SPARC is de compleetste website over het Koninkrijk Spokanië. "Als je het hier niet kunt vinden, vind je het nergens." |
Spokanisch Archief Hoofdmenu Grammatica Woordenboek Atlas Links Contact Disclaimer |
|
| |
|
|
|
| |
|
Dit bestand 1. Landgoederen, dorpen en steden 2. Boerderijen en huizen 3. Ontwikkeling van de woningen in de stad 4. Sociale huisvesting | |
|
Status: Nog uitwerken! Ook bespreken: (regionale) bouwstijlen en -materialen, nieuwe/moderne architectuur infrastructuur: wegen, spoorwegen, waterwegen, zee huurhuizen / koophuizen / pachthuizen daklozen(opvang), zwervers, zigeuners, pleebanieten, woonboten, schepen, instituten (kloosters), intern (studenten, verpleegsters etc.)
| |
|
1. Landgoederen, dorpen en steden
Van oudsher was Spokanië een agrarische, feodale maatschappij. Adellijke grootgrondbezitters bestierden uitgestrekte gebieden waar het merendeel van de bevolking als landarbeiders aan de kost kwam. Er bestond een groot verschil tussen de rijke landbezitters en de arme landlozen, in dienst van de landbezitters. De landlozen woonden dicht op elkaar in gehuchten en dorpjes, terwijl de adel zich vermaakte in de kastelen en landhuizen, die dikwijls het karakter van enorme boerderijen hadden. Deze feodale structuur had tot gevolg dat mensen altijd in kluitjes bij elkaar woonden en dat verspreid staande boerderijen van landbezittende boeren nauwelijks bestonden. Vanaf het begin van de 19e eeuw zijn de feodale verhoudingen meer en meer verwaterd, landlozen konden stukken grond pachten om zelf te gaan verbouwen en de grootgrondbezitters werden dikwijls verpachters. Afname van de macht van de grootgrondbezitters ging hand in hand met een steeds sterkere invloedssfeer van de landelijke overheid en de provinciale besturen. Een gevolg hiervan was onder meer dat de overheid strenger ging toezien op de omstandigheden waaronder pachters en landlozen moesten werken. Voor veel grootgrondbezitters werd het feodale systeem zodoende steeds minder lucratief. De pachtopbrengsten werden door de overheid aan banden gelegd, er werd een minimumloon voor landarbeiders verplicht gesteld, en er kwamen nog veel meer maatregelen die landeigenaren ertoe brachten hun land aan de boeren te verkopen. Het oude feodale systeem is echter nog niet geheel verdwenen. Momenteel zijn er nog 27 landgoederen - meestal met een aanzienlijke hoeveelheid grond - waar een adellijke familie alles bestiert en het personeel als een soort moderne lijfeigenen op velerlei wijze aan land en heer gebonden is. Het loon wordt gedeeltelijk in natura uitbetaald, de boeren en hun familie mogen gratis op het landgoed wonen, en ook het lager onderwijs voor de arbeiderskinderen wordt door de rijke familie betaald. Zulke landgoederen hebben een aparte status: zij ressorteren niet onder een gemeente (maar zijn een soort gemeente op zich), alle bewoners zijn in dienst van de eigenaar, en die moet op zijn beurt verantwoording afleggen aan het districtsbestuur. Zulke landgoederen worden šarkdomenns genoemd, en vanaf ca. 1900 komt de overheid regelmatig met wetten en regelingen die de levensomstandigheden op deze landgoederen moeten verbeteren, want de neiging om het personeel uit te buiten is bij veel adellijke families immer aanwezig, te meer daar het personeel nauwelijks mogelijkheden heeft om het šarkdomenn de rug toe te keren.
Buiten de hedendaagse 27 šarkdomenns is al het land voor het grootste gedeelte onder de bevolking verdeeld. Hoewel de meeste Spokanische zelfstandige boeren een klein tot middelgroot bedrijf exploiteren, bestaan er ook echte herenboeren met veel landerijen. Maar nog altijd wonen de agrariërs opeengepakt in dorpen en komt men zelden vrijstaande boerderijen of woningen buiten de dorpen en steden tegen.
