| Sx
| Enkelvoudig voorsein (soms ook dienend als inrijsein).
S1: Volgend hoofdsein vertoont M0. Afremmen en voorbereiden op STOP(2).
S2: Volgend hoofdsein vertoont M2. Doorrijden met dienstsnelheid.
S12a: Volgend hoofdsein vertoont M2f. Afremmen en voorbereiden op beperkte snelheid(1).
|
|---|
| Mx
| Enkelvoudig hoofdsein (soms ook dienend als inrijsein).
M0: Stop!
M2: Alles veilig. Doorrijden met dienstsnelheid
M2f: Beperkt veilig. Doorrijden met beperkte snelheid(1).
|
|---|
| Cx
| Combinatiesein.
C0: Stop!
C1: Volgend sein is een hoofdsein dat M0 vertoont. Afremmen en voorbereiden op STOP(2).
C1c: Volgend sein vertoont C0, C1c of C2f. Afremmen en voorbereiden op STOP(2).
C2: Veilig. Volgend sein vertoont M2, C2, C1, C1c of C12a. Doorrijden met dienstsnelheid.
C2f: Beperkt veilig. Doorrijden met beperkte snelheid(1).
C12a: Volgend sein vertoont M2f of C2f. Afremmen en voorbereiden op beperkte snelheid(1).
|
|---|
| Rx
| Rangeersein.
R0: Stop!
R1: Toestemming voor rangeerbewegingen.
R1f: Volg de aanwijzingen van de rangeermeester op.
|
|---|
| Gx
| Dwergsein (soms ook dienend als inrijsein).
G0: Stop!
G0f: Toestemming voor rangeerbewegingen binnen het rangeergebied.
G2: Doorrijden met dienstsnelheid.
G2f: Doorrijden met beperkte snelheid(1).
|
|---|
| Px
| Vertreksein.
Px: Stoppende treinen mogen niet vertrekken; doorgaande treinen moeten doorrijden.
P3fb: Voorbereiden op een vertrekteken van de conducteur of de stationschef (wacht op seinbeeld P3b).
P3b: Vertrekken!
|
|---|
| Bx
| Spersein(4).
B0: Stop!
B3b: Doorrijden met beperkte snelheid(1).
|
|---|
| BPx
| Sper/vertreksein.
BP0: als B0.
BPx: als Px.
BP3b: als P3b en B3b.
BP3fb: als P3fb.
|
|---|
| Ux
| Inrijsein.
U0: Stop!
U2: Doorrijden met dienstsnelheid.
U2f: Doorrijden met beperkte snelheid(1).
|
|---|
| Dx
| Op/afrijsein.
D0a: Stop!
D1: Toestemming om een weegbrug, laadbrug, draaischijf ed. op te rijden.
|
|---|
| Kx
| Opdruk/heuvelsein.
K0b: Stop!
K1cc: Voorzichtig opdrukken tot het stopteken.
|
|---|
| Lx
| Tunnelsein(3).
Lx: Geen beperkte snelheid.
L4f: Doorrijden met beperkte snelheid(1); verwacht stoptonend sein buiten de tunnel.
|
|---|
|
NOTEN:
(1) De beperkte snelheid die door een sein wordt afgedwongen, kan aangegeven worden met
het matrixbord A17 of met een snelheidsbeperkingsbord van de Serie 100 (borden 101, 103 of
105), dikwijls aangevuld met een onderbord van de Serie 700 dat een afbuigend spoor aangeeft
(borden 700, 701 of 703).
(2) Het wordt over het algemeen aan het vakmanschap van de machinist overgelaten op welke wijze
hij/zij zodanig afremt dat de trein voor het stop tonende sein ook daadwerkelijk tot stilstand is
gekomen. Als de afstand tussen voor- en hoofdsein zo kort is dat de machinist sterker moet
afremmen dan de standaardprocedure voorschrijft, kan dit aangegeven worden met bord 325.
(3) Een tunnelsein staat (globaal) op de plek waar eigenlijk een hoofdsein had moeten staan (in
afstand gerelateerd aan een voorsein vóór de tunnelingang). Omdat een trein niet in een tunnel
mag stoppen, staat het hoofdsein erbuiten. Het tunnelsein geeft aan dat de machinist het
remmen nog kan uitstellen totdat hij het hoofdsein in zicht krijgt.
