Een complete Nederlands-
talige grammatica van het
Spokaans, geschreven
vanuit een Nederlands
perspectief.

Grammatica van het Spokaans

Home       Inhoud       Registers       Hoofdmenu SPARC       Taalmenu SPARC


<< Hoofdstuk 11 | Hoofdstuk 21 >>

2. Substantieven

20. Categorieėn en morfologie van substantieven


Opbouw van dit hoofdstuk:
  1. Nominale categorieėn
    1. Concrete substantieven
    2. Abstracte substantieven
    3. Stoffelijke substantieven
  2. Morfologie van substantieven
      Nominale wortel
    1. Afleiding d.m.v. een grammaticaal affix
    2. Onscheidbare samenstelling
    3. Nominalisatie van een eigennaam
    4. Substantief is identiek aan het afleidende woord
Blok:

20.1

Dit hoofdstuk bestaat uit 2 secties:

  1. nominale categorieėn (vanaf § 20.2)
  2. morfologie van substantieven (vanaf § 20.11)

De stof over de morfologie is zo uitgebreid dat Hoofdstuk 21 het vervolg van de morfologie zal behandelen.

20.2   ad § 20.1   A. Nominale categorieėn

Spokaanse substantieven worden onderverdeeld in 3 categorieėn:

  1. concrete substantieven (concr.subst.n)
  2. abstracte substantieven (abstr.subst.n)
  3. stoffelijke substantieven (stoff.subst.n)

Deze onderverdeling is vooral van belang voor de bepaling van de juiste meervoudsvorm en de keuze van de juiste voornaamwoorden.

20.3   ad § 20.2   a. Concrete substantieven

Concr.subst.n die een bezield wezen aanduiden worden onderverdeeld in 3 grammaticale geslachten die meestal overeenkomen met het natuurlijke geslacht:

  1. mannelijke substantieven
  2. vrouwelijke substantieven
  3. neutrale (of onzijdige) substantieven
  4. zakelijke substantieven

CONCREET zijn alle entiteiten die met de zintuigen waargenomen kunnen worden. Ook entiteiten die zodanig voorgesteld worden dat ze waarneembaar zijn, heten CONCREET, zoals feeėn, eenhoorns, goden, verschijnselen in dromen, personificaties en dergelijke.

De onderverdeling in geslacht is vooral van belang voor de keuze van de juiste voornaamwoorden. Zie Hoofdstuk 22.

20.4   ad § 20.2   b. Abstracte substantieven

De meeste substantieven die een niet-concrete entiteit aanduiden vallen onder de categorie ABSTRACT. De Ergynne-religie heeft haar sporen echter ook in de grammatica nagelaten en de talrijke personificaties van abstracte begrippen die in religieuze geschriften voorkomen zijn vaak gegrammaticaliseerd, wat wil zeggen dat zij als CONCREET behandeld worden. Hoe willekeurig de onderverdeling ABSTRACT ~ CONCREET is blijkt uit de volgende woordparen:

    CONCREET  
  • tylliy
  • kūrabelter
  • korsta
  • fāšām
~ ABSTRACT
~ lovanai
~ kūra
~ reédos
~ ypro
     
    charme ~ schoonheid
    school; kunstrichting ~ kunst
    woede ~ ergernis
    gunst ~ voordeel

20.5

Tot eind 17e eeuw was de onderverdeling in de categorieėn CONCREET en ABSTRACT facultatief; dit betekende in de praktijk dat elke taalgebruiker op emotionele en intuļtieve gronden de eigenschap "abstract" kon toekennen en dit bij de meervoudsvorming of voornaamwoord-keuze tot uitdrukking kon laten komen. De bekende grammaticus en dichter Hōgta Urrvu-Diez heeft in zijn grammatica (1690) een lijst opgenomen van alle substantieven die zijns inziens altijd als ABSTRACT behandeld moesten worden. Een jaar later verscheen van zijn hand een artikel (1691) waarin hij argumenten aandroeg om vast te kunnen stellen of een substantief als CONCREET beschouwd moet worden. Hiermee legde hij de basis voor een grammaticaal onderscheid dat heden ten dage in alle woordenboeken als bindend is vastgelegd.

20.6

Ondanks Urrvu-Diez' secure arbeid zijn er zo'n 200 substantieven tussen de wal en het schip gevallen: morfosyntactisch zouden ze tot de concr.subst.n gerekend moeten worden, maar in semantisch opzicht zijn ze feitelijk abstract. Tegenwoordig vormen deze substantieven de categorie van semi-concrete subst.n. Bij de meervouds- en resultatiefvorming (dus bij syntactische processen) volgen zij de concr.subst.n, maar bij de keuze van voornaamwoorden (door de semantiek bedongen) volgen zij de abstr.subst.n.
Het zijn vooral leenwoorden met een abstract karakter die tot de categorie SEMI-CONCREET gerekend worden, want in tegenstelling tot originele Spokaanse substantieven missen zulke leenwoorden de morfosyntactische eigenschappen die bij een abstract karakter horen. De meeste van deze woorden zijn pas na Urrvu-Diez' tijd in de woordenschat opgenomen, en dit aantal kan zich nog steeds uitbreiden.
Voorbeelden van semi-concr.subst.n (waarbij × = leenwoord na Urrvu-Diez' tijd):

  • qurag (moed); hoggebim (heerlijkheid, zaligheid); drot (droom, illusie; onwerkelijk aandoende gewaarwording); ×pāx (vrede); ×emošo (emotie); ×giynatt (clementie, genade)

20.7

Onder meer in Osagenis-Vlyg (1968) is betoogd dat het maar beter zou zijn om de halfslachtige semi-concr.subst.n af te schaffen en ze gewoon CONCREET te maken. Als het mogelijk is om op kunstmatige wijze nominale categorieėn in te voeren, moet het ook mogelijk zijn om een overbodige categorie weer af te schaffen, aldus Osagenis-Vlyg.
Zolang het gedrag van een semi-concr.subst. identiek is aan dat van een concr.subst. (zoals bij de meervoudsvorming), zullen semi-concr.subst.n in dit boek niet expliciet genoemd worden.