Tenslotte wonen bijna 15.000 Spokaniërs in een kents, ofwel commune of woongemeenschap. Een kents (meervoud is kentsa) is een al eeuwenoude woonvorm. Momenteel bestaan er nog ongeveer 150 kentsa, verspreid over het hele land. Het inwonertal varieert van nog geen 10 tot bijna 700. Kentsa kunnen grofweg in de volgende types worden onderscheiden:
• Een kents is in gelijke mate in het bezit van alle leden; wonen meerdere gezinnen samen in één huis, dan is dat huis in eigendom van één van de gezinnen of individuen; de anderen "wonen in". • Leden van een kents hebben een afgevaardigde in de gemeenteraad; mensen die met elkaar in een huis wonen zijn "gewone" burgers zonder een specifieke vertegenwoordiging. Voor een kents gelden allerlei fiscale voordelen en speciale regelingen; voor bewoners van een huis gelden de gewone regels zoals voor elke burger. • In een kents is de Sektewet van toepassing; in een gewoon woonhuis niet. Voor gewone huizen en boerderijen geldt een specifieke belasting (de zogenoemde Fundamentschuld), geheven naar de oppervlakte van het bebouwde deel. Dit is de reden dat men bij uitbreiding dikwijls omhoog bouwt (een verdieping erop), in plaats van een vleugel eraan. Daarom zijn veel huizen op het platteland hoog en smal. • Voor een kents wordt Grondbelasting voor de gehele oppervlakte van het terrein binnen de omheining (die is verplicht, zie het hekkenrecht) betaald, ongeacht wat er binnen de omheining gebouwd wordt. Daarom hebben kentsa vaak het karakter van een (barakken)kamp.
Spokanië kent momenteel ongeveer 750 dorpen, het kleinste telt slechts 70 inwoners, en in het grootste wonen 2650 mensen. Daarnaast zijn er totaal 573 steden. Het kleinste stadje (Jent) heeft 360 inwoners (en is dus kleiner dan vele dorpen), en de grootste steden zijn Hirdo (863.300 inw.) en Amahagge (632.560 inw.). Oorspronkelijk vertonen ook de steden een compacte bouw, veel plaatsen worden bijeengehouden door vestingmuren, waarbinnen iedere vorm van uitbreiding gezocht moest worden. Maar ook tegenwoordig kenmerken de stadsgrenzen zich bijna overal door een abrupte overgang van dichte bebouwing naar leeg platteland. Uitgestrekte buitenwijken komen nauwelijks voor, behalve in de meer geïndustrialiseerde gebieden. Hierboven is het woord "industrie" nog niet voorgekomen. Dit komt doordat de industrialisering in Spokanië pas laat op gang kwam - aarzelend aan het einde van de 19e eeuw, en in rap tempo tussen 1950 en 1970 toen de overheid alles op alles zette om het feodale Spokanië te ontwikkelen tot een moderne industriestaat. Dit streven staat bekend als de Industriële Expansie, waarbij ambitieuze omscholingsprogramma's werden uitgedacht om de veelal arme boerenbevolking een nieuwe, betere, toekomst in de industrie te garanderen. De ontwikkeling van de industrie ging halverwege de 20e eeuw gepaard met de bouw van arbeiderswijken aan de randen van de grotere steden, en een geheel nieuw soort woningbouw werd geïntroduceerd: de rijtjeshuizen. Keurige eenvormige eensgezinswoningen met een bescheiden voor- en achtertuintje. Dit zijn in Spokanië feitelijk de eerste geplande buitenwijken die er ooit gebouwd zijn. Stadsuitbreidingen van vóór die tijd betreffen altijd de wat luxere villawijken (vooral tussen 1850 en 1910) en de deftige straten met koopmanswoningen in de van oudsher bloeiende handelssteden met hun havens (tussen 1700 en 1820) zoals in Liyrotyka, Amahagge, Asjetto of Hoggebim. Aanvankelijk was de trek naar de grote stad en de hieraan verbonden verstedelijking een succes: veel jongeren verlieten hun boerendorpen en begonnen een nieuw leven als fabrieksarbeider. Maar omstreeks 1965 kwam de kentering: de rijtjeshuizen bleken toch te benauwd voor de mensen die het ruime platteland gewend waren, zeker toen de "emigranten" het huisje met vrouw en kinderen moesten gaan delen. En er ontstond nog een ander probleem, dat ook de overheid niet had voorzien: in de boerendorpen bleven ouderen na het wegtrekken van de kinderen dikwijls onverzorgd achter; de kinderen lieten het boerenbedrijf voor wat het was, en bejaarde boeren zagen zich gedwongen om ook naar de stad te trekken, in de hoop daar de sociale contacten en verzorging te vinden die zij nu door de leegloop van de dorpen moesten ontberen.
