|
Opbouw van dit hoofdstuk:
|
22.1
Concr.subst.n die een bezield wezen aanduiden worden onderverdeeld in 3 grammaticale geslachten die meestal overeenkomen met het natuurlijke geslacht:
- mannelijke substantieven
- vrouwelijke substantieven
- neutrale (of onzijdige) substantieven
22.2
Bij personen en dieren (tezamen: animaten) zijn twee mogelijkheden: (1) het grammaticale geslacht (genus) stemt overeen met het biologische geslacht (sekse), of (2) het grammaticale geslacht is neutraal (omdat het biologische geslacht niet relevant is).
22.3
Voor personen geldt:
Een concr.subst. in het enkelvoud dat een persoon aanduidt is óf mannelijk (mn.subst.) óf vrouwelijk (vr.subst.). Mn.subst.n zijn ongemarkeerd, vr.subst.n zijn gemarkeerd, dat wil zeggen zij dragen een feminiserend suffix, meestal -a. Bijvoorbeeld:
- gekker ~ gekkera
- krodūr ~ krodūra
- glyda ~ glydaa
- māseratjen ~ māseratjena
- menester ~ menestera
- koraba ~ korabaa
- zaft ~ zafta
|
leraar ~ lerares bakker ~ bakster; vr. bakker lid ~ vr. lid (v.e. vereniging) masseur ~ masseuse minister ~ vr. minister leugenaar ~ leugenaarster dief ~ dievegge
|
Het suffix -a is zeer productief en dient altijd toegevoegd te worden als het enkelvoud een persoon van de vrouwelijke sekse bedoelt; het enkelvoudige substantief menester kan dus nimmer op een vrouw betrekking hebben, dit in tegenstelling tot het Nederlandse "minister".
22.4
Sommige substantieven hebben een onregelmatige feminisering: in plaats van de productieve -a wordt er een niet-productief suffix gebruikt (dat eventueel wel een a als laatste letter kan hebben), zoals:
- jabār ~ jabārina
- mariant ~ marianto
- diō ~ diōi
- ot’er ~ ot’
- kelte ~ keltos
|
koning ~ koningin echtgenoot ~ echtgenote god ~ godin verpleger, ziekenverzorger ~ verpleegster boer ~ boerin
|
|
Ot’er is de regelmatige afleiding van het werkwoord ot’e (verplegen), en de vrouwelijke vorm hiervan is door een Ų-markering afgeleid.
|
|
De afleiding keltos van kelte lijkt bedriegelijk veel op de genominaliseerde afleiding van een werkwoord, zoals belte ~ beltos (verkleinen ~ verkleining). In kelte is de laatste e echter geen productieve infinitief-e en in keltos is os geen productief nominaliseringssuffix. Deze wetenschap is van belang bij de meervouds- en resultatiefvorming (zie ook § 30.8).
|
22.5
In een aantal gevallen behoren de mannelijke en vrouwelijke vorm tot verschillende nominale wortels. Dit geldt vooral bij familierelaties, zoals:
- follus ~ sientur
- c’rlo ~ tlokko
- oluquy ~ āfla
- tōgt ~ nennše
|
vader ~ moeder oom ~ tante (broer of zuster van vader/moeder) neef ~ nicht (kinderen van c’rlo of tlokko) kleinzoon ~ kleindochter
|
Ook buiten de familierelaties komen soms verschillende wortels voor:
- merater ~ mosjeus
- 'jan ~ 'nin
- jolarater ~ jolasjeus
|
man; heer ~ vrouw; dame jongen ~ meisje baron ~ barones (lett. "vrijheer" en "vrijdame")
|
|
Mosjeus is het algemene woord voor 'vrouw, mevrouw'. Een gehuwde vrouw heet tubōs; er is geen equivalent voor 'gehuwde man'.
|
|
Vergelijk de Zweedse equivalenten friherre en friherrinna, waarbij de vrouwelijke variant gevormd is door het productieve suffix -inna, en niet door gebruik te maken van fru (vrouw; het Duits daarentegen kent wel de vorm Freifrau, en niet *Freiherrin).