20.8   ad § 20.2   c. Stoffelijke substantieven

Een stoff.subst. onderscheidt zich van een concr., semi-concr. of abstr. subst. doordat het geen meervoudsvorm kent. Dit wil echter niet zeggen dat een stoff.subst. zich altijd gedraagt als een enkelvoudig substantief. Zo eisen stoff.subst.n de meervoudsvorm van bijbehorende voornaamwoorden en additieven.
Voorbeelden van stoff.subst.n:

  • knurfel (water); ayr (lucht); pleko (zand); sūlp (puree); jōl (goud); flecs (vuur); kolini (steen); zjol (steenkool); aftomirūs (griesmeel); kornin (papier; in de vorm van vellen of bladen)

20.9

Sommige stoff.subst.n kunnen tevens als concr.subst. gebruikt worden; in dat geval is natuurlijk een meervoudsvorm mogelijk, zoals:

  • eft kolini ~ ef kolinis
  • eft jōl ~ ef jōls
  • eft flecs ~ ef flecsz
  • eft kornin ~ ef kartafiy Noot 1
     
    een steen ~ de stenen
    een klomp goud ~ de klompen goud
    een vuur ~ de vuren
    een papier; een vel/stuk papier ~ de
    papieren; de vellen/stukken papier


Noot 1 Kartafiy is het onregelmatige meervoud van kornin. Zie § 30.26.

Daarentegen zijn er ook enige concr.subst.n die geen stoffelijk equivalent hebben, hoewel je dat wel zou verwachten, zoals:

  • eft mir ~ ef mirs    een haar ~ de haren; het haar; de haardos

20.10

Van een aantal stoff.subst.n is een concr.subst. afgeleid, dikwijls met het min of meer productieve suffix -tiyn (oorspronkelijk 'ding'; na een consonant gereduceerd tot -iyn), maar ook andere, improductieve, suffixen komen voor:

  • chenc ~ eft chenciyn
  • cumyn ~ eft cumyniyn
  • riyne ~ eft riyniyn
  • šocla ~ eft šoclatiyn
  • betōn ~ eft betōnjiy
  • minnepirta ~ eft minnepirt
    ham ~ een stuk/plak ham (zoals uit het varken gesneden)
    komijn ~ een komijnzaadje
    garen ~ een draadje garen
    chocola ~ een reep chocolade
    beton ~ een blok beton
    porselein ~ een porseleinen voorwerp

Soms zijn er twee verschillende (etymologisch niet-verwante) woorden:

  • roma ~ eft bis
  • blarās ~ eft sārf
  • tāpre ~ eft pl’ts
  • pāpre ~ eft scr’fkt Noot 1
    [slag]room ~ een toef slagroom
    kaas ~ een stuk/homp kaas
    stof, textiel ~ een stuk textiel; lap
    papier ~ een vel/stuk papier (meestal beschreven)


Noot 1 Bij pāpre wordt in de eerste plaats aan het materiaal gedacht, bijvoorbeeld: eft pāpre kyl (een papieren pop). Vergelijk ook kornin (§ 20.9), waarbij in eerste instantie aan vellen of bladen gedacht wordt, bijvoorbeeld:

  • Ef menestery kelde pert kornin furt sener net-hāc tāgafiys.
    Het ministerie gebruikt veel papier voor hun nutteloze memoranda.

20.11   ad § 20.1   B. Morfologie van substantieven

Het Spokaans kent een aantal methoden om uit een niet-substantief een substantief te vormen, en wel:

  1. afleiding d.m.v. een grammaticaal affix (vanaf § 20.17)
  2. onscheidbare samenstelling (vanaf § 20.41)
  3. nominalisatie van een eigennaam of letterwoord (vanaf § 20.45)
  4. geen verandering van het afleidende woord (de Ų-afleiding; vanaf § 20.49)

Bij de behandeling van de morfologie komt het begrip "nominale wortel" ter sprake. Deze term zal nu allereerst uitgelegd worden.

20.12   Nominale wortel

Een nominale wortel is een lexicaal morfeem met de eigenschap van een substantief. Dergelijke wortels zijn per definitie niet-afgeleid en niet-samengesteld; zij kunnen dus niet in kleinere betekenisdragende eenheden opgesplitst worden. Alle nominale wortels zijn CONCREET, SEMI-CONCREET of STOFFELIJK. Dit impliceert dat alle abstr.subst.n samengesteld of afgeleid zijn. Voorbeelden van nominale wortels (waarbij × = STOFFELIJK):

  • ferdu (stoel); follus vader; grup (groep); huron (bloem); neit (watersalamander); milā (arm; lichaamsdeel); ynel (engel); (zee); ×kālk (krijt); ×ayr (lucht); ×kles (gras); ×xejafiy (klaver)

20.13

Als een substantief is samengesteld uit elementen die niet tot het Spokaans behoren, wordt zo'n substantief desalniettemin als een nominale wortel beschouwd. De volgende samengestelde substantieven zijn dus een nominale wortel:

  • pōrtfulla (portefeuille); telegramos (telegram); televišo (televisie); trānsister (transistor); otomat (automaat); bibliotekke (bibliotheek); cārtotekke (cartotheek)

Afleidingen kunnen nooit een nominale wortel zijn, ook al is de afleiding opgebouwd uit elementen die niet tot het Spokaans behoren:

  • trānsformere ~ trānsformašo
  • cōnkurere ~ cōnkurenšo
    transformeren ~ transformatie
    concurreren ~ concurrentie

20.14

Sommige affixen zijn dermate archaļsch of improductief dat zij niet meer als affix gevoeld worden. Als bovendien het element waaraan dit affix gehecht is, in andere afleidingen of samenstellingen niet voorkomt (en het ook niet zelfstandig kan optreden), dan kan een dergelijk geaffigeerd substantief desondanks als nominale wortel beschouwd worden, zoals: tjokās (brood); ’rlat (auto).

Het suffix -ās en het prefix ’r- zijn in tjokās en ’rlat volkomen improductief en semantisch leeg. Bovendien treden de elementen tjok- en -lat in geen enkel ander Spokaans woord op, noch zijn tjok en lat zelfstandige woorden. Ondanks de etymologie van tjokās en ’rlat worden deze woorden dus wel als nominale wortels beschouwd. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in vele andere substantieven het suffix -ās en het prefix ’r- wčl productief kunnen zijn. Zo is ’rliriy (vinger) afgeleid (en dus geen nominale wortel) van liriy (teen) (nominale wortel). Zo is krodurās (bakkerij) afgeleid van het werkwoord krodure (bakken) (zie § 20.25).

20.15

Het onderkennen van een nominale wortel, of liever gezegd, van wat géén nominale wortel is, is dikwijls van belang voor de juiste toepassing van een aantal morfologische en syntactische regels die voor samengestelde en afgeleide substantieven anders zijn dan voor nominale wortels. Zo krijgen substantieven op os in het meervoud het suffix -z als os een deel van de nominale wortel is, bijvoorbeeld: liskos (fles) en liskosz (flessen). Maar is -os een afleidingssuffix, dan wordt het meervoud met -ōsta gevormd, bijvoorbeeld: kālos (versiering) (afgeleid van kāle (versieren)) en kālōsta (versieringen).
In Hoofdstuk 30 wordt nader op de meervoudsvorming ingegaan.