Tot ongeveer 1980 heeft de overheid nauwelijks oog gehad voor de sociale en maatschappelijke problemen die de industrialisering en de trek naar de grote stad met zich meebrachten. De wijken met de rijtjeshuizen verloederden, de dorpen liepen leeg, de arbeidersbevolking werd ondanks de goede sociale voorzieningen en het betere inkomen gekweld door woningnood, wegkwijnende inwonende ouders en opstandige kinderen. Tussen 1970 en 1990 zijn er in alle grotere steden flatgebouwen neergezet. Aanvankelijk aan de buitenrand van de stad, maar later ook meer naar binnen, dikwijls in de plaats van de gesloopte rijtjeshuizen. Vanaf omstreeks 1990 is er echter weer een nieuwe trend waarneembaar: het inwonertal van de grote steden neemt nauwelijks nog toe en de kleinere provinciestadjes komen meer en meer in trek bij jonge gezinnen met banen in de industrie en het bedrijfsleven. De eens zo compact gebouwde stadjes dreigen nu uit te dijen met ruim opgezette buitenwijken vol aardige villaatjes en lage appartementsgebouwen. Vooral rondom de grote industrie- en havensteden groeien zodoende de forensenstadjes op een welhaast ongecoördineerde wijze. In de eerste decennia na 1950 werd ernaar gestreefd om de arbeiders zo dicht mogelijk bij de fabrieken te huisvesten: het openbare vervoer was immers gebrekkig en het particuliere autobezit zo goed als afwezig. Sinds 1986 is de benzinerantsoenering afgeschaft en zijn de lonen een stuk hoger geworden, wat ertoe geleid heeft dat het autobezit drastisch aan het toenemen is. Momenteel telt Spokanië ... personenauto's, dat is 1 auto per ... inwoners (vergelijk Nederland: ... auto's, ofwel 1 auto per ... inwoners). Naarmate het autobezit toeneemt zullen meer en meer mensen ervoor kiezen om verder van hun werk te wonen, in een aardige omgeving met een leuk huis. Gelukkig ziet de overheid in dat deze trend zich niet te veel moet doorzetten, want niemand zit op verstopte wegen en een aangetast milieu te wachten. In het rapport Eft tuffes weg furt ef arfinvelk ("Een open weg voor de toekomst", april 1999, een gezamenlijke uitgave van de Ministeries van Transport, ....) wordt een beleidslijn geschetst die ertoe moet leiden dat forensenplaatsen "beheerst" tot ontwikkeling moeten kunnen komen, waarbij ongecoördineerde uitdijing van de bebouwde agglomeratie moet worden tegengegaan. Forensenplaatsen moeten in hoge mate self supporting zijn op cultureel, sociaal en zakelijk gebied. Het rapport ziet een belangrijke rol voor de centra ervan weggelegd, die levendig moeten blijven met een royaal aanbod aan winkels en andere voorzieningen. Voorkómen dient te worden dat van oudsher levendige plaatsen verworden tot slaapsteden met een dood hart. Voorts moet er prioriteit worden gegeven aan de ontwikkeling van een hoogwaardig openbaar vervoer tussen de forensenplaatsen en de werkplek, het liefst in de vorm van een sneltram of light rail. Het autoverkeer mag niet verder toenemen en flexibele werktijden moeten spitsuren aftoppen. Uit het rapport kan opgemaakt worden dat de overheid de ontwikkelingen elders in West-Europa goed in de gaten wil houden omdat daar alles een tiental jaren eerder plaatsvindt dan in Spokanië. Zodoende kan de regering anteciperen op de eigen trends, en de fouten vermijden die elders in Europa reeds gemaakt zijn.
....
Op het feodale platteland waren er feitelijk twee woontypen: de grote kastelen en landhuizen met hun vaak tientallen vertrekken, waarvan een deel gereserveerd was voor het huishoudelijk personeel, en soms een ander deel voor de landarbeiders met hun gezinnen.
In 1812 werd in veel districten een wet van kracht waarin werd geregeld aan welke minimummaten de vertrekken in een huisje moesten voldoen. Ook schreef de wet nu voor dat de kinderen die er geboren werden recht hadden op een eigen kamertje. Veel landheren bouwden het kinderkamertje pas aan als het eerste kind ook daadwerkelijk geboren werd, en uiteraard zaten ze niet bepaald op kinderrijke arbeidersgezinnen te wachten, zeker niet als er genoeg arbeiderfamilies in dienst waren. Er doen de wildste verhalen de ronde welke maatregelen landheren namen om het kindertal bij de arbeiders in toom te houden. Gedwongen abortus was nog wel het minst ernstige. Ook de roomskatholieke geestelijken werden door de landheren nog al eens in het complot betrokken om het aantal geboortes beperkt te houden.