|
22.6
Er bestaat een beperkte groep substantieven die zowel een mannelijke als een vrouwelijke persoon kunnen aanduiden. Toevoeging van het productieve suffix -a is dan niet mogelijk. Het betreft hier vooral scheldwoorden en hele elementaire begrippen als "mens" of "kind":
- efanty
- veldur
- zestiyc
- dyne
|
kind mens hufter, klootzak kleuter
|
Als niet bekend is of er een mannelijk dan wel vrouwelijk persoon met dergelijke "bisexuele" woorden bedoeld wordt, worden ze als neutrale substantieven behandeld (wat onder meer betekent dat eraan gerefereerd moet worden met een neutraal pers.vnw. als ef (het); zie Blok 70.5). Daarentegen is de meervoudsvorm van dergelijke substantieven in alle gevallen neutraal (pers.vnw. óps (zij)), ook al is bekend dat er slechts mannelijke, of slechts vrouwelijke personen bedoeld worden.
|
Soms komt men wel de gemarkeerde vorm dyna voor 'vrouwelijke kleuter; zeer klein meisje' tegen. Dit is echter aanstellerig taalgebruik waarbij bovendien de betekenis van "kleuter" zo ruim wordt opgevat dat ook een meisje van 10 jaar nog met dyna aangeduid kan worden. Dyna behoort tot de zogenoemde "oma-taal".
|
22.7
De meervoudsvorm van mn.subst.n wordt altijd neutraal: er kunnen zowel mannelijke als mannelijke plus vrouwelijke personen mee bedoeld worden. Bijvoorbeeld (vergelijk § 22.3-4):
- ef gekkers
- ef krodūrs
- ef māseratjens
- ef menesters
- ef zafts
- ef jabārs
- ef keltes
|
de leraren of de leraren en leraressen de bakkers of de bakkers en baksters de masseurs of de masseurs en masseuses de ministers (mn. of mn.+vr.) de dieven of de dieven en dievegges de koningen of de koningen en koninginnen de boeren of de boeren en boerinnen
|
Ook als de mannelijke en vrouwelijke vorm van verschillende wortels afkomstig zijn, wordt de meervoudsvorm van het mn.subst. neutraal:
- ef freras
- ef jolaraters
- ef tōgts
|
de broers of de broers en zusters (Duits: "Geschwister"; Zweeds: "syskon")
de baronnen of de baronnen en baronessen de kleinkinderen (mn. of mn.+vr.)
|
22.8
Er zijn een paar uitzonderingen. Met de volgende meervoudsvormen worden uitsluitend de mannelijke personen bedoeld:
- ef 'jans
- ef meraters
- ef follusz
|
de jongens de mannen; de heren de vaders
|
Deze uitzonderingen zijn een gevolg van het feit dat er andere substantieven bestaan die de neutrale vorm van bovenstaande meervouden expliciet uitdrukken, en wel:
- ef brans
- ef fosies
- ef eby
|
de jongens en meisjes; de pubers de vaders en moeders; de ouders de mannen en vrouwen; de dames en heren
|
|
Brans en fosies komen uitsluitend in het meervoud voor; brans wordt gezegd van personen tussen de ongeveer 13 en 20 jaar, vergelijk ook efantys (kinderen van 0 tot ongeveer 18 jaar).
|
|
Eby wordt tegenwoordig zelden nog in de betekenis van 'mannen en vrouwen' gebruikt. Het komt alleen nog voor als aanspreektitel bij de opening van een vergadering of aan het begin van een lezing of toespraak, in de betekenis van 'geachte aanwezigen!'. Ook de koning begint met Eby! als hij zich tot het volk richt. De neutrale term ef veldurs (de mensen) leent zich beter om 'mannen en vrouwen' uit te drukken.
|
22.9
Soms blijkt uit de context dat er met de meervoudsvorm van een mn.subst. uitsluitend mannen bedoeld worden. Vergelijk a. met b.:
- Do lelperre dur freras.
Hij heeft drie broers. of Hij heeft drie broers en zusters. (of te wel:
1 broer en 2 zusters, of 2 broers en 1 zuster)
- Do lelperre dur freras ur ér sour.

Hij heeft drie broers en één zuster.
- Ef prensz gvārce goe mariants.
De prinsen en prinsessen zoeken een echtgenote resp. een echtgenoot.
- Ef prensz gvārce goe mariantos.
De prinsen zoeken een echtgenote. (het lijkt onwaarschijnlijk dat ook
prinsessen een echtgenote zoeken)
- Ef menesters n’f criamusts ’tine.