20.16

In sommige gevallen heerst er onenigheid over de vraag of een substantief wel of niet als nominale wortel beschouwd moet worden. Als voorbeeld kan dienen het substantief knurfel (water), dat bestaat naast het prefix knurf- (water) (bijvoorbeeld in knurftāmp (waterdamp) of knurfpitter (waterfiets)). Gaan we ervan uit dat knurf- een gereduceerde vorm is van knurfel, dan kan knurfel als basis, en dus als nominale wortel beschouwd worden. Gaan we ervan uit dat knurf- de basis (en dus de nominale wortel) is, dan is knurfel een afgeleid substantief (afgeleid met het improductieve, semantisch lege, suffix -el). Wij zullen hier geen poging doen om dit probleem op te lossen. Ten eerste blijkt uit veel onderzoek van deze materie (zie onder meer White, 1973) dat een eenduidig antwoord niet te geven is, en ten tweede is de vraag of een woord als knurfel nu wel of geen nominale wortel is, niet relevant voor de beschrijving en een goed begrip van de Spokaanse grammatica, want de uitgang el treedt nooit op als een afleidingssuffix dat bijzondere morfologische of syntactische regels uitlokt, zoals bijvoorbeeld -os in de vorige paragraaf deed.

20.17   ad § 20.11   a. Substantiefvorming d.m.v. werkwoord-affigering

Een van de meest toegepaste productieve suffixen om een werkwoord te nominaliseren is het grammaticale suffix -os, dat achter de wortelstam van het werkwoord (§ 82.2-9) geplaatst wordt. De substantieven die aldus geschapen worden drukken prototypisch de situatie uit die een rechtstreeks gevolg is van de handeling die met het werkwoord bedoeld wordt (zoals "ontdekking" bij de handeling "ontdekken"). Soms ook wordt een entiteit uitgedrukt die een directe relatie met de werkwoordshandeling vertoont (zoals "voedsel" bij de handeling "eten"). Bijvoorbeeld:

  • qutse ~ ef qutsos
  • frotexe ~ ef frotexos
  • ispsóte ~ ef ispsótos
  • rōle ~ ef rōlos
  • farte ~ ef fartos
  • larde ~ ef lardos
  • putte-kura ~ ef puttos-kura
    ontdekken ~ de ontdekking
    opereren ~ de operatie
    achterblijven ~ de achterstand
    rollen ~ de rol; het opgerolde voorwerp
    lopen; stromen (rivier) ~ de loop (rivier)
    eten ~ het eten, voedsel; de maaltijd
    overnemen ~ de overname

Het suffix -os vormt soms de naam van een werktuig:

  • ’jale ~ ef ’jalos
  • axe ~ ef axos
  • gre ~ ef fiys-gros Noot 1
    ploegen ~ de ploeg
    hakken ~ de bijl
    draaien ~ de schroevedraaier


Noot 1 Vergelijk ook: ef gros (de draai, wending).

20.18

Het suffix -os is verder zeer geliefd om abstr.subst.n te vormen:

  • hozāve ~ ef hozāvos
  • promise ~ ef promisos
  • quppe ~ ef quppos
  • offerte ~ ef offertos
  • buge ~ ef bugos
  • zviylfe ~ ef zviylfos
  • c’rspe ~ ef c’rspos
    geloven ~ het geloof
    beloven ~ de belofte
    achten ~ de achting
    aanbieden ~ de aanbieding, het aanbod
    neigen ~ de neiging
    ruiken ~ de reuk
    spotten ~ de spot

20.19

Het grammaticale suffix -atjen vormt meestal een persoon die de door het basis-werkwoord uitgedrukte handeling beroepshalve uitvoert. Hiertegenover staat het suffix -er waarmee een persoon genoemd wordt die de handeling incidenteel (eventueel als hobby) uitvoert. Vergelijk:

  • lenke ~ ef lenkatjen ~ ef lenker
    sturen ~ de [beroeps]chauffeur ~ de chauffeur (degene die op dit moment achter het stuur zit)

  • ālbe ~ ef ālbatjen ~ ef ālber
    bouwen ~ de [beroeps]bouwvakker ~ de bouwer (die voor zijn plezier een kippenhok of roeiboot bouwt)

Merk op dat de kwalificaties lenkatjen of ālbatjen geldig blijven, ook al heeft de desbetreffende persoon vakantie of ligt hij/zij ziek op bed, terwijl de kwalificaties lenker of ālber niet meer gelden als deze persoon "het sturen" resp. "het bouwen" staakt. Let ook nog op het volgende bijzondere geval:

  • d’fie ~ ef d’fiatjen ~ ef d’fier   staken ~ de staker ~ de staker

Elke staker (en ook de vakbond) zal zichzelf d’fier noemen, het staken is immers een incidenteel uitgevoerde handeling. De mijndirecteur die vindt dat de mijnwerkers meer staken dan werken, zal zijn werknemers met d’fiatjen (eig. "beroepsstaker") betitelen. De -atjen-vorm is dan een pejoratief.

20.20

Het gebruik van -atjen en -er is niet altijd even consequent. Zo is een '(beroeps)ober' altijd harber (van harbe ([be]dienen)), en is harbatjen Noot 1 gereserveerd voor 'dienstbode, dienstmeisje'. Evenzo: matier (metselaar), maar nooit *matiatjen.


Noot 1 De vrouwelijke vorm van harbatjen (dat zelf ook uitsluitend aan vrouwen refereert) is harbatjena en betekent 'serveerster, dienster (in een restaurant)'. Kennelijk verhindert de gelexicaliseerde betekenis van 'dienstmeisje', dat harbatjen de voorspelbare betekenis van 'ober' kan krijgen. Vandaar de "noodoplossing" om harber voor 'ober' te gebruiken. Voor het vrouwelijke suffix -a, zie § 22.3.

20.21

Het suffix -er vormt ook personen die min of meer buiten hun eigen wil (vaak tegen hun wil) gerefereerd zijn aan het basis-werkwoord:

  • chealmpe ~ ef chealmper
  • dokverfe ~ ef dokverfer
  • hocile ~ ef hociler
  • kasse ~ ef kasser Noot 1
  • umpularāfe ~ ef umpularāfer Noot 1
    verbannen ~ de balling
    afstammen ~ de afstammeling
    stammen uit ~ de stamvader
    martelen ~ de martelaar (gemartelde)
    gijzelen ~ de gijzelaar (gegijzelde)


Noot 1 Bij deze substantieven hoort tevens een vorm op -atjen. Deze geeft de uitvoerende persoon aan: kassatjen (beul; degene die martelt), en umpularāfatjen (degene die gijzelt; gijzelnemer). De vorm ?chealmpatjen (degene die verbant) zou mogelijk zijn, maar is ongebruikelijk.