In ergynische gebieden lag de situaties wat anders. Ten eerste heeft het huwelijk hier een heel andere betekenis: men trouwt pas als er een kind geboren is, want het huwelijk wordt beschouwd als "de afspraak tussen twee mensen om zich samen in te zetten tot het volbrengen van een gemeenschappelijke taak". In de praktijk wordt onder deze "taak" vaak de opvoeding van een kind verstaan.
Sommige landheren waren royaal en zorgden voor een aantal vrouwenhuisjes in een dorp (vaak op aandringen van een geestelijke). Maar als het dorp slechts één of twee huisjes rijk was, mochten niet te veel vrouwen tegelijk een kind krijgen. Er werd dan enige planning in het dorp vereist. Ook als er geen jonge moeders waren om de huisjes te bewonen, kwamen de optrekjes nog goed van pas: zonen en dochters die trouwplannen hadden, konden hier hun eerste liefdesdaad verrichten; de vrouw moet immers eerst zwanger worden voordat ze kunnen trouwen.
De wet van 1812, waarin de minimumeisen waren vastgelegd waaraan woningen op landgoederen moesten voldoen, zorgde ervoor dat een vrouw met haar baby nu ook een kamertje kon krijgen bij haar ouders of aanstaande schoonouders. De typische "vrouwenhuisjes" raakten daardoor steeds meer in onbruik. Dit proces werd nog versterkt toen steeds meer landlozen land gingen pachten of zelfstandige boer werden. Toen was er geen landheer meer die voor zulke huisjes moest zorgen.
3. Ontwikkeling van de woningen in de stad
Het traditionele onderscheid op het platteland tussen kastelen en landhuizen van de grondbezitters en de nederige stulpjes van de landlozen laat zich tot omstreeks 1800 in de steden vertalen in een onderscheid tussen de royale woningen van kooplieden en notabelen enerzijds en de eenvoudige huisjes van de handwerkslieden en arbeiders anderzijds.
Ook in de gewone stadshuizen vinden we in principe de traditionele indeling zoals die al eeuwen in de boerenhuizen gebruikelijk is: een grote woonkeuken, een ouderlijke slaapkamer en een washok met plee. Grotere huizen hebben naast de woonkeuken meestal nog een extra vertrek (de "huiskamer"), en op zolder vinden we eventueel nog kamertjes voor kinderen of personeel. De luxere huizen die na omstreeks 1600 in de steden gebouwd worden, krijgen een of meer extra verdiepingen. De ouderlijke slaapkamer verhuist nu naar boven en de ruimte die vroeger op de begane grond voor de slaapkamer was bestemd, wordt nu een hal met trap, en dikwijls ook een flinke kast of bergkamertje. Extra kamers, zoals we die vinden in zeer royaal ingerichte huizen, worden vrijwel altijd op extra verdiepingen toegevoegd, wat de huizen smal en hoog maakt (ook op het platteland is het heel gebruikelijk dat een grotere woning nog twee verdiepingen boven de begane grond bevat, waarbij elke etage maar een geringe oppervlakte heeft). Deze manier van "de hoogte in bouwen" wordt in de steden natuurlijk vaak gedicteerd door ruimtegebrek, en in de bergachtige gebieden door de steile hellingen. Maar ook als er ruimte zou zijn voor een groot grondoppervlak, zelfs voor een ruime bungalow, wordt er liever omhoog gebouwd. Dit is niet alleen een traditie, maar ook een manier om de zogenoemde Fundamentschuld (een soort belasting, geheven op de oppervlakte die een woonhuis inneemt) laag te houden. En deze belasting is progressief: als de oppervlakte van een woning twee keer zo groot wordt, kan de belasting wel vier keer zo hoog worden!
Het is frappant dat het verticale arrangement in woningen ook in moderne flatwoningen terug te vinden is. Een flat waarvan de ingang op de 5e verdieping ligt, heeft zijn slaapkamers dan op de verdieping erboven. Hier geldt dezelfde fiscale maatregel: een flateigenaar betaalt Fundamentschuld voor de oppervlakte die de onderste woonlaag inneemt. De oppervlakte van de woonlagen erboven tellen niet mee. In de meeste flatgebouwen zal de lift daarom alleen op de oneven etages stoppen, want daar vinden we de voordeuren. De even etages zijn alle de slaapkamerverdiepingen die alleen vanuit de flatwoningen zelf met een trap zijn te bereiken.