De ministers (mn. of mn.+vr.) droegen geen handschoenen.
- Ef menesters nert goe cravatos ’tine.
De ministers droegen geen stropdassen. (daar vr. ministers gewoonlijk nooit
een stropdas dragen, zullen hier slechts mannen bedoeld worden)
- Ef šābre ’tine goe grist kerlys.

De monniken en nonnen (= de geestelijken) dragen een grijze pij.
- Ef šābre vlemóte ef lāmbe.

De monniken slachten het lam. (in de Ergynne-godsdienst is het
ongebruikelijk dat ook nonnen lammeren slachten)
|
Vergelijk:
- Do lelperre dur freras ur ér sour l’ efs.
Hij heeft drie broers-en-zusters, waarvan één zuster.
(dus hij heeft twee broers en één zuster).
|
|
šābre is het onregelmatige meervoud van šābro (monnik). Als met šābro een Ergynne-geestelijke bedoeld wordt, is het meervoud van dit substantief - geheel volgens de regels van § 22.7 - neutraal, met andere woorden, šābre betekent 'monniken' of 'monniken en nonnen; geestelijken'. Als met šābro echter een katholieke geestelijke bedoeld wordt, kan de meervoudsvorm nooit de vrouwelijke versie impliceren. In het katholieke geval zou šābro bij § 22.8 ondergebracht moeten worden. Om misverstanden te voorkomen wordt in katholieke literatuur wel het regelmatige meervoud šābros aangewend. Dan weet de lezer zeker dat nonnen uitgesloten zijn.
|
22.10
Als uit de context niet blijkt dat er met de meervoudsvorm van een mn.subst. uitsluitend mannen bedoeld moeten worden, zal dit expliciet omschreven moeten worden. Bijvoorbeeld:
- Groft ne'āma freras bālmerrelira. Zijn broers zijn aan het ballen.
(eig. "slechts zijn broers zijn aan het ballen")
- Ef rateriyn gekkers d’fie. De leraren staken.
(eig. "de mannelijke leraren staken")
- Ef pegreviy merater-jabāra juvelo. De Pegrevische koningen waren wreed.
(eig. "de P. mannen-koningen waren wreed")
22.11
Voor advertentieteksten is het natuurlijk praktisch dat de mannelijke meervoudsvormen tevens vrouwen impliceren want dan kunnen lompe constructies analoog aan de Nederlandse directeur/trice, ago(o)g(e), medewerker (m/v) of ziekenverzorgende vermeden worden. Daar staat tegenover dat alles wat over mannen gezegd wordt, automatisch ook voor vrouwen geldt, als niet direct uit de context of uit toegevoegde additieven (ne'āma, rateriyn ed.) blijkt dat er uitsluitend mannen bedoeld worden.
De linguļste en feministe Kryna Knurveltiy-Xlajes heeft voorgesteld (1978) om de in de 15e eeuw in onbruik geraakte meervoudsvorming weer in te voeren waarbij onderscheid gemaakt kon worden tussen een meervoudsvorm die vrouwen uitsloot en een waarbij vrouwen inbegrepen waren. Zij suggereert de invoering van het suffix -ce om vrouwen uit te sluiten. We zouden dan de volgende varianten krijgen:
- ef freras
- ef frerace
- ef sours
|
de broers en zusters de broers de zusters
|
Behalve in sommige feministische literatuur heeft het gebruik van het gereconstrueerde suffix -ce nog geen navolging gevonden.