20.22

De suffixen -atjen en (zelden) -er vormen ook namen van dieren en diersoorten; zij worden dan genoemd naar een handeling of geluid die/dat kenmerkend voor dit dier is:

  • qure ~ ef quratjen
  • riyke ~ ef riykatjen
  • rōle ~ ef ’c-lofa-rōlatjen
  • chylfe ~ ef chylfatjen
  • sōlšare ~ ef sōlšarer
  • zōle ~ ef zōler
    koeren ~ de duif
    knagen ~ het knaagdier
    rollen ~ de eikebladroller (vlinder)
    slepen, sleuren ~ het trekdier (vrnl. trekos voor de ploeg)
    trekken (vogels) ~ de trekvogel
    vliegen ~ de vlieg

Bij diernamen staan -atjen en -er in complementaire distributie tot elkaar, waarbij -atjen min of meer productief is.

20.23

Werktuigen (machines en gereedschap) worden vooral met -er afgeleid. Een enkele keer wordt -atjen gebruikt maar dan ligt het accent meer op het gepersonifieerde karakter van de handeling die het werkwoord uitdrukt. Vergelijk:

  • jāspe ~ ef jāsper
  • qugie ~ ef qugier
  • lorgisse ~ ef lorgisser Noot 1
  • xorōme ~ ef xorōmatjen
  • fitrute ~ ef fitrutatjen
  • skreje ~ ef skrejatjen

    spuiten ~ de [brand]spuit
    spinnen (wol) ~ het spinnewiel
    gieten, schenken ~ de gietpan (om ijzer te gieten)
    knikken ~ de jaknikker (aardoliepomp)
    blazen ~ de blaasbalg
    gillen ~ de sirene


Noot 1 Een 'bloemengieter' heet loroh en is een improductief afgeleid substantief met de wortel lor- die ook in lorgisse voorkomt. Omdat -oh geen productief suffix is en lor- geen algemene stamfunctie vervult, wordt loroh als nominale wortel beschouwd (§ 20.14).

20.24

Als -er of -os een werktuig vormen, vormt -atjen vaak de persoon die dat werktuig bedient (meestal beroepshalve):

  • jāspe ~ ef jāsper ~ ef jāspatjen
    spuiten ~ de spuit ~ de brandweerman, spuitgast
  • qugie ~ ef qugier ~ ef qugiatjen Noot 1
    spinnen ~ het spinnewiel ~ de spinner
  • ’jale ~ ef ’jalos ~ ef ’jalatjen Noot 2
    ploegen ~ de ploeg ~ de ploeger


Noot 1 Tot de jaren twintig van deze eeuw was het gebruikelijk dat ook mannen achter het spinnewiel zaten. Sinds de opkomst van de machinale spinnerijen heeft qugiatjen de betekenis van 'arbeider in een spinnerij' gekregen.

Noot 2 De vorm *’jaler komt niet voor.

20.25

Het suffix -ās vormt de locatie (fabriek, werkplaats, bedrijf) waar de door het basis-werkwoord uitgedrukte handeling plaatsvindt:

  • veve ~ ef vevās
  • lorgisse ~ ef lorgissās
  • krātše ~ ef krātšās
  • krodure ~ ef krodurās Noot 1
  • vlemóte ~ ef vlemótās Noot 1
    weven ~ de weverij
    gieten, schenken ~ de [ijzer]gieterij
    zagen ~ de [hout]zagerij
    bakken ~ de bakkerij
    slachten ~ de slagerij


Noot 1 Krodurās en vlemótās (en nog een paar andere -ās-afleidingen) kunnen ook de winkel betekenen waar brood respectievelijk vlees verkocht wordt. Daar de meeste Spokanische slagers tegenwoordig zelf niet meer slachten, maar dit aan een abattoir overlaten, betekent vlemótās nu vrijwel uitsluitend 'slagerswinkel'. Voor de goede orde: 'abattoir, slachthuis' heet vlemótsért.

20.26

Een enkele keer (meestal in samenstellingen) vormt -ās een hulpmiddel of eenvoudig werktuig, zoals:

  • ’tine ~ ef tiyns-’tinās
  • stunne ~ ef mimpit-stunnās
    dragen ~ de bagagedrager (v. fiets ed.)
    steunen ~ de boekensteun

20.27

De suffixen -os, -atjen, -er en -ās zijn alle productief voor de semantische functies die in Blok 20.28 voor deze suffixen aangegeven zijn. Voor zover de betekenis van een werkwoord het toelaat kan elke wortelstam met deze vier suffixen genominaliseerd worden. De afleidingen met -os kunnen hetzij CONCREET hetzij ABSTRACT zijn. De keuze tussen CONCREET en ABSTRACT is niet facultatief, en daarom zal een woordenboek of de zogenoemde -os-ramā (-os-lijst) geraadpleegd moeten worden om de juiste categorie te kunnen vaststellen.

20.28

Productieve nominalisatie-suffixen bij werkwoorden
-os • Nominalisatie van de handeling die het werkwoord uitdrukt
-atjen • Persoon die de handeling van het werkwoord beroepshalve verricht
• Dier waarvoor de handeling van het werkwoord kenmerkend is
-er • Persoon die de handeling van het werkwoord incidenteel verricht
• Naam van het werktuig waarmee de handeling verricht wordt
-ās • Fabriek, werkplaats, bedrijf en eventueel winkel waar de handeling
   verricht wordt

Het gebruik van de suffixen in dit Blok is improductief als de betekenis van het afgeleide substantief niet aan de omschrijving in dit Blok voldoet.

20.29

Soms treedt er bij de substantieven die met de suffixen uit Blok 20.28 zijn afgeleid, lexicalisatie op. Op welke wijze en in welke mate de gelexicaliseerde betekenis niet meer voorspelbaar is blijkt uit de volgende voorbeelden:

  • farte ~ ef fartos
     
  • zōle ~ ef zōler Noot 1
  • folte ~ ef foltos Noot 2
  • envane ~ ef envanos Noot 3
    lopen (alg.); stromen (rivier) ~ de loop (v.e.
    rivier); het verloop, de gang van zaken; de cursus
    vliegen ~ de vlieg (insekt)
    vouwen ~ de folder, brochure; het vouwblad
    opeisen ~ het overwicht


Noot 1 Vergelijk: blacroe ~ ef blacroer (kruipen ~ het kruipdier, reptiel). Analoog zou zōler moeten betekenen: 'vogel'.

Noot 2 Vergelijk: rōle ~ ef rōlos (rollen ~ het opgerolde voorwerp; de rol). Analoog zou foltos moeten betekenen: 'het opgevouwen voorwerp; (?) de vouw'.