Een industriële ontwikkeling leidt tot grotere steden waar plaats moet zijn voor zowel de industriële activiteiten als de huisvesting van de arbeiders - een nieuwe "klasse" die in een feodaal systeem nauwelijks bestaat. Huisvesting voor arbeiders was tot ongeveer 1920 voornamelijk een verantwoordelijkheid voor de bedrijven die deze arbeiders als werknemer hadden. Evenals op het platteland kan men van een soort feodaal systeem spreken: de werkgever zorgt niet alleen voor werk, maar ook voor huisvesting, betaling in natura, gezondheidszorg, onderwijs voor de arbeiderskinderen, enzovoort. Vanaf ongeveer 1930 gaan ook de gemeentelijke overheden zich met de huisvesting van laagbetaalde en slecht opgeleide burgers bemoeien, want steeds meer burgers kunnen geen beroep meer doen op de goedwillendheid van de werkgever en hebben evenmin de financiële draagkracht om een relatief hoge huur voor een woning op de vrije markt te betalen - laat staan dat ze een eigen huis zouden kunnen kopen. Steeds meer gemeenten richten dan ook bouwfondsen (of woningfondsen) op, om huisvesting voor burgers met een laag inkomen te kunnen garanderen. Veel "nieuwbouwwijken" tussen ca. 1930 en 1960 in de grotere steden zijn dan ook door zulke bouwfondsen ontstaan. Een bouwfonds (of woningfonds; in het Spokaans zâros-fônts) is een instelling die woonwijken ontwikkelt en woningen bouwt voor mensen met een laag inkomen, die een "normale" huur niet kunnen betalen of niet aan een reguliere hypotheek kunnen komen. De door bouwfondsen gebouwde woningen worden tegen een lage huur verhuurd of voor een schappelijke prijs te koop aangeboden. Kopers kunnen bij het bouwfonds ook een hypotheek regelen die altijd veel voordeliger is dan bij reguliere hypotheekverstrekkers (zoals banken). Bouwfondsen financieren hun activiteiten en hypotheken voornamelijk door onderhandse leningen op de kapitaalmarkt. Bovendien zijn zij altijd in het leven geroepen door gemeente- of districtsbesturen, zodat er ook allerlei vormen van overheidsfinanciering mogelijk zijn. Om van de voordelige financiële constructies van een bouwfonds gebruik te kunnen maken, dient men aan een aantal voorwaarden te voldoen:
Bij punt 3: Spokaniërs die buiten Spokanië onroerendgoedbezittingen hebben worden per definitie geacht niet tot Spokaniërs met een laag inkomen te behoren. Zij zullen dan ook niet voldoen aan punt 4. Bij punt 4: hier gelden tabellen die inkomensgrenzen vaststellen, gebaseerd op de gezinssamenstelling: er zijn 2 parameters: (1) één- of tweeoudergezin; (2) aantal minderjarige kinderen. De hier opgenomen tabel geldt voor 2009. De bedragen worden jaarlijks aangepast. Bij punt 5: Onder "eigen bezittingen" wordt onder meer verstaan: spaargeld, waarde van aandelen, kostbare goederen (dure apparaten of kunst), onroerend goed. Goederen die beschouwd worden als een "vanzelfsprekendheid" tellen niet mee (zoals een koelkast, televisie of auto).
Mensen die aan bovengenoemde eisen voldoen, kunnen in aanmerking komen voor een huurwoning. Bij koopwoningen dient een hypotheek afgesloten te worden, en in dat geval zullen er nog aanvullende eisen gesteld worden (zoals bij elke hypotheekverstrekking geldt). Merk op dat bouwfondsen per definitie koopwoningen in combinatie met een hypotheek aanbieden. Zouden mensen dergelijke koopwoningen zónder hypotheek (dus contant) kunnen aanschaffen, dan voldoen zij per definitie niet aan de in bovenstaande tabel genoemde inkomensgrenzen. Immers, iemand die een koopwoning zonder meer kan betalen, heeft zo veel eigen vermogen dat hij geen bouwfondskandidaat kan zijn. Veel gezinnen met een laag inkomen kunnen alleen via een bouwfonds aan een woning komen omdat er in Spokanië weinig wet- en regelgeving bestaat om de financiële lasten van de mensen met lagere inkomsten te verlichten. Zo bestaat er nauwelijks een mogelijkheid om in aanmerking te komen voor huursubsidie, en om een huis te kopen heb je een hypotheek nodig die met een laag inkomen moeilijk te krijgen is. Anno 2009 zijn er 321 bouwfondsen in Spokanië. 311 ervan zijn gemeentelijke initiatieven, 10 ervan ressorteren onder een district. De belangen van deze bouwfondsen worden gecoördineerd en behartigd door de Lanko-feslosos furt Zâros-fôntses.
|
|
| |
| TOP | © De Twee Hanen v.o.f. • Kimswerd • The Netherlands |
|
| |
DA 00 • SPARC 07 jun 2000