22.12
Voor dieren geldt:
Voor de meeste bekende diersoorten of -families bestaan drie concr.subst.n: een voor de mannelijke versie, een voor de vrouwelijke versie en een neutraal substantief. Deze driedeling is in het Spokaans veel verder doorgevoerd dan bijvoorbeeld in het Nederlands. Vooral bij gedomesticeerde dieren verloopt deze driedeling consequent. Vergelijk:
- boert ~ stajir
- myl ~ hāst
- plora ~ trapp
- tyu ~ flūjet
- zlef ~ aerrf
|
> renše
> hurt
> fisa
> rābity
> blof
|
koe ~ stier teefje ~ reu vr. vis ~ mn. vis voedster ~ ram merrie ~ hengst
|
> rund
> hond
> vis
> konijn
> paard
|
22.13
Bij sommige diernamen (voornamelijk grotere uitheemse zoogdieren) bestaat de vrouwelijke versie uit een gesuffigeerde afleiding van de mannelijke:
- leé ~ leja
- giraff ~ giraffa
- elefānt ~ elefānta
|
leeuw ~ leeuwin mn. giraffe ~ vr. giraffe mn. olifant ~ vr. olifant
|
Bijna altijd wordt het productieve suffix -a (§ 22.3) gebruikt. Bij gebrek aan een derde, neutraal, substantief wordt de naam van het mannelijke exemplaar ook wel in de neutrale vorm (enkelvoud) gebruikt. Evenals bij namen van personen, is ook de meervoudsvorm van mn.subst.n voor dieren neutraal, tenzij er reeds een apart nt.subst. bestaat, dan is de meervoudsvorm van een mannelijke diernaam altijd mannelijk. Vergelijk:
|
|
de stieren (want ef renšes de runderen = de koeien en stieren)
de hengsten (want ef blofs de paarden = de merries en hengsten)
|
maar:
|
|
de mn. [en vr.] giraffen de mn. [en vr.] olifanten
|
22.14
Voor veel gedomesticeerde dieren bestaan aparte benamingen voor castraten en jonge dieren. Beide categorieėn zijn neutraal, maar in tegenstelling tot bij castraten kunnen de namen van jonge dieren zowel een mannelijk als een vrouwelijk exemplaar aanduiden. Bijvoorbeeld:
- quilch
- vlāk
- fūliy
- kālf
- striymā
- cucc
|
ruin, gecastreerd paard, gecastreerde ezel hamel, gecastreerd schaapveulen, jong paard, jonge ezel kalf, jong rund kuiken, jonge kip, jonge haan pul, eendekuiken
|
In tegenstelling tot gecastreerde dieren blijft een gecastreerde man altijd mannelijk: ’rxōl (eunuch, gecastreerde man) is mn.subst.
|
Bij jonge paarden (niet ezels) bestaan ook nog: lūme zeer jong veulen, vyx mn. veulen en kapa vr. veulen. Uiteraard hebben vyx en kapa ook het mannelijke, resp. vrouwelijke grammaticale geslacht.
|
|
Bij jonge runderen bestaan ook nog: stuft (mn. kalf, jong stiertje) en piā (vr. kalf, jonge koe). Ook de grammaticale geslachten hiervan zijn mannelijk, resp. vrouwelijk.
|
22.15
Dieren spelen een belangrijke rol in de Spokanische cultuur en religie. Met name honden, katten en paarden hebben een welhaast heilige status. Over dieren wordt altijd met respect gesproken en dit komt onder meer tot uiting in het frequente gebruik van geslacht-gemarkeerde diernamen. Het Spokaans geeft daarom de voorkeur aan de a-voorbeelden (waarvan de letterlijke vertaling in het Nederlands belachelijk aandoet, tenzij er sterke nadruk op het geslacht van het dier gelegd moet worden). De b-zinnen getuigen van weinig respect of belangstelling voor het desbetreffende dier en moeten daarom wat vrijer vertaald worden, wil dit gebrek aan respect ook in het Nederlands tot uitdrukking gebracht worden:
- Gress bōrade sener myl (of hāst). Ik laat mijn hond uit.
(lett. "ik laat mijn teefje/reu uit")
- Gress bōrade sener hurt. Ik laat dat beest van me uit.
(lett. "ik laat mijn hond uit")
- Elsa pónze eft belt tyu frópj’ sener mebartof.
Elsa krijgt een konijntje voor haar verjaardag.
(lett. "Elsa krijgt een voedstertje (vr. konijntje) voor haar verjaardag")
- Elsa pónze eft belt rābity frópj’ sener mebartof.
Elsa krijgt een of ander konijnachtig beest voor haar verjaardag.
(lett. "Elsa krijgt een konijntje voor haar verjaardag")
- Tu lardaāt ef zlef. Je moet het paard voederen.
(lett. "je moet de merrie voederen")
- Tu lardaāt ef blof. Je moet die knol voederen.
(lett. "je moet het paard voederen")
- Aftel g’rs wencatavy sener hāst fes ef jūlt?
Wilt u uw hond alstublieft aan de lijn houden?