Noot 3 Envanos (abstr.subst.) heeft in sommige contexten ook de voorspelbare betekenis 'opeising; dat wat opgeėisd wordt'.

20.30

Niet-productieve suffixen die een werkwoord kunnen nominaliseren komen we vooral tegen bij leenwoorden die direct of indirect uit het Latijn stammen:

  • ōrganisere ~ ef ōrganisašo
  • āpstrahere ~ ef āpstrahašo
  • riskere ~ ef riskašo
  • cōntrolere ~ ef cōntrolerr
  • cōnstruere ~ ef cōnstruerr
    organiseren ~ de organisatie
    abstraheren ~ de abstrahering
    riskeren ~ het risico
    controleren ~ de controleur
    construeren ~ de constructeur

20.31

Let op de analogievormen: de nominalisatie van de werkwoordshandeling gebeurt in de voorbeelden van de vorige paragraaf consequent door -ere (-eren) in -ašo (-atie) te veranderen; de vorming van een persoon gebeurt consequent door -ere in -err (-eur) te veranderen. Dat er ondanks de regelmatigheid van de suffigering en de voorspelbaarheid van de betekenis toch sprake is van een improductief procédé, ligt aan het feit dat suffigering met -ašo en -err beperkt blijft tot een kleine groep (uit het Latijn stammende) werkwoorden, en dat bij enkele van zulke werkwoorden de afleiding met de Spokaanse suffixen uit Blok 20.28 plaatsvindt (wat het productieve procédé is), zoals: Noot 1

  • ākselerere ~ ef ākselereros Noot 2
  • cōrespondere ~ ef cōresponderos
  • māsere ~ ef māseros
  • demonstrere ~ ef demonstrerer
  • māsere ~ ef māseratjen
    optrekken; op gang komen ~ het optrekken
    corresponderen ~ de correspondentie
    masseren ~ de massage
    demonsteren ~ de demonstrant
    masseren ~ de masseur


Noot 1 Bij sommige werkwoorden op het Latijns leensuffix -ere vindt nominalisatie geheel analoog aan het Latijn plaats, zoals: redusere ~ redukšo (niet *redusašo of *reduseros) (reduceren ~ reductie); produsere ~ produsennt (niet *produserr of *produseratjen) (produceren ~ producent). In § 20.13 is vastgesteld dat substantieven die zijn samengesteld uit elementen die niet tot het Spokaans behoren, als nominale wortel beschouwd worden. Niet alleen samenstellingen als televišo of bibliotekke, maar ook afleidingen als redukšo en produsennt zijn feitelijk nominale wortels, want zij kunnen evenmin opgedeeld worden in elementen die tot het Spokaans behoren (waarbij we ervan uitgaan dat suffixen als -ašo of -err wčl tot de Spokaanse woordenschat behoren).

Noot 2 Deze betekenis geldt voornamelijk met betrekking tot een auto of trein. Ākselerere kan ook betekenen: 'versnellen'. In dit geval bestaat de genominaliseerde afleiding ākselerašo (versnelling), waarmee bedoeld wordt (1) "het versnellen" en (2) "samenstel van tandwielen in een auto".

20.32

Een aanzienlijke groep Spokaanse substantieven is op onregelmatige wijze van een werkwoord afgeleid. Een afleiding heet "onregelmatig" als er gebruik wordt gemaakt van suffixen die niet zijn opgenomen in Blok 20.28, of als de afleiding plaatsvindt op een andere wijze dan met suffigering (zoals het weglaten van een suffix of vocaalwisseling). We volstaan met enkele voorbeelden:

Geen -os:
  • gāfle ~ ef gāflat
  • nenie ~ ef nenniy
  • orte ~ ef ortāc
  • tangodame ~ ef tangodām
  • wertye ~ ef werty
  • finne ~ ef finn
    brandmerken ~ het brandmerk
    beschadigen ~ de beschadiging
    bijten ~ de beet
    regeren ~ de regering
    overleveren ~ de overlevering
    beginnen ~ het begin

Daar er ook een regel bestaat om een nominale wortel te verbaliseren door middel van het suffix -e (§ 83.2) zou in principe evengoed beweerd kunnen worden dat woorden als tangodām, werty en finn niet zijn afgeleid van de werkwoorden tangodame, wertye en finne (met een Ų-suffix), maar dat de werkwoorden met -e zijn afgeleid van een nominale wortel (ofwel een substantief). Op historische gronden is aan te nemen dat in het geval van tangodām en werty de werkwoorden als basis beschouwd moeten worden. In het geval van finne bestaat er echter onzekerheid, en er zijn ook gevallen waarin het evident is dat het substantief de basis vormt, bijvoorbeeld mux (taal), waarvan afgeleid muxe (spreken; zich in taal uitdrukken). Zie ook de argumenten in White (1973), waarom er nu eens sprake is van een verbale, dan weer van een nominale afleiding. Overigens is dit een zuiver theoretische kwestie, want de oppositie verbale ~ nominale afleiding is nooit relevant bij de werking van grammaticaregels. Noot 1


Noot 1 In concreto: het feit dat werty beschouwd moet worden als een nominale afleiding van wertye, maar dat mux geen nominale afleiding is van muxe (omdat muxe een verbale afleiding is van mux), heeft geen enkele invloed op syntactische of morfologische regels die op deze substantieven kunnen opereren (zoals meervouds- of genitiefvorming, keuze van bijbehorende voornaamwoorden, enz.). Evenmin gedraagt het basiswerkwoord wertye zich in syntactisch of morfologisch opzicht anders dan het afgeleide werkwoord muxe.
Merk op dat de vraag of een substantief al dan niet van een werkwoord is afgeleid, wčl relevant kan zijn als dit substantief bijvoorbeeld op os eindigt. Het suffix -os vereist een andere meervoudsvorming dan de "toevallige" uitgang os. Zie hiervoor § 30.7-8.

20.33

Geen -atjen:
  • tangodame ~ ef tangōrt
  • krodure ~ ef krodūr
  • lyde ~ ef lydres
  • maile ~ ef mōjōl
  • maile ~ ef mōjola
  • otreffe ~ ef otreff
  • veve ~ ef veve-stent
    regeren ~ de regeerder
    bakken ~ de bakker
    leiden ~ de leider
    malen ~ de molen
    malen ~ de molenaar
    schoffelen ~ de schoffel
    weven ~ het weefgetouw

20.34

Geen -ās:
  • krātše ~ ef krāts Noot 1
  • qugie ~ ef qugier
  • vlemóte ~ ef butšera Noot 2
    zagen ~ de [hout]zagerij
    spinnen ~ de spinnerij
    slachten ~ de slagerij


Noot 1 Ook: ef krātšās (§ 20.25).
Noot 2 Ook: ef vlemótās (§ 20.25).

