans, geschreven
vanuit een Nederlands
perspectief.

Grammatica van het Spokaans

Home       Inhoud       Registers       Hoofdmenu SPARC       Taalmenu SPARC


<< Hoofdstuk 50 | Hoofdstuk 52 >>

5. Lidwoorden en lidwoordvervangende voornaamwoorden

51. Bezittelijke voornaamwoorden


Opbouw van dit hoofdstuk: Blokken:

51.1   Algemeen

Bezittelijke voornaamwoorden (bez.vnw.) behoren, tezamen met de aanwijzende en onbepaalde voornaamwoorden (Hoofdstuk 52) tot de zogenoemde lidwoordvervangende voornaamwoorden. Zij kunnen in de plaats van een lidwoord komen, of nauwkeuriger, in de plaats van het bepaalde lidwoord ef. De syntactische voorwaarden waaraan het gebruik van ef moet voldoen, gelden eveneens voor het gebruik van een lidwoordvervangend voornaamwoord.

51.2

In tegenstelling tot het lidwoord ef is de vorm van de vervangende voornaamwoorden afhankelijk van de categorie (CONCREET ~ ABSTRACT / STOFFELIJK), het getal (ENKELVOUD ~ MEERVOUD) en soms ook van het geslacht (MANNELIJK ~ VROUWELIJK ~ NEUTRAAL ~ ZAKELIJK) van het substantief waar het voornaamwoord bij hoort. Voor "substantief" kan ook "eigennaam" gelezen worden.

51.3

De bezittelijke voornaamwoorden kunnen in twee groepen onderverdeeld worden:

  1. expliciete bez.vnw.n (vanaf § 51.4)
  2. impliciete ofwel reflexieve bez.vnw.n (vanaf § 51.6)

Het gebruik van de bez.vnw.n zal in meer algemene termen besproken worden vanaf § 51.21.

51.4   ad § 51.3   A. Expliciete bez.vnw.n

Expliciete bezittelijke voornaamwoorden
persoonantecedent = enk.antecedent = mv. of stoff.
1
2 fam.
2 bel.
3 C-mn.
3 C-vr.
3 C-nt.
3 C-zk.
3 S
3 A+SC
kost
vilt
gert
groft
belt, groft
groft
groft

ust
mijn
jouw
uw
zijn
haar
zijn
zijn
 
zijn
kult
gert
gert
hift
hort, hift
hift
hift
hift
ust
ons, onze
jullie
uw
hun
hun, haar
hun
hun
zijn
zijn

fam.  = familiair gebruik
bel.= beleefd gebruik
C = concrete substantieven
S = stoffelijke substantieven
A = abstracte substantieven
SC = semi-concrete substantieven
zk. = zakelijk (alles, behalve mensen en dieren)

De regels voor het gebruik van de familiaire en beleefde vorm zijn uitgelegd in § 70.9–10. Deze regels gelden onverminderd voor de keuze tussen vilt (jouw) en gert (uw). Merk op dat dit onderscheid in het meervoud geëlimineerd is (beide gert (jullie, uw)).

51.5

Hort (hun, haar (mv.)) wordt slechts gebruikt indien er uitsluitend aan vrouwelijke personen of dieren gerefereerd wordt. In de spreektaal worden hort, en in mindere mate ook belt (haar (enk.)), steeds meer verdrongen door de geslachtsloze vormen hift en groft. Als het bez.vnw. belt gevolgd wordt door het additief belt (klein), wordt ook in de schrijftaal liever groft gebruikt:

  • Gress bôrade belt belt hurt = Gress bôrade groft belt hurt.
    Ik laat haar kleine hondje uit.

Zie voor een algemene bespreking van het gebruik van bez.vnw.n. ook § 51.21 en verder.