(4) Een spersein wordt geplaatst op emplacementsporen om te voorkómen dat rangerende treinen
op een ingestelde rijweg van een andere trein terechtkomen. Als via een aantal wissels en/of
kruisingen een bepaalde rijweg is ingesteld, zullen alle sperseinen van de sporen die op deze
rijweg uitkomen op rood staan.
|
Lichtseinen: algemene informatie
A. Lichtbeeld-code
Sinds de reorganisatie van het seinwezen (Dienstmededeling
567.090584) maakt de SA voor de beschrijving van de lichtseinen
gebruik van de zogenoemde lichtbeeld-code
(ATK = armâtat-tjef-kote).
De ATK geeft aan:
- soort lichtsein: bij wat voor soort sein het licht hoort
- kleuren: welke kleur elk brandende licht uitstraalt
- karakter: of het om een vast licht of een knipperlicht gaat
- wat de onderlinge positie van de lichten is (dit is alleen
van belang als er twee of meer lichten tegelijk kunnen branden)
1. Soort lichtseinen:
| S * | enkelvoudig voorsein | | P | vertreksein
|
|---|
| M * | enkelvoudig hoofdsein | B | spersein
|
|---|
| C | combinatiesein | U | invoegsein
|
|---|
| R | rangeersein | D | op/afrijsein
|
|---|
| F | inrijsein | K | opdruk/heuvelsein
|
|---|
| E | uitrijsein | L | tunnelsein
|
|---|
| G | dwergsein | |
|
|---|
| * | Sein S gaat altijd aan sein M vooraf, maar gaat nooit aan een ander soort sein vooraf.
|
2. Kleuren:
| 0 | rood |
|
|---|
| 1 | geel |
|
|---|
| 2 | groen |
|
|---|
| 3 | wit |
|
|---|
| 4 | blauw |
|
|---|
| 5 | oranje * |
|
|---|
| x | gedoofd licht |
|
|---|
| * | Oranje lichten komen in lichtseinen niet voor. Bij oudere armseinen bestonden echter wel oranje lichten, en daarom is de code voor deze kleur ook in het nieuwe systeem gehandhaafd.
|
3. Karakter:
| s | vast licht | *
|
|---|
| f | knipperlicht | **
|
|---|
| * | Omdat de meeste lichten vaste lichten zijn en er nooit een knipperlicht bedoeld kan worden, wordt de code s meestal weggelaten. Dus M0 is hetzelfde als M0s (rood vast licht van een enkelvoudig hoofdsein).
| | ** | Op computerschermen ed. kan een animatie van een knipperlicht
gebruikt worden. Standaard is echter een sterretje.
|
4. Onderlinge positie (van 2 lichten die tegelijkertijd schijnen):
| a | twee lichten verticaal boven elkaar |
|
|---|
| b | twee lichten horizontaal naast elkaar |
|
|---|
| c | twee lichten schuin boven elkaar,
oplopend naar rechts |
|
|---|
| d | twee lichten schuin boven elkaar,
oplopend naar links |
|
|---|
Als er sprake is van 3 lichten die tegelijkertijd branden, wordt de
onderlinge positie omschreven als een combinatie van twee keer twee
lichten, bijvoorbeeld:
| aa | drie lichten verticaal boven elkaar |
|
|---|
| bb | drie lichten horizontaal naast elkaar |
|
|---|
| cc | drie lichten schuin boven elkaar,
oplopend naar rechts |
|
|---|
| dd | drie lichten schuin boven elkaar,
oplopend naar links |
|
|---|
| dc | drie lichten in een V-vorm |
|
|---|
| cd | drie lichten in een A-vorm |
|
|---|
| ab | drie lichten in een L-vorm |
|
|---|
| ac | twee lichten boven elkaar en een licht
rechts naast het bovenste licht |
|
|---|
De ATK wordt opgebouwd door de codes van de respectievelijke punten
1., 2., 3. en 4. hierboven. Als twee of meer lichten met verschillende
kleuren schijnen, worden de kleuren van links naar rechts genoemd,
ongeacht of ze zich op verschillende hoogtes bevinden en of de
kleuren ook van boven naar beneden genoemd zouden kunnen worden.
Alleen als de kleuren zich recht boven elkaar bevinden, worden ze
van boven naar beneden genoemd. Als twee of meer lichten met dezelfde
kleur schijnen, wordt die kleur maar één keer genoemd. Voorbeelden:
| M0 | 1 rood vast licht van een enkelvoudig hoofdsein |
|
|---|
| C1c | 2 gele vaste lichten schuin boven elkaar,
oplopend naar rechts, van een combinatiesein |
|
|---|
| L4f | 1 blauw knipperlicht van een tunnelsein |
|
|---|
| P3fb | 2 witte knipperlichten, horizontaal naast
elkaar, van een vertreksein |
|
|---|
| S12a | 1 geel vast licht met een groen vast licht
eronder, van een voorsein |
|
|---|
|