20.35   ad § 20.11   a. Substantiefvorming d.m.v. additief-affigering

Additieven (Hoofdstuk 40) kunnen genominaliseerd worden door toevoeging van het grammaticale suffix -iy. Dit is een zeer productief procédé om abstr.subst.n te vormen, en in mindere mate ook concr.subst.n:

    CONCREET
  • frondo ~ ef frondoiy
  • hupster ~ ef hupsteriy
  • utfin ~ ef utfiniy
  • miytjā ~ ef miytjāiy

     
    bol ~ de opbolling, bobbel
    groot ~ de grootte
    breed ~ de breedte
    gemiddeld ~ het gemiddelde

    ABSTRACT
  • primitā ~ ef primitāiy
  • rofonos ~ ef rofonosiy
  • sōlitar ~ ef sōlitariy
  • jola ~ ef jolaiy
  • qu’r ~ ef qu’riy
     
    bekwaam ~ de bekwaamheid
    boos ~ de boosheid; het boze
    eenzaam ~ de eenzaamheid
    vrij ~ de vrijheid
    dreigend ~ de dreiging

20.36

Als een additief op -iy eindigt, is het nominalisatiesuffix -er (vervangt -iy). Merk op dat de eind-iy van het additief zowel een afleidingssuffix als een toevallige uitgang kan zijn. Het afleidingssuffix -iy is behandeld in § 41.21, en de toevallige uitgang iy wordt genoemd in § 41.23.

    CONCREET
  • knāmpiy ~ ef knāmper
  • hālāfiy ~ ef hālāfer Noot 1

     
    mollig ~ de molligheid
    gek, idioot ~ de gek, de idioot (persoon)

    ABSTRACT
  • graviy ~ ef graver
  • mémtsiy ~ ef mémtser Noot 2
     
    ernstig ~ de ernst
    stoutmoedig ~ de stoutmoedigheid


Noot 1 Hālāfiy is met -iy afgeleid van het concr.subst. ef hālāf (het idiote gedrag; de gekte). Zie § 41.21.
Noot 2 Mémtsiy is met -iy afgeleid van het concr.subst. ef mémts (de stut; de steunbeer).

20.37

Tenslotte bestaan er concr.subst.n (niet abstr.) die op een andere (= onregelmatige) wijze afgeleid zijn dan d.m.v. de productieve suffixen -iy en -er:

  • belt ~ ef beltōc
  • fot ~ ef fotel
  • k’pony ~ ef k’pōn
  • kinur ~ ef kinā
    klein ~ de kleinigheid
    fout[ief] ~ de fout
    droog ~ de droogte
    ziek ~ de ziekte

20.38   ad § 20.11   a. Substantiefvorming d.m.v. voornaamwoord-affigering

Vele voornaamwoorden kennen een genominaliseerde vorm die te vergelijken is met de substantieven die van een additief afgeleid zijn (§ 20.35). Nu wordt eveneens het suffix -iy gebruikt:

  • kost ~ ef kostiy
  • vilt ~ ef viltiy
  • kult ~ ef kultiy
  • wālke ~ ef wālkeiy
    mijn ~ de/het mijne; die/dat van mij
    jouw ~ de/het jouwe; die/dat van jouw
    ons ~ de/het onze; die/dat van ons
    elkaars ~ die/dat van elkaar

  • Efra kost flappa tirduse.
    Mijn enige vulpen is kapot.  

~ Dena tirdus flappa melde kost efraiy.
~ Die kapotte vulpen is mijn enige.
    (= de enige die ik heb)

Een genominaliseerd voornaamwoord is van dezelfde categorie (CONCREET / ABSTRACT) als het antecedent. Zie verder de behandeling van de voornaamwoorden in de Hoofdstukken 51, 52, 71-73.

20.39   ad § 20.11   a. Substantiefvorming d.m.v. telwoord-affigering

Telwoorden kunnen genominaliseerd worden met behulp van het prefix a-. Zo wordt een "bepaald aantal" of een "bepaald cijfer" gevormd:

  • fār ~ ef afār
  • main ~ eft amain
    vier ~ het viertal; het cijfer 4
    tien ~ een tiental; een "tien"; een cijfer 10

Deze a-vorm wordt ook gebruikt om naar een entiteit te verwijzen waarvan een kenmerkende eigenschap een getal is (zoals een bus- of tramlijn, een huisnummer, een munt ed.):

  • Ef adur vende helkara ef garrent.
    Lijn drie gaat naar het station.
  • Gress lāzāre ef aerg-perd’r.
    Ik woon op nummer zestien. (lett. "Ik bewoon de zestien")
  • Do kafte tjāg eft aten-holfe, eft amain ur ās eft amain-jeji. Noot 1
    Hij betaalt met een munt van 2½ tóftos, een munt van 10 tóftos en een biljet van 10 herco.


Noot 1 Om munten van bankbiljetten te onderscheiden wordt bij deze laatste wel jeji (bankbiljet) toegevoegd. Daar er geen munten met een waarde van 100 tóftos bestaan (want 100 tóftos is gelijk aan een bankbiljet van 1 herco), is apérsa altijd een 'bankbiljet van 100 herco'. Zie verder § 180.32.

20.40   ad § 20.11   a. Substantiefvorming d.m.v. tussenwerpsel-affigering

Tussenwerpsels kunnen eventueel genominaliseerd worden d.m.v. het prefix -. Dit gebeurt bijvoorbeeld in zinnen als:

  • hurrā!   hoera!:
    Dur lāhurrās fān ef kindis.   Drie hoera's voor de koning.

  • plāt!   pats! (geluid van plotseling brekend glas of aardewerk):
    Ef sgūla spātro tjāg eft hups lāplāt.
    De schaal spatte met een harde klap uit elkaar.

  • weje!   hoei! (aansporing voor paarden):
    Ef qutser rupke sener lāweje ón ef róts.
    De koetsier roept zijn "hoei" tegen de paarden.

De -vorm van een tussenwerpsel klinkt dikwijls archaļsch of poėtisch. In één geval is het genominaliseerde tussenwerpsel zo gelexicaliseerd dat het een volwaardig concr.subst. geworden is:

  • p’! ~ ef lāp’   (uitroep van schrik) ~ de schrik, de ontsteltenis

Het prefix - is voorts nog productief bij de transitivering of vorming van werkwoorden (§ 80.18-19, § 83.8 en § 83.20).

20.41   ad § 20.11   b. Scheidbaar ~ onscheidbaar

In scheidbare samenstellingen (scheid.samst.n) zijn de samenstellende delen met een filāsto (-) met elkaar verbonden. In de volgende voorbeelden is het basiselement (= het substantief waarvan de samenstelling gevormd is) vet gedrukt:

  • fente-tof (feestdag); šōnos-’rōm (samenwerking); korda-arābe (kerkhof); kokmit-ferdu (keukenstoel); helt-putse (melkemmer); mirra-ef-ovap (zijstraat); rupkos-kaf (oproep)

Samenstellingen waarin het eerste deel als basiselement fungeert komen niet veel voor. Meestal zijn het afleidingen van werkwoorden die op een voorzetsel eindigen, zoals rupke-kaf ~ rupkos-kaf (oproepen ~ oproep).

20.42

In onscheidbare samenstellingen (onscheid.samst.n) zijn de samenstellende elementen direct aan elkaar gehecht en bovendien treedt er dikwijls contractie op, wat inhoudt dat een of meer eindletters van het eerste element en/of een of meer beginletters van het tweede element wegvallen. Consonanten vallen wel weg als er door de samenstelling een (onuitspreekbare) cluster ontstaat; vocalen kunnen wegvallen als er door de samenstelling drie of meer vocalen achter elkaar volgen. Vergelijk de volgende onscheid.samst.n met de voorbeelden uit de vorige paragraaf (het basiselement is vet gedrukt):

  • fentatof (nationale feestdag; waarop niet gewerkt wordt); kordamis (kerkdienst); šōnosrōmos (samenloop van omstandigheden); rilferdu (schommelstoel); heltoert (melkkoe)

Contractie is waar te nemen in šōnosrōmos (= šōnos + ’rōmos) en heltoert (= helt + boert). Onscheid.samst.n waarin het eerste deel als basiselement fungeert komen niet voor.

20.43

Het onderscheid scheid.samst. ~ onscheid.samst. is van belang bij ondermeer de regels voor de meervouds- en resultatiefvorming. Zie hiervoor de Hoofdstukken 30 en 61. Ook de plaatsing van (vooral) lexicale affixen wordt door dit onderscheid beļnvloed (§ 21.21). Vergelijk bijvoorbeeld de plaats van het prefix blak- (wit):

  • helt-putse ~ ef helt-blakputse
  • heltoert ~ ef blakheltoert
    melkemmer ~ de witte melkemmer
    melkkoe ~ de witte melkkoe

20.44   ad § 20.11   b. Substantiefvorming d.m.v. onscheid.samst.

Twee niet-substantieven kunnen onscheidbaar samengevoegd worden en aldus een concr.subst. vormen. Dit procédé is improductief, hoewel het de laatste jaren meer en meer toegepast wordt om nieuwe vaktermen (op technologisch en medisch gebied) te creėren, teneinde het gebruik van met name Engelse leenwoorden te vermijden. Noot 1
Voorbeelden van niet-substantieven die onscheidbaar samengevoegd een concr.subst. opleveren. Woorden met contractie zijn gemarkeerd met ×:

  • nert + klótarus > nertklótarus
    niet + klaar; gereed > grondstof
  • quns + krono > qunskrono
    iel; dun + recht > staak; staaf
  • zille + pip > zillepip
    beschermen + al; alles > dak (van huis)
  • ur + oft > uroft
    en + of > alternatief; keuze uit twee dingen
  • giss + nramyt > ×gissramyt
    ijverig + opgejaagd; opgejut > overmatig eerzuchtig persoon; streber
  • mindefit + bār’r > ×mindār’r
    rood + violet > spectrum (alle kleuren van rood tot violet)

Het is duidelijk dat de concr.subst.n die door deze improductieve samenvoeging ontstaan een sterk gelexicaliseerde betekenis hebben.


Noot 1 Deze puristische tendens is uitgebreid geanalyseerd in Joseph Canarozzo (1975). Sommigen gaan zo ver dat zij ook reeds bestaande Latijnse leenwoorden willen vervangen door een onvervalst Spokaanse onscheid.samst.
Zo zou trānsformater volgens de aanhangers van het wetenschappelijk purisme plaats moeten maken voor miltemārviy (= miltef + mārve (sterk + zwak)) of mārviltef ((zwak + sterk)). Het eerste zou dan een transformator zijn die van een hoge spanning een lagere maakt, het tweede net andersom.

20.45   ad § 20.11   c. Nominalisatie van een eigennaam of letterwoord

De nominalisatie van een eigennaam is improductief en blijft beperkt tot een aantal staande uitdrukkingen waarin de genominaliseerde eigennaam de eigenschap of gebeurtenis uitdrukt waaraan de drager van deze naam zijn bekendheid te danken heeft. Dit zijn vrijwel altijd personen uit sages, historische figuren of geografische namen. De nominalisatie vindt plaats door de eigennaam met een kleine letter te schrijven en van een lidwoord te voorzien:

  • Fyla   (moedige strijder uit de sage van Fyla en het dode paard):
    Ef ōrešys strette lo eft fyla.
    De soldaten strijden als een Fyla. (dus zeer moedig)

  • Lotmervylen   (een legendarische Pegrevische koning die met vergiftigde wijn om het leven gebracht is):
    Ef mašecc sterdo lo eft lotmervylen.
    Het slachtoffer stierf als een Lotmervylen. (werd dus met wijn vergiftigd)

  • Hendoec   (ruziezoekende tolgaarder uit de sage van De verdronken vissers):
    Moffain melde ef hendoec fes ef fatasōr.
    Moffain is de ruziezoeker in zijn familie. (is altijd uit op ruzie)

  • G’rō   (stad aan de Prek op Centraal-Liftka, en bekend door de overstromingen elk voorjaar, als de Prek buiten zijn oevers treedt):
    Do lāzāre eft g’rō.
    Hij woont in een plaats (aan een rivier) waar geregeld overstromingen zijn.

  • Afacha   (stad met geneeskrachtige bronnen in het Crona-gebergte):
    Ef afachas fes Spooksoliy raptre vluf entrafers jadāk zemper. Noot 1
    De plaatsen met geneeskrachtige bronnen ("Kuuroorden") in Spokaniė trekken elk jaar meer toeristen.

  • Asjetto   (stad op Tigof, bekend om zijn damast):
    Eup sers meters ašetto lorerde fān eft kleter sprokto. Noot 2
    Ze heeft zes meter damast gekocht voor een nieuwe japon.


Noot 1 Vergelijk afacha met het Engelse "spa", dat dezelfde betekenis heeft, en eveneens een genominaliseerde plaatsnaam is (het Belgische Spa).

Noot 2 Ašetto (damast) is een stoff.subst. Let op de spellingsvariatie van sj in de plaatsnaam en š in de stofnaam. Vergelijk ašetto met het equivalent 'damast', dat de genominaliseerde vorm is van de stad Damascus. Denk ook aan de stofnaam "manchester".