51.6   ad § 51.3   B. Impliciete of reflexieve bez.vnw.n

Impliciete bez.vnw.n worden prototypisch gebruikt als zij binnen dezelfde zin refereren aan de entiteit(en) uit de zinskern. Er zijn slechts twee impliciete bez.vnw.:

Impliciete bezittelijke voornaamwoorden
persoonantecedent = enk.antecedent = mv. of stoff.
1 / 2 / 3 sener seners of sener

In feite is sener de genitiefvorm van het wederkerende voornaamwoord sen (zich[zelf]). Zie Blok 72.3.
De meervoudsvorm seners is tegenwoordig vrijwel in onbruik geraakt, en wordt vervangen door sener. Alleen als het antecedent tu (jullie) of gÿrs (u (mv.)) is, is het meervoudige seners nog gangbaar. Dit om onderscheid te kunnen maken met tu (jij) en gÿrs (u (enk.)). Vergelijk:

  • Gress ichize sener ûsto.
    Ik kus mijn [eigen] dochter.
  • Do ichize sener ûsto.
    Hij kust zijn [eigen] dochter.
  • Ef sientur ichize sener ûstos.
    De moeder kust haar [eigen] dochters.
  • Tu ichize sener ûsto.
    Jij kust jouw [eigen] dochter.
  • Gress unquarderelije pai sener ÿksanuter.
    Ik word lastig gevallen door mijn buurman.
  • Blul ef mimpit kettelije tÿrt ón sener spâklân.
    Het boek is aan zijn eigenaar teruggegeven.
  • Tu ichize seners ûsto. Noot 1
    Jullie kussen je [eigen] dochter.
  • Óps ichize sener[s] ûsto. Noot 1
    Zij kussen hun [eigen] dochter.
  • Petriy ur Ina ichize sener[s] ûsto. Noot 1
    Petriy en Ina kussen hun [eigen] dochter.
  • Ântfort gÿrs quarderelije pai sener blaffoser. Noot 2
    Binnenkort wordt u (enk.) door uw belastinginspecteur bezocht.
  • Ântfort gÿrs quarderelije pai seners blaffoser. Noot 2
    Binnenkort wordt u (mv.) door uw belastinginspecteur bezocht.


Noot 1 Let op dat hier sprake is van één dochter die door meer dan één persoon gekust wordt. Dit kunnen feitelijk alleen de beide ouders zijn. Vergelijk:

  • Tu ichize seners ûstos.
    a. Jullie kussen [elk] je dochter.
    b. Jullie kussen je dochters.

Deze zin is ambigu (of liever: kent twee equivalenten in het Nederlands), want er kan sprake zijn van: (i) een aantal kussende personen die elk één dochter hebben, of van: (ii) een aantal kussende personen die alle, of voor een deel, méér dan één dochter hebben.

Noot 2 Het gebruik van sener[s] geeft hier een persoonlijke noot aan de mededeling. Alsof er een min of meer intieme relatie tussen de belastinginspecteur en de belastingbetaler bestaat.

51.7

Sener[s] komt niet voor in de zinskern (maar zie uitzonderingen in § 51.8). Als een constructie gepassiviseerd wordt, zodanig dat de constituent die door sener[s] bepaald wordt nu als zinskern gaat optreden, moet een expliciet bez.vnw. gebruikt worden. Vergelijk:

  1. Do ichize sener ûsto.
    Hij kust zijn dochter.
  2. Groft ûsto ichizelije pai do. Noot 1
    Zijn dochter wordt door hem gekust.

Het omgekeerde is ook het geval: een expliciet bez.vnw. in de zinskern van een actieve constructie wordt impliciet in de passieve variant:

  1. Kost sientur rupke gress.
    Mijn moeder roept me.
  2. Gress rupkelije pai sener sientur.
    Ik word door mijn moeder geroepen.

Merk op dat de ambiguïteit van de volgende a-zin leidt tot twee passieve varianten:

  1. Groft sientur rupke do. Noot 2
    Zijn moeder roept hem.
  2. Do rupkelije pai groft sientur.
    Hij wordt door zijn moeder geroepen. (= de moeder van een ander)
  3. Do rupkelije pai sener sientur.
    Hij wordt door zijn eigen moeder geroepen.


Noot 1 Zin b. is echter ambigu, want groft en do kunnen ook aan verschillende entiteiten refereren (hij kust dus de dochter van een ander).

Noot 2 Merk op dat de volgende constructie niet ambigu is:

  1. Groft sientur rupke Petriy.   Zijn moeder roept Petriy.

In het Spokaans (en ook het Nederlands?) lijkt het onmogelijk om deze zin zo te interpreteren dat het Petriy's eigen moeder is die hem roept. Deze onmogelijkheid is toe te schrijven aan een regel die in dit geval "vooruitverwijzing door een anafoor" kennelijk verbiedt. Of concreet: de anafoor groft kan niet refereren aan een entiteit (zoals Petriy) die nog genoemd moet worden, maar moet daarentegen terugverwijzen naar een entiteit die reeds genoemd is (en dat is dan waarschijnlijk een ander dan Petriy).
In de zin Groft sientur rupke do zijn zowel groft als do anaforen. Zij verwijzen dus beide terug naar een eerder genoemde entiteit; dit kunnen twee verschillende entiteiten zijn (groft verwijst naar Jân en do verwijst naar Petriy), maar ze kunnen ook naar een en dezelfde entiteit verwijzen (Petriy bijvoorbeeld). Voor zin i. geldt daarom slechts één passieve variant:

  1. Petriy rupkelije pai groft sientur.
    ("Petriy wordt door de moeder van een ander geroepen")

51.8

In enkele gevallen kan sener[s] in de zinskern staan, en wel:

  1. Als de bepaling met sener[s] en het antecedent van sener[s] d.m.v. nevenschikking één constituent vormen die als zinskern fungeert (§ 51.9);
  2. Als de bepaling met sener[s] de zinskern vormt van een zin die met een neven- of onderschikkend voegwoord verbonden is met een zin waarvan de kern het antecedent van sener[s] is (vanaf § 51.10);
  3. Als de bepaling met sener[s] de zinskern vormt van een zin die met een grammaticaal voegwoord, of met een -lira-constructie, verbonden is met een zin waarvan de kern het antecedent van sener[s] is (vanaf § 51.12).

51.9   ad § 51.8   a.

Voor nevenschikking op constituent-niveau wordt verwezen naar Hoofdstuk 120. Voorbeelden:

  • Petriy ur sener frint mirre ânt ef wuma.
    Petriy en zijn vriend wandelen in het bos.
  • Gress ur sener sientur prate mas.
    Ik en mijn moeder vertrekken morgen.
  • Ef pijâ oto oft sener tuffianto moterlot nâs-jâsperfutelije pai Tek.
    De hele auto of alleen zijn motorkap wordt door Tek overgespoten.

51.10   ad § 51.8   b.

Voor nevenschikking op zinsniveau wordt verwezen naar Hoofdstuk 120. Voor onderschikking zie Hoofdstuk 121. Voorbeelden:

  1. Petriy affionnose huron-ÿry ur sener frinta idem sprizze.
    Petriy houdt van bloemkool en zijn vriendin [houdt] van spruitjes.
  2. Reparere gress ef hindepip, nÿn sener frera enn ef paine pip.
    Ik zal de geiser repareren, tenzij mijn broer het al gedaan heeft.
  3. Ef stûdents rofonose, brâ sener[s] mimpits pai eft neknôfer kuntiyralije.
    De studenten zijn boos, want hun boeken zijn door een onbekende gestolen.

51.11

Echter, als een bijzin door een determinant gemarkeerd wordt (§ 122.3), dan wordt altijd een expliciet bez.vnw. in de zinskern gebruikt. Vergelijk zinnen 2. en 3. uit § 51.10 met (determinanten zijn onderstreept):

  1. Diyrâ reparere gress ef hindepip, kost frera ef di painilóme pip.   (idem)
  2. Ef stûdents ma rofonose, hift mimpits pai eft neknôfer kuntiyrilomije.   (idem)

Dit gebruiksverschil van de twee soorten bez.vnw.n is te verklaren door aan te nemen dat een onder- of nevenschikkend voegwoord oorspronkelijk een markeerder bij de erop volgende zinskern was, om deze kern een "afhankelijkheid aan de voorafgaande hoofdzin" te geven. Zinskernen die door een voegwoord voorafgegaan worden verliezen dus hun "onafhankelijke" karakter en daarom mag hierin ook een impliciet bez.vnw. voorkomen. Bijzinnen die met een determinant in de hoofdzin gemarkeerd worden, behouden daarentegen het karakter van "zelfstandig opererende" zin, en daarin behoudt de zinskern zijn "onafhankelijke" karakter. Het begrip "afhankelijkheid" is duidelijk gedefinieerd en beschreven in Evergreen (1964), waarbij hij zich baseerde op de observaties in Daufenbach (1952).

51.12   ad § 51.8   c.

Voor grammaticale voegwoorden wordt verwezen naar § 121.27. De -lira-constructies komen aan de orde in Hoofdstuk 100. Voorbeelden:

  • Aftel tu linna, âl blul sener codre-âparatâ reparerelije pip?
    Heb je gevraagd of je naaimachine al gerepareerd is?
  • Petriy zjoffe den sener papiygoe xafto =
    = Petriy zjoffe, sener papiygoe xaftolira.

    Petriy beweert dat zijn papegaai ontsnapt is.
  • Kirro rajiyte, den sener[s] šÿrtyc melde dres-putte-âp =
    = Kirro rajiyte, sener[s] šÿrtyc meldelira dres-putte-âp.

    We hopen dat ons voorstel acceptabel is.

Zowel het voegwoord den als het suffix -lira tasten het karakter van "zelfstandig opererende" zin aan, zodat ook de daarin voorkomende zinskern zijn "onafhankelijke karakter" verliest, waardoor een impliciet bez.vnw. mogelijk wordt. Zie ook de vorige paragraaf, en verder Hoofdstuk 100 voor een nadere analyse van -lira-constructies.

51.13

In § 100.50–63 is uitgelegd hoe relatieve bijzinnen door een -lira-constructie vervangen kunnen worden, waarbij dan de zinskern onuitgedrukt blijft. Vergelijk (de onuitgedrukte zinskern is voorgesteld met Ø):

  1. Gress tiffe ki rast, té wencate eft dromedarr fes ef arâbe.
  2. Gress tiffe rast, Ø wencatelira eft dromedarr fes ef arâbe.
    Ik ken iemand, die een dromedaris in de tuin houdt.

De onuitgedrukte zinskern in dergelijke -lira-constructies kan evengoed als antecedent voor het impliciete sener[s] dienen als zinskernen die wel zijn uitgedrukt. Vergelijk:

  1. Gress tiffe ki rast, té njoro sener sientur.
  2. Gress tiffe rast, Ø njorolira sener sientur.
    Ik ken iemand, die zijn moeder vermoord heeft.

  1. Ef mojeruoûs pliyfone pert sectâ-liskosz, mit sener hâpyjas râše.
  2. Ef mojeruoûs, Ø râšalira sener hâpyjas, pliyfone pert sectâ-liskosz.
    De herders die hun schapen hebben geschoren, drinken veel flessen wijn.

51.14

Een tweede bijzin, die ondergeschikt is aan de -lira-bijzin, mag een bepaling met sener[s] als zinskern hebben, als het antecedent van sener[s] de onuitgedrukte kern van de -lira-zin is (voor de duidelijkheid zijn de corefererende elementen onderstreept):

  • Gress tiffe rast, Ø preldalira ef ÿksanera, janof sener tubôs slapavy iy'ass.
    Ik ken iemand die de buurvrouw verkracht heeft, omdat zijn vrouw apart wil slapen.
  • Mittof melde 31% lÿ cradef tubôsz, Ø sértaralira helkara ef sÿrt, janof sener meraters enn eft zrazos-querdo finne beri sompe.
    Dat is 31% van alle vrouwen, die naar de stad verhuisd zijn, omdat hun mannen een omscholingscursus gingen volgen.

51.15

Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen: (i) twee ondergeschikte bijzinnen waarvan er een ondergeschikt is aan de ander, en (ii) tussen twee ondergeschikte bijzinnen die samen nevengeschikt zijn. Omdat in zin 1. hieronder de tweede bijzin taufen ... gress ondergeschikt is aan de voorafgaande bijzin Ø ... frint, is sener in de tweede bijzin correct:

  1. Gress trempavy jazy ef mimpit pai Kers Lanôs, Ø meldelira kost guldâ frint, taufen sener ÿrôm nert insule gress.
    Ik wil het boek van (= geschreven door) Kers Lanôs wel lezen; hij is mijn beste vriend hoewel zijn werk me niet aanspreekt. Noot 1

Vergelijk 1. nu met 2., waarin het expliciete groft (= "van Kers Lanôs") nooit een zinskern als antecedent kan hebben. Daarom moet de tweede bijzin taufen ... gress nu beschouwd worden als zijnde ondergeschikt aan de hoofdzin (dus nevengeschikt aan de voorafgaande bijzin Ø ... frint):

  1. Gress trempavy jazy ef mimpit pai Kers Lanôs, Ø meldelira kost guldâ frint, taufen groft ÿrôm nert insule gress.
    Ik wil het boek van Kers Lanôs, die mijn beste vriend is, wel lezen, hoewel zijn werk me niet aanspreekt. Noot 2

Zie verder Hoofdstuk 122.


Noot 1 De onderschikkende relatie tussen de twee bijzinnen is in het Nederlandse equivalent uitgedrukt door de onderschikkende relatie tussen hoofd- en bijzin te vervangen door twee nevengeschikte hoofdzinnen, gescheiden door een punt-komma. De toegeving "hoewel zijn werk me niet aanspreekt" is hier gerelateerd aan de mededeling "hij is mijn beste vriend".

Noot 2 Hier is de toegeving "hoewel zijn werk me niet aanspreekt" gerelateerd aan de mededeling "ik wil het boek van KL wel lezen".

51.16

Als de bepaling met sener[s] buiten de zinskern van de bijzin voorkomt, dan is het antecedent van sener[s] niet meer de kern van de hoofdzin, maar de kern van deze bijzin. Vergelijk (in a. staat sener in de kern van de bijzin, dus het antecedent is de kern van de hoofdzin (vet), in b. staat sener buiten de kern, dus het antecedent is de kern in de bijzin (vet)):

  1. Gress tinde fesért, janof sener sientur kinure.
    Ik blijf thuis omdat mijn moeder ziek is.
  2. Gress tinde fesért, janof Elsa nert kaftarecû sener kinur sientur.
    Ik blijf thuis, omdat Elsa niet op haar zieke moeder kan passen.

  1. Lerdu linne, âl sener sour enn ef efantys lukte.
    Lerdu vraagt, of zijn zuster de kinderen gewassen heeft.
  2. Lerdu linne, âl ef efantys pai sener[s] sour luktelije.
    Lerdu vraagt, of de kinderen door hun zuster (= de zuster van de kinderen) gewassen zijn.

51.17

Vergelijk nu de verschillende referenties van sener in zin 1. met 2.:

  1. Lerdui linne, âl seneri sourj enn senerj efantys lukte.
    Lerdu vraagt, of zijn zuster haar kinderen gewassen heeft.

Seneri staat in de zinskern van de bijzin en heeft dus als antecedent de zinskern van de hoofdzin (= Lerdu); senerj staat buiten de zinskern van de bijzin en heeft dus als antecedent de zinskern van de bijzin (= sener sour).

  1. Lerdui linne, âl seneri sour enn groft efantys lukte.
    Lerdu vraagt, of zijn zuster zijn/haar kinderen gewassen heeft.

Seneri heeft evenals in zin 1. het antecedent Lerdu; het antecedent van groft kan niet de zinskern sener sour zijn, maar er zijn twee andere mogelijkheden: (i) groft refereert aan Lerdu (het zijn Lerdu's kinderen), of (ii) groft refereert aan een niet nader genoemd persoon (bijv. de kinderen van de buurman/buurvrouw).

Om vast te stellen waaraan de verschillende verschijningen van sener in een constructie als 1. refereren, is een tamelijk grondige analyse van de zinsbouw nodig. Het zal duidelijk zijn dat met name in de spreektaal nog al eens gezondigd wordt tegen de regels die voor het juiste gebruik van sener[s] gelden, zeker als binnen een combinatie van hoofd- en bijzinnen de juiste structuur niet in één oogopslag te overzien is.

51.18

Sener[s] kan niet gebruikt worden als het vóór zijn antecedent staat; in dat geval is een expliciet bez.vnw. (Blok 51.4) nodig. Dit geldt zowel voor constituenten met sener[s] die vóór de zinskern staan, als voor degene die deel van de zinskern zijn. Vergelijk:

  1. Do mafurte ón ef blaffoser léns sener wufta-cos.
    Hij is woedend op de belastinginspecteur, blijkens zijn woordkeus.
  2. Léns groft wufta-cos do mafurte ón ef blaffoser.
    Blijkens zijn woordkeus is hij woedend op de belastinginspecteur.

  1. Gress ur sener sientur prate mas.
    Ik en mijn moeder vertrekken morgen.
  2. Kost sientur ur gress prate mas.
    Mijn moeder en ik vertrekken morgen.

  1. Ef pijâ oto oft sener tuffianto moterlot ...   (zie § 51.9)
    De hele auto of alleen zijn motorkap ...
  2. Groft tuffianto moterlot oft ef pijâ oto ...
    Alleen zijn motorkap of de hele auto ...

51.19

Sener[s] wordt ook gebruikt als de zinskern in Imperatieven of Consideratieven aan het predikaat is gehecht (zie ook § 110.46):

  • Lukte-tûe sener lomkâ!
  • Tijâðée-kiyroe sener reédôstat.
    Was je gezicht!
    Laten we onze ergernis vergeten.

Maar in Causatieven refereert sener aan de nieuw toegevoegde "echte" kern (de "instigator"; zie Hoofdstuk 152):

  1. Gress lukte-dôe sener oto.   Ik laat hem mijn auto wassen.

Vergelijk zin 1. met 2. hieronder, waarin het expliciete groft kan refereren aan zowel (i) de entiteit die met dôe bedoeld wordt, als (ii) een niet nader genoemde entiteit:

  1. Gress lukte-dôe groft oto.
    a. Ik laat hemi zijni [eigen] auto wassen.
    b. Ik laat hemi zijnj/diensj/haarj auto wassen.

51.20

Let op het verschil tussen:

  1. Gress zâre lilepiy rifonn sener ÿrôm dus Petriy.
    Ik woon verder van mijn werk dan Petriy van zijn [eigen] werk woont.
  2. Gress zâre lilepiy rifonn kost ÿrôm dus Petriy.
    Ik woon verder van mijn werk dan Petriy [van mijn werk woont].

De verschillende betekenissen van 1. en 2. worden duidelijk als we naar de onderliggende structuren van deze zinnen kijken:

  1. Gressi zâre lilepiy rifonn seneri ÿrôm dus Petriyj zâre rifonn senerj ÿrôm.
  2. Gressi zâre lilepiy rifonn kosti ÿrôm dus Petriyj zâre rifonn kosti ÿrôm.

In zin 1. heeft sener ÿrôm een "gedeelde referentie": omdat er in feite twee kernen zijn (gress en Petriy), heeft sener twee verschillende antecedenten: (i) gress en (ii) Petriy. In 2. daarentegen heeft kost ÿrôm een "unieke referentie", want kost kan alleen aan een 1e persoon enk. refereren, dus het antecedent hiervan is altijd gress.

Zie verder vanaf § 143.$$ voor de zogenoemde vergelijkende onderschikking.

51.21   Gebruik van de bez.vnw.n

Zowel ex- als impliciete bez.vnw.n hebben een emfatisch karakter (sterker dan bijvoorbeeld in het Nederlands). Dit betekent dat een bez.vnw. niet gebruikt wordt als het vanzelfsprekend of natuurlijk is dat een bepaalde entiteit als antecedent moet fungeren. Dit is met name duidelijk bij lichaamsdelen, organen en kledingstukken. Bijvoorbeeld:

  1. Gress oimetere ef kas.
  2. Mariy verfute ef mirs lo mindefit.
  3. Petriy eft bonarô tundare. Noot 1
    Ik trek de/mijn jas aan.
    Mariy verft het/haar haar rood.
    Petriy heeft een/zijn been gebroken.


Noot 1 Let op het onbepaalde lidwoord eft. Gebruik van het bepaalde lidwoord ef zou betekenen dat Petriy slechts één been bezit (zie § 50.38).

51.22

In de voorbeelden 1.–3. van de vorige paragraaf is het gebruik van sener alleen gerechtvaardigd als het niet in de verwachting ligt dat het kledingstuk of lichaamsdeel bij de entiteit in de kern behoort:

  1. Gress oimetere nert sener kas.
    Ik trek niet mijn eigen jas aan. (maar die van een ander)
  2. Mariy verfute ral sener mirs lo mindefit.
    Mariy verft nu haar eigen haren rood.
    (ze is kapster en we weten dat ze gewoonlijk andermans haren rood verft)
  3. Petriy sener ére bonarô cÿrtôxÿne. Noot 1
    Petriy heeft zijn eigen been geamputeerd.
    (omdat Petriy chirurg is gaat men er a priori van uit dat hij andermans benen amputeert)


Noot 1 Toevoeging van ére (ene) is noodzakelijk, tenzij Petriy slechts één been bezit (zie § 51.25).
De constructie sener ére wordt meestal uitgesproken als [snër] of [sené], en in populaire spelling ook wel zo geschreven: snér of sené.

51.23

Vergelijk ook nog het gebruik van expliciete bez.vnw.n:

  1. Gress oimetere groft kas. Noot 1
    Ik trek zijn/haar jas aan.
  2. Mariy verfute belt mirs lo mindefit.
    Mariy verft haar (= van een andere vrouw) haar rood.
  3. Petriy groft ére bonarô cÿrtôxÿne.
    Petriy heeft zijn (= van een andere man) been geamputeerd.


Noot 1 Gebruik van kost (mijn) tezamen met gress als kern is ongrammaticaal: * Gress oimetere kost kas. (Ik trek mijn jas aan.), tenzij het om een affectief gebruik gaat, zie § 51.24

51.24

Over het algemeen hebben bez.vnw.n een contrastief karakter: ze drukken uit dat iets niet aan A maar aan B toebehoort. Soms is er ook sprake van een affectief karakter: ze drukken uit dat het bezit een emotionele waarde heeft. Dit is met name het geval met kost (mijn) en kult (ons) als het om het 'bezit' van een partner, kind of dier gaat. Achter het bez.vnw. volgt dan vrijwel altijd de eigennaam van de persoon of het dier. Bijvoorbeeld:

  • Kult Molle melde terat kinur ki.
    Onze Molle (hond) is erg ziek.
  • Kost Aniy riffe ef lekkô oras aberkô-albifan mip ef wertlâ.
    Mijn Aniy (echtgenote of partner) maakt de lekkerste abrikozenjam van de wereld.

Bij zo'n affectieve relatie wordt altijd het expliciete bez.vnw. gebruikt; sener[s] is dan niet mogelijk:

  • Kirro kette eft guriatjof knociy ón kult Molle.
    We geven onze Molle een heerlijk bot.
  • Gress riffe ef lekkô oras aberkô-albifan mip ef wertlâ fân kost Petriy.
    Ik maak de lekkerste abrikozenjam van de wereld voor mijn Petriy.
  • Eup riffe ef lekkô oras aberkô-albifan mip ef wertlâ fân belt Petriy. Noot 1
    Zij maak de lekkerste abrikozenjam van de wereld voor haar Petriy.


Noot 1 Vergelijk het contrastieve gebruik van een impliciet bez.vnw.:

  • Aniy riffe ef lekkô oras aberkô-albifan mip ef wertlâ fân sener Petriy.
    Aniy maak de lekkerste abrikozenjam van de wereld voor haar [eigen] Petriy.

Deze zin impliceert dat er ook nog een andere persoon in het spel is die Petriy heet, en voor wie Aniy géén lekkere jam maakt.


51.25

Bez.vnw.n hebben evenals het lidwoord ef een bepaald karakter. Voor namen van lichaamsdelen, organen of delen van kledingstukken waarvan we er meer dan één bezitten, kan een bez.vnw. alleen in combinatie met ére (ene) geplaatst worden (voor zover het niet vanzelfsprekender is om het onb.lidw. eft i.p.v. een bez.vnw. te gebruiken, zie § 50.38). Bijvoorbeeld:

  • Gress vilt ére bof-jéns piylase.
    Ik heb jouw [ene] broekspijp gescheurd.
  • Do chiype armt kost ére milâ. Noot 1
    Hij knijpt in mijn [ene] arm.
  • Tu nert kikât sumâ groft ére lippio! Noot 2
    Je moet niet tegen zijn [ene] poot trappen! (= poot van de tafel)

In bovenstaande constructies (dus: bez.vnw. + verplicht ére) wordt ére meestal gereduceerd uitgesproken als [é]. Als populaire spelling komen we soms constructies tegen als:

  • vilté
  • kosté
  • grofté
    i.p.v.   vilt ére
    i.p.v.   kost ére
    i.p.v.   groft ére, enz.