(lett. "wilt u uw reu aan de lijn houden?")
- Aftel g’rs wencatavy sener hurt fes ef jūlt?
Wilt u dat beest van u aan de lijn houden?
(lett. "wilt u uw hond aan de lijn houden?")
Het gebruiken van de geslacht-gemarkeerde diernaam wordt beschouwd als een bewijs dat de spreker belangstelling toont voor het desbetreffende dier (en de relatie tussen dat dier en de eigenaar respecteert). Een bewust gebruik van de neutrale vorm kan bepaald onbeleefd zijn als het aannemelijk is dat we het geslacht kunnen weten, zoals de b-zinnen illustreren.
Het een en ander loopt parallel met de substantieven die personen aanduiden; het is beleefder om het over "die heer" of "die dame" te hebben, dan over het neutrale "dat mens" of "dat wezen".
22.16
Zolang het grotere (zoog)dieren betreft zal de geslachtsbepaling en het daaruit voortvloeiende juiste gebruik van geslacht-gemarkeerde diernamen geen al te grote problemen opleveren, maar zodra er bijvoorbeeld over een "vis" of "vogel" gesproken wordt is het niet altijd redelijk om te verwachten dat de spreker het geslacht ervan kent of kan ontdekken. In dat geval zal niemand het de spreker kwalijk nemen dat hij de neutrale term gebruikt, zeker niet als een emotionele band tussen het dier en de eigenaar lijkt te ontbreken, bijvoorbeeld:
- Tu lelperrelira jazy eft hordā fisa fes dena knuf.
Wat heb je een mooie vis in die kom.
Betreft het een vissoort waarvan de vrouwelijke exemplaren duidelijk herkenbaar zijn (en wil de spreker tonen dat hij er verstand van heeft) dan kan ook gezegd worden:
- Tu lelperrelira jazy eft hordā plora fes dena knuf.
(lett. "wat heb je een mooie vrouwtjesvis in die kom")
Bij wat formeler taalgebruik, zeker als de spreker een hechte band tussen dier en eigenaar vermoedt, wordt dikwijls de behoefte gevoeld om de neutrale diernamen geheel te vermijden, ook al kan de spreker het geslacht niet achterhalen. Stel dat iemand zijn hond heeft loslopen en we kunnen er niet direct achter komen welk geslacht deze hond heeft (want niemand kan van ons verlangen dat we het beest nauwkeurig van onderen gaan beschouwen), dan kunnen we de eigenaar van deze hond als volgt op beleefde wijze aanspreken:
- Aftel g’rs wencatavy sener hāst oft myl fes ef jūlt, fara quiste?
Wilt u alstublieft uw hond aan de lijn houden?
(lett. "wilt u uw reu of teef aan de lijn houden, alstublieft?")
Nog een voorbeeld:
- Aftel g’rs lelperre eft zlef oft aerrf?
Heeft u een paard?
(lett. "heeft u een merrie of een hengst?")
|
Let op dat de Nederlandse letterlijke vertaling impliceert dat de vraagsteller reeds weet dat de toegesprokene een paard bezit. De vraagsteller wil alleen het geslacht van dat paard weten. De Spokaanse vraag is in eerste instantie bedoeld om te weten te komen of de toegesprokene wel of niet een paard bezit. Het antwoord kan dus zijn siy (ja) of noft (nee).
Weet de vraagsteller dat de toegesprokene een paard bezit, en wil hij alleen het geslacht ervan weten, dan kan de frase eft zlef oft aerrf (een merrie of hengst), die in feite één constituent is (want het lidwoord eft behoort bij de nevenschikking zlef oft aerrf), vervangen worden door de expliciete keuze eft zlef oft eft aerrf, bestaande uit twee nevengeschikte constituenten (elk gemarkeerd met zijn eigen lidwoord):
- Aftel g’rs lelperre eft zlef oft eft aerrf?
Heeft u een merrie, of een hengst?