20.46

In het Spokaans is een sterke tendens om afkortingen zodanig te kiezen dat er een (gemakkelijk uitspreekbaar) letterwoord ontstaat. Vooral namen van verenigingen, firma's, instanties, handelsmerken ed. worden al gauw tot een letterwoord verkort; deze zijn te beschouwen als eigennamen, zoals:

  • SEQU   (Spooksoliy Entrafer Ququlā)
    Spokanische Toeristen-Vereniging (vgl. de Nederlandse VVV)
  • GeStā   (Generala Stāf)
    Generale Staf (militair)
  • Stami   (Stat-misan)
    Staatswinkel (warenhuisconcern dat eigendom is van de staat)
  • EECŸRLUM   (Eertef C’rtiyr luft Moplariys)
    EHBO (als nationale organisatie)
  • Zussyg   (Zutter-Spooksoliy Sectā-ylām-grup)
    Zuidspokanisch Wijnbouwersgilde (soort vakbond voor de wijnbouwers van Tigof en Lomky)

Dat dergelijke letterwoorden als eigennaam fungeren blijkt onder andere uit het feit dat zij met een hoofdletter geschreven worden, geen lidwoord kunnen krijgen (§ 50.12) en een speciale meervoudsvorm kennen (§ 30.56).

20.47

Letterwoorden als bedoeld in de vorige paragraaf kunnen zich soms tot een volwaardig concr.subst. ontwikkelen. Zij worden dan met een kleine letter en zonder leestekens geschreven, krijgen een lidwoord en hebben een meervoudsuitgang volgens de hoofdregels. De betekenis van een dergelijk genominaliseerd letterwoord is sterk gelexicaliseerd en het gehele nominalisatieprocédé is improductief. Vergelijk ook § 20.45. Bijvoorbeeld:

  • eft sequ
  • eft gestā
     
  • eft stami
  • eft éc’rlum
     
  • eft zussyg
     
    een (willekeurige) toeristenorganisatie
    een zeer gewichtige vergadering, vaak met het doel
    een overeenkomst te tekenen
    een filiaal van het Stami-concern
    een (willekeurige) organisatie die zich met EHBO-werk,
    ziekenvervoer ed. bezighoudt
    een fles wijn (of wijnsoort) van een wijngaard waarvan
    de eigenaar lid van de Zussyg is

20.48

Ook letterwoorden die een afkorting van een idiomatische uitdrukking zijn, kunnen analoog aan § 20.47 genominaliseerd worden. Vergelijk:

  • g.e.p.   (gre ef pracā) > ef gep
    z.o.z. (zie ommezijde) > de achterzijde
  • é.k.e.k.   (érpāf kaf ef kloppa) > ef ékek
    t.z.t. (te zijner tijd) > de naaste toekomst
  • h.e.a.r.   (helkara ef aderessōs rifo) > ef hear
    t.a.v. (ter attentie van) > de persoon/afdeling waaraan de post gericht is

20.49   ad § 20.11   d.  Substantiefvorming waarbij het substantief gelijk is aan het afleidende woord (Ų-afleiding)

Zowel werkwoorden als additieven kunnen zonder enige affix-markering als substantief fungeren. Dit is een improductief procédé dat feitelijk niet (meer) in het Spokaanse taalsysteem past. We zien dan ook een neiging om substantieven die dezelfde vorm hebben als een werkwoord of een additief te vervangen door een geaffigeerde (dus gemarkeerde) vorm. Voorbeelden:

  • finne ~ ef finne Noot 1
  • parte ~ ef parte Noot 2
  • lāske ~ ef lāske
    beginnen ~ het begin
    delen ~ het deel, onderdeel
    lassen ~ de las (in metaal)

Ook nu weer geldt de theoretische vraag of er sprake is van een werkwoord met een hiervan afgeleid substantief, dan wel van een substantief met een hiervan afgeleid werkwoord. Zie ook § 20.32.


Noot 1 Het concr.subst. ef finne heeft als nevenvorm ef finn (het begin), zie ook § 20.32.
Noot 2 Het concr.subst. ef parte heeft als nevenvorm ef partos (het [onder]deel).

20.50

Als een substantief dezelfde vorm heeft als een additief, dient dit substantief altijd gemarkeerd te worden met een lidwoord of een lidwoordvervangend voornaamwoord (zoals een aanwijzend, bezittelijk of onbepaald vnw.). Dit wordt nader besproken in § 50.31.
Verreweg de meeste substantieven die dezelfde vorm hebben als een additief vallen onder de categorie ABSTRACT:

    CONCREET
  • kursuus ~ ef kursuus
  • belt ~ ef belt
  • holfe ~ ef holfe
  • ālternateff ~ ef ālternateff
  • clamiša ~ ef clamiša
     
    bloederig; bloedend ~ het bloed
    klein ~ het liefje, schatje
    half ~ de helft
    alternatief ~ het alternatief
    moerassig ~ het moeras

    ABSTRACT
  • érmiyp ~ ef érmiyp Noot 1
  • móf ~ ef móf
  • kalómba ~ ef kalómba
  • rovret ~ ef rovret
  • wynch ~ ef wynch
  • zutter ~ ef zutter Noot 2
     
    eensgezind ~ de eensgezindheid
    verboden ~ het verbod
    aandachtig ~ de aandacht
    lief ~ de liefde
    trots ~ de trots
    zuid[elijk] ~ het zuiden

Evenals is de vorige paragraaf speelt ook nu weer de theoretische kwestie of het substantief afgeleid is van het additief, of dat er van een omgekeerde afleiding sprake is. Wij verwijzen hiervoor naar Joseph Canarozzo (1973), en voor wat betreft ef érmiyp ook naar voetnoot Noot 1 hieronder.


Noot 1 In § 20.44 is vastgesteld dat abstracte subst.n nooit gevormd kunnen worden d.m.v. een onscheid.samst. Toch is érmiyp opgebouwd uit de elementen: ér + miyp (= de stam van miype (denken)) 'één' + 'gedachte'.
Dat deze onscheid.samst. tot de categorie ABSTRACT kan behoren, is te verklaren door aan te nemen dat niet het substantief gevormd is d.m.v. een onscheid.samst., maar het additief (zie § 41.30). Als het additief érmiyp eenmaal gevormd is, kan hiervan het abstracte substantief met een Ų-suffix afgeleid worden.

Noot 2 Analoog aan zutter worden ook de windrichtingen nutter (noord), opper (oost) en wefot (west) behandeld.


TOP
<< Hoofdstuk 11 | Hoofdstuk 21 >>

© (2000) Rolandt Tweehuysen, Kimswerd, the Netherlands