Noot 1 Een constructie als Do chiype armt kost milâ. (Hij knijpt in mijn arm.) kan alleen zó opgevat worden dat ik ook werkelijk maar één arm heb.

Noot 2 Ére kan hier natuurlijk achterwege blijven als de tafel niet meer dan één poot heeft.

51.26   Afleidingen van bez.vnw.n

Van de bez.vnw.n bestaat een genominaliseerde afleiding. Deze wordt altijd voorafgegaan door het bep.lidw. ef en kent geen meervouds- of resultatiefvorm. Zie ook § 20.38.

51.27

Nominalisatie van bezittelijke voornaamwoorden
antecedent = enkelvoudantecedent = meervoud of stoffelijk
kost > ef kostiy
vilt > ef viltiy
gert > ef gertiy
groft > ef groftiy  
belt > ef beltiy
ust > ef ustiy
 
de mijne
de jouwe
de uwe (enk.)
de zijne
de hare
de zijne (A)
 
kult > ef kultiy
gert > ef gerreiy
gert > ef gerreiy
hift > ef hiftiy
hort > ef hortiy
ust > ef ustiy
     > ef usseiy
de onze
die van jullie
de uwe (mv.)
de hunne
de hunne (vr.)
de hunne (A)
de hunne (A)
sener > ef seniy
 
  seners > ef sensiy
of sener > ef seniy
 
 

51.28

Merk op dat de genominaliseerde afleidingen van gert en ust verschillende vormen voor een enkelvoudig en een meervoudig antecedent hebben.
Uit Blok 51.4 blijkt dat groft en hift ook bij een vrouwelijk antecedent gebruikt mogen worden. Deze betekenisuitbreiding heeft niet plaatsgevonden bij de genominaliseerde afleidingen ef groftiy en ef hiftiy. Deze afleidingen zijn dus uitsluitend gereserveerd voor mannelijke, neutrale en zakelijke entiteiten; ef hiftiy kan echter wel vrouwelijke entiteiten omvatten als deze tezamen met mannelijke (of neutrale/zakelijke) genoemd worden.
De genominaliseerde vorm ef sensiy van het toch al zelden gebruikte impliciete bez.vnw. seners is zeer archaïsch en komt bijna nooit voor; zowel in enkel- als in meervoud is ef seniy de meest algemene vorm (zie § 51.30 voor een uitzondering).

51.29

De genominaliseerde bez.vnw.n worden gebruikt als het bijbehorende substantief reeds eerder genoemd is en niet herhaald wordt. Vergelijk:

  • kost mimpit ur groft mimpit > kost mimpit ur ef groftiy
    mijn boek en zijn boek > mijn boek en het zijne
  • vilt cirrôs ur kult cirrôs > vilt cirrôs ur ef kultiy
    jouw knikkers en onze knikkers > jouw knikkers en de onze/die van ons
  • Ef melde kost oto, noi ef hiftiy.
    Het is mijn auto, niet de hunne/die van hen.
  • Gress kafte sener tâx fes fort, tur Jân kafte ef seniy riyfain kiygt.
    Ik betaal mijn belasting op tijd, maar Jân betaalt de zijne altijd te laat.
  • Do trempe sener mimpit, gress idem ef seniy ur óps idem ef sen[s]iy. Noot 1
    Hij leest zijn boek, ik het mijne en zij het hunne.


Noot 1 In nevengeschikte zinnen kan het werkwoord dat herhaald wordt vervangen worden door idem. Zie § 131.9.

51.30

Let ook op de volgende idiomatische uitdrukking:

  • Do miype ef seniy.
  • Kirro miype ef sensiy. Noot 1
  • Óps miype ef sensiy. Noot 1
    Hij denkt er het zijne van.
    Wij denken er het onze van.
    Zij denken er het hunne van.


Noot 1 In deze idiomatische uitdrukkingen wordt het archaïsche ef sensiy nog gebruikt als de zinskern meervoudig is.


TOP
<< Hoofdstuk 50 | Hoofdstuk 52 >>

© (2000) Rolandt Tweehuysen, Kimswerd, the Netherlands