Het antwoord kan nu zijn: eft zlef, of: eft aerrf. Zie ook § 120.13 voor deze vormen van nevenschikking.
|
22.17
Voor onbezielde zaken (ofwel: inanimaten) geldt:
Alle onbezielde zaken zijn in het dagelijks taalgebruik zakelijk. Omdat in de Ergynne ook levende zaken als bloemen, planten en bomen als bezield beschouwd worden, komen we in religieus getint taalgebruik vaak een geslachtelijke toekenning aan begrippen uit de flora tegen. De toekenning van mannelijk dan wel vrouwelijk geslacht is arbitrair: een stevige boom heet meestal mannelijk, een tedere bloem vrouwelijk, maar een struik of flinke plant kan een va0n beide zijn, al naar gelang de opvatting van de schrijver of de context binnen het geschrevene. Tegelijk met een geslachtelijke toekenning vindt er dikwijls personifiėring plaats, zodanig dat het concr.subst. in een eigennaam verandert. In dat geval blijft een lidwoord achterwege en wordt het substantief met een hoofdletter geschreven. Vergelijk:
- Maliy farte ānt ef kles; ef sen ole zjoba groft tiffugs.
Maliy loopt in het gras; het plet onder zijn voeten.
- Maliy farte ānt Kles; do sen ole zjoba groft tiffugs.
(lett. "Maliy loopt in Gras; hij (= de personificatie van "gras") plet onder zijn
(= Maliy's) voeten")
|
In de Ergynne-terminologie, en ook in de Spokaanse grammatica, is het gebruikelijk om een onderscheid te maken tussen personifiėring (Spok. personifieros) en personificatie (Spok. personifikao of landrō). Het eerste begrip is een proces, het tweede begrip is het resultaat van dit proces. Bijvoorbeeld: de personifiėring van een levend onpersoonlijk begrip als cuennt (lelie) geeft de personificatie Cuennt (Lelie).
|
22.18
Ook bij abstracte begrippen ("abstract" in semantische betekenis, niet als grammaticale categorie) kan er een personifiėring plaatsvinden. De aldus ontstane personificaties komen veelvuldig in de Ergynne- en sageliteratuur voor. Personificaties van abstracte begrippen manifesteren zich altijd in de vorm van een persoon of dier en zijn daarom van het mannelijke of vrouwelijke geslacht:
- Fes dena ark ef bécān k'mamelde pip lóf perd’r p’rs.

In dit land heerst al twee eeuwen vrede.
- Fes dena ark Beecān fyrge pip lóf perd’r p’rs.

In dit land trekt Vrede al twee eeuwen rond.
Beecān (Vrede) wordt in Spokanische sages traditiegetrouw voorgesteld als een vrouw met een bloemenkrans om haar hoofd, die een anker en een molensteen meezeult.
|
K'mamelde (aanwezig zijn; heersen) wordt voornamelijk met betrekking tot zaken gebruikt.
|
|
Fyrge (rondtrekken) wordt voornamelijk van kooplui gezegd. Dit werkwoord in combinatie met Beecān benadrukt het gepersonifieerde karakter ervan. Let ook op de spelling: é wordt ee zodra er van een eigennaam sprake is (§ 11.34).
|
22.19
Buiten de Ergynne- en sageliteratuur komt de geslachtelijke toekenning ook in de poėzie voor. Meestal blijft de personifiėring dan achterwege zodat de toekenning van het mannelijke of vrouwelijke geslacht voornamelijk tot uitdrukking komt in het gebruik van de pers.vnw.n (do (hij) en eup (zij) in plaats van ef (het)). Vooral bij natuurfenomenen is het toekennen van een geslacht gebruikelijk: kōbo (zon), omelech (wind), plinker (ster) en zé (zee) worden dan vrouwelijk; luna (maan), lōbā (rots) en bidalos (regen) worden mannelijk (zie ook de voetnoten bij § 70.31).
22.20
Het geslacht van de substantieven bepaalt de keuze van het bijbehorende persoonlijke of bezittelijke voornaamwoord. Zie de Hoofdstukken 70 en 51.
Het onderscheid tussen "neutraal" en "zakelijk" zal men niet in alle Spokaanse grammatica's aantreffen. Omdat sommige voornaamwoorden wel kunnen refereren aan een zakelijke entiteit, maar niet aan een neutraal persoon of dier, geven wij de voorkeur aan bedoeld onderscheid. Zo kunnen het pers.vnw. mittof (het, dat) en het wed.vnw. frart (zich) alleen aan een zaak (bijvoorbeeld sért (huis)) refereren, maar nooit aan een neutraal mens (zoals veldur (mens)) of een neutraal dier (zoals renše (rund